|
||
|
|
|
1. Voorwoord Attentie: bij het bestuderen van deze leerstof raadpleeg: Album geestelijke werelden (pticha)Het valt niet te twijfelen, dat de mens niet in staat is om in onze wereld te leven zonder bepaalde kennis over de natuur en de omgeving. Eveneens de ziel van de mens kan niet bestaan in de toekomstige wereld (olam ha-ba), indien zij de inrichting van de geestelijke werelden en hun werkingen niet zal bevatten. Na ter wereld te worden gebracht, d.i. na het verschijnen in onze wereld, weet het kind niets, en alle voor zijn leven nodige informatie delen hem zijn ouders mee. Het bestaat en ontwikkelt zich dankzij de kommernis over hem van zijn vader en moeder. Geleidelijk, terwijl het kind opgroeit en kennis en ervaring vergaart, leert het zich in het omringende milieu zelfstandig te oriënteren. Na een volwassen mens te zijn geworden en na de verworven kennis in zijn belang te hebben geleerd te gebruiken, gaat de mens van de ouderlijke voogdij de grote wereld uit. Dergelijke stadia van de ontwikkeling – de gielgoeliem (kringlopen) – loopt ook de ziel van de mens, totdat zij waardig gevonden wordt om de echte wijsheid van de Kabbala in haar absolute volheid te begrijpen. Zonder dat kan de ziel de volledige volmaaktheid niet bereiken. Het is niet zo, dat kennis van de Kabbala waarborgt alleen de ontwikkeling van de ziel, maar zo is de innerlijke aard van de ziel, dat zij niet in staat is om zelfstandig te functioneren, indien zij niet een bepaalde hoeveelheid kennis vergaart. En haar groei hangt van het niveau van deze kennis af. Het gaat erom, dat indien de ziel zich zonder kennis zou ontwikkelen, dan zou zij schade kunnen ondervinden. Zo gaf de Meester aan de pasgeborene krachten om zelfstandig voor te bewegen. Immers het kind heeft geen verstand, en indien het niet over krachten zou beschikken, dan zou het zich schade kunnen doen. Enfin, het recht op het bestaan in de geestelijke werelden ontvangt alleen hij, die van tevoren de kennis over hun inrichting verkreeg. Bij het aanvangen van het bestuderen van systemen der geestelijke werelden, dient men te bekijken, hoe functioneren in hen de voornaamste factoren van onze wereld. In de hoge werelden ontbreken zulke natuurkundige begrippen als tijd, ruimte, beweging (reeds in onze wereld vervormen zij zich bij snelheden, die dicht bij de snelheid van het licht naderen: de tijd – tot nul, de massa – tot oneindigheid, en de ruimte wordt tot een punt samengeperst). In plaats van tijd wordt in de geestelijke werelden de oorzakelijkheid beschouwd, de overgang van één toestand in een andere, van één vorm in een andere. Maar indien u zult vragen, hoeveel tijd voor deze processen nodig was, dan zal de vraag geen zin hebben, aangezien onder [het begrip] tijd wordt alleen de aaneenschakeling van handelingen begrepen. Daarom bestudeert men in de Kabbala de leerstof aaneenschakelend – van een oorzaak van elk verschijnsel tot zijn gevolg, ofwel, wat op dezelfde aankomt, vanaf het begin van de Schepping tot haar toekomstig einde. Plaats – dat is niet een zekere, door het lichaam bezette ruimte, maar een plaats op de schaal van geestelijke eigenschappen, kwaliteiten, waar voor honderd wordt afgesproken de eigenschap van de Schepper aangenomen, en voor nul – de oorspronkelijke eigenschap van de schepping. Dus, het verplaatsen in de geestelijke wereld – dat is het veranderen door een geestelijk object van zijn eigenschappen. Het verplaatst zich als het ware in de geestelijke ruimte naar de schaal van geestelijke waarden (d.w.z. dichterbij tot of verder verwijderd van de Schepper). Maar in de geestelijke wereld verdwijnt het object niet, er ontstaat alleen zijn nieuwe vorm. Met andere woorden, met de verschijning van nieuwe kwaliteiten van een geestelijk object, scheidt zijn nieuwe vorm zich af, en de vorige blijft als voorheen bestaan. Er was één geestelijk lichaam, het veranderde zijn eigenschappen, en terstond scheidde het zich van het oude lichaam en begon zelfstandig te bestaan. Er zijn nu dus twee geestelijke lichamen. Zo ontstaan er nieuwe geestelijke objecten. (Trouwens, ook in onze wereld blijft het embryo, dat zich in het lichaam van zijn moeder bevindt, tegelijkertijd én een deel van haar lichaam, én een nieuw afgescheiden wezen. De reden echter van zijn uiteindelijke afscheiding – het verkrijgen door hem van bepaalde eigen kwaliteiten, die verschillend zijn van die van zijn moeder). Door te trachten om kabbalistische definities van begrippen ruimte, tijd, beweging te vinden, dient men vast te stellen, welke terminologie kan men gebruiken. Wij dienen immers over dingen te spreken, die wij niet zien, wij wensen om de informatie over de werelden onder woorden te brengen, welke werelden wij niet voelen. Hoe kunnen wij dan er zeker van zijn, dat wij elkaar correct begrijpen? Bij mensen in onze wereld bestaat een gemeenschappelijkheid van gewaarwordingen. Maar hoe kan men de kennis over een object door te geven, welk object de gesprekspartner nooit zag? In een zulk geval gaan wij in de taal van analogieën over: “lijkt op dit”, “lijkt op dat”. En stel, dat ik een bezoeker van een andere wereld ben, waarin alles in het geheel niet op onze wereld lijkt? Hoe kan ik dan over mijn wereld vertellen? Dat is alleen mogelijk, indien er een verband tussen de werelden bestaat. Alles, wat in onze wereld bestaat – is het voortbrengsel van de geestelijke wereld. Aangezien alles wat bestaat van de Schepper uitgaat en, na het systeem van de werelden te zijn doorgelopen, in onze wereld neerdaalt, zijn er niets in onze wereld, dat zijn of haar wortel niet in het geestelijke zou hebben. Daarom vonden de kabbalisten het mogelijk om begrippen van onze wereld voor het beschrijven van objecten van de geestelijke wereld te gebruiken. Immers er bestaat een strikt verband tussen een wortel (het geestelijke) en zijn aftakking (het materiële). En van één wortel kunnen niet een aantal aftakkingen voorkomen. Daarom kan men met namen van objecten uit onze wereld hun geestelijke wortels-krachten te noemen, die deze aftakkingen tot leven wekken. Natuurlijk, een dergelijke taal kan alleen degene uitwerken, die tegelijkertijd een wortel en een aftakking ziet, een oorzaak en een gevolg, d.i. degene, die zich tegelijkertijd in beide werelden bevindt. Zoals wij uit het vervolg zullen zien, de mens, door zich in onze wereld te bevinden, kan tegelijkertijd ook in de geestelijke wereld – de oneindige, eeuwige wereld der zielen, binnenkomen. Om tegelijkertijd in beide werelden te leven, de eeuwigheid te bevatten, de geestelijke werelden te bevatten, terwijl men zich in onze materiële wereld bevindt – is dat niet een waardig doel voor de mens! Maar voorlopig zijn wij genoodzaakt om “de taal der aftakkingen” te gebruiken, daar wij geen wortels zien. En aangezien bestaat er, zoals gezegd, een precieze overeenkomst tussen geestelijke en materiële objecten, kan men de kabbalistische terminologie niet willekeurig veranderen. Daarmee kan men verklaren zulke in de kabbalistische boeken voorkomende “onfatsoenlijke” woorden als nesjieka (kus), zievoeg (copulatie), e.d. ENKELE INLEIDENDE OPMERKINGEN 1. In vele branches van kennis worden de termen niet in andere talen vertaald, en zij worden uitsluitend in de taal van het origineel gebruikt. Bijvoorbeeld, de Latijnse benamingen in de geneeskunde, de Italiaanse – in de muziek. Zo ook in ons boek bleek het onmogelijk te zijn om vele kabbalistische termen in het Nederlands te vertalen, aangezien behalve de inhoudelijke betekenis van een woord, buitengewoon belangrijk is [ook] de getalwaarde (gematria) van de letters, die dat woord samenstellen (gematria), hun vorm en hun elementen, alsmede andere factoren. En hoewel het het meest wenselijk zou zijn om de schrijfwijze van de termen in de Hebreeuwse letters te laten, daar een diepe betekenis zelfs in de vorm van hun schrijfwijze is besloten, waren wij om verschillende redenen genoodzaakt om er van af te zien. Afhankelijk van het klinken [van woorden], worden er in het meervoud de Hebreeuwse uitgangen van woorden gebruikt, bijvoorbeeld, in woorden van het vrouwelijke geslacht: sfira – sfirot, of in het mannelijke – partsoef – partsoefiem. De geestelijke werelden zijn niet beperkt door de grenzen van ruimte, tijd, verplaatsing (plaats, beweging), er bestaat in hen ook geen visuele vorm van een object. Daarom zijn alle grafische uitbeeldingen – dat zijn slechts uitbeeldingen van verhoudingen van geestelijke objecten. 2. Aangezien de Kabbala in de “taal van aftakkingen” spreekt, d.w.z. onder woorden, die objecten van onze wereld aangeven, worden hun geestelijke analoga bedoeld, dient men dat onophoudelijk te onthouden en te leren gewaarworden, wat wordt onder de benamingen van geestelijke handelingen en objecten bedoeld. 3. Het bevatten in de Kabbala, is, zoals, trouwens, in elke andere wetenschap het geval is, stapsgewijs, laag voor laag: eerst wordt een hogere, meest lichte laag grondig bestudeerd - uitgangsgegevens, vereenvoudigde schema’s, het algemene beeld. Vervolgens ontbreekt de tweede fase – een uitvoerige analyse van een elke bijzonderheid. Daarna de derde [fase] – een synthese van alle details in het algemene plaatje. En de laatste [fase] is de analyse - synthese. Op die manier wordt de leerstof stap voor stap steeds beter gewaarwordt, het algemene beeld van het gehele systeem krijgt zijn gestalte, details worden preciezer omschrijven, alle processen worden niet abstract, doch gevoelsmatig bevat. Immers in elke zaak kan men degene deskundige noemen, die het materiaal zonder gereedschappen en tekeningen gewaarwordt, met zijn “zesde gevoel”, zoals men zegt. En in de Kabbala is het veelvuldige doorgronden van een tekst en het werk aan zichzelf vereist, totdat de gevoelens zullen verschijnen, welke met de leerstof overeenkomen. Dat kan men vergelijken met een genieting van een musicus, die de partituur leest – muzieknoten geven hem een volledig beeld van het muziekstuk. De muziek klinkt in zijn oren zonder hulp van muziekinstrumenten. 4. Enfin, in de eerste lezing is het afdoende om alleen de opeenvolging van het scheppen van de geestelijke werelden en onze wereld te begrijpen. In de tweede – de redenen van hun creëren. En pas dan – de weg van eenieder is: van beneden, van onze wereld – naar boven, tot de geestelijke werelden, en via hen – tot de Bron. Dat betekent in geen geval, zoals sommigen kunnen denken, het streven om “naar een andere wereld te verhuizen”, ofwel dood te gaan. Zoals reeds gezegd was, onze opdracht is – om tegelijkertijd in beide werelden te leven, door de Schepper te bevatten. 5. Maakt u niet ongerust, indien naar mate van het bestuderen van de leerstof u zult gaan voelen, dat die steeds minder begrijpelijk wordt – dat is normaal en betekent het correcte doorgronden en het vooruitgaan. Gaat door met de lessen, en het begrijpen zal heus komen! 6. Indien sommige plaatsen in het boek u volkomen onbegrijpelijk zullen lijken, sla ze, a.u.b., over. Bij het verdere werk met de tekst en het belangrijkste – [het werken aan] jezelf, zullen zij opgehelderd worden. Naar mate zijn geestelijke groei zal de lezer in datgene, wat hij reeds vroeger las, een steeds diepere betekenis kunnen zien. Gezien het feit, dat de tekst uit vele lagen bestaat, is zijn nieuwe bevatting ervan op een hoger niveau – en dat is een graadmeter van zijn geestelijke vooruitgang. 7. Ik raak niet aan het bestuderen van het systeem van de geestelijke werelden in zijn eindtoestand – de gmar tiekoen. Dat is een apart complex onderwerp. 8. De uiteenzetting volgt het “chronologische” volgorde van het ontstaan van de werelden: de Schepper – klie – Olam Ejn Sof – Ts”A – Olam A”K – Olam Nekoediem – sjvierat keliem – Olam Atsieloet – Olamot BaJ”A – het scheppen van de mens – zondeval – Olam ha-Ze. Over de Schepper is ons niets bekend, behalve Zijn wil om ons te creëren en ons een genieting te geven. Juist naar Zijn plan ontstond de wens om te genieten. Daarom zijn wij en alles, wat ons omringt, met inbegrip van de geestelijke werelden – allen, behalve de Schepper – alleen verschillende grootten van de wens om een genieting te ontvangen. De wens van de Schepper om een schepping te creëren en om hem een genieting te geven doordringt en omringt de schepping gelijk een krans of een kroon. Daarom heet zij kether – een kroon. Het door de kether voortgebrachte schepping kan men denkbeeldig in de vorm van de – een vat voorstellen, welk vat bereid is om het or – een genieting, het licht van de Schepper te ontvangen. Dit stadium van het scheppen van de klie (vat) heet chochma (wijsheid), en een genieting, welke hem vult – or chochma ofwel or chaim – het licht van het leven. Een leeg vat gewaarwordt de afwezigheid van het licht als verschillende negatieve emoties, maar naar mate zijn vulling met het licht, voelt het steeds grotere vreugde, het vol zijn, een eindeloze rust – allerlei positieve emoties, welke men in één woord “sjlemoet” – volheid, volmaaktheid, kan samenvatten. D.w.z. in het stadium chochma de klie is overvol van overvloed van het hem vullende licht. Het is vanzelfsprekend, dat wanneer wij over de klie – een vat, spreken, dan wordt niet een materieel reservoir bedoeld, maar een geestelijk eentje, d.i. – de grootte van de wens, welke het licht bevredigt (vult). Immers, wanneer wij zeggen: “leeg hart”, “lege ziel” of “hart, met vreugde gevuld”, dan bedoelen wij niet het gevuld zijn met iets materieels, naar juist de geestelijke toestand. Aangezien de wens om te genieten – de enige wens van de mens is (al zijn streven – slechts de afgeleide van deze primaire wens), dan, door deze wens te besturen, bestuurt de Schepper ook ons. Op zonnige en hete dagen van een Israëlische zomer bereiken ons van buiten ons allen bekende kreten van verkopers van watermeloenen, die de kopers tot hun wagen aanlokken. Wat dwingt het deze, in de regel, grove en primitieve mens, om zo hart te werken onder de brandende zon? Wat gaat hem schelen een gezin of kinderen? De Schepper gaf hem een wens om voor zijn gezin te zorgen, en dat bepaalt zijn onbewust altruïstisch gedrag – de zorg voor anderen – door middel waarvan dwingt de Schepper hem om de wereld te corrigeren. Maar in de toestand van een volledige vulling, juist vanwege het feit, dat de wens van de klie is dermate bevredigd, dat de klie zich niet gewaarwordt, maar voelt slechts de hem vullende genieting – bestaat een klie als het ware niet, het is net of hij loste zich volledig in de zee van het licht op, zijn elk allerkleinst deeltje geniet en daarom wenst alleen één ding – om in rust te blijven. Immers alleen een gebrek in iets stimuleert een beweging. Evenmin als de wanden van een schoon doorschijnend glas, waarin melk is geschonken, niet zichtbaar zijn, zo ook het geestelijke vat (de klie) in het stadium chochma niet zichtbaar is, daar het volledig gevuld en met licht verzadigd is. Door een absolute genieting te ontvangen, door het licht als het ware in te zuigen, neemt de klie van het licht tegelijkertijd ook zijn eigenschap over – om een genieting te geven, tevreden te stellen – een eigenschap, welke tegengesteld is aan de wens van de klie om te ontvangen, te nemen. Onder de goede invloed van het licht begint de klie zijn egoïstische natuur als een gebrek te gewaarworden. En hoewel de Schepper Zelf de klie juist zo schiep, begint hij zijn nietigheid ten opzichte van de Schepper en het licht te gewaarworden, te beseffen. Dus, het licht geeft de klie behalve een genieting, ook nog de aan het licht inherente eigenschap om te geven, een genieting te schenken. Deze eigenschap is tegengesteld aan de aard van de klie en roept bij hem een dermate brandend gevoel van schaamte op voor zijn egoïstische wensen, dat de klie geeft er zijn voorkeur aan om van het ontvangen van het licht af te zien. Het geven een genieting aan iemand, zoals de Schepper [doet], kan de klie niet. Het enige alternatief is om een genieting in het geheel niet te ontvangen. En de klie weigert om het licht te ontvangen. En aangezien in de geestelijke wereld geen geweld bestaan, verlaat het or chochma de klie volgens de wens van de klie. Uit het besef van het werk, dat in de strijd met de eigen egoïstische natuur gevoerd werd, ontvangt de klie een genieting, welke natuurlijk ook van de Schepper uitgaat. Indien een genieting van het ontvangen van het licht “or chochma” heet, wordt een genieting van de vrijwillige weigering om het licht te ontvangen – dat tot een toenadering van eigenschappen van de klie t.o.v. die van de Schepper leidt – “or chassadiem” genoemd. Dit stadium van de ontwikkeling van de klie heet biena.
Biena geeft een voorkeur aan een “indirecte” genieting uit haar streven om tot
de Schepper te naderen i.p.v. een “directe” genieting van het ontvangen van het
licht, en dat vertelt ons, dat het geven van een genieting aan anderen is een
sterker en voller gevoel, dan hem zelf te ontvangen. De klie in een zulk geval is niet beperkt: in één dag kan men duizend maaltijden uitdelen – een genieting duizend maal te ontvangen, terwijl men maar één [kan] opeten. Maar niet de wens om een sterkere genieting te ontvangen bracht de biena er toe om van het licht af te zien, immers indien als gevolg van het afzien van het licht nog grotere genieting ontstaat, dan is het afzien – dat is geen afzien, maar alleen een middel voor een aanvullende ontvangst. Het doel van de biena was echter tegenovergesteld – om een gelijkenis, een samenvloeiing met het licht, d.i. met de Schepper, te bereiken. Na het uitstorten van het licht uit de biena, begint de klie – hoewel hij een genieting van de gelijkenis aan de Schepper, van de toenadering tot Hem, ook voelt – als het ware “te stikken”. Het gaat erom, dat het or chochma het licht van het leven is, welk licht gelijk is aan de vitale kracht die ons lichaam doet opleven, zonder welke kracht geen leven, beweging, gewaarwording mogelijk zijn: er treedt dan als het ware een geestelijke dood op. Daarom dwingt een zulke toestand de biena ertoe om het or chochma in een minimale voor het ondersteunen van haar leven strikt noodzakelijke hoeveelheid beginnen te ontvangen. En aangezien elke nieuwe wens zondert van het geestelijke object een nieuw geestelijk object af – immers juist door het verschil van wensen onderscheiden geestelijke objecten zich – werd een deel van de biena, zodra in haar een wens verscheen om een voor haar leven strikt noodzakelijk deel van het or chochma te ontvangen, in een apart geestelijk object afgescheiden, welk object uit een weinige hoeveelheid, laten wij zeggen, van 10% van het or chochma, en 90% van het or chassadiem, bestaat. De verhouding 10 en 90 wordt louter voor de overzichtelijkheid en eenvoud genoemd, maar de ware verhoudingen van de wensen en, overeenkomstig, de lichten, zullen wij uit verdere bestudering begrijpen. Enfin, uit de biena is een nieuw object voortgebracht, welk “zeir anpien” heet. Maar, door in zich de twee van zijn geboorte aan hem gegeven wensen te gewaarworden, begint de zeir anpien te voelen, dat de wens om te genieten van het or chochma is natuurlijker, en hij is toch ook zo geschapen, dat zijn elk “celletje” wenst alleen van dit licht te genieten. En het feit, dat de biena haar voorkeur aan een andere genieting gaf (dicht bij de Schepper te zijn), was “tegennatuurlijk”, en dat is de biena, die voor een zulke weg koos, en niet hij, de zeir anpien. En daarom kiest de zeir anpien uit de twee wensen, waar hij mee geboren was, één – om naar zijn eigen wens alleen het or chochma te ontvangen. En aangezien deze wens een nieuwe is, wordt ook een nieuw object – malchoet – een koninkrijk (van wensen) afgescheiden, daar juist op die trap verkreeg de klie zijn eigen, van binnen uitgaande wens om voor 100% van het licht te genieten, welke de Schepper hem geeft. Immers de kether – dat is de wens van de Schepper om een genieting te geven, en daarom ontstond het vat (de klie), de ontvanger van een genieting – het or chochma. Maar de klie chochma heeft geen vrijheid te kiezen: haar wens om te genieten is geheel door de wil van de Schepper opgelegd. Een onafhankelijke wens is alleen onder de volgende voorwaarden mogelijk: 1. een genieting werd reeds ondervonden; 2. een genieting is verdwenen, waarbij een herinnering eraan overgehouden was, ofwel resjiemo (van het woord “rosjem” – indruk, opname). Wanneer het licht van de biena is weggegaan, liet het een resjiemo achter – een herinnering over datgene, dat het aan de klie alles geeft – het leven, het geluk, en daarom diende de biena, op den duur, al was het maar een deel van het licht terug te nemen, door te begrijpen, dat helemaal zonder licht [te zitten] is berhaupt onmogelijk. En op die manier was zeir anpien voortgebracht. En de zeir anpien, door uit de twee wensen in alle vrijheid uit te mogen kiezen, wenste zelf om van een weinige, beperkte hoeveelheid licht te genieten. En alleen de malchoet is de eerste, zelfstandig handelende, bewuste schepping, bij wie de wens reeds voor het plan van de Schepper geschikt is: de schepping zelf wenst te genieten, en juist van datgene en in die hoeveelheid, dat de Schepper geeft. Maar men zal mij kunnen tegenwerpen: wat betekent dat de schepping zelf wenst? Zij is [toch] zo geschapen! Immers, per slot van rekening bracht het or (licht) de klie (vat) voort. Dat klopt. Natuurlijk, alles gaat van het licht uit, van de Schepper, maar niemand voelt dat. In het stadium malchoet voelt de malchoet alleen maar, dat zij wenst om met een genieting te worden gevuld, en niet dat zij zo geschapen is. De malchoet zelf zoekt de weg naar het licht, dorst ernaar. Enfin, er zijn volgende stadia van de schepping en de ontwikkeling van de klie: KETHER - De wens van de Schepper om een klie te scheppen en hem een genieting te geven. CHOCHMA – het door het licht voorgebrachte, doch nog niet bewuste, niet-zelfstandige wens om te genieten, het or en de klie zijn als het ware verbonden samen. Er is nog geen zelfstandige wens van de kant van de klie. Natuurlijk, dat in het stadium chochma het or domineert, aangezien zijn wens om een genieting te geven is primair, het deed de klie ontstaan. Daarom zelfstandige bewegingen, d.i. zelfstandige wensen in de klie ontbreken. BIENA – door het gehele or chochma in zich op te nemen, verkrijgt de klie eveneens zijn wens om “te geven”, zij geeft haar voorkeur aan, om aan het licht te gelijken, om aan de Schepper te geven, net zo als de Schepper geeft, en daarom wordt een nieuw stadium – biena voortgebracht, welke biena de gehele genieting niet van het licht, maar van het gevoel van het weggeven aan de Schepper ontvangt. Deze genieting heet “or chassadiem”. De biena – dat is de eerste zelfstandige reactie van de schepping. ZEIR ANPIEN (Z”A) – door het voelen, dat zij niet in staat is om alleen met het or chassadiem te bestaan (immers het or chochma geeft haar leven), besluit de biena om een compromis aan te gaan: om alleen het voor haar leven strikt noodzakelijke hoeveelheid or chochma te ontvangen, en het overige nog altijd weg te geven. En dit nieuw stadium heet “zeir anpien”. MALCHOET – door het voelen, dat het or chochma hem leven geeft, streeft de Z”A om zich volledig ermee te vullen, zoals in het stadium chochma. En dan ontstaat er een volgend stadium – malchoet – de echte klie, de schepping, welke schepping zelfstandig ernaar streeft om al de genieting, welke de Schepper wenst te geven, te ontvangen. En daarom slechts de malchoet heet de klie - schepping, maar de voorgaande stadia – dat zijn fasen van haar ontwikkeling. Zo is de wil van de Schepper – om een klie te scheppen, welke zelf zou wensen van Zijn licht te genieten. De malchoet in de toestand van een volledige vulling met het licht heet “Olam Ejn Sof” – “de Oneindige Wereld”. Wij wennen langzamerhand aan de kabbalistische bepalingen: De grootte van de wens bepaalt de omvang van een klie, en hoe meer de wens, des te groter is de omvang van de klie. Trouwens, ook de mens, wanneer hij zegt, dat hij geen plaats in zijn maag heeft, bedoelt het ontbreken van de wens om hem te vullen. Immers, soms, ook bij een lege maag het gevoel van honger ontbreekt. “Beweging” – dat is een verandering van wensen, welke verandering tot het verschijnen, het voortbrengen van nieuwe keliem (vaten) leidt. “Tijd” – dat is opeenvolging van handelingen in de geestelijke wereld. Wanneer wij zeggen “de Oneindige wereld” (Olam Ejn Sof), dan bedoelen wij een vat, dat volledig (onbeperkt, oneindig) met een genieting is gevuld, waar geen grens aan is, d.w.z. geen onbevredigde wens aanwezig is. Volgens dit gezichtspunt is een glas van 200 gr, dat volledig, tot aan het randje is gevuld, bevindt zich eveneens in de toestand van “ejn sof”. Dus, onder de oneindigheid wordt een toestand bedoeld van een oneindige, grenzeloze verzadiging, wanneer alle verlangens zijn bevredigd. Juist in een zulke toestand bevindt zich de klie malchoet. En daarom het programma van de schepping vanuit het gezichtspunt van de Schepper is daarbij voltooid. *** Een goddelijk doel van de schepping is het creëren van een nieuwe, eerder ontbrekende substantie, welke wij in het vervolg “Schepping” noemen, en het vullen ervan met een enorme, absolute genieting. Daarom legde de Schepper in de natuur van zijn schepping een gigantische, allesverslindende wens om deze genieting te ontvangen. “De wens om de ontvangen” – ratson lekabbel (R”K) kan men denkbeeldig in de vorm van een vat (klie) voorstellen, de omvang waarvan overeenkomt met de grootte van de wens, en de ontvangende genieting – aan de hoeveelheid licht, dat dit vat vult. Het dient opgemerkt te worden, dat het licht, welk van de Schepper uitgaat, ook eerder bestond, van vóór het scheppen. Het is een onaantastbare essentie van de Schepper Zelf. Echter de wens om een genieting te ontvangen in de Schepper Zelf ontbreekt, zij betreft datgene, wat opnieuw is gecreëerd. Verschillende grootten van de R”K vertegenwoordigen al ons omringende werkelijkheid. Alle werelden, van het oerbeeld van de eerste stadia tot de uiteindelijke vorming, alle veelvormigheid van het gecreëerde, wat reeds bekend is en wat door ons nog niet ontdekt is – dat is niets anders dan verschillende graden, d.i. vormen, verschillende manifestaties van de wens om van het licht van de Schepper te genieten. En wij, als delen van dit klie, deze malchoet, zijn zodanig geschapen, dat wij verlangen naar warmte, voedsel en andere genietingen – de microdoses licht in onze wereld. Probeert u zich te overhalen, dat de wens om te genieten is niet van u, dat zij wordt als zodanig van boven gegeven – dat zal u niet helpen, immers wij gewaarworden deze wens als onze “Ik”. En daarom bestuderen en bevatten wij alleen de uitwerking van het licht op de klie, wij voelen alleen onze reactie op het licht. Ons bevatten is binnen ons zelf opgesloten. Voor de Schepper zijn wij allen absoluut volmaakt, maar ten opzichte van onszelf dienen wij nog een lange weg van de correctie door te lopen. Ik verzoek de lezer nadrukkelijk om te trachten juist met zijn hart de toestand van de klie te voelen, want zo kan men geestelijke eigenschappen ontwikkelen, die nodig zijn, om de geestelijke werelden, tot aan de Schepper Zelf, te gewaarworden. Men kan iets evalueren alleen in vergelijking. Men kan begrijpen, wat duisternis is, alleen wanneer men een of andere voorstelling over het licht heeft. Zoals staat in het gebed: “Alleen in Uw licht zullen wij licht zien”. D.w.z. zowel als in onze wereld het onmogelijk is om zich in duisternis te oriënteren, zo ook zonder het geestelijke licht wordt het onmogelijk om zichzelf en de omgeving te bevatten en te evalueren, d.w.z. geestelijk voort te bewegen. Maar om het geestelijke licht te gaan voelen, is het noodzakelijk om in zichzelf een bijzonder vermogen te ontwikkelen. Allemaal zwemmen wij in de zee van golven – lichtgolven, geluidsgolven, radiogolven, röntgengolven, e.d. Maar welk klein deel ervan wij met onze zintuigen kunnen waarnemen! Om de mogelijkheden van het menselijke organisme uit te breiden, ontwikkelen wij instrumenten. Maar wij zijn allemaal omringd ook door een oceaan van het geestelijke licht, welk door de Schepper geëmaneerd wordt. Voor zijn waarneming zijn geen apparaten nodig. Men dient alleen in zichzelf bepaalde kwaliteiten te ontwikkelen om het Goddelijke licht te voelen. Daarin namelijk helpt de Kabbala. In het algemeen echter, alles, wat de mens gewaarwordt, ontvangt hij van de Schepper. Maar door gewaarwordingen van onze wereld waar te nemen, kunnen wij (voorlopig!) alleen geloven (maar niet direct voelen), dat hun oerbron – de Schepper is. Enfin, elke schepping wenst alleen één [ding] – het wegnemen van een gewaarwording van het gebrek – d.i. [wenst] te genieten. Daarom, door voor de mens een “programma” op te maken, waardoor gedurende zijn leven behoeftes, de wensen van zijn lichaam, [steeds] veranderd worden, roept de Schepper de voor Hem strikt bepaalde, nodige handelingen, daden op – en aan de mens lijkt, dat hij naar zijn eigen wens en keuze handelt. En indien de mens, na deze afhankelijkheid van zijn gedrag van de wensen van het lichaam te hebben erkend, begint zelf zich ertegen te verzetten, d.w.z. hij zal een strijd met zijn lichaam aangaan, dan zal hij zich vrij van de wensen van het lichaam kunnen maken, en in de geestelijke wereld [kunnen] overgaan, dan zal hij in overeenkomst met de behoeftes van zijn ziel kunnen leven. Een genieting – dat is een reactie van de klie op de werking van het licht, het gevolg van het vullen van de klie met het licht. In onze wereld ontbreekt de duidelijkheid van het geestelijke licht, en zijn kleine vonk (ner dakiek) wordt in verschillende voorwerpen omhuld, daarom trekken zij ons aan door de in hen verscholen genietingen. De mogelijkheid om te genieten of zich van het leed, d.i. het tekort aan genieting, te bevrijden – dat bestuurt al onze gedachten en handelingen. Anders, d.w.z. in weerwil van onze natuur, zijn wij niet in staat noch te denken, noch te handelen. Echter de geestelijke werelden bestaan uit altruïstische keliem, welke hun egoïsme kunnen bedwingen, d.i. in weerwil van hun aard kunnen handelen. Indien een mens zijn eigen egoïsme als een kwaad beseft, welk egoïsme hem alleen lijden bezorgt, dan kan hij de Schepper verzoeken om zijn natuur te veranderen, d.i. hem een kracht te geven om boven zijn natuur op te stijgen, om volkomen vrij beginnen te denken, beslissen en handelen. De tactiek in de strijd met het lichaam, d.i. met de wens om onbeperkt te genieten is als volgt: het lichaam reageert alleen op twee toestanden (laten wij ze voor het gemak “bitter” en “zoet” noemen), die van buiten af worden opgedrongen. Maar er zijn nog twee toestanden (laten wij ze voor het gemak “waarheid” en “leugen” noemen), waar “waarheid” – dat is alles, wat goed is voor de geestelijke ontwikkeling van de mens, en “leugen” – alles, wat een zulke ontwikkeling in de weg staat. Waarom is het goed te noemen datgene, wat aan de ontwikkeling bijdraagt? Simpelweg, omdat naar de wil van de Schepper de mensheid juist aan het einde van haar ontwikkeling tot de toestand van een volledige correctie zal komen, d.i. van het egoïsme tot het altruïsme zal overgaan, en onze keuze, onze vrijheid van de wil, bestaat in de keuze van de weg naar deze volledige correctie om volgens eigen wens te kiezen voor hoewel de moeilijke, doch correcte en korte weg van de Tora of de weg, welke “zoet” lijkt te zijn, maar die tot een dood spoor leidt en daarom langs een lange proefondervindelijke weg – de weg van het lijden, welke ons uiteindelijk sowieso op de weg van de Tora brengt. En daarom is de Tora, d.w.z. de Schepper, raad ons aan om de weg van de waarheid te kiezen, de weg van zelfcorrectie, van zuivering. Eenieder heeft zijn eigen egoïstische wensen, en daarom heeft eenieder zijn [eigen] weg der correctie, hoewel wij verder de voor allen gemeenschappelijke wetten van de correcte ontwikkeling van de ziel zullen behandelen. In onze wereld bezingen wij allen onbewust het licht, dat een genieting brengt: onze liederen over liefde, hartstocht, lijden, schoonheid van de natuur – dat is allemaal niets anders, dan een beschrijving van gewaarwordingen, die het licht in ons oproept, welk licht zich in verschillende bekledingen voordoet – in de natuur, in klanken, in verven, in de vertegenwoordigers van tegenovergesteld geslacht – in allerlei ons tot zich aantrekkende objecten. De Kabbala brengt alle objecten, die ons een genieting geven, tot hun enige bron terug – tot het licht. In plaats van eindeloze objecten op te noemen, die de mens een genieting geven, wordt zijn bron – het licht (het or) genoemd. En al de veelheid van de wensen om te genieten wordt tot één overkoepelend woord “vat” (klie) ondergebracht. Op deze manier wordt al de veelheid van de wensen, die de scheppingen kenmerken, tot één [wens] teruggebracht, namelijk, - tot de wens voor het licht. En alle denkbare vormen van een genieting worden tot het ontvangen van het licht teruggebracht. En behalve dat bestaat er niets, aangezien alleen de Schepper en de Schepping bestaan – het or en de klie – een genieting en wensen. Daar de wens om te genieten – de meest wezenlijke in de mens is, bestuurt de Schepper ons juist door onze wensen het besturen. Door een gebrek in iets te creëren, dwingt de Schepper ons om te handelen, om datgene te bereiken, wat ons ontbreekt. Zoals gezegd, “liefde en honger de wereld regeren”. D.w.z. alle handelingen in het leven van de mens zijn opgedrongen. De kinderen zouden van honger opkomen, indien de Schepper aan een moeder geen genieting gaf van het proces van het voeden. Geen één van ons zou zich willen verroeren, indien er geen streven zou zijn voor nieuwe genietingen, tot het bereiken van een betere toestand. De evolutie, de vooruitgang, de geestelijke zoektochten weerspiegelen ons streven naar bevrediging van onze wensen. De wensen zelf worden ons door de Schepper gegeven volgens Zijn programma van onze ontwikkeling, het einddoel waarvan is – om ons een absolute genieting te geven. Indien een mens er niet zeker van is, dat als gevolg van een of andere van zijn handelingen hij een voordeel zou behalen, dan is hij niet in staat om deze handeling te verrichten. Dus, alleen de zekerheid in datgene, dat hij door zijn handelingen zijn toestand verbetert, dwingt een mens om te werken. Zonder deze zekerheid kan hij geen fysieke of geestelijke handeling verrichten. Ik zal het met een voorbeeld verduidelijken. Ik heb een kennis – een eigenaar van een restaurant. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat is hij alsmaar in gedachten hoe zijn bezoekers smakelijker te bedienen, hen een betere ambiance voor uit uitrusten te scheppen – kortom, hij leeft door het zich bekommeren over de gasten van zijn organisatie. Hij is een echte altruïst, niet waar! Maar aangezien hij, evenmin als elke andere
“niet-gecorrigeerde” mens, een genieting enkel uit zorg voor andere mensen,
niet kan ondervinden, gaf de Schepper hem – om hem te dwingen om op een gepaste
wijze te handelen – een andere genieting, een ander doel – het ontvangen en het
vergaren van geld. Op die manier vervult mijn kennis onbewust het programma van de Schepping. Hoewel, de opgave is, om het doel van de Schepper bewust te realiseren, maar zoals wij verder zullen zien, het “onbewuste”, inleidende stadium is noodzakelijk. Hoe snel kan een mens tot het eindstadium overgaan en zijn missie in deze wereld te volbrengen, zodat zijn ziel niet in deze wereld terug zou keren – hangt van zijn geestelijke ontwikkeling af. Maar voorlopig bekleedt de ware genieting een passend, ons begrijpelijk egoïstisch omhulsel. De wens van de Schepper is echter om ons een absolute, oneindige genieting te geven zonder verbergende en verzwakkende omhulsels. Zijn ontvangen hangt van onszelf, van het slagen van onze strijd met het egoïsme. Maar behalve de gedwongen, onze van boven gestuurde activiteit, wenste de Schepper, dat wij een deel van het werk zonder enige beloning zouden doen – alleen krachtens het geloof en als gevolg van de vrije keuze. En dat is mogelijk, wanneer het werk geen genieting in onze wereld brengt. Zo zijn de voorschriften van de Schepper. Door verwijdering van de “ner dakiek” kan de Schepper ons zelfs tot het geloof brengen, d.w.z. tot een voorpret hebben van de beloning in de toekomst, welke beloning staat ons reeds in het heden de vreugde toe. Zo heeft een hard werkende mens tevoren een voorpret van de toekomstige ontvangst van loon. En ook hier hangt alles af van de periode van afwachting, de grootte van de beoogde genieting, van de zekerheid in het ontvangen van de beloning. Deze pret die men reeds van tevoren heeft van de vreugde in de toekomst, zoals wij later te weten zullen komen, wordt daarom mogelijk gemaakt, omdat ons omringt het zogenaamde or makief (het omringende licht), welk licht van de verte (tevoren) een genieting geeft. Wij hebben al gezegd, dat aan het einde van generaties zal de echte Kabbala aan allen toegankelijk worden (het gaar hier niet over de astrologie en bijgeloven), maar slechts de uitverkorenen zullen in staat zijn om haar waarde te waarderen. Zo neemt een grote zakenman de dagelijkste schommelingen van aftrek in aanmerking, terwijl een kleine handelaar wenst terstond de waren weder te verkopen, d.w.z. een voordeel - genieting direct te ontvangen, en daarom is zijn verdienste laag. Een solide zakenman, door vooruit te kijken, koopt datgene tegen de spotprijs, wat vandaag op de markt niet in trek is, waarbij hij voornemens is om zijn waren over maanden of jaren te verkopen, wanneer zijn waren flink aan de prijs zijn. Hij weet de echte prijs van zijn waren en verheugt zich tevoren aan de toekomstige grote opbrengst. Zo ondervindt een ware kabbalist een vreugde van de toekomstige eindcorrectie, aangezien hij is reeds vandaag er zeker van, hij voelt hem reeds nu voor. De Kabbala is noodzakelijk, daar in haar het doel en het plan van de schepping bestudeerd worden, de maten van beloning voor de correctie van het egoïsme. Twee krachten duwen een mens tot het doel: het op een gegeven moment ondervonden leed en de voor hem te verwachten genieting – beide zijn zij als twee locomotieven, die een zware trein voortbewegen – de één trekt vooruit, terwijl de ander duwt van achteren. Dat zijn met name krachten van onze ontwikkeling. 3. DE EERSTE BEPERKING. TSIEMTSOEM ALEF (Ts”A) Wij hebben gezien, dat de eerste echte klie – malchoet – ontstond als gevolg van de ontwikkeling van de oorspronkelijke wens van de Schepper (kether) via stadia van chochma, biena en zeir anpien. De malchoet wenst zelfstandig om de voor haar voorbestemde genieting te ontvangen, zij zelf ernaar streeft en ondervindt het gevoel van leed zonder deze genieting. En in overeenkomst met haar wens, vult het licht haar volledig, waardoor al haar wensen verzadigd worden. De malchoet heet olam (wereld), en zulke haar toestand van verzadiging met het licht heet olam Ejn Sof – de Oneindige wereld – de oneindige, grenzeloze genieting. Wij zien, dat de echte wens verschijnt alleen bij het voldoen aan de twee voorwaarden: 1. de wens is geconcretiseerd, aangezien juist deze genieting was reeds ondervonden en liet een bepaalde indruk (resjiemo) achter; 2. op het gegeven moment deze genieting is weg. En omgekeerd: een echte genieting is onmogelijk zonder de aan hem voorafgaande echte wens. Dus, alleen de malchoet kan alle soorten genietingen, welke het licht met zich meebrengt, ten volle gewaarworden. Zo alleen degene, die van de gevangenis er uitgaat, werkelijk van de vrijheid geniet, en degene, die uit het ziekenhuis is ontslagen – van het gewaarworden van de gezondheid. Hoe intenser de wens van de mens is – des te groter is zijn geestelijk potentieel. De meest eerzuchtige atheïst wenst de gehele wereld, en de meest eerzuchtige gelovige – ook nog de geestelijke werelden. En de mens wordt zo opgevoed, met name in zijn kindertijd, dat als eerste plaatst hij op de voorgrond zijn wensen, en niet hun beperking. Een beperking – dat is al de weg van de correctie. Maar zonder klie, de wens, valt er niets te corrigeren. De wensen – dat is al onze essentie. Zij zijn bij eenieder van ons verschillend, en daarom zijn wij niet in staat om elkaar te begrijpen. Eenieder zoekt zijn eigen genietingen, maar alleen daardoor verschillen de mensen van elkaar, want wij zijn allen – delen van de malchoet. Een genieting is één – van de Schepper, maar in onze wereld een genieting bekleedt verschillende kledijen: rijkdom, seks, eerbetoon, roem. In alle gevallen is dat slechts ner dakiek (een zwakke kaars) – de microdoses van het goddelijke licht, en wij jagen objecten na, waarin zij zijn verscholen. Een mens is een slaaf van zijn eigen wensen, en de Schepper dwingt de mens - door zijn wens om een bepaald object te bezitten - om te werken, te leren, kinderen op te voeden, lief te hebben en geduld op te brengen, te lijden en zelfs dood te gaan. Alles bestuurt een genieting of een verwachting van een genieting in de toekomst. Daarom kan geen sprake zijn van enige vorm van de vrijheid van de wil, voordat een mens boven zijn wens om te genieten opstijgt. Hoe is het mogelijk? Net zoals het zich voordeed in het stadium chochma: vanwege het feit, dat de klie zich met licht vulde, welk licht van de Schepper uitging, verkreeg de klie ook de eigenschappen van de Schepper – om een genieting te geven. In onze wereld kan men dat bereiken door de Kabbala te bestuderen. Het licht, dat in de Tora verscholen is, werkt geleidelijk op de klie– de ziel van de mens, uit, waardoor in de klie een wens wordt opgewekt om aan anderen te geven. “Or machzier le moetav”, wat kan men vertalen als “het licht keert tot de Schepper terug”. Daarin bestaat juist het doel van het bestuderen van de Kabbala – om een wens op te wekken aan hoge scheppingen te gelijken. Bij degene, wie de eigenschappen van hogere keliem (vaten) bestudeert, ontstaan geleidelijk overeenkomende wensen, welke wensen een uitwerking op zijn ziel van het licht opwekken. En dat licht leidt juist tot het verschijnen van de wens om te geven, d.i. tot het samenvallen met de Schepper qua eigenschappen en, op die manier, tot de samenvloeiing met Hem. Wij herinneren u eraan, dat in de geestelijke wereld juist het samenvallen of het verschillen van eigenschappen van geestelijke objecten bepaalt een afstand tussen hen. Alles gaat van de Schepper uit. Hij is de wortel, de bron van alles, wat bestaat. En daarom ontvangt de klie van de samenvloeiing met de Schepper een oneindige (niet door zijn omvang, wens beperkende) voldoening, een grotere, dan van het “directe” ontvangen van een genieting. Maar hoe [kan men] een genieting van de Schepper ontvangen en tegelijkertijd met Hem samenvloeien? Men kan het samenvloeien alleen op één manier bereiken: de enige wens van de klie dient te zijn de wens om een genieting aan de Schepper te geven. D.w.z. niet een genieting zal een voldoening geven, zal de klie vullen, maar het feit, dat door te genieten de klie een vreugde aan de Schepper [daarmee] bezorgt. Dan zal de klie hetzelfde doel hebben, als bij de Schepper – het vergenoegen van een ander. De klie ontvangt nu om een genieting aan de Schepper te geven. Beide geven, zijn dichtbij qua eigenschappen en vloeien in één geheel samen. En de klie ontvangt: 1. een genieting van al het licht, welk van de Schepper uitgaat; 2. een genieting van het samenvloeien met de Schepper (wat in vele malen groter is dan de eerste genieting). Een zulke toestand heet in de Kabbala gmar tiekoen – de eindcorrectie. Tot deze toestand dienen alle scheppingen te komen aan het einde van 6000 jaren na het scheppen van de wereld (d.m.v. de Tora of door de weg van het lijden). Op welke manier? Wij hebben reeds gesproken, dat de bron van alles – is de Schepper. Hij schiep de wens om te genieten – de klie. Maar deze wens is tegenovergesteld aan de eigenschappen van de Schepper, en daarom is de klie eindeloos van Hem verwijderd. Het is mogelijk om tot de toestand van de Gmar tiekoen te komen, indien er aan twee voorwaarden wordt voldaan: 1. voor zichzelf, d.i. voor het eigen tevredenstellen – de klie ontvangt niets (hoewel de wens groot is); 2. omwille van vreugde te verschaffen aan de Schepper (daar Zijn wens is om een genieting te geven) – de klie ontvangt en geniet. En hoe meer genieting de klie kan ontvangen, des te grotere vreugde de klie ermee aan de Schepper zal verschaffen. Maar waar haalt een klie, die voor [alle] 100% de wens om te genieten vertegenwoordigt, de kracht om zo tegennatuurlijk te handelen? Het antwoord is eenvoudig: alles gaat van de Schepper uit – én de wensen, én de mogelijkheid om zich er tegen te verzetten, alsmede het licht, dat deze wensen vult. Het or schiep de klie, en ook het or geeft aan de klie wensen, met inbegrip van de wens om “te geven”, welke wens aan hem eigen is, d.i. de kracht om aan de natuur van de klie – het egoïsme – weerstand te bieden. Daarom, eveneens als de chochma, die na de eigenschap van het licht te hebben ontvangen, hem verdreef, zo ook de malchoet van de wereld Ejn Sof, na met het licht te zijn gevuld, ontving zijn eigenschap “te geven”. Vóór de uitwerking van het licht voelt de klie alleen de egoïstische wens. Maar zodra het licht begint de klie zijn altruïstische eigenschappen door te geven, gewaarwordt de klie direct zijn egoïsme. En het gevoel van schaamte en de wens om met het licht, de Schepper (als gevolg van de invloed van het licht) samen te vloeien, leiden tot een beslissing: geen licht meer voor het eigen tevredenstellen te ontvangen! En het licht uit de malchoet gaat heen, daar de Schepper een genieting wenst te geven, en dat is alleen vrijwillig mogelijk. De weigering om het licht uit altruïstische overwegingen te ontvangen heet in de Kabbala een Tsiemtsoem – een beperking (van de wens), en daar het de eerste dergelijke handeling is, heet die Tsiemtsoem Alef (Ts”A). Door de wens te beperken, vervulde de klie alleen de eerste voorwaarde op de weg naar de Eindcorrectie (de gmar tiekoen), [d.i.] tot de Schepper – het vernietigen van het egoïsme. En ziehier, nu, wanneer de klie zich van het licht ontdeed, kan de klie ook de tweede voorwaarde vervullen – het licht alleen omwille van de Schepper te ontvangen, te ontvangen geleidelijk, niet in één keer, aangezien de klie niet in staat is om het licht “niet voor zichzelf” voor alle 100% genieting in één keer (dus tegen zijn natuur in te handelen) te ontvangen. Dat is alleen geleidelijk mogelijk en [dan nog] met kleine porties. Het bestuderen van dit proces van het geleidelijke ontvangen van een genieting “niet voor zichzelf”, en de wetten, waarnaar dit proces verloopt – dat is juist het onderwerp van de Kabbalastudie. Natuurlijk, dat indien de klie in de toestand van de verzadiging (in de olam Ejn Sof) het gevoel niet kreeg, dat hij, de klie aan de Schepper tegengesteld is, van Hem verwijderd is, dan zou het gehele proces, vanzelfsprekend, in deze toestand stoppen: de schepping is volledig, voor alle 100% verzadigd en geniet. Waarvoor deed de Schepper dan zo, dat de klie een schaamte zou gaan voelen op het hoogtepunt van de genieting? – Om de klie de mogelijkheid te geven om tot een absolute, zelfs door zijn omvang onbeperkte genieting te komen. (het diepere antwoord behoort tot de geheimen van de Tora). De leeggemaakte malchoet na het verdreven van het licht heet olam Tsiemtsoem. Enfin, vanaf de Tsiemtsoem Alef en tot het einde van de correctie van de klie (tot de gmar tiekoen) – willen wij dat of niet, door de weg van de Tora of door de weg van het lijden, bewust of onbewust, onophoudelijk, voortdurend, vanaf onze geboorte en tot de dood, in dit leven en na hem – houden wij ons bezig en zullen wij ons bezighouden slechts met één ding: met het veranderen van het egoïsme (aangeboren wens om een genieting voor zichzelf te ontvangen) in het altruïsme – de wens om een genieting aan anderen te geven en omwille van de Schepper te genieten. Verder zullen wij behandelen hoe dit proces vanaf de Ts”A tot onze dagen verloopt. En ik wil geloven, dat als gevolg van het bestuderen van de hier uiteengezette leerstof een pijnloze en snelle correctie van onze keliem zal zijn. 4. HET SCHERM (MASACH) Enfin, door het laatste stadium van zijn ontwikkeling te hebben bereikt, vormde de klie zich als het egoïstisch streven naar een genieting. Daardoor is hij volkomen aan de Schepper tegengesteld. Dus, de schepping – zij is ook de klie, zij is ook het maaksel – na het “geplande” eindstadium van zijn ontwikkeling te hebben bereikt, bleek qua eigenschappen maximaal van de Schepper verwijderd te zijn, volledig tegenovergesteld. Wat is dan aan slechts voor de schepping? Zij is toch volkomen happy! Het is echter niet zo. Wij zullen met een parabel verduidelijken: een rijkaard, na zijn arme vriend na een lange scheiding te hebben ontmoet, brengt hem bij zich thuis, geeft hem eten, drinken, kleedt hem aan, kortom, vervult al zijn wensen. Op een keer, toen hij wenste om nog iets aangenaams voor zijn vriend te doen, vroeg hij hem, waarmee hij hem nog van dient zou kunnen zijn. En die had geantwoord, dat zijn enige onbevredigde wens, welke niemand anders kan bevredigen – dat is om niet uit liefdadigheid te ontvangen, maar door zijn verdiende arbeid. De voor de hand liggende conclusie is – dat de “voor nop” verkregen goed maakt de mens niet ten volle gelukkig. Waar komt dan bij de schepping het gevoel van schaamte en bitterheid vandaan wegens het ontvangen van “andermans” brood? Het ontstaat daarom, omdat het licht, welk de klie vult, dat een deel van de Schepper vertegenwoordigt, geeft aan de klie zijn eigenschappen door en daarmee wekt het in de klie het gevoel van schaamte voor de niet-verdiende beloning. Alleen door met de Schepper naar eigenschappen verenigd te zijn kan de schepping een toestand van een maximale genieting bereiken. Om deze toestand van schaamte en eindeloze verwijdering van de Schepper te boven komen, legde de schepping zelf een verbod op het bevredigen van haar eigen wens op. De kern van dit verbod, welk verbod de naam Tsiemtsoem (beperking) kreeg, houdt in, dat de schepping, d.i. de malchoet (ofwel de klie, wat dezelfde is), door het licht van de Schepper mateloos wensen te ontvangen, zag van het ontvangen van dit licht zelf af. Terwijl vroeger het licht de klie volledig vulde, verdween nu het licht als gevolg van de Tsiemtsoem Alef. Op het eerste gezicht herhaalde zich hier de situatie, welke tot het verschijnen van het stadium biena leidde. Ook hier geeft de klie het licht weg, wenst hem niet voor zichzelf te ontvangen – d.w.z. de klie streeft ernaar om qua eigenschappen op de Schepper te gelijken. Maar door in het stadium biena het licht weg te geven, wist de klie nog niet hoe het licht voor de klie noodzakelijk en gewenst zou zijn. In het stadium van malchoet echter, door de Ts”A te maken, wetend, welke zegening het licht haar meebrengt, verwerpt de klie toch bewust het licht. Het licht blijft te streven om de klie binnen te komen, immers zo is zijn aard – de wens om te vergenoegen. Maar de klie, na het licht te hebben verjaagd, sloot hem de toegang binnen zichzelf. Deze hindernis bij het binnenkomen van het licht in de klie heet masach (scherm). De masach kaatst het van boven aankomende licht weer, waardoor de masach laat hem niet binnen de klie te komen. Wij hebben reeds gezegd, dat in de geestelijke wereld niets verdwijnt: alles, wat er was – blijft te bestaan, en datgene, wat ontstaat wordt aan het voorafgaande plaatje toegevoegd, wordt als het ware op het vorige opgelegd. Het oude blijft te bestaan, daaruit een nieuwe vorm verschijnt. Daarom bestaan er tegelijkertijd alle voorgaande stadia van de klie – 1, 2, 3, 4, olam Ejn Sof, olam Tsiemtsoem. En zij zijn allemaal vervolg van elkaar. Alle vorige vormen van de klie overblijven, en nu, na de Ts”A, bestaat bovendien nog de lege klie – de malchoet. En de malchoet besluit om het licht te ontvangen, om alleen omwille van de Schepper te genieten, daar alleen door het licht van Hem te ontvangen kan zij de Schepper een genieting geven. D.w.z. de handeling is niet veranderd – de klie zal steeds het licht ontvangen (immers alleen in een beslissing – het licht te ontvangen ja of niet – bestaat haar vrijheid van keuze), maar nu, na de Ts”A, het doel van het ontvangen van een genieting is veranderd – niet voor zichzelf (hoewel daarin is de ware wens van de klie), doch alleen omwille van de Schepper. Op die manier, zonder de handeling te vervangen, en alleen door het doel van het ontvangen van een genieting, zijn motivatie (kavana) te veranderen, veranderde de klie [van de positie van] ontvangende in [die van] gevende. Enfin, het voornaamste nu, na de Ts”A, is de gedachte, waarmee de klie een genieting ontvangt. Juist deze gedachte (kavana) bepaalt een handeling van de klie – ontvangt hij of geeft. En de kracht van deze gedachte bepaalt de hoeveelheid licht (genieting), welke genieting de klie niet voor zichzelf kan ontvangen, doch omwille van de Schepper. Maar aangezien het doel om alleen omwille van de Schepper te ontvangen tegennatuurlijk voor de klie is, kan de klie zich precies zo veel licht veroorloven, zonder het risico om zichzelf tevreden te stellen, als de kracht van deze gedachte, van deze intentie is. D.w.z. de klie dient onophoudelijk zijn wensen te controleren en precies een naar binnen ontvangende portie van licht te berekenen. In de taal van de Kabbala (in de precieze beschrijving van gevoelens en geestelijke bewegingen), verschijnt bij de klie een eigenschap om tegen te houden, niet in zichzelf toelaten of wel toelaten– d.i. te ontvangen – slechts een bepaalde portie van licht. Deze eigenschap heet masach (scherm). Door alle genietingen welke in het licht aanwezig zijn af te stoten, vormt het scherm het weerkaatste licht. Met deze handeling handhaaft de klie de eerste voorwaarde, de voorwaarde van de Ts”A – om niet voor zichzelf te ontvangen. Vervolgens met behulp van het scherm berekent de klie, welke hoeveelheid licht de klie kan ontvangen, d.i. bij welke maximale hoeveelheid licht kan de klie zich weerhouden van het tevredenstellen van zichzelf. En slechts deze hoeveelheid licht laat de klie toe om te ontvangen. Hoe groter de hoeveelheid van het licht is, die de klie in zulke omstandigheden kan ontvangen en hoe grotere genieting geeft de klie aan de Schepper door het licht te ontvangen, des te dichterbij tot de Schepper bevindt zich de klie. Terwijl vroeger vulde het licht de klie oneindig, verdwijnt het als gevolg van de Ts”A uit de klie. Het licht gaat voortdurend van de Schepper uit en voortdurend streeft om in de klie binnen te komen. Echter de handeling van de klie bevindt zich nu onder het zelf controle: de klie schat de grootte van de aanvoerende genieting in, alsmede zijn eigen vermogen om aan het ontvangen van die genieting voor zichzelf weerstand te bieden. En nu laten wij terugkeren tot het bestuderen van de werking van het scherm aan de hand van het klassieke voorbeeld in de Kabbala. Een gewone mens volgens zijn natuur is geneigd tot het gevoel van medelijden, waarbij de noodzaak om van andere hulp te ontvangen wekt bij hem onaangename gewaarwordingen. [Hier volgt] een eenvoudig voorbeeld. Na in een gastvrij huis terecht te zijn gekomen, zal hij een uitnodiging om te gaan eten beleefd afwijzen, daar het voor hem onaangenaam is om zich als ontvangende [partij] te gewaarworden. Doch, indien hij nadrukkelijke uitnodigingen te horen zal krijgen, en bovendien meer dan eens, d.i. indien het hem duidelijk zal zijn, dat hij aan de heer des huizes een voldoening zal geven en hem van dient zal zijn door het feit, dat hij de uitnodiging zal aanvaarden, dan zal hij instemmen en aan de eettafel gaan zitten, daar hij zich al niet meer als ontvangende [partij], en de gastheer als een gever zal voelen. Maar juist integendeel, hij gewaarwordt al, dat hij als het ware een gunst doet, een goede zaak door in te stemmen om te gaan dineren. D.w.z., hij geeft [weg] daarmee, dat hij ontvangt. De honger, de wens van een klie om zich te vullen, is dezelfde gebleven. Maar door het aanbod om een maaltijd te gebruiken een aantal keren af te wijzen, waardoor hij het ontvangen van het voedsel in het bewijzen van dienst aan degene wie het [voedsel] geeft veranderde, voelt hij, dat hij een vreugde aan zijn gastheer geeft, en dat hoe meer hij zal opeten, zal ontvangen - des te grotere voldoening zal hij aan zijn gastheer verstrekken. En dat is allemaal dankzij het afzien van het voedsel – het wegstoten, het vormen van het weerkaatste licht (het or chozer). D.w.z. de weigering wordt dé voorwaarde voor het ontvangen van de daaropvolgende aangename – nu al zonder het schaamtegevoel – genieting. Laten wij nu dit voorbeeld met onze objecten – or en klie vergelijken (zie een tekening op de volgende pagina).
|