Dargot ha-Soelam
1. Atsieloet
– persoonlijk bestuur (persoonlijke Voorzienigheid)
In het boek “Talmoed Esser haSfirot” wordt gezegd, dat in
de wereld Atsieloet direct het Hoogste Licht schijnt, en niet zoals haar vullende
wereld Brieja, daar hij “voortgebrachte”, “secundaire” genoemd wordt.
De wereld Atsieloet – dat is het persoonlijke bijzondere
bestuur, daar “de Schepper Zelf verricht alles, en daarin vindt het plaats,
dat zijn direct Zijn verrichtingen”. Daarom is de wereld Atsieloet de eigenschap
van het licht zelf, zonder enige deelname daarin van scheppingen. De eigenschappen
van de werelden Brieja, Jetsiera en Asieja zijn echter van de wereld Atsieloet
afgezonderd, daarin bestaat een verdeling in goed en kwaad, beloning en straf.
Daarom schijnt het licht daar als gevolg van gezamenlijke handelingen tussen
de Schepper en schepselen, en daarin is hun onderlingen deelname.
Daarom juist heet dit licht “voortgebrachte”, omdat aan de
basis van zijn ontstaan twee redenen zijn. Echter in de wereld Atsieloet,
waar generlei gezamenlijk werk bestaat, d.i. alles zonder hulp van de schepselen
plaatsvindt, deze eigenschap heet “Gij zult het kwaad bij u niet onderbrengen”,
waar alles duidelijk en helder is, en daarom heet die een persoonlijk bestuur.
En daarin is de zin van datgene, wat gezegd is, dat een scherm
een verdeling vormt tussen de werelden Atsieloet en Brieja, d.i. de werelden
BaJ”A zich onder werking van een scherm bevinden, terwijl in de wereld Atsieloet
een scherm, dat van de Schepper scheidt, is in het geheel niet werkzaam. Schermen
werken alleen ten aanzien van de werelden BaJ”A. Dat wordt allemaal ten aanzien
van zielen gezegd, welke zich in de werelden BaJ”A bevinden, waar de eigenschap
beloning – straf regeert – zielen gewaarworden, dat er schermen bestaan. Maar
wanneer de werelden BaJ”A naar de Atsieloet opstijgen en het Hoogste persoonlijke
bestuur waardig bevonden worden, dan zien zij, dat alles ineen is verbonden
en dat daar generlei scheidende eigenschappen van schermen zijn.
2. Afstoting
van gedachten van de mens
“Het slaan van het licht, dat in het scheidende scherm
slaat, brengt vonken van licht voort, die via een scherm doorgaan” (TE”S,
blz. 115, p. 6)
Slagen betekenen gedachten, die bij een mens als slagen
komen, welke gedachten hem van het geestelijke werk proberen te verjagen en
die hem inspanningen dwingen te leveren, om een juiste gedachten te bewaren,
om in een correcte intentie vast te blijven staan – en daarom neigt een mens
nu naar die kant, dan weer naar een andere.
Dat vindt dan plaats, wanneer bij een mens een “scherm”
reeds bestaat – een weerstand aan zijn egoïsme biedende kracht. En indien
een mens onophoudelijk over het bestaan bij hem van dit “scherm” zorg draagt,
indien hij erover eens is, om langs de weg, die door de Schepper gegeven is,
zich voort te bewegen, pas dan bouwt hij daarop al zijn berekeningen.
De mens bepaalt, wat beter voor hem is – dat is het aanvaarden
van het geloof boven zijn verstand. Daarmee leidt hij tot een aanvullende
openbaring van het licht op een hogere trap. Het proces van al dit uitzoeken
brengt vreugde aan de mens.
Wij kunnen dat ziet aan een voorbeeld van twee mensen, die
van elkaar houden. Wanneer bij één van die twee nog één vriend bijkomt, die
ook tot de tweede wenst toenaderen, maar wenst de eerste dat niet en observeert
hem: wie zal hij tot zijn trouwe vriend verkiezen. De tweede begint uit te
zoeken, waarbij hij alle “voors” en “tegens” van de ene ten aanzien van de
andere overweegt. Hij begint het weggeven en nut van elke ervan te evalueren.
Deze gedachten over het eigen voordeel beginnen in hem voorbijsnellen, waarbij
zij de belangrijkste intentie – een gedachte aan de vriend – verbreken. Men
name dat heet “kennis van de mens slagen ondergaat van de kant van egoïstische
wensen”.
Uiteindelijk besluit hij om zich met de eerste vriend te
verenigen. En de kracht om dit besluit te nemen verkreeg hij pas dan, wanneer
hij boven zijn begrijpen ging, d.i. het berekenen van zijn voordeel.
De mens gewaarwordt het belang van een hogere trap duidelijk
niet, daarom bouwt hij al zijn uitzoeken en berekeningen op basis van een
“scherm”, welk scherm een ervaring van zijn werk is in het verborgene. Wanneer
de mens zich overwint, door in zich het bestaan van een “scherm” voortdurend
te bevestigen, waarbij hij voor geen moment de weerstand aan zijn egoïsme
onderbreekt, dan leidt dat tot het onthullen van vreugde bij een hogere. Dan
ook daalt op de mens vreugde van Boven.
In die mate, waarin de mens de belangrijkheid van een hogere
trap op zich nam, ondanks de argumenten van zijn verstand, wordt de grootsheid
van een hogere door hem beseft, waarbij het zijn begrijpen van een hogere
trap wordt.
8. Zo is
de weg van de Tora
Het is gezegd: “Zo is de weg van de Tora: leef door een leven
van leed…”. En dat is daarom, omdat bij degene, die omwille van de Schepper
werkt zijn lichaam (=de wens om egoïstisch te genieten) geniet niet, daar
het niets ontvangt. Maar wanneer men zijn “lichaam” aanleert om in de eigenschap
van het weggeven te werken, dan wordt men een zulke eigenschap als
”het genieten van een genieting van de Schepper” waardig bevonden. D.w.z.,
door omwille van de Schepper te werken ontvangt men een genieting, en dat
heet “de weg van de Tora – de weg van een voldoening”.
9. De afscherming
van wijsheid is het zwegen
“De afscherming van wijsheid is het zwegen”. Om het licht
“chochma” waardig bevonden te worden dienen wij eerst onze wensen te corrigeren,
opdat ze de eigenschap van het altruïsme zullen verkrijgen. Daarom bestaat
de correctie in het zwegen, in het onderdrukken van egoïstische wensen. Dan
komt het licht chochma in de mens – het licht van de wijsheid.
10. Van
wie de Schepper zal gaan houden, die zal Hij overtuigen
“Van wie de Schepper zal houden, die zal Hij overtuigen”,
d.i. aan degene, die van wie de Schepper houdt, zendt Hij leed, opdat hij
pijn zal gaan voelen van het feit, dat hij de weg van de Schepper niet volgt.
Juist ‘t leed dwingt de mens om de eigenschappen van de Schepper op zich te
nemen. Bovendien, degene, die generlei leed voelt van het feit, dat hij de
weg van de Schepper niet volgt, ontvangt generlei raad ten aanzien van zijn
ziel, om zich ervan te bevrijden en geestelijk te verheffen.
11. “En
vrees en angst”
“En vrees en angst zal voor u zijn op elk dier der aarde…”
– Rashi commenteert: “Totdat een ééndaagse zuigeling leeft, is het niet nodig
om hem van muizen te beschermen. Maar indien Og, de koning van Basjan, sterft,
dan dient men hem te behoeden” (Sanhedrin 98).
De hele weerstand van onreine krachten bestaat daarin, dat
zij aan de mens een levensbehoefte aan het materiële in deze wereld laten
zien, en dat het niet de moeite waard is, om het te verwaarlozen, omwille
van de Geestelijke wereld waardig te zijn. Maar wanneer de mens het uitgaan
in het geestelijke toch waardig bevonden wordt, dan verliest al het materiële
zijn invloed op hem, omdat het hele materiële bestaan alleen op de wens om
te ontvangen gegrondvest is. En daarom verandert het materiële voor hem uit
zichzelf in niets wanneer de mens in de geestelijke wereld uitgaat.
Er bestaat een stelregel, dat “de wens om te ontvangen” –
dat is een eigenschap, die tot “dood” leidt, terwijl “de wens om weg te geven”
“het leven” genoemd wordt, omdat deze wens leidt de mens tot de eenheid met
de Schepper - de Bron van het leven. Daarom, indien de mens waardig bevonden
wordt om langs de weg van het weggeven te gaan, hoewel hij zich voorlopig
in de toestand van een “zuigeling” bevindt, wordt hij toch al als “levende”
beschouwd. En dan buigen “dieren der aarde”, d.i. al zijn dierlijke wensen,
voor hem, omdat al het bestaan van het kwaad, d.i. het levenskracht van het
materiële, alleen van de wens om te ontvangen af.
19. Over
het bekleden van een ziel
Naar mate van de door de mens geleverde inspanningen in het
bevatten van de Tora en voorschriften, d.i. in die mate, waarin hij zijn egoïstische
wensen prijs kan geven, om zich aan het geestelijke, aan het altruïstische,
gelijk te stellen, in dezelfde mate wordt in de mens een zekere “bekleding”
in de Hogere werelden gevormd. Deze “bekleding” is een “weerkaatst licht”,
een altruïstische intentie, waarin hij zich kan “bekleden”, zijn “naakte”
egoïstische wensen “bekleden”, ze in een intentie omwille van de Schepper
inkleden, en naar mate van het gelijkstellen van zijn eigenschappen aan de
eigenschap van het licht begin de mens de Hoge wereld te bevatten.
Het is bekend, dat in het geestelijke een wet van “gelijkenis
van eigenschappen” werkzaam is, d.i. om een geestelijke gewaarwording, een
trap, te bereiken, is het nodig om op zich een gelijkenis van een zulke eigenschap
te nemen, welke eigenschap op die trap werkzaam is, waardig zijn (gelijkenis
vertonen), dat het licht van de Schepper in de mate van die gelijkenis onthuld
zal worden.
Indien de mens een of andere anti-egoïstische inspanning
leverde, dan deze inspanning zelf vormt in die mens een correcte wens en een
behoefte in het vullen met het licht. Het vullen met het licht betekent een
genieting van de eigenschap van het licht, d.i. een genieting van het weggeven.
Er is geen grotere genieting in het heelal, dan een genieting van het weggeven
aan de Schepper!
Alles, wat men aan de mens van boven geeft, geeft men hem
alleen in de mate van zijn bereid zijn voor het ontvangen. D.w.z., een inspanning,
een correctie, een gecorrigeerde wens zelf veranderen door het licht. een
inspanning van de mens verwekt in hem een wens, een behoefte, dat de Schepper
hem zou helpen om uit dat egoïsme, waarmee hij geschapen werd, uit te gaan,
en waaruit hij zichzelf probeert uit te trekken, ten koste van gigantische
inspanningen. Maar zonder een zulke inspanning zou geen behoefte in het helpen
van de Schepper ontstaan. Juist het besteden werk geeft aan de mens een “bekleding”,
een gelijkenis aan een hogere qua eigenschappen, waarin de Schepper Zich zal
kunnen onthullen.
20. Het
begin is - verband met de Schepper
Er bestaat een stelregel, dat het niveau van onze beoordelingen
overeenkomt aan onze geestelijke bevatting. Eveneens het verband van de Schepper
met de schepselen neemt zijn begin uit Zijn wens om de schepping te vergenoegen.
Dat is de eigenschap van de Oneindige wereld. Vandaar, dat er geen zin heeft
om zich een vraag te stellen “Waarom wenste de Schepper de schepping te vergenoegen?”,
“Wat de reden was, die Hem ertoe bracht?”. Immers onze waarneming vanaf een
gewaarwording (het niveau) van het feit begint, dat Hij wenst te vergenoegen
(en niet boven dit niveau) – deze wens van Hem is het hoogste, wat wij kunnen
bevatten. Maar wat vóór deze wens geweest was – dan kunnen wij niet bevatten.
Indien wij ons afvragen: waarop baseert zich deze Zijn gemanifesteerde
eigenschap – de Wens om te Vergenoegen – wat de reden was, welke reden vóór
de wens van de Schepper bestond, dan vragen wij al over datgene, wat er bestond
vóórdat het verband tussen de Schepper en de scheppingen gemanifesteerd werd
– en dat bevindt zich boven de mogelijkheid van onze bevatting.
En ook Zijn eigenschap om “te vergenoegen” zelf wordt door
ons alleen uit de ten aanzien van ons vertoonde verrichtingen van de Schepper
zelf bevat, d.w.z., uit het feit, dat bij ons iets ten goede is opgelost,
wordt ons duidelijk, dat het goed werd gewenst.
25. Het
belangrijkste wat ons ontbreekt
Het belangrijkste, wat ons ontbreekt – dat is een gewaarwording
van de belangrijkheid van het doel, de belangrijkheid van het doel van de
schepping. Wij weten niet, hoe datgene te beoordelen, dat men ons een mogelijkheid
gaven om de Schepper te dienen, opdat wij Degene zouden kunnen bevatten, aan
Wie wij al onze wensen weg dienen te geven, tot Wie wij ons streven dienen
te richten. Er ontbreekt ons het besef, een gewaarwording van de Grootsheid
van de Schepper. Daarom dienen wij tot het begrijpen te komen, in hoeverre
wij gelukkig zijn met de aan ons gegeven privileges om De Hoogste Regeerder
te dienen. Maar wij zelf zijn niet in staat zonder hulp van de Schepper om
Zijn Grootsheid te bevatten.
In de taal van het boek “Zohar” heet een zulke toestand “Sjchiena
in as” – wanneer een mogelijkheid om de Schepper een voldoening te geven door
ons als as, als niets gewaardeerd wordt, als gevolg van het volledige ontbreken
in ons van een gewaarwording van Zijn grootsheid, kracht en macht. En daarom
hebben wij generlei drift voor het werk, tot inspanningen om de Schepper te
bevatten, immers dat wordt in ons als volkomen onnodig geacht.
Het is bekend, dat wij niet in staat zijn om te werken, indien
wij ervan generlei genieting ontvangen, daarom zijn er ook absoluut geen krachten
voor het werk. Maar daar, waar ons een mogelijkheid schittert om ons egoïsme
te vergenoegen, het lichaam terstond tot leven geroepen wordt daar het naar
een beloning streeft.
Echter in het werk ten behoeve van het weggeven, in het leveren
van inspanningen om gewaarwordingen van de grootsheid van de Schepper te ontvangen,
opdat krachten zouden zijn om aan Hem weg te geven – daar bestaat bij ons
egoïstisch lichaam generlei mogelijkheid om daarin al was het maar enige smaak
van een voldoening te gewaarworden. En dan wordt de mens gedwongen om zich
onder druk van zijn last – het egoïsme – te bevinden.
Maar het is heel anders, wanneer de mens voelt, dat hij de
Hoogste dient. Dan heeft de mens, in de mate van zijn besef van de belangrijkheid
en de waardigheid van de Regeerder in zijn ogen, een voldoening en een genieting
van de dienst aan Hem. Daarom ontbrandt hij dan voor het werk: laat hem telkens
steeds meer kracht geven, opdat hij verder zal kunnen voortgaan. En krachten
ontstaan alleen als gevolg van een gewaarwording van de grootsheid van de
Schepper. Dat komt allemaal omdat er een gewaarwording bestaat van de relevantie
van degene, aan wie je dient.
En wanneer bij de mens een duidelijke bewustwording en een
gewaarwording van het feit is, dat hij weet, wie hij vergenoegt, dan heeft
hij, eveneens als hij krachten had om te werken ten behoeve van het genieten
voor zichzelf, op dezelfde manier nu krachten om de Schepper genoegen te doen.
Omdat geacht wordt, dat degene, die aan een zeer belangrijke iemand weggeeft,
van hem als het ware ontvangt. En daar voor het ontvangen bij het lichaam
altijd krachten zijn – het is altijd in staat om in een toestand te werken,
indien het daarvoor in plaats ontvangt; op een dergelijke wijze ook in het
werken omwille van de Schepper – het beseffen van Zijn Grootsheid geeft aan
het lichaam een genieting van het weggeven aan Hem.
Daardoor wordt het duidelijk datgene, wat in de religieuze
wet is gezegd, dat het weggeven aan een belangrijke mens wordt aan het ontvangen
van hem gelijkgesteld. Wij spreken echter over datgene, dat wanneer het ontvangen
daarvoor plaatsvindt, om een genieting aan de gever te verstrekken, en niet
voor zichzelf, dan heet het ontvangen “het weggeven”, dat is gelijk aan het
weggeven.
Op die manier kunnen wij ook de tweede zijde van dit voorbeeld
begrijpen, wanneer het weggeven als het ontvangen geacht wordt, dankzij wat
bij de mens krachten voor het werk beschikbaar zijn. immers, indien hij aan
een belangrijke mens weggeeft, dan geeft het hem kracht, net alsof hij van
hem zou ontvangen.
Van dat allemaal volgt, dat wij niets anders nodig hebben,
behalve als het gaan geloven, de Grootsheid van de Schepper te gaan gewaarworden.
En dan zullen bij ons krachten ontstaan voor het werken omwille van het weggeven
aan Hem.
33. “Verwijder
u van het kwaad en doe goed”
Het is gezegd is de Tora: “Verwijder u van het kwaad en doe
goed”. Het geestelijke werk van de mens begint met het vervullen van het voorschrift
“…doe goed”. En dan is hij in staat om “verwijder u van het kwaad…” te vervullen.
Maar een opvoeding stelt de mens niet in staat om te bepalen, wat is kwaad
– en integendeel, hij streeft om zijn egoïstische strevingen te vullen, omdat
hij daarbij een enorme genieting voelt. En indien men hem zegt, dat het verschaffen
van genot een kwaad is, dan begrijpt de mens niet waarom. Maar hij dient te
geloven boven zijn verstand, dat het kwaad is, en dat het nodig is om deze
weg te verlaten.
Gelijk dat, wanneer de mens een gebiedend voorschrift “doe”
vervult, bijvoorbeeld, het voorschrift van het zich inhullen in tsitsit, dan
gewaarwordt hij daarin generlei goed, omdat hij tijdens het uitvoeren van
dit voorschrift absoluut geen genieting ondervindt, om te kunnen zeggen, dat
het goed is, dat de Schepper hem een beloning zendt. En hij dient opnieuw
met een “geloof boven het verstand” te geloven, dat het goed is.
Maar later, wanneer de mens vooruitgaat, waarbij hij het
geloof boven het verstand plaatst, terwijl hij zich beurtelings nu in de toestand
van “het goed”, dan weer in die van “het kwaad” bevindt, geeft men hem van
boven een zekere smaak in “doe goed” te gewaarworden. En in de mate, waarin
de mens het goed in het uitvoeren van een gebiedend voorschrift gewaarwordt,
begint hij daarin het kwaad te gewaarworden, wat het kwaad is. En dat betekent,
dat bij hem al een gewaarwording bestaat van het goed in “doe goed” en een
gewaarwording van het kwaad in “verwijder u van het kwaad”. Er bestaan voor
hem dus al een beloning en een straf in onze wereld.
Indien de mens echter voor het ontvangen van een beloning
werkt, dan vervult hij, waarbij op het geloof in een beloning en een straf
steunt, “verwijder u van het kwaad”. Ondanks het feit, dat hij een genieting
daarin gewaarwordt, waarvoor hij het verlangen ondervindt, verwijdert hij
zich toch van het ontvangen van genietingen, om van bestraffingen in de toekomstige
wereld niet lijden. Gelijk dat, tijdens het uitvoeren door hem van “doe goed”,
kan hij een gebiedend voorschrift vervullen, ondanks het feit, dat hij geen
genieting van zijn uitvoering gewaarwordt, daar hij gelooft, dat hij daarvoor
een beloning zal ontvangen, en dan zullen bij hem voor deze handeling krachten
verschijnen.
Maar indien hij alleen zal gaan wensen om niet voor een beloning
een voorschrift te vervullen, dan ontstaat terstond een vraag: “Waarvoor vervul
ik “verwijder u van het kwaad en doe goed”? Natuurlijk, dient hij dan tegen
zichzelf te zeggen, dat dit een voorschrift van de Schepper is. Maar waarvoor
heeft de Schepper dat nodig? Immers bij de Schepper geen gebrek is. Zou Hij
daarin tekort hebben dat de schepselen de voorschriften en aanbevelingen van
de Tora vervullen? Natuurlijk komt dat ten goede van onszelf, daarvoor, dat
wij ons zullen corrigeren. En pas dan gaat de mens eraan denken welk nut hij
ervan allemaal heeft? Daarom dient de mens zijn werk eerst in “het geloof
boven het verstand” te beginnen. Dan zal een hulp van de Schepper komen, wat
“bestraling van boven” heet. En op die manier gaat de mens voort, totdat hij
alle 5 niveaus van de NaRaNCha”J van zijn ziel volledig zal bevatten.
38. “Taamiem,
nekoedot, tagien, otiejot”
Degene, die het Ware Leven wenst te proeven, dient zich tot
het punt in zijn hart te richten. Dit punt bestaat bij elke mens, alleen is
het nog niet aan de dag gekomen, het schijnt hem niet en daarom aan een zwart
punt lijkt. Maar dit is het deeltje van het geestelijke in de mens, het deeltje
van zijn ziel, en daarom is zijn aard om naar de Schepper te streven. Gewoon
tot nu toe wordt deze eigenschap door de mens nog niet gewaargeworden, als
iets waardevols voor hem, en daarom lijkt hem dit minuscule aanwezigheid van
de Schepper in hem onbenullig , gelijk een zwart punt zonder enige aantrekkelijkheid,
als stof onder zijn voeten.
En er is maar één raad om dit punt te vergroten – de mens
dient zijn belangrijkheid voor hemzelf te vergroten, waarbij hij dit deeltje
van het geestelijke tot de kroon en het doel van al zijn gedachten maakt.
Laat de aanwezigheid van de Schepper in plaats van een gelijkenis aan het
stof zich boven zijn hoofd verheffen en tot het allerhoogste voor de mens
worden. En dan zal het geestelijke in de wensen van de mens zich manifesteren,
waarbij het zijn essentie zal worden – immers juist dat zijn geestelijk lichaam
vormt. En dan wordt de mogelijkheid van het waarnemen van de Schepper tot
werkelijkheid.
39. Vinden
van welwillendheid en begrip
Het is gezegd is “Miesjlej”: “Gij zult welwillendheid en
goed begrip in de ogen van de Schepper en de mens vinden”. Wat betekent “welwillendheid
in de ogen van de Schepper vinden”? Wat dient te worden gedaan dat de Schepper
met behulp daarvan handelingen van de mens geschikt zal vinden? Hoe kan de
mens, die geheel uit gebrek, egoïstische intenties, bestaat, tot volmaakte
handelingen komen?
Juist daarom verzoeken wij om een welwillendheid, immers
wij zijn niet in staat om iets volmaakts te verrichten. Wanneer de mens dat
beseft, verzoekt hij de Schepper om welwillendheid!
42. Essentie
van vissen – onrust
Het begrip “Dagiem” – “vissen” betekent “daagot”, zich ongerust
maken over het geestelijke, namelijk - een gewaarwording van een gebrek. Echter
op sjabbat, wanneer alles zijn correctie ontvangt, wordt datgene, wat onrust
was, tot voedsel. Maar in Egypte waren zorgen tevergeefs, d.i. zonder het
vervullen van voorschriften. Indien alle onrust over datgene is, hoe voor
zichzelf te ontvangen, dan vertoont het lichaam zorg, en er is geen noodzaak
in een aanvullend werk. Maar indien het zich zorgen maakt over iets op basis
van het feit, dat een voorschrift dat voorschrijft, dan staat het lichaam
niet toe om zich erover zorgen te maken.
47. Opheffen
van handen
Het is gezegd: “Hef uw handen tot de hemelen op en zegent
de Schepper”. Hetzelfde is gezegd over een gebed: het dient met omhoog opgeheven
handen zijn, gelijk datgene, wat geschreven is over Mosje, dat “wanneer hij
zijn handen ophief, werd Israël sterker”.
“Het opheffen van handen” betekent een uitdrukking van onderworpenheid,
wanneer de mens ziet, dat hij niet in staat is om datgene wat hij wenst te
bereiken. Dan heft hij zijn handen op, waarmee hij uitdrukt, dat zelfstandig
zal hij hier al niets bereiken.
Daarom juist heft men tijdens het smeken tot de Schepper
zijn handen ophoog, waarmee men laat zien, dat de mens zijn nietigheid en
krachteloosheid om iets zelf in de wereld te veranderen al besefte en kwam
tot de enige beslissing, dat alleen de Schepper hem zal kunnen helpen, maar
niet hijzelf en niemand anders.
Eveneens heft men handen omhoog, terwijl men de Schepper
zegent, waarmee men het besef van het feit uitdrukt, dat men niets zelfstandig
kan doen, en alles, wat de mens heeft – alleen de Schepper gaf hem. Daarom
dankt de mens de Schepper voor alles, wat hem gegeven is.
57. Ons
geloof in boeken en in degenen, die ze schreef
“Bewoners van ene stad kochten een briljant, en allen waren
zij zeer tevreden, dat zij hem zeer goedkoop inkochten. Maar bij een ervan
ontstond een vraag of de briljant echt was. Echter niemand van de bewoners
van de stad wist iets van diamanten, en daarom gingen zij naar ene handelaar,
een deskundige, opdat hij hen zou zeggen of deze briljant echt was. En zij
waren blij, wanneer hij hen antwoordde, dat de briljant echt was. Maar een
ervan vraagt: waarom vertrouwen zij zo op die handelaar, die, mogelijkerwijs,
een oplichter is. Daarom wil hij zelf dit beroep leren, een deskundige worden,
en hij leert en floreert…” – deze allegorie is een bevestiging van het feit,
dat het vervullen door ons van de Tora en voorschriften daarop is gebaseerd,
dat wij ons op het geloof verlaten, welk geloof wij uit boeken en kenners
van de Tora ontvingen.
58. De
Schepper deed zo, dat men ontzag voor Hem heeft
“De Schepper deed zo, dat men ontzag voor Hem heeft” – immers
anders ontstaat er geen eis voor het voortzetten van het licht. en dat is
te vergelijken met een deur, welke men dicht dient te doen (welke de mens
zelf voor zijn egoïsme dicht dient te doen), opdat ongenode gasten (egoïstische
wensen) niet binnen kunnen komen. Maar zelf een zulke deur te maken is uiterst
moeilijk (maar het is mogelijk met behulp van de Schepper).
62. Vragen
in het werk
Waarom vraagt de mens zich over zijn werk in het materiële
niet af, zelfs indien hij een heel jaar doorgewerkt heeft: “Wat heb ik in
dit jaar verdient?” In het geestelijke werk ontstaat een zulke vraag echter
altijd, en de mens vraagt zich af: “Wat heb ik in het afgelopen jaar toegevoegd?”.
Waar komt deze vraag over een geestelijke verdienste vandaan – van de kant
van het altruïsme of van de kant van het egoïsme?
Onze wereld heet “valse wereld”, omdat alles, wat de mens
in zijn egoïstische wensen ontvangt, verdwijnt terstond en direct ontstaat
er een leegte en een behoefte in een nieuwe vulling. Daarom ontstaat er geen
vraag over datgene, wat de mens verdiende als gevolg van zijn inspanningen,
immers er is geen reële verdienste!
De geestelijke wereld – dat is de wereld van een ware overeenkomst
tussen het werk en een verdienste. Daarom juist daarin een vraag ontstaat
over een kwestie van hoeveel verdiende hij – om in de mens een wens op te
wekken te weten te komen, wat hij als winst ten gevolge van zijn correctie
zal ontvangen.
Indien de mens een of andere zaak doet met een intentie om
daar een winst van te ontvangen, dan maakt hij van tevoren een berekening,
hoeveel hij daarbij zal verdienen. En indien de zaak niet winstgevend blijkt
te zijn, dan verandert hij hem naar een andere, meer winstgevende – immers
het gewenste inkomen staat bij hem voortdurend voor ogen. Daarom zal hij zich
niet gaan bedriegen, is dat die winst, welke in wenste te ontvangen.
Al het materiële leven, met al zijn overbodigheden, waar
alle genietingen onecht zijn – waarom zou de mens zich ervan afvragen: “Wat
verdiende ik, geld of roem?” Immers, van het begin wordt het gegeven, om een
leugen te worden, maar een leugen als een drijvende kracht. Immers waar zal
de mens een gewaarwording van het leven vandaan halen voordat bij hem een
mogelijkheid verschijnt om zich langs de geestelijke weg voort te bewegen?
Daarom geeft men hem van boven een leven, dat “leugen” heet.
65. “Ik” en zijn ontkenning (“anie”
en “ejn”)
“Ik” – dat is onze wens, “ejn” – het tenietdoen van onze
wens. Onze wens – dat is de wens om een genieting voor onszelf te ontvangen.
De wens van de Schepper is echter om ons te vergenoegen, ons weg te geven.
Het blijkt nu, dat wanneer de mens zijn “ik” wegcijfert, dan worden “ik” en
“ejn” samen verenigd. Dat wijst ons daarop, dat ons werk daarin bestaat, om
van “ik” - “ejn” te maken, d.w.z., van de wens om te ontvangen dient een wens
om weg te geven voortkomen. Maar zonder een aanvankelijke egoïstische wens
is er niets.
72. “Wijk
uit voor het kwaad en doe goed”
Indien de mens het kwaad van zich wenst uit te drijven, d.w.z.,
zijn egoïstische gedachten, wensen, dan hoeft hij niets te doen om ervan afstand
te nemen. Immers, er bestaat in de natuur, in de schepping, een stelregel:
de mens volgens zijn aard niet in staat is om datgene te dulden, wat hij als
kwaad voor zichzelf voelt.
Daarom, wanneer de mens tot het beseffen van het egoïsme
als kwaad komt, terstond verwijdert hij zich op dat moment van hem automatisch,
gelijk een pijl, die uit een boog geschoten werd. Het blijkt dan, dat het
zich afscheiden van iets kwaads wordt aan de mens zonder noemenswaardige inspanning
gegeven.
Echter het echte werk bestaat daarin, om te gewaarworden,
dat egoïstische wensen inderdaad schadelijk zijn, en dermate schadelijk, dat
hij daarmee zijn leven niet voort kan zetten. En om tot dit begrijpen te komen,
is het nodig, om het geestelijke als “Goed” te gaan gewaarworden, wanneer,
terwijl hij zich met de Tora en Voorschriften met een intentie om tot de volmaaktheid
van het geestelijke leven te komen bezighoudt, zijn eigen egoïsme als kwaad
voor hemzelf begint te gewaarworden. En wanneer de mens wordt het kwaad in
de volle mate bewust, dan wijkt hij van hem terstond uit. Dat betekent juist
“doe goed”.
85. Activiteit
van grote wijzen
Baal Soelam had een zodanige invloed door zijn verrichtingen
uitoefende, dat zelfs indien een gewone mens door zijn weg naar de Schepper
gaat, dan bestaat bij hem een mogelijkheid om het samenvloeien met de Schepper
waardig te zijn, alsof hij een uitblinkende kenner van de Tora was. Maar
vóór Baal Soelam niet een gewone mens, maar alleen grote kenners van de Tora
waardig werden bevonden om zich met de Schepper te verenigen. En vóór Baal
Sjem Tov (de grondlegger van het Chassidisme – vert.) om een verband met de
Schepper te bereiken diende een mens één der grootste der Aarde te zijn, anders
kon hij de openbaring van de Schepper niet waardig bevonden worden.
87. Oorlog
van het oorspronkelijke beginsel
De oorlog van het oorspronkelijke beginsel lijkt zowel innerlijk
als uiterlijk op een gevecht van vuistvechters, wanneer eenieder wenst, dat
zijn tegenstander aan hem onderworpen wordt, doch wenst zijn tegenstanders
in het geheel niet te doden. En dan is een zulke strijd zonder bekleding,
namelijk, het is een strijd van krachten: wie meer kracht heeft, die onderwerpt
zijn tegenstander.
Zo ook in de oorlog van het oerbeginsel: men hoeft hem helemaal
niet te doden. De wijzen plachten te zeggen: “De mens hoeft niet te bidden,
dat zondaars dood zouden gaan, doch dat zij berouw zouden hebben” – d.w.z.,
dat zij zich aan de macht van het goede beginsel zouden onderwerpen.
91. “In
weerwil van je wens leef je…”
“In weerwil van je wens leef je” - indien een mens
niet wenst om het licht des levens voor zichzelf te ontvangen, maar alleen
omwille van het samenvloeien met de Schepper, dan wordt hij “geestelijk levend”
genoemd.
“In weerwil van je wens ga je dood” – indien een mens
een geestelijke dood niet wenst, terwijl hij door zijn egoïstische wensen
gevangen gehouden wordt, immers “het leven van zondaars (egoïsten) een (geestelijke)
dood genoemd wordt”, dan in de mate van de wens om geen zondaar te zijn, d.w.z.
om hogere genietingen niet voor zichzelf te ontvangen, gewaarwordt hij zich
“dood”, d.i. hij bevatte zijn egoïsme als kwaad, en daarom gebruikt hij hem
niet. Daarom heet zijn wens “om voor zichzelf te ontvangen” – “een dode wens”.
Immers anders zal zijn leven op dat van zondaars lijken.
99. Geluk
en ontzag
Het is gezegd: “Dient de Schepper is vreugde en in ontzag”.
Een mens, die de Schepper verzoekt, dat Hij hem een wens
voor het Geestelijke zou geven, dient in vreugde te verblijven – immers men
gaf hem te kennen en te beseffen, dat het Geestelijke voor hem nodig is.
Terwijl voordien hij op een zieke leek, omdat hij in het
bewust-worden van zijn ware toestand tekortschoot. En nu, wanneer een mens
weet, waar hij tot de Schepper om kan bidden, dient bij hem een ontzag te
zijn.
101.
Bitterheid van de verbanning
Wanneer een bevrijding komt, wanneer het geestelijke open
gaat, dan begrijpen wij, dat de hele verbanning met bitterheid gevuld was.
Maar voordat wij ons uit de gevangenis niet bevrijden, voordat wij ons in
de macht van onze egoïstische wensen bevinden, is er nog geen mogelijkheid
om zijn slaafse toestand als bitter te beseffen.
En daarin is de superioriteit van licht over duisternis:
dat alleen indien wij licht zien, dan kunnen wij ook duisternis zien. En indien
er geen begrip ervan is, dat het verstand zich voorlopig in de gevangenis
van het egoïsme bevindt, dan is er geen mogelijkheid om één van de ander te
scheiden.
102.
Wensen: gebroken en gecorrigeerde
Vorige wensen werden in de ogen van de mens ongeschikt voor
de geestelijke voortgaan: indien hij beseft, dat de reden van hun “breken”
hun egoïstische strevingen om “te ontvangen” waren, dan nu, terwijl de mens
zijn weg van de correctie vernieuwde, zal hij weten, hoe zich te behoeden
– indien hij zijn ongecorrigeerde wensen tot de weg van de correctie zal aansluiten
met een intentie “omwille van de Schepper”.
165.
Over “altruïstische wens”
Indien de wens van de Schepper is om zijn schepselen te vergenoegen,
dan indien de schepselen Zijn zegen ontvangen, ontvangt Hij soms een voldoening
uit het feit, dat Hij vergenoegt? Maar de Schepper geeft toch alles weg en
in geen geval iets ontvangt! Hoe bestaan dan deze twee tegenovergestelde verklaringen
samen?
En dezelfde vraag dient men te stellen ten aanzien van de
mens: hoe kan de mens, wiens eigenschap is om voor zichzelf te ontvangen,
deze egoïstische wens in een tegengestelde om te vormen, d.i. de wens om alleen
weg te geven? Immers zelfs in het geval dat hij weggeeft, moet hij daaruit
een genieting ontvangen, en anders zou hij niet in staat zijn geweest om iets
weg te geven, omdat hij geen voordeel zou zien, wat hij daarvoor ontvangen
kon. En zonder voordeel voor zichzelf is de mens niet in staat om een of andere
handeling te verrichten.
En wie al was het maar een beetje dat beseft, kan niet doen,
zonder iets daar terug voor te ontvangen, en alleen onder voorwaarde, indien
de Schepper hem zal helpen om een zulke onbaatzuchtige handeling te verrichten.
En dat wordt als een handeling bepaald, welke handeling buiten de perken van
het menselijk verstand uitgaat en welke handeling de Schepper aan de mens
als geschenk geeft.
Maar ten aanzien van de Schepper kunnen wij met ons verstand
berhaupt niet begrijpen, dat een zulke eigenschap, d.i. het puur weggeven
zonder enige toevoeging van het ontvangen voor zichzelf, bestaat – dat bevindt
zich boven ons begrijpen, omdat wij van het begin van aan alleen met een egoïstische
wens van het ontvangen voor onszelf geschapen zijn.
179.
Het opwekken van boven
Elke religieuze mens heeft een periode of een ogenblik in
zijn leven, wanneer hem een zekere opwekking van boven gegeven wordt, opdat
hij een levendigheid daarin zou gaan voelen, dat hij in de eenheid met de
Schepper is. Immers de mens bevindt zich gewoonlijk in zulke toestanden, wanneer
in hem generlei verlangen naar het geestelijke is, en soms vergeet hij berhaupt
dat een heiligheid in de wereld er is, en datgene, dat hij herinnert, dat
is slechts dankzij zijn opvoeding, die voor hem een gewoonte is geworden.
Bijvoorbeeld, er gebeurt soms zo, dat een mens een dankzegening na het eten
leest en voelt niet eens tot wie hij zich richt en wat hij zegt. En het feit,
dat hij een dankzegening zei – dat is slechts een kwestie van een gewoonte.
Maar daarnaast zijn er gevallen in het leven, waarbij de
mens inderdaad voelt een uiting van heiligheid, al was het maar even. Laten
wij bijvoorbeeld zeggen, slechts voor een minuut smaakte hij het geestelijke,
waarbij hij gewaar werd, dat dit een opwekking van boven is. En daarna heeft
hij al een mogelijkheid om een herinnering op te wekken, dat bij hem een gewaarwording
van een geestelijke opstijging al geweest was.
Enfin, het blijkt nu, dat bij elke mens bestaat binnen hem
een eigenschap om indrukken te maken, en deze herinneringen verkwikken het
hart van de mens. En met behulp daarvan kan hij een beweging tegemoet maken
– een opwekking van beneden.
180. Naastenliefde
Kijk ik naar een minuscuul punt, dat naastenliefde heet.
En ik overpeins erover: wat kan ik dan doen om anderen een genieting te geven?
En wanneer ik op allen samen kijk, dan zie ik kwellingen, ziekten, pijnen,
het leed van elke lid van de gemeenschap, alsmede globale verschijnselen,
oorlogen onder volkeren. Maar behalve een gebed heb ik niets om hen te geven.
En deze toestand heet “leed door een verdriet van een gemeenschap”.
182.
Waarover de Schepper te verzoeken om Hem te dienen
Wanneer de mens hindernissen in zijn geestelijk werk ziet,
en hij wenst om tot de Schepper te bidden, opdat Hij hem kracht zou geven
om aan zichzelf te werken, waar dient hij de Schepper om vragen?
Er zijn twee mogelijkheden:
1. op de Schepper te verzoeken deze hindernissen van hem
weg te nemen, dan zal de mens niet hoeven grote inspanningen te leveren, om
langs de weg van de Schepper te gaan.
2. om de Schepper te verzoeken een grotere smaak in de Tora
te gewaarworden, in een gebed en in goede daden, dankzij welke generlei hindernissen
hem zouden af kunnen houden. Immers, wanneer de Tora en Voorschriften voor
de mens levensbelangrijk zijn, dan is er geen plaats voor hindernissen en
zij hebben geen vat op hem.
Zoals, bijvoorbeeld, de mens kan niet zeggen, dat vanwege
het feit, dat bij hem velerlei hindernissen zijn, kan hij zich daarom niet
redden. Evenmin als er geen rechtvaardiging is in het beweren, dat vanwege
hindernissen, welke door zijn verwanten of omgeving geschapen worden, is de
mens onmachtig om zijn leven te redden.
En hij zal ongetwijfeld alles voor zijn redding weggeven,
wat hij heeft, en welke hindernissen dan ook zullen in zijn ogen hun kracht
en betekenis verliezen. Daarom verzoekt hij de Schepper, dat Hij hem smaak
in het leven in de Tora en Voorschriften zal laten gewaarworden – immers,
wanneer er sprake is over het leven, zal de mens niet kunnen zeggen, dat hij
hindernissen heeft, omdat het leven dermate dierbaar voor de mens is, dat
hij geen aandacht schenkt op welke hindernissen dan ook.
189.
“Hoe prachtig zijn uw tenten, Jaakov!”
“Prachtig zijn uw tenten, Jaakov”. Jaakov – van het
woord “akvaim”, wat betekent hielen, het uiteinde van iets. D.w.z., een toestand
van de meest zware inzinking in gewaarwordingen van de mens, wanneer bij hem
het gevoel verdwijnt, dat wellicht al was het maar iets in de wereld bestaat,
waaruit hij een genieting zou uit kunnen trekken. En hij zegt: “Is er soms
geen doel van de Schepping om schepselen te vergenoegen? Immers de wijzen
gaven ons door, dat het allerhoogste Goed en de allergrootste Genieting zijn
in de Tora en de Voorschriften besloten zijn”. maar hij voelt in Hen generlei
smaak en generlei genieting, hoewel het wel geschreven is, dat “Zij zijn uw
Leven en het verlengen van uw dagen”. Maar hij ziet dat niet.
Het is gezegd, dat in de materiële wereld genietingen bestaan
alleen daarom, omdat het Geestelijke ook in hen onthuld wordt, maar door zijn
allerkleinste eigenschap, welke eigenschap “Zijn allerdunste straling” heet.
Indien zelfs deze onbeduidende genietingen voelt de mens in materiële objecten
nu niet, dan gewaarwordt hij in deze toestand een afkeer voor het leven, omdat
daarin voor hem generlei smaak vertoond wordt.
Dan dient de mens daarin te gaan geloven, dat men hem van
boven met opzet een zulke toestand gaven te voelen, opdat hij een tekort aan
het geestelijke in zijn leven zou gewaarworden, opdat bij hem een wens zou
verschijnen tot de Schepper te bidden, dat Hij hem een vulling met het hoge
licht zou toestaan te gewaarworden, en met name daar, waar het tekort zich
manifesteert. Een zulke wens, waarin het hoge licht onthuld wordt, heet “woonplaats
van Israël”. Immers het feit, dat hij nu een wens voelt om omwille van de
Schepper te werken, welke wens “Israël” heet, zonder deze wens zou hij geen
hoge vulling kunnen ontvangen.
190. De men en de Tora
Wanneer een mens Tora bestudeert, gewaarwordt hij zich lager
dan allen, waarbij hij gewaarwordt, dat hij alleen aan zijn eigen voordeel
denk, dat bij hem generlei begrip in het één zijn met de Schepper bestaat.
Maar de Tora, welke hij bestudeert, is door degenen gegeven, wie zich in de
samenvloeiing met de Schepper bevonden.
218.
Trouw
De religiëuze wet luidt, dat een gewone mens (uit het volk)
dient aan het werk omwille van de Schepper trouw te zijn, en indien men hem
een zonde verplicht te begaan, indien een intentie die hem verplicht is dat
hij van het geloof afstand zou nemen, dan verplicht de Wet hem: dood hem,
die u een zulke daad oplegt, maar overtreedt niet.
Alle wensen van de mens in totaal heten “massa’s”. en indien
deze wensen egoïstisch zijn, hun strekking voor zichzelf is, dan heten zij
“massa’s van afgodendienaars”, goim, volkeren der wereld – en dan dient de
mens in geen opzicht aan zijn egoïsme toe te geven, zelfs in de meest luttele
kwestie dient hij aan de leiband van zijn egoïstische wensen niet lopen. Omdat
deze wensen duwen de mens ertoe, dat hij tegen zijn altruïstische wensen,
tegen “Israël” in zichzelf, zou gaan, dat hij van het werk omwille van de
Schepper zou afzien.
227.
Twee vormen van het terugkeren tot het geloof
1. Het terugkeren door een handeling: Een mens probeert
alle voorschrijvende handelingen in hun gewone uitvoering uit te voeren, terwijl
hij de Tora bestudeert en voorschriften vervult, zoals de wet dat verplicht.
En dat brengt hem tot het geloof terug. D.w.z., vóórdat hij daartoe gekomen
was, vervulde hij de voorschriften nog niet, maar nadat hij tot het geloof
teruggekeerd was, begon hij alle voorschriften van de Tora te vervullen zoals
het hoort. Maar toch, vindt dat allemaal bij hem alleen op het niveau van
een handeling, terwijl zijn intenties in de Tora en voorschriften had hij
nog niet gecorrigeerd.
2. Het terugkeren van een intentie: Vóórdat de mens
in zijn intentie berouw had, was die bij hem alleen voor het behalen van eigen
voordeel gericht. Nu echter heeft hij berouw over zijn vorige intentie, en
al zijn handelingen doet hij nu niet voor zichzelf, maar omwille van de Schepper.
Het blijkt nu, dat er een duidelijk werk bestaat,
d.w.z., het werk in het vervullen van de Tora en voorschriften – immers deze
handelingen voor eenieder open zijn. En er is een werk, dat in intentie vervuld
wordt, en dat is van allen verborgen, immers een intentie van de mens
is van overige mensen verborgen.
230.
“Voor jullie overtredingen is jullie moeder verjaagd”
“Voor jullie overtredingen is jullie moeder verjaagd” – dat
betekent een berouw en het terugkeren tot de Schepper van twee kanten.
Het innerlijke deel van de Tora en Voorschriften heet “moeder”.
Van haar ontvangen wij overvloed en genieting, gelijk in de natuur een moeder
is gegeven om haar zonen in al het noodzakelijke te voorzien. Wij kunnen ons
afvragen, waarom gewaarworden wij dit innerlijk deel in de Tora en in de Voorschriften
dan niet?
Dat wordt daarmee verklaard, dat vóórdat de mens niet in
staat zal zijn om omwille van het weggeven aan de Schepper te ontvangen, geldt
voor hem het verbod in het ontvangen van het licht van de Schepper, welk verbod
“inperking” (tsiemtsoem alef) heet en zijn niet-gecorrigeerde wens blijft
leeg, zoals na de inperking een lege plaats gevormd werd, welke plaats met
het licht van de Schepper niet gevuld is.
Maar met behulp van een berouw (tsjoeva), wanneer de mens
altruïstische wensen verkrijgt om alles omwille van de Schepper te doen, wordt
hij geschikt voor het ontvangen van een genieting van de Schepper. En dan
wordt het innerlijke deel, dat in de Tora en de Voorschriften verborgen werd,
aan hem onthuld.
Het blijkt dan, dat vanwege “zondaars”, d.i. egoïstische
wensen van de mens, wordt het innerlijke deel van de Tora en de Voorschriften
gedwongen om zich te verwijderen en te zijn verbannen, alsof het niet bestaat.
En dat heet “voor jullie overtredingen is jullie moeder verjaagd…”.
En wanneer deze zondaars een berouw hebben en tot de Schepper
terugkeren, vindt dit terugkeren van twee kanten plaats:
a) van lagere naar Hogere,
b) van Hogere naar lagere.
D.w.z., wanneer de mens tot de Schepper nadert en wenst alleen
om Hem weg te geven, dan wordt ook de Schepper aan de mens onthuld. En dat
heet, dat de mens zich daar terugkeert, waar hij vroeger vandaan verwijderd
werd.
233.
“Handelingen van de mens”
Zonder een gevoelsmatige reactie van de kant van het lichaam
is het onmogelijk te zeggen, dat de mens een of andere handeling vervulde.
Indien hij anders op één plaats zou zitten en niets dat verboden is verrichtte,
zou het geacht worden, alsof hij een Voorschrift zou hebben vervuld. Natuurlijk
kan men in een zulk geval niet zeggen, dat op die manier de mens elke dag
vele verbiedende Voorschriften vervult. Dan zou hij kunnen zeggen, dat vandaag
doodde hij niet, beroofde hij niet, e.d.
Daarom, indien de mens niet nadenkt, dat hij daarbij een
of ander verbiedend Voorschrift vervult, dan roept het in hem generlei reactie
van de kant van het lichaam. En alleen op het moment, wanneer de mens over
zijn handeling nadenkt, d.w.z., dat bij hem een mogelijkheid bestaat om het
verbod te overtreden, maar hij doet dat niet omdat het een verbod van de Schepper
is – alleen in een zulk geval kan men zeggen, dat de mens een verbiedend voorschrift
vervulde.
Maar zonder een handeling van een lichaam in een gedachte,
spraak of beweging is het onmogelijk te zeggen, dat de mens een verbiedend
Voorschrift vervulde, waarbij hij niets gewaar werd en niets besefte. Immers
alles, wat wij over de mens kunnen zeggen – dat is zijn gevoelsmatige reactie
op de omgeving en zijn gewaarwordingen. En indien de mens op een gegeven moment
iets niet gewaarwordt, dan bestaat hij ten aanzien ervan als het ware niet.
Daarom wordt een basis van het werk van de mens gewoonlijk
in het onderwerpen van zijn egoïsme uitgedrukt met behulp van het vervullen
van Voorschriften van handelingen of door middel van verbiedende Voorschriften.
En daarop zinspeelden de wijzen, toen zij zeiden: “Eet geen varkensvlees,
omdat de Schepper dat verbiedt” (alleen omdat de Schepper verbiedt,
en niet omdat je het niet wenst te eten, immers indien een inspanning niet
tegen een wens is, dan welke handeling van een Voorschrift stelt die voor,
gewoonlijk zijn eigen wens, en de mens niet de wens van de Schepper vervult).
Uitgaande daarvan bestaan er 4 stadia:
1) Wanneer het voor de mens moeilijk is om zijn hartstocht
te overwinnen en daarom maakt hij het verbodene.
2) Wanneer hij een verbod niet overtreedt vanwege een angst,
dat de omgevenden hem zouden kunnen veroordelen. Bijvoorbeeld, wanneer men
zou te weten komen, dat hij, de mens, die kasjroet naleeft, opeens iets onbehoorlijks
gegeten had.
3) Wanneer hij zijn egoïsme overwint, omdat de Tora verbiedt
hem zijn gebruik, maar hij is niet blij met dit verbod en daarom ondervindt
hij daardoor leed.
4) Wanneer hij gelukkig is, dat hij nu een bevel van de Schepper
vervult.
258.
Het bestaan en zijn onderhoud
Een pasgeborene begin te leven vanaf het moment van zijn
geboorte. En dat heet, dat hij al bestaat. Van de andere kant, zien wij, dat
zijn leven van het grootbrengen met voedsel afhangt, en indien men hem het
nodige voedsel ontzegt, dan sterft hij. Hieruit blijkt, dat voor het onderhouden
van het bestaan dient altijd degene te zijn, die het onderhoud van het bestaan
waarborgt, zoals over de Schepper is gezegd: “elke dag vernieuwt Hij door
Zijn goedheid het scheppingsproces”.
Er bestaat een wisselwerking tussen ziel en lichaam. Een
ziel heet “het goede beginsel”, het altruïsme, en een lichaam – “het slechte
beginsel”, het egoïsme. Deze twee beginselen zijn tegenovergesteld: het ene
beschikt over een altruïstische wens, en andere – over het egoïstische. Daarom
is de wilsvrijheid aan de mens gegeven – opdat hij zijn “slechte beginsel”,dat
zijn natuur is, zou dwingen om met altruïstische intentie te werken.
Maar zonder hulp van de Schepper is de mens zelf niet in
staat om deze twee beginselen te verenigen, zoals in de Tora is gezegd: “Indien
de Schepper zal mij niet helpen, zal ik hem zelf niet aankan”.
Maar indien de Schepper de wereld reeds schiep, betekent
het dat in de wereld generlei vernieuwing bestaat, maar slechts het onderhoud
van haar bestaan? Of worden er toch nieuwe werelden geschapen? Door de Schepper
of door rechtvaardigen? Immers, het is gezegd: “rechtvaardigen scheppen elke
dag nieuwe werelden” – en de Schepper, schept Hij niets nieuws?
Het antwoord bestaat daarin, dat de Schepper ook nu de schepping
vernieuwt, waarbij Hij nieuwe werelden en zielen schept. Maar deze vernieuwing
hangt al van ons af – daarmee, dat ons de wilsvrijheid is gegeven om tot ons
egoïsme altruïstische intentie omwille van de Schepper toe te voegen.
266.
Vergelijking van eigenschappen
Eveneens als er een vreugde bij de Hoge bestaat uit het feit,
dat Hij aan een lagere geeft, zo ook bij een lagere een vreugde dient te zijn,
dat hij de Hogere geeft. Dat is juist het verenigen naar eigenschappen heet.
Daarom, indien een lagere van de Hogere alleen dan ontvangt,
wanneer hij een genieting van het weggeven aan de Hogere heeft – dan heet
dat “vergelijking van eigenschappen” – dat al zijn genieting daaruit bestaat,
dat hij weggeeft. En dat heet “zoals Hij barmhartig is, zo wees ook u barmhartig”.
268.
Terugkeer
Aanvankelijk bevond Adam (Adam ha-Riesjon, de Enige ziel)
zich in een samenvloeiing met de Schepper, en vervolgens verwijderde hij zich
als gevolg van de zondeval. En nu eenieder, als gevolg van het feit, dat hij
een deeltje van de gemeenschappelijke ziel is, dient opnieuw in de vorige
toestand terug te keren, waarbij hij tot de Schepper toenadert. En dat heet
“Terugkeer”.
314.
Mens bouwt huis in deze wereld
“In deze wereld bouwt één mens een woning, en de ander
– maakt hem onbruikbaar, maar in de toekomst zal een huis niet opgebouwd worden,
waar een ander in zal gaan zetelen”.
“Deze wereld” heten egoïstische intentie van de mens, en
“toekomstige wereld” heet een intentie omwille van het genoegen te verstrekken
aan de Schepper. En alleen uit een egoïstische intentie “voor zichzelf” komt
men uit “deze wereld” door middel van correcties tot een intentie om omwille
van de Schepper te handelen, tot “toekomstige wereld”. Deze toestand “voor
eigen egoïsme” heet “deze wereld”, d.w.z., daarin bevindt zich nu de mens.
De “Toekomstige wereld” echter, d.w.z., daaropvolgende, wordt een toestand
genoemd, waarbij alle handelingen tot de Schepper zijn gericht.
Een “bouwsel” heet het zich bezighouden met de Tora door
de mens omwille van anderen, en niet omwille van de Schepper. En dat heet,
dat hij een huis voor anderen bouwt, omdat de intentie van de mens hem niet
tot nut is, want met behulp van de Tora en voorschriften streeft hij voorlopig
niet om een genieting aan de Schepper te geven, opdat deze handelingen hem
zouden helpen tot de Schepper te naderen, maar hij doet dat allemaal voor
anderen. Maar in de toekomst, d.w.z., tijdens het werk omwille van de Schepper,
wanneer de mens bouwt voor zich – dan zal hij zelf van vruchten van zijn arbeid
kunnen genieten.
En nog: wanneer de mens in deze wereld zich met de Tora en
voorschriften voor zichzelf bezighoudt, d.w.z., daarvoor, om zelf te ontvangen,
dan kan hij van het huis, dat hij bouwt, geen genoegen te nemen. Terwijl in
elk uur, door hem in de Tora en in de correctie van zichzelf doorgebracht,
ziet hij die bouwsteentjes, met behulp waarvan het huis opgebouwd wordt –
zo groot als zijn werk in de Tora en voorschriften groot is.
Men zal deze wensen alleen door dat nog ontoegankelijk licht
kunnen vullen, welk licht van de schepping tijdens zijn correctie verborgen
is. Zoals gezegd is: “In elke plaats, d.i. wens, waar Ik Mijn Naam in herinnering
zal brengen – d.w.z., wanneer in alle wensen de Schepper zal bevestigen, dat
Hij de mens niet meer in zijn egoïsme terug zal doen keren – dan zal Ik tot
u komen en u zal Zegenen”. Door het opvullen van deze wensen. Dat betekent,
dat in alle wensen, welke bereidde de mens door hun correctie voor, regeert
de zegening van de Schepper.
Dat heet het “opbouwen van de Tempel”. En dat is alleen mogelijk,
indien de mens omwille van de Schepper werkt – pas dan kan hij van Zijn zegen
genieten. En dan zal hij in het huis wonen, welk hij zelf opbouwde. Deze trap
heet “toekomstige wereld”, en degene, die deze trap bereikt werkt alleen met
de intentie van “omwille van de Schepper”.
“Deze wereld” heet de huidige eigenschap van de mens, d.w.z.,
de toestand, waarin hij zich op dit moment bevindt. Daarover is gezegd, dat
de mens dient zich altijd met de Tora en voorschriften bezig te houden, zelfs
indien deze bezigheid “voor zichzelf” is. De daaropvolgende eigenschap heet
“toekomstige”, ofwel “toekomende wereld”, en “Zohar” bepaalt haar als het
aankomen tot de intentie “omwille van de Schepper”. Dan zal hij niet voor
anderen bouwen, d.w.z., zich met de Tora en voorschriften voor iemand anders
bezighouden, en niet omwille van de Schepper.
“En niet iemand anders zich in zijn huis zal zetelen, doch
hij zelf” – immers de intentie van de mens is nu alleen omwille van de Schepper,
omdat aan hem de geheimen van de Tora worden onthuld, en de mens begint aan
een onuitputtelijke bron te gelijken, d.w.z. zijn handelingen worden aan die
van de Schepper gelijkgesteld.
Maar zolang hij zich in egoïstische wensen bevindt, wordt
het over hem gezegd, dat alleen “aan één uit duizend het licht geopenbaard
zal worden”, dat hij een mogelijkheid waardig is, met behulp waarvan één tot
het licht uitgaat. Het blijkt nu, dat de mens zijn inspanningen in de Tora
en voorschriften levert, en anderen ervan genieten – degenen, aan wie het
licht van de Schepper onthuld wordt. Daarover is gezegd: “Waardig bevonden
– trok zijn deel en deel van zijn naaste in de hof van Eden aan”.
323.
De mens en zijn voorbestemming
Vóórdat men over iets begint te spreken, dient men tot klaarheid
te brengen: wie spreekt en wie degene, tot wie men zich richt. Er is geen
twijfel, dat juist wij schepselen heten en in de wereld leven, welke wereld
“ex-nihilo” geschapen werd.
Maar Baal Soelam schrijft in zijn boeken, dat de enige schepping,
welke uit niets is geschapen – dat is de wens om een genieting te ontvangen,
welke wens zich in ons bevindt. En deze wens streeft tijdens haar bestaan
in onze wereld om alleen datgene te verkrijgen, waaruit die een genieting
zal kunnen uithalen.
En wij zien inderdaad, dat er geen verschil is tussen mensen
in het ontvangen van een genieting – eenieder streeft ernaar om zichzelf te
genieten: vanaf zijn geboorte en tot zijn laatste dag wenst de mens om genieting
te ontvangen.
Het hele verschil bestaat alleen daarin, waarin het licht
van een genieting ingekleed is. Immers een genieting op zichzelf in geestelijk,
en daarom is het onmogelijk om die te gewaarworden en te bevatten, indien
hij een of andere bekleding op zich niet aanvaardt, welke bekleding in kabbalistische
boeken met een uitdrukking (wet) bepaald wordt als: “er is geen licht zonder
wens om dit licht te ontvangen”. Hieruit volgt, dat alleen met behulp van
verschillende wensen kan men één genieting van een andere onderscheiden.
Er bestaan mensen, welke pas dan een genieting kunnen ontvangen,
wanneer deze genieting bedrieglijke vormen aanneemt, omdat zij voorlopig niet
in staat zijn een genieting in zijn ware vorm te ontvangen. Dat kunnen wij
in het voorbeeld van een klein meisje zien, dat met een pop speelt, wanneer
een jonge of een meisje, welke pop uit vodden gemaakt zijn – dus niet een
echt kind, bevalt haar en geeft haar een genieting. Echter in het geval van
een echt kind is allemaal anders.
Op die manier, indien er in hetzelfde huis een halfjarige
zuigeling is en die huilt, en moeder verzoekt een zesjarig meisje: “Waarvoor
moet je met een onecht kind spelen en hem te kussen, ga en speel met een echt
eentje, immers daardoor zullen wij met zijn drieën tevreden zijn: moeder,
die lijdt eraan, dat haar kind huilt; een kind zal een genieting ontvangen
uit het feit, dat het met hem zal spelen, en het zal stoppen te huilen; en
je, doordat je speelt, zal evenveel tevreden zijn, als van het spelen met
een pop”.
Maar het meisje antwoord daarop: “Dat is allemaal mooi en
prachtig, maar ik vind generlei plezier in dit echt kind”. En indien de moeder
zou vragen: “Zie je soms niet, dat wanneer ik tijd heb, dan speel ik met een
echt kind, en niet met een pop?” Daarop antwoordt het meisje haar: “Ik zie,
dat je geen plezier van deze wereld wenst te ontvangen, daarom speel je met
een echt kind. Ik wens echter te genieten en daarom speel ik met een pop”.
Dat betekent, dat zij elkaar niet begrijpen, omdat het meisje
is voorlopig niet in staat om een genieting uit de Waarheid uit te halen,
maar alleen uit datgene, wat in het leugen ingekleed is. En alleen daarmee
dus onderscheiden zij zich van elkaar – door het verschil van die uiterlijke
vormen, waarin een genieting ingekleed is, maar eenieder wenst om te genieten.
En daar, waar een genieting ontbreekt, is de mens niet in
staat om te genieten. Een mens kan zich met een voor hem onaangename zaak
(die voor hem niet interessant is) alleen dan bezighouden, indien hij van
tevoren weet, dat in plaats van de door hem geleverde inspanningen hij een
beloning zal ontvangen in een of andere vorm van een genieting.
Waaruit volgt dan, wat de reden ervan is, dat wij verplicht
zijn om een genieting te ontvangen en kunnen erzonder niet bestaan? De reden
daarvan is in het scheppingsplan besloten – in de wens van de Schepper om
zijn schepselen te vergenoegen door de door Hem voorbestemde genietingen.
En opdat wij die genieting zouden kunnen ontvangen werd in ons de wens om
die te ontvangen ingebracht.
454.
Egoïsme en Liefde van de Schepper
Er bestaat een liefde tot zichzelf en er bestaat een liefde
van de Schepper. Maar er bestaat tussen hen ook iets, dat helpt om tot de
Liefde van de Schepper te komen – dat is de naastenliefde. En daarom zei rabbi
Akieva: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf – dat is de belangrijkste
stelregel van de Tora”. En rabbi Hielel haZaken zei, dat de hele Tora bestaat
daarin, dat “doe aan je vriend niet wat je zelf haat”, omdat alleen met behulp
van de liefde tot een naaste kan men de Liefde tot de Schepper aanleren. En
dan zal de hele Tora en al Haar wijsheid het hart van de mens zal opvullen.
Zoals in het “Voorwoord bij Talmoed Esser haSfirot” gezegd
is als voorbeeld uit de midrasj: “De Schepper zei aan Israël: “De hele wijsheid
van het leven en de hele Tora worden makkelijk, indien de mens het ontzag
voor Mij heeft, en indien Mijn woorden voor hem de Tora zijn. Dan is het hart
van de mens – dat is de wijsheid en de Tora”.
Wat is dan “ontzag”? Dat is een angst, dat je geen genieting
aan de Schepper kan verstrekken. Daarom wenst degene, die de liefde van de
Schepper waardig is bevonden, eveneens als de Schepper te vergenoegen, omdat
hij met Hem naar eigenschappen is samengevloeid, en de Schepper onthult de
mens dan de Tora en de wijsheid. Men komt eraan in het geval, indien men zich
alleen op één ding baseert – op de liefde voor een naaste, pas dan bereikt
de mens de trap, waar de Schepper hem Zijn Liefde openbaart en acht hem de
Wijsheid van de Tora waardig.
Wanneer men dat waardig bevonden wordt, wordt men het ontvangen
van de Tora rechtstreeks van de Schepper waardig, dan ziet men al Haar Heel
zijn, Eenvoud, Volmaaktheid en Eeuwigheid.
* * * * *
Sinai – wanneer “haat” (heb. “sina”) op de volkeren
der wereld (egoïstische eigenschappen van de mens) was neergedaald, d.w.z.,
wanneer de wens om zich van zijn egoïstische wensen te bevrijden datgene bereikt,
dat de mens voor hen haat voelt, dan openbaart de Schepper zich aan hem –
dan vindt het ontvangen van de Tora plaats.
455.
Wie sterker is – die zal overwinnen
De oorsprong van deze wet is op de werkelijkheid gegrond:
wanneer een zondaar – een egoïstische wens in de mens – komt en vraagt: “Wat
geeft jullie dit werk aan het geestelijke vooruitgaan?” Wat kan men op die
vraag antwoorden? Alleen “sla hem op zijn bek”, wat betekent het ontbreken
van een verstandig antwoord op zijn vraag, en het antwoord is alleen “boven
het verstand” mogelijk.
Daarom is het gezegd, dat “wint hij, die sterker is” – beurtelings:
het egoïsme in de mens overwint of zijn wens die tot de Schepper gericht is.
Maar nooit in overeenkomst met zijn eigen begrijpen bestaat enige verklaring,
analyse, welke het goede van het kwade, het altruïstische van het egoïstische
zou kunnen scheiden. Alleen met behulp van kracht, tegen het verstand, boven
hem.
En dat is een onweerlegbare wet. En daarom gelijkt het lichaam
van onze wensen aan een schip in de zee, en elke onze wens wenst over hem
te regeren en alle rechten voor zijn bestaan te verkrijgen. Juist daarover
is gezegd: “wie sterker is – die zal overwinnen”.
457.
Verschil tussen boeken van het traditionele jodendom en de boeken van Baal
Sjem Tov
Wanneer de mens iets waardevols wenst te verkrijgen en dient
daarvoor te betalen, dan is een bemiddelaar nodig tussen een verkoper en een
koper. Een bemiddelaar geeft aan een koper te kennen, dat wat hij wenst veel
meer waard is dan wat een koper dient te betalen, dat een verkoper niet te
hoog bedrag voor een waar vraagt, welke waar veel meer kost.
Daarom geeft men in boeken van het traditionele jodendom
te kennen, dat de mens van het materiële afstand dient te nemen omwille van
het bevatten van het geestelijke – omdat alle genietingen van deze wereld
zijn onbeduidende, tijdelijke, alleen schijnbare, die generlei reële waarde
vertegenwoordigen. Daarom begrijpt een mens, dat hij iets dat niet zeer waardevols
is prijsgeeft, om het geestelijke te bereiken, d.w.z., hij verlaat het egoïsme
niet, maar integendeel, hij verkiest zich egoïstisch “die andere wereld” in
plaats van “deze wereld”.
Maar boeken van Baal Sjem Tov leggen een belangrijkste nadruk
op een “waar” zelf, waarbij zij daardoor de ware waarde en grootheid van het
geestelijke bewust laten worden: materiële genietingen hebben waarde, zij
zijn niet niets, maar hun waarde, waarvan men afstand dient te nemen, is niet
vergelijkbaar met de waarde van het Geestelijke, waarover is gezegd, “dat
het ons Leven is …”, welk leven “groter dan goud en zoeter dan honing” is,
omdat het tot het samenvloeien met de Schepper leidt.
545.
Omringend licht
Wanneer de mens in het innerlijke geestelijke werk ten behoeve
van de correctie van zijn eigenschappen binnenkomt, dan alles, wat met hem
gebeurt, komt van het omringende licht aan. Dit licht schijnt aan de mens
voortdurend en aan eenieder, maar aan degene, die zich met de Kabbala bezighoudt,
schijnt het bijzonder intensief, waarbij hij tot de geestelijke wereld genaderd
wordt.
Maar wanneer de mens dit omringend licht binnen zijn wensen
wenst te ontvangen, dan houdt zelfs het omringende licht op aan hem te schijnen,
en ontstaat er een duisternis. Maar het omringende licht schijnt toch zelfs
dan, wanneer wij nog geen wensen hebben, die door een intentie “om omwille
van de Schepper te ontvangen” gecorrigeerd zijn, terwijl alleen een gecorrigeerde
altruïstische wens zich met het inwendige licht gevuld kan worden.
Maar het ontbreekt hem aan een zulke gecorrigeerde wens,
en daarom indien een mens besluit om zijn egoïsme niet meer te gebruiken,
neemt een inperking op zich, dan ontstaat er bij hem opnieuw de hele gewaarwording
van de belangrijkheid van het geestelijke werk, welke belangrijkheid neemt
het omringende licht met zich mee.
556.
Rechte heet volmaaktheid
Rechte heet volmaaktheid. Zelfs wanneer er bij de
mens generlei geestelijke gewaarwordingen zijn, maar alleen een zwakke herinnering
dat die bestaat, en ondanks het feit, dat het geestelijke door hem nu niet
gewaargeworden wordt, is hij blij, dat hij op zijn minst een herinnering eraan
heeft. Immers vele mensen in de wereld, eveneens hij dikwijls, herinneren
zich berhaupt niet over het bestaan van het geestelijke werk. Maar hij herinnerde
zich eraan en daarom is hij blij en dankt de Schepper, die hem eraan herinnerde.
Linke – verificatie van zijn werk: “Indien het geestelijke
werk inderdaad zo belangrijk is, waarom gewaarwordt ik dan generlei streven
ernaar?”
Dan breekt bij de mens een geestelijke inzinking aan, omdat
hij voorlopig niet in staat is om voldoende inspanning in het geestelijke
werk te leveren. Het blijkt dus, dat het vallen ontvangt hij van de linke
kant.
Rechte lijn is voor het verkrijgen van de volmaaktheid en
het ontvangen van het geestelijke licht nodig. Maar daar zijn overeenkomstige
wensen voor nodig. En de mens ontvangt ze, terwijl hij zich in de toestand
van de linke lijn bevindt, wanneer hij, als gevolg van de zelfanalyse, het
ontbreken van het geestelijke begint te gewaarworden, en, als gevolg ervan
– zijn scheiding ervan.
Gelijk “het ontvangen alleen omwille van de Schepper” in
de toestand van de linke lijn ontstaan wensen, die voor het geestelijke werk
noodzakelijk zijn.
563.
Beweging, door schaamte opgeroepen
Waarom bevinden wij ons in beweging, en niet, aan de Schepper,
onze wortel en bron, gelijken? Ik ontvang een genieting van rust, en het feit,
dat ik in beweging ben, dat is alleen maar uit de schaamte. Het antwoord is:
het feit, dat de Wortel in de toestand van rust verblijft – dat komt, omdat
Hij heeft niets om tot Zijn ultieme volmaaktheid toe te voegen. Wij verblijven
echter omgekeerd, in een vol tekort, en daarom indien wij een genieting van
rust ontvangen, dan heten wij luiaards.
573.
Voedsel
Eveneens als de mens zonder voedsel van honger omkomt, zo
ook zonder het geestelijke voedsel, indien men zijn ziel door niets voedt,
dan verwijdert zij zich geleidelijk van hem totdat zij sterft.
Zowel in het materiële, indien men zijn lichaam meer voedt,
dan wordt het sterker, zo ook van het geestelijke voedsel wordt de ziel sterker
en gezonder, zodat de onreine krachten haar niet kunnen overwinnen.
592.
Wens voor het Geestelijke
Er bestaat een wens om een materiële genieting te ontvangen.
Indien zij bij een mens zou ontbreken, alles, wat hij ook zou doen, zou hij
noodgedwongen doen, en zou gelukkig zijn, indien hij niet eens nodig zou hebben
om te drinken en te eten.
Er bestaat een wens om een geestelijke genieting te ontvangen. Maar voordat
een zulke wens in de mens zich niet zal manifesteren, zal hij van niets afstand
kunnen nemen…
640.
Waarom wachtte hij tot de oorlog met Amalek
Waarom wachtte Mosje (eigenschap van de altruïstische kracht
in de mens) op de oorlog met Amalek (egoïstische kracht in de mens)? Omdat
hij zag, dat wanneer altruïstische wensen voor egoïstische als gevolg van
het tekort aan het geloof neervallen, dan dient de mens zelfstandig te werken,
door “het opwekken van beneden”. Indien wij ons tot Mosje aansluiten, tot
de eigenschap Tora, dan kunnen wij met behulp van de Tor het geloof waardig
zijn. daarom is het nodig om naar Mosje te gaan, om van hem de wegen van het
geloof aan te leren.
653.
Zegening van een huis
“Huis” – dat is het hart, het bevindt zich niet in overeenstemming
met de Schepper, en er is een scheiding van harten tussen “gever” en “ontvanger”.
Maar men dient ertoe te komen, dat vrede en overeenstemming zullen zijn, d.i.
een vereniging van eigenschappen van de mens met die van de Schepper – dat
is juist al ons werk aan de correctie van het hart.
699.
Aftakking en wortel
Betaling ter plekke betekent, dat hij voorschriften,
welke de Schepper gebod om uitgevoerd te worden, vervult en zich met
de Tora bezighoudt, welke Tora de Schepper gaf. En een volle prijs
te betalen – dat is dat hij de stem van de Schepper volgt en waardig
bevonden wordt om met Hem te spreken. En andere prijs is, wanneer hij
door de Tora te vervullen iets voor zichzelf zal ontvangen, voor zijn eigen
voordeel, en dat heet geen werk “omwille van de Schepper”.
Het verband tussen het geestelijke en het materiële lichaam
heet “aftakking en wortel”. En dat kan de mens niet eerder bevatten, dan wanneer
hij de Tora “omwille van de Schepper” waardig zal zijn. Daarvóór is alles
leugen, omdat voordat de wortels niet bevat zijn, is het onmogelijk om hen
met hun aftakkingen te verbinden. En men dient alleen te geloven, dat al datgene,
wat in deze wereld bestaat, alles van de Schepper uitgaat, en dat Hij alles
tot leven doet komen, en dat behalve Hem is er generlei kracht bestaat, welke
kracht in staat is om deze materiële wereld tot leven doen komen. En zelfs
kliepot (onreine krachten) doet Hij tot leven komen, zoals geschreven is:
“En Zijn koninkrijk is in alle verschijningen, Gij doet allen, zelfs kliepot
tot leven komen”.
700.
Vier eigenschappen van de wens
Vier eigenschappen zijn in een wens:
a) ontvangen voor zichzelf;
b) weggeven van een genieting voor zichzelf, bijvoorbeeld,
een handeling te doen met een voordeel voor zichzelf of voorschriften te
vervullen omwille van het ontvangen van een beloning in de toekomstige wereld;
c) weggeven omwille van het weggeven;
d) genieting te ontvangen, omdat de Schepper wenst, dat
ik van Hem een genieting ontvang.
Materiële wens – hij wenst materiële dingen. Geestelijke
niet-gecorrigeerde wens – hij gelooft in de toekomstige wereld en wenst daarmee
egoïstisch te genieten.
769.
Handeling en gedachte
Er bestaat een verschil tussen een gedachte en een handeling
– want de mens is niet machtig over zijn gedachten, hij heeft geen kracht
om haar af te stoten, indien zij in zijn bewustzijn heerst.
Maar anders staat het met een handeling: het is in de handen
van de mens om een handeling te verrichten of niet. Omdat een handeling is
aan het dwingen onderhevig, wanneer de mens aan het verrichten van iets weerstand
kan bieden.
Daarom, terwijl de mens een goede daad verricht, dan geeft
de Schepper hem goede intenties en een gedachte, opdat zij zijn handeling
zouden besturen, indien hij dat wenst. Dat betekent, dat de mens naar een
goede gedachte streeft, maar noch aan een gedachte, noch aan een intentie,
kan hij weerstand bieden.
En datgene, wat gezegd is: “En Ik zal u in elke van uw handelingen
zegenen”, betekent, dat de Schepper zendt een zegening voor een daad (handeling)
op die manier, dat de zegening zelf datgene betreft, waar een hand van de
mens niet machtig over is – daaraan behoort een zegening, en daarom is het
over een intentie gezegd.
770.
Essentie van inperking
De eerste inperking (of beperking) heet “persoonlijk bestuur”,
de tweede inperking heet “bestuur door beloning en straf”, wanneer met behulp
van het opstijgen van een gebed het licht A”B van een hogere trap van de tweede
inperking schijnt.
Er wordt niet gezegd over het bevatten van het licht van
de Schepper niet in een of andere sfira, maar alleen uit malchoet. Omdat er
geen licht is zonder een wens voor zijn ontvangst, zonder malchoet. En dat
komt, omdat er alleen daarover gaat, wat in een wens bevat wordt.
822.
Samenvloeiing van componenten van het lichaam
De natuur van de mens overeenkomt aan vier bases, welke componenten
van zijn lichaam vormen. In “Zohar” is gezegd, dat er vier bases bestaan:
vuur, wind, water en aarde (as, stof). Maar allemaal hebben zij geen enkele
betrekking tot het egoïsme. Bijvoorbeeld, de mens kan langzaam, zenuwachtig,
kwaadaardig zijn, e.d., maar dat behoort alleen tot zijn karakter, maar niet
tot het egoïsme, waaraan men dient te werken, hem te corrigeren en geestelijk
op te heffen.
Zoals bekend, is het onmogelijk om de natuur, karaktertrekken
te veranderen. Maar de mens kan de natuur als een middel gebruiken, welk middel
de correctie aan de wereld draagt – van elke van zijn eigenschap gebruikmaken,
om een correctie in zichzelf en in de wereld in te brengen, en zijn natuur,
zijn karaktertrekken niet te gebruiken voor een vernietiging van zichzelf,
van zijn en de omringende wereld – gelijk dat in de fysieke wereld plaatsvindt.
Bijvoorbeeld, het vuur brengt, zoals bekend, een grote schade
toe, indien ergens een brand gebeurt, die lichamen aanbrandt, bezit verbrandt,
e.d. Maar aan de andere kant verlicht het, verwarmt, kookt voedsel, e.d.,
indien men hem daar aanwendt, waar het nodig is, terwijl het vuur blijft!
Wij zien, dat zelfs de meest gevaarlijke eigenschappen, indien
men ze in een correcte toestand, in een correcte applicatie, gebruikt, dan
geniet de wereld daarvan. En deze regel is in alles geldig.
823.
Verschil tussen ziel en lichaam (nesjama en goef)
Het ontvangen omwille van het weggeven heet ziel – “nesjama”.
En het ontvangen alleen voor zichzelf heet lichaam – “goef”. En dankzij het
ontvangen uit zuivere geestelijke werelden, de werelden van “kdoesja”, de
eigenschap van het altruïsme “nefesj”, verschijnen bij hem krachten om het
ontvangen uit egoïstische, d.w.z., voor zichzelf, in altruïstische, omwille
van de Schepper, om te vormen. En pas dan kan men zeggen, dat hij de eigenschap
“nesjama” ontving, omdat alles, wat over de geestelijke werelden en over de
benamingen van geestelijke objecten gezegd wordt, allemaal wordt dat alleen
volgens hun eindstadium gezegd.
834.
Genieting verandert het verstand in niets
Een genieting doet het verstand teniet en laat niet toe om
over het doel van het leven na te denken, het doet er niet toe, of dat een
genieting van het geestelijke, dan wel van het materiële is. En daarom, wanneer
de mens wenst zich te vergewissen, of hij zich langs de ware weg voortbeweegt,
dan dient hij niet over een genieting te denken, in welke genieting hij zich
op dat moment bevindt.
Gelijk dat is ook ’t leed – het ontzegt het verstand van
de mens dermate een mogelijkheid om te werken, dat voor de mens op dat moment
alleen één ding relevant – hoe hij zich van dat leed bevrijdt. Alleen ontevredenheid
van de huidige toestand, die toestand, waarin hij zich op dit moment bevindt,
leidt ertoe, dat de mens begint datgene te waarderen, wat het doel van zijn
leven is, en zijn hersenen gaan nadenken, waarvoor de mens in deze wereld
leeft en waar dient hij aan te komen.
903.
Waarachtigheid van het Bestuur
Het is bekend, dat het doel van de Schepping is om de door
Hem geschapen schepselen te vergenoegen. Maar men kan alleen dan dit doel
bereiken, wanneer men zich gecorrigeerd heeft, waarbij men zich in overeenkomst
ermee brengt – de eigenschap, die “chessed” heet. En nadat zal de mens dit
doel waardig zijn – deze ware eigenschap, en dan zal het Bestuur van de Schepper
voor hem geopenbaard zijn in al zijn volmaaktheid, zoals het ware Goed en
de Wens om te vergenoegen.
Het is gezegd: “Wat verlangt de Schepper van het volk?
Dat zij van Hem ontzag zullen hebben”. D.w.z., de mens dient deze eigenschap
– “ontzag voor de Schepper” - waardig bevonden worden, en alleen dat is ook
nodig voor de mens om te bereiken, waarbij hij al zijn inspanningen voor dient
te leveren. En dat heet geloof, omdat de mens dient daarbij in de Schepper
te gaan geloven. Zoals de wijzen plachten te zeggen: “Hij ziet u en hoort,
en al uw verrichtingen worden in het Boek ingeschreven”.
En de mens kan zich verifiëren: daadwerkelijk gelooft hij
daarin? Laten wij een voorbeeld geven: wanneer de mens via het raam in het
huis van zijn vriend kijkt, dan spreekt het voor zich dat de vriend niets
overbodigs, onbehoorlijks zal doen, opdat alles in de ogen van zijn kameraad
mooi uit zou zien. Het blijkt dus, dat indien hij zich in een kamer bevindt,
alleen met zichzelf, en indien hij gelooft, dat de Schepper inderdaad “alles
ziet”, dan zal natuurlijk onmogelijk zijn dat de mens iets zou doen, wat Hem
niet zou aanstaan. Zoals in dit voorbeeld: immers de mens zal niets slechts
doen, wanneer zijn vriend naar hem kijkt.
Daarom, indien de mens begrijpt, dat hij iets doet, wat met
de wens van de Schepper niet overeenstemt, dan zal hij tegen zichzelf moeten
zeggen, dat bij hem geen geloof bestaat in “het alziende Oog van de Schepper”.
Immers anders zou hij zelfs geen mogelijkheid hebben om een dergelijke te
doen.
Op die manier, indien dat zo zou zijn, dan indien een mens
in gedachten van zijn vriend zou inkijken, dat die gedachten van zijn vriend
terstond de werkelijkheid van deze mens zou worden, dan zou bij de mens natuurlijk
generlei slechte intenties ten aanzien van elkaar ontstaan. Immers hij zou
niet wensen om een verachting in de ogen van zijn vriend te vinden.
Dat betekent, dat indien de mens in datgene gelooft, dat
aan de Schepper al zijn gedachten bekend zijn, dan kan het niet mogelijk zijn
om iets wat tegengesteld aan de wens van de Schepper te doen. En daarin ziet
hij, dat hij geen waarlijk geloof heeft, en daarom is dat een ware verificatie
voor de mens, opdat hij te weten zou komen, of hij het geloof heeft.
En wanneer de mens ziet, dat zijn geloof niet oprecht is,
niet vol, dan komt hij tekort aan het ontzag voor de Schepper, en dan is hij
gedwongen om zich tot de Schepper te wenden opdat Hij hem een toestand van
het ontzag zou zenden.
|