1. ALGEMENE EN BIJZONDERE

Het voornaamste doel in het onderzoeken van de schepping bestaat in de analyse van de handelingen van de Schepper, daarin, dat men leert te handelen als Hij handelt, het vermogen te verkrijgen om Zijn handeling na te botsen.

De handelingen van de Schepper heten “bestuur”, ofwel “de natuur van de schepping”. Ook de geleerden onderzoeken handelingen van de Schepper, waarbij zij dat natuur noemen, de wetten van de natuur, met hetzelfde doel om iets te leren, om de “wijze” natuur te kunnen nabootsen.

Alles, wat wij in ons leven doen – dat is het nabootsen van de natuur. Alle voortbrengselen van menselijke handen of gedachten: techniek, muziek, beeldende kunsten – alles is op gelijkenis met de natuur opgebouwd. Zelfs de meest uitbundige fantasie is het gevolg van onze natuur. Wij kunnen ons van de natuur niet onttrekken. En alles, wat wij kunnen scheppen – dat is slechts een ontwikkeling van datgene, wat in ons reeds in zit.

Niets nieuws kunnen wij scheppen. Alles, wat wij doen – dat zijn verdere verrichtingen van de Schepper, die Hij door ons verwezenlijkt. Maar ons lijkt alleen, dat wij zij zelf vervullen – zo zijn wij geschapen, dat, terwijl wij alles op aanwijzing van de natuur vervullen, volkomen overtuigd zijn, dat wij juist onze persoonlijke wensen vervullen. In feite, zijn dat eveneens verrichtingen van de Schepper, Zijn programma van onze ontwikkeling. En al onze “ontdekkingen” – dat zijn ontdekkingen van het reeds bestaande, maar dat eerder van ons verborgen was.

Ons fysiologisch lichaam is gelijk aan alle lichamen van onze wereld, als het lichaam van een dier, en, natuurlijk, heeft op zich genomen geen enkele geestelijke eigenschap. Maar ook de lichamen in onze wereld onderscheiden zich van elkaar door geen geestelijke eigenschappen en in hun kringlopen alleen vervangen elkaar.

Indien er geen kwalitatieve, geestelijke onderscheid is, dan waarmee onze fysiologische lichamen zich dan ook van elkaar niet zouden onderscheiden, geestelijk worden zij allen als één lichaam beschouwd. Immers het verschil in het geestelijke – dat is het verschil van eigenschappen, kwaliteiten, aangezien uitwendige materiële omhulsels in de geestelijke ruimte ontbreken.

Daarom, door naar onze wereld te lijken, ontdekt een kabbalist één vertegenwoordiger per elke soort. Maar indien hij een mening over de natuur naar de geestelijke eigenschappen vormt, dan is zijn gezichtsvermogen, welk alleen de geestelijke eigenschappen onderscheidt, ontdekt in onze wereld niets, behalve leegte.

De fysiologische eigenschappen van lichamen zijn gelijk. En indien, laten wij zeggen, bij één van hen een of andere ziekte is, dan bekijkt een arts zijn lichaam, als lichamen van overige mensen met een dergelijke ziekte. D.w.z., onze lichamen zijn gelijksoortig. En dat, terwijl in het geestelijke – één lichaam onderscheidt zich qua zijn eigenschappen volkomen van een ander.

Al deze beschouwingen zijn, natuurlijk, ook juist ten opzichte van alle objecten van onze wereld: alle levenloze lichamen – zijn als één lichaam, alle planten – zijn als één plant, alle dieren – zijn als één dier.

Er is maar één geestelijke ruimte, welke als ruimte van eigenschappen dichterbij-verder van de Schepper wordt bepaald. En het bestaan in die ruimte van materiлle lichamen: levenloze, vegetatieve, dierlijke – is niet van betekenis, aangezien het onderscheid tussen lichamen in deze ruimte alleen door het verschil van hun geestelijke eigenschappen wordt bepaald.

En indien bij vele lichamen geen onderling verschil bestaat, dat vloeien ze in één samen. Naar dezelfde enige wet der gelijkenis – wie de eigenschappen van de Schepper verkrijgt, vloeit met de Schepper samen.

In deze geestelijke ruimte bevindt zich de gehele schepping. Deze geestelijke ruimte werd geschapen als gevolg van het feit, dat de Schepper verborg Zich en wordt in de mate van gelijkenis met Hem onthuld. D.w.z., er bestaan Hij en wij.

En in de mate van onze gelijkenis van eigenschappen met die van Hem gewaarworden wij Hem steeds meer. En deze innerlijke verandering van een gewaarwording van de Schepper van een meer heldere in een minder heldere, of van een minder heldere in een meer heldere, heet een geestelijke beweging.

Men kan zeggen, dat in deze geestelijke ruimte bestaat de aantrekkingskracht van de Schepper, welke kracht trekt de mens tot Hem in de mate van een gelijkenis van de mens aan de Schepper, en op die manier verplaatst de mens zich. Deze verplaatsingen zijn achtereenvolgende, trapsgewijze. De mens verbetert zijn eigenschappen trapsgewijs: er vindt een proces plaats van het innerlijke beseffen en de evaluatie van zijn eigenschappen als [te zijn] slechte, en vervolgens – het aanwenden van zijn inspanningen om die [eigenschappen] met behulp van de Schepper te verbeteren.

Het ontvangen van hulp schept in de mens een nieuwe eigenschap. En in overeenkomst met zijn nieuwe eigenschappen neemt de mens automatisch, volgens de “aantrekkingskracht” in deze ruimte, een nieuwe, hogere trap in.

Hoe grotere trap een mens inneemt, des te meer algemene eigenschap van de schepping hij heeft. Dat is net als in onze wereld, waar een mens, die verschillende toestanden doorliep en een ervaring opdeed, sluit in zich als het ware vele mensen in. Daarom is het algemene hoger dan het bijzondere.

Daarom is degene, die trouw aan zijn volk is, hoger dan een burgermannetje. En dat komt, omdat het algemene brengt voort en bevat in zich al het bijzondere, en daarom hoe groter het algemene is, des te meer componenten het heeft. Daarom zijn er verschillen tussen degenen, die trouw zijn aan het gezin, de stad, het volk, de wereld.

GEESTELIJKE GEBOORTE

Een geboorte in de mens van een nieuwe eigenschap gelijkt om een geboorte van een menselijk lichaam. Aanvankelijk is het stadium van het verwekken, wanneer een eigenschap of een gedachte nog niet wordt opgevangen, zweeft ergens in een mens rond, als gevolg van bepaalde voorgaande redenen. Vervolgens begint die zich op te tekenen, zich via een of andere eigenschappen, gedachten, te manifesteren, totdat die als iets eigens, een apart bestaande, een zelfstandige, een geboren, wordt gewaarword.

Het proces lijkt op een geboorte van een mens: eerst worden bijbehorende cellen in organismen van een moeder en een vader voortgebracht, vervolgens vloeien zij samen. Een bepaald, nieuw organisme begint zich te ontwikkelen, ten opzichte van zichzelf absoluut onbewust, zoals een nog onbewuste gedachte. Daarna gewaarwordt dit nieuw zichzelf geleidelijk steeds meer en meer, en scheidt zich van zijn grondoorzaken, komt tot het zelfbewustzijn en het gewaarworden van zichzelf.

Het één is met de ander verbonden: naar mate zijn uitkomst vanuit de macht van ouders verkrijgt men zelfstandigheid. En omgekeerd. Een geboorte is het wisselen van macht. Een geestelijke geboorte is het wisselen van eigen macht in die van de Schepper: een mens neemt op zich vrijwillig een onderschikking aan de wil van de Schepper, wenst in weerwil van zijn verstand te gaan, waarbij hij door een wijsheid van een hogere geestelijke trap geleid wordt.

Gelijk een geboorte op alle niveaus, hetzij verstandelijk of dierlijk, vindt ook een geestelijke geboorte plaats: het verschijnen in een mens van geestelijke wensen. Vóór dat moment waren zij in een mens niet, daar hij in de macht van zijn egoïstische wensen was. Het ontvangen van boven van geestelijke wensen, het vervangen van egoïstische wensen in altruïstische, heet een geestelijke geboorte.

Dat doet zich voor met behulp van de Schepper – de geestelijke kracht, welke alles doet ontstaan, in alle werelden (m.i.v. onze wereld). Bovendien, alles, wat zich in onze wereld voordoet is het gevolg van datgene, wat in de geestelijke werelden plaatsvindt, dat vandaar naar ons neerdaalt. Zoals wordt gezegd: “Er is geen grasje beneden, waarboven geen engel (een geestelijke kracht) zou zijn, die hem niet zou slaan en bevelen te groeien”.

D.w.z., een geboorte en een verdere groei gebeurt alleen onder invloed van een dwingende en slaande van boven kracht. Des te meer een geestelijke geboorte en groei – daar dit proces vindt plaats tegen onze egoïstische natuur in.

Zonder van boven dwingende geestelijke kracht van de Schepper eveneens in onze, materiële wereld zal het leven en beweging ophouden te bestaan – immers alle [willekeurige] materiële vertoningen zijn vertoningen, gevolgen van de geestelijke krachten. En wanneer onze ogen zullen opengaan, zullen wij de hoge wereld zien, zullen wij ontdekken dat niets materieels bestaat. En dat zijn slechts manifestaties van geestelijke krachten, welke door ons in een materiële vorm worden gezien, zij verschijnen voor ons in onze materiële zintuigen.

Naar mate onze geestelijke opstijging, een toenadering tot de Schepper, lagere krachten worden door hogere vervangen, totdat wij zullen zien, dat rondom ons is er niemand en niets, behalve de Schepper.

Het verkrijgen van de eerste geestelijke eigenschap heet een geestelijke geboorte: door zijn innerlijke gewaarwording gaan een mens van onze egoïstische wereld uit, de geestelijke wereld in. Het verschijnen in hem van een nieuwe kwaliteit, die zich van onze wereld onderscheidt, stoot hem van deze wereld op die trap uit, welke [trap] met zijn nieuwe eigenschap overeenkomt. En deze trap heet allerlaagste trap van de geestelijke wereld – de malchoet van de wereld Asieja. De eerste correctie van de mens heet zijn geboorte. En vervolgens vindt zijn geestelijke groei plaats – de correctie tot een volledige gelijkenis met de Schepper.

 

UITTOCHT UIT EGYPTE HEET GEBOORTE

De uittocht (bevrijding) uit egoïstische eigenschappen in altruïstische, in de wereld van correctie, het verkrijgen van de eerste geestelijke eigenschap wordt dan mogelijk, wanneer een mens in staat is om een uiting van iedere willekeurige egoïstische eigenschap in zichzelf te onderdrukken.

Natuurlijk, dat zulke anti-egoïstische krachten in een mens ontbreken. Alleen onder invloed van boven ontstaat in hem een nieuwe geestelijke kracht, welke kracht hem zijn natuurlijke wensen helpt te overwinnen.

Het uitkomen van onder de macht van het egoïsme – de Farao, heet een bevrijding uit Egypte, de uittocht uit Egypte, en het verkrijgen van nieuwe altruïstische eigenschappen heet het intreden in het land Israël.

Een geestelijke geboorte lijkt op een geboorte van een mens in onze wereld: een embryo in het lichaam van een moeder bevindt zich in de meest comfortabele voor zijn ontwikkeling plaats – vóór onze geestelijke geboorte bevinden wij ons onder de absolute macht van geestelijke ontwikkelende kracht.

Maar ten opzichte van de schepping zelf, kan men zeggen, dat vóór zijn geboorte is een baby, terwijl het zich in het donker, in een moederschoot bevindt, niet zelfstandig, het beseft niet waar het is en wie het is, zelf kan het zich niet voortbewegen, noch voeden. Alles wat in hem is – is van zijn moeder. Zo is ook onze toestand vóór de geestelijke geboorte.

Een pasgeborene wordt pas dan geboren, wanneer hij zijn volledige prenatale rijpheid bereikt. En indien hij niet geboren zou worden, niet uit een zulke vóór dan moment (moment van de geboorte – vert.) geschikte plaats er uit zou komen – zal hij sterven. Omdat van de allerbeste [wordt een zulke plaats] voor hem de allergevaarlijkste. Indien hij in hem zal blijven vertoeven, zal hij doodgaan! Daarom een moeder zelf stoot een vrucht van zichzelf uit.

Het verblijven in het egoïsme, een bewust verblijf in zijn macht, in de egyptische ballingschap, kan alleen gewaarword worden, indien een mens al gedeeltelijk “van verte” gewaarwordt, wat “de lucht der vrijheid”, de eigenschappen van de geestelijke wereld betekenen. Het onbewuste en vervolgens al bewuste verblijf in de slavernij van de Farao is één van de noodzakelijke fasen van de “prenatale” ontwikkeling van een mens en heet in de Kabbala ieboer-embryo.

Het zich gewaarworden als een geestelijke embryo is noodzakelijk voor een geestelijke geboorte en wordt als het ontstaan van eigen geestelijke wensen gewaarword. Pas na geestelijk te zijn geboren, ontvangt een mens een gewaarwording en het besef, wat betekent om zich in de geestelijke wereld te bevinden: zelfstandig te ademen, van de Hoge te ontvangen, te verzoeken, de Hoge te gewaarworden als degene, die je ter wereld brengt en onder zijn hoede heeft.

Vervolgens doet zijn ontwikkeling zich voor gelijk de ontwikkeling van een pasgeborene mens in onze wereld: de hoge kracht leidt hem geleidelijk langs de geestelijke trappen, en elke volgende geestelijke trap onderscheidt zich van een voorafgaande alleen door een aanvullende, nieuwe, gecorrigeerde geestelijke wens.

Aanvankelijk bestaat de geestelijke weg van een mens in het verkrijgen van altruïstische krachten-eigenschappen: hij groeit van de malchoet van de wereld Asieja tot de malchoet van de wereld Atsieloet, waarbij hij de trappen van 30 sfirot doorloopt. Dit proces bestaat daarin, dat hij zijn egoïstische wensen in het geheel niet gebruikt, maar alleen ontkent.

Wanneer een mens met zijn eigenschappen de malchoet van de wereld Atsieloet bereikt – dan heet dat, dat hij zijn altruïstische wensen – G”E volledig verkreeg. En vervolgens, terwijl hij een deel van de malchoet van de wereld Atsieloet wordt, dan begint hij zijn egoïstische wensen te corrigeren: hij doet zijn ACha”P in de wereld Atsieloet opstijgen, waarbij hij egoïstische wensen in altruïstische verandert – daarbij ontvangt hij in hen genietingen omwille van de Schepper. In totaal worden deze correcties achtereenvolgend in 6000 delen-trappen, die jaren heten, verricht.

Wanneer een mens deze correcties voltooit, bereikt hij de laatste trap, het einde van al zijn correctie – de “Gmar Tiekoen”. En de daaropvolgende trap heet “Masjiejach” – de Bevrijder: van deze kracht ontvangt een mens een dermate sterk licht, dat het helpt hem om zijn eigen natuur te corrigeren, om zijn aangeboren egoïsme in het altruïsme te veranderen, vervangt het “stenen hart” – “het lev ha-even” in “het levende hart” – “lev bassar”. En vervolgens komt een mens op allerhoogste trappen omhoog van het samenvloeien met de Schepper, welke trappen de 7e, de 8e, de 9e en de 10e duizend jaren heten. Zoals rabbi J. Ashlag schrijft, er zijn afzonderlijke individuen, die deze trappen nog bij hun levens in onze wereld bereiken.

In het artikel “Het visioen van rabbi Chieja” uit het voorwoord bij het boek Zohar, Zohar vertelt, hoe na het overleden van rabbi Sjimon zijn leerling rabbi Chieja kon het niet begrijpen, waarom bereikte zijn leraar de laatste trap, de uiteindelijke correctie, de Gmar Tiekoen.

Het antwoord wordt daar direct gegeven: er is een bijzondere en algemene eindcorrectie. Hoewel rechtvaardigen hun bijzondere (persoonlijke) correctie bereiken, de algemene correctie zal allen op een kwalitatief nieuwe, allerhoogste trap van het samenvloeien met de Schepper zal doen opstijgen.

 

GEBOORTE VAN EEN DODE

Wanneer een mens beseft, dast hij zich in een donkere, dode wereld bevindt en met al zijn krachten-wensen er van uit streeft te komen – wordt hij in een nieuwe, geestelijke wereld geboren, gelijk een embryo, welk niet hoort, naar zijn ontwikkeling, om zich in de moederschoot te bevinden.

Maar indien aan het einde van een zwangerschap (een gewaarwording van het zich in een egyptische slavernij van het egoïsme te bevinden), een geboorte vroegtijdig plaatsvindt, d.w.z., een mens is nog niet rijp, hij verkreeg in zich nog geen altruïstische eigenschappen voor het zelfstandige bestaan in een nieuwe wereld, dan wordt het geacht, dat hij is dood geboren.

In een zulk geval zal een mens gedwongen zijn om door te zetten met zijn egoïstische wensen te vechten (de oorlog met Amalek, inwendige twisten, het aanbidden van een kalf, e.d., waardoor het ook “woestijn” heet, het gewaarworden van een nieuwe geestelijke wereld, naar de naam Sinai – van het woord sina – haat).

Na de toestanden van de egoïstische slavernij te hebben doorgelopen, wanneer een mens tot het besef van een noodzaak van het uitkomen uit de macht van egoïstische krachten komt, wordt hij nog niet volledig voorbereid om altruïstische eigenschappen in zich te ontvangen. Ondanks het feit, dat hem van boven altruïstische krachten zijn gegeven, is hij nog niet in staat om ze te ontvangen.

Werd dood geboren [betekent] – hij kon geestelijke eigenschappen niet verkrijgen, ondanks het feit, dat het voor hem was weggelegd. Het uitkomen uit egoïstische eigenschappen doet zich voor, maar een mens komt in de duisternis terecht. Het geestelijke schijnt, maar vóór hem zijn gigantische hindernissen – “Jam soef – de eindzee” (de Rode zee), dorre, levenloze woestijn (zo vertoont zich de geestelijke wereld in de niet volledig gecorrigeerde eigenschappen [van de mens]). Om zo te zien een mens ontvangt de Tora, maar hij ontrukt zich niet volledig van zijn vroegere eigenschappen, als gevolg waarvan vindt vervolgens het breken van stenen tafelen, de zonde van het gouden kalf, e.d.

Zoals rabbi J. Ashlag schrijft, de vroegtijdige uittocht uit de egyptische ballingschap werd de oorzaak van alle verbanningen. Maar er zijn geen onvolmaakte handelingen bij de Schepper – dat zal allemaal vertoond worden als een noodzakelijke trap voor een verdere vermenging van altruïstische en egoïstische eigenschappen, welke [vermenging] nodig is voor het doordringen van die in die, opdat een mogelijkheid zal verschijnen om het gehele egoïsme uit te corrigeren.

Daarom dient er op elke trap het breken van wensen plaatsvinden – zonder het breken, zonder een vermenging van deze tegengestelde eigenschappen in de mens, zal geen correctie zijn. een geboorte vindt stapsgewijs plaats, er zijn in een geboorte vele, zogenaamde mislukte processen. Wij worden opgetild – het geestelijke lijkt gewenst te zijn – en gegooid – ontgoocheling t.o.v. het geestelijke wordt in ons gewaarword.

Wensen worden vermengd, zodat het geestelijke in alle materiële deeltjes, in de wens om te ontvangen, in het egoïsme dermate binnen kan komen, dat de correctie van allerlaagste, meest van de Schepper verwijderde wensen, voltooid zal kunnen worden. Pas dan wordt de volle, volmaakte “Eindcorrectie” bereikt.

 

GEBOORTE UIT VADER EN MOEDER

Maar na zijn echte geestelijke geboorte, slikt een pasgeborene geestelijke levenskrachtige lucht, en gewaarwordingen van een nieuwe wereld openbaren zich bij hem voor het eerst. En dan groeit hij op, zoals wij hebben gezegd: aanvankelijk bevat hij alleen de wensen “om weg te geven”, de G”E, welke “Kohen” heten, en vervolgens corrigeert en sluit aan hen de wensen “om te ontvangen” met een intentie omwille van de Schepper, ACha”P, die “het Heilige volk” heten. Omdat onder “volk” worden altijd wensen om te ontvangen bedoeld.

Als middel voor het bereiken van een correctie “van ontvangende” wensen dient het uitvoeren van het Voorschrift over liefde voor de naaste – om met zijn [eigen] egoïsme niet van zichzelf te houden, maar van een ander. “Het heilige volk” – dat is een trap, waar een mens zijn egoïstische wensen in altruïstische verandert. “Het volk” – dat zijn egoïstische wensen van de mens, maar “het heilige” – dat zijn reeds gecorrigeerde egoïstische wensen (ACha”P de Alieja).

Er bestaan drie toestanden:

1. Egoïstische – wanneer men alleen van zichzelf houdt.

2. “Chafets chessed” – een altruïst, wenst niets voor zichzelf. Maar hij is nog niet in een toestand van het weggeven van datgene, wat van hem is aan anderen, “noch aan zichzelf, noch aan anderen”. Dat is een bepaalde trap van de correctie: een mens wenst zijn egoïsme niet te gebruiken.

3. “Om van andere te houden als van zichzelf”, om precies te zijn, op dezelfde wijze, als je van zichzelf hield, houdt je nu van een ander. Niet gelijkelijk – zoals ik nu van mijzelf hou, zo hou ik ook van een ander, maar om van een ander te houden, zoals ik hield van mijzelf vóór de correctie, d.w.z., om je liefde volledig op een ander over te brengen, waarbij je jezelf niet gewaarwordt. “Hebt uw naaste lief, als zichzelf” – zoals je hield van jezelf. Is het soms mogelijk om tegelijkertijd én van jezelf te houden, én nog van iemand. Dat is onmogelijk! Óf van jezelf, óf van een ander.

Wanneer een mens zich van zijn egoïstische wensen, van zijn gedachten aan zichzelf bevrijdt, wordt hij “chefets chessed” – hij wenst niets. Vervolgens, wanneer zijn ogen opengaan en hij ziet, dat er niemand is behalve de Schepper, verschijnt in hem de liefde voor de Schepper.

Zoals in onze wereld, een baby, na zijn geboorte in lieflijke en trouwe handen van zijn ouders terechtkomt, welke ouders hem een veilige, nodige ontwikkeling waarborgen – zo ook aan eenieder die geestelijk geboren wordt, wordt een bepaalde geestelijke omgeving voorbereid, welke omgeving de 600.000 voor hem zorgdragende zielen heet. Deze zielen helpen hem om in de geestelijke wereld te overleven en zich te ontwikkelen. Door op te stijgen, gewaarwordt de mens, dat alles behalve hem is gecorrigeerd.

 

2. ACHTERKANT EN VOORKANT

De mens is zodanig ingesteld, dat hij altijd vooruitkijkt naar zijn toekomstige groei, vooruitgang, zijn weg lijkt hem als een opstijging “van beneden naar boven”, zijn elke toekomstige toestand neemt hij aan als een grotere, betere, dan nu, dan de huidige [toestand]. Indien hij echter gewaarwordt hem als mindere (minder geld, gezondheid, eerbetoon), dan lijkt het hem als een dood. De mens is zodanig geschapen, dat hij te allen tijde naar zijn volgende toestand streeft, als naar een grotere, ten opzichte van de voorafgaande [toestand].

En daar de mens is geschapen als degene, die naar de toekomst streeft, kan hij de toestand, die aan zijn fysieke geboorte voorafgaat, niet beseffen en gewaarworden. En hij is evenmin niet in staat, om te gewaarworden, op welke manier in hem een of andere wens ontstaat, hij kan zich niet voorstellen, waarvandaan verschijnt in hem datgene, wat zijn “Ik” vormt.

De trap, die de mens voortbracht, zijn voorgaande geestelijke toestand, heet “vaderen”, “oervaderen”, “vader en moeder”. Deze hoogste trap brengt in de mens bepaalde eigenschappen voort. Maar hoe kan een mens zich met deze trap in verbinding brengen, waar ontvangt hij al zijn wensen vandaan, m.a.w., waar bevindt zijn toekomst zich?

Opeens verschijnt in de mens een wens om iets te bereiken, hij gewaarwordt plotseling iets als wenselijk om het ontvangen, te weten, te bevatten. Maar deze gedachte is het gevolg van het in de mens neerdalende wens. Deze van boven neerdalende wens doen in de mens een gedachte ontstaan over de noodzakelijkheid om een of andere handeling te verrichten, iets te bereiken.

Hoewel een mens maakt zichzelf wijs van “ik zal het beter hebben, indien ik dit zal bereiken, verkrijgen” – maar deze nieuwe argumenten zijn slechts het gevolg van een wens, die gewaarword wordt, van een wens, die al eerder van boven was neergedaald. Maar deze wens zelf ontstaat in een lagere, in de mens, uit een gedachte en een wens van een hogere, om een zulke wens voort te brengen. Dit voornemen van een hogere gaat aan het verschijnen van een wens en een gedachte in de mens vooraf. Dit voornemen ontbreekt in de gewaarwordingen van de mens, aangezien het tot een volkomen andere, voorgaande, hogere partsoef, zijn geestelijke ouders behoort.

Daarom gelijkt de mens aan een boek, waarin de eerste helft van pagina’s ontbreekt. Vandaar, dat door “zich te lezen”, door zich met behulp van zijn niet-gecorrigeerde, “aardse” eigenschappen te bestuderen, is het onmogelijk om maar iets over zichzelf te begrijpen, en niet alleen zijn verleden, maar ook de toekomst, hoewel het de mens lijkt, dat hij het wel begrijpt.

Het voordeel van degenen, die in het geestelijke uitgaan is, dat zij de toekomst zien, en niet in het feit, dat zij hun verleden bevatten. Zij hebben een mogelijkheid om hun oorzakelijkheid te bevatten – datgene, wat hen dwingt om zich te ontwikkelen, hun tegenwoordige “ik” bepaalt. Door zijn geestelijke ouders te bevatten, beseft de mens volkomen zijn huidige trap, kan zichzelf als het ware van buiten zien, hij wordt objectief.

Al het voordeel van hen, die zich geestelijk bevatten, d.i. kabbalisten, bestaat daarin, dat zij hun ontstaan uit de Schepper tot onze wereld zien, omdat zij langs dezelfde ladder opstijgen, als waarop het neerdalen van hun zielen plaatsvond. Kabbalisten beginnen hun vorige “ik” te gewaarworden en vooruit te zien. Indien de mens zijn geestelijke wortel bevat, dan ziet hij zichzelf daadwerkelijk, alsmede datgene, wat vóór hem ligt. Zonder dit bevatten ziet hij zelfs datgene niet, wat zich vóór hem is.

In de mens veranderen telkens zijn wensen, omdat zijn geestelijke wortel, die hem tot het doel doet voortgaan, voortdurend vernieuwd wordt. Een groei van de mens bestaat in een groei van zijn scherm – het vermogen om in weerwil van zijn common sense te gaan, door ogen te sluiten, door het GELOOF BOVEN KENNIS. Een geestelijke groei – dat is een wens om zelf langs die weg te gaan, en niet vanwege een opgelegde noodzakelijkheid.

Maar, indien het verkieselijk is om met het geloof [door het leven] te gaan, waar is het dan voor nodig om zijn geestelijke oorsprong te bevatten? Men dient achteruit te kijken met het doel van het bevatten van zijn vorige toestand alleen daarvoor, om te weten hoe verder voort te gaan, niet voor het rechtvaardigen van het nietsdoen, doch voor de kennis, om vervolgens in weerwil ervan te gaan.

In de Tora is geschreven, dat de vrouw van Lot keek achterom – zij streefde naar haar vorige toestand, naar de oerreden. Elke toekomstige toestand is gecorrigeerder en dichter bij de Schepper, dan een voorafgaande, en wij bereiken hem door de weg van de Tora of door de weg van het lijden.

Een mens bevat in zich alles, wat door de Schepper is geschapen: werelden, sfirot, engelen en de gehele onze wereld binnen de mens bestaat. Maar het lijkt de mens, dat hij alles van buiten gewaarwordt. In werkelijkheid echter bestaat buiten de mens niets, dan alleen de Schepper, die wij niet voelen, maar gewaarworden alleen Zijn verschillende uitwerkingen op ons, in de vorm van het bevatten van onszelf steeds dieper en dieper.

Deze stadia van het bevatten van onszelf heten sfirot, partsoefiem, werelden, en zij bevinden zich binnen ons. En datgene, wat buiten ons bestaat – dat is een illusie, en een dusdanige, dat het onmogelijk is om zich iets omgekeerds, een tegenovergestelde voor te stellen. Dat komt, omdat onze zintuigen geven ons een inversieve voorstelling: het feit, dat alles in werkelijkheid zich binnen onszelf bevindt lijkt ons als datgene, dat zich buiten ons heen bevindt, terwijl buiten onszelf alleen de Schepper zich bevindt.

Hoe wordt in de mens een gewaarwording opgebouwd, dat om hem heen een wereld zich bevindt? Een mens bevindt zich als het ware binnen een ballon van zijn gewaarwordingen. Van buiten “drukt” de Schepper, maar de mens, door zich binnen zijn sfeer, ofwel een ballon, te bevinden, neemt waar, door een druk van buiten in evenwicht te brengen – hij reageert op Hem met zijn zintuigen. En in de mate van deze “druk” op uitwerkingen van buiten wordt in de mens een voorstelling gevormd, een beeld, dat “wereld” heet. Dat beeld wordt door hem gezien, als datgene, wat zich van buiten bevindt, maar in werkelijkheid is het binnen de mens.

Naar hetzelfde principe zijn alle meetgereedschappen opgebouwd: zij meten niet een uitwerking zelf, maar hun tegenwerking eraan. Wij kunnen de buitenwereld niet bevatten, omdat zij niet bestaat. Al onze wetenschap bevat het waarnemen door ons van de Schepper. Maar ondanks het feit, dat de mens alleen zichzelf bevat en al het plaatje bevat hij alleen in zichzelf, geeft het hem een voldoende inzicht in dat beeld zelf. Aangezien de Schepper, door in ons dit beeld op te tekenen, behandelt ons ook in overeenstemming ermee.

Datgene, wat wij gewaarworden – dat is de meest geschikte en noodzakelijke voor ons gewaarwording ten behoeve van onze ontwikkeling. Er is geen plaats voor een vraag “Op welke manier men zich in onze wereld geestelijk kan ontwikkelen?”. Dat fragment van de Schepper, welk een mens gewaarwordt en zijn wereld noemt – dat is juist datgene, wat hij op het gegeven moment dient te gewaarworden, en hij dient juist in deze “zijn wereld” te handelen. Datgene, wat wij op elk moment gewaarworden – dat is het allerbeste, wat het ook kan ten behoeve van onze geestelijke ontwikkeling!

Maar via zijn subjectieve waarneming gewaarwordt de mens al het hem omgevende in een noodzakelijke voor het bestaan vorm, hij gewaarwordt anderen en andermans voornemens begrijpt – het feit, dat hem een mogelijkheid geeft, om in een omgeving van zichzelf gelijken te coëxisteren. Maar dat bevat hij zoals in ons bekend voorbeeld met een radio-ontvanger alleen dan, wanneer hij is ontwikkeld, als overigen – dan begrijpt hij vanuit zichzelf hun gedachten.

Men kan een zich gelijke alleen vanuit zijn eigen zelfgevoel gewaarworden. Hij dient in zichzelf eigenschappen van de overige wereld te vinden en pas dan zal hij zijn omgeving kunnen bevatten. Maar indien hij nooit een of andere gewaarwording ondervond (bijvoorbeeld, een hoofdpijn), zou hij zich nooit kunnen voorstellen, wat dat betekent. Daarom onderscheidt de mens zich van de levenloze, vegetatieve en dierlijke werelden door een maat van zijn innerlijke ontwikkeling.

Om zijn omgeving tot aan de Schepper te bevatten, dient men zijn eigenschappen te bestuderen, zoals is gezegd: “Uit mijzelf zal ik mijn Schepper bevatten”. De mens is opzettelijk zo opgebouwd opdat hij alles buiten zichzelf kon bevatten, anders zou hij niet in staat zijn om met behulp van zichzelf “de gehele wereld” te corrigeren.

Wat de mens niet kan bevatten – dat is zijn eigen oorsprong, alles, wat geweest was vóórdat hij zich van zichzelf bewust werd, tot aan deze gedachte, welke bij hem nu is ontstaan, op welke wijze is zij ontstaan, waar daalde deze wens in hem vandaan. Wij beschikken niet over een taal, om uit te drukken, wat de oorzaak geweest was van onze “Ik”.

Het neerdalen van de werelden van boven naar beneden, het verwijderen ervan van het licht van de Schepper, zijn verzwakking, werd verricht, om een mens te kunnen scheppen, die in volle vervreemding van de Schepper zou beginnen en vervolgens een volle samenvloeiing met Hem zou bereiken. De gehele voorbereiding voor het verschijnen van de mens heet de “Keerzijde”. En de mens gewaarwordt haar in het geheel niet, omdat dat zijn hoge trappen van het neerdalen van het licht van de Schepper naar onze wereld – de laagste trap.

Deze trappen van het neerdalen worden alleen door kabbalisten bevat, die van beneden naar boven daarlangs opstijgen en ze in hun boeken opschrijven. Zij, die opstijgen, bevatten hun oorsprong, en daarom bevatten zij steeds meer hun Bron en zichzelf – zij bevatten hun toekomst.

DE VIJFTIGSTE POORTEN

Er wordt in de Tora verteld, dat Mosje verzocht de Schepper om Zich aan hem te vertonen, en de Schepper verscheen hem van buiten, maar op zijn verzoek om Zijn aangezicht te laten zien, antwoordde Hij, dat het onmogelijk is. Wat betekent de keerzijde van de Schepper te zien? – Dat betekent het gehele geheim van het ontstaan (Ieboer) van het gehele heelal te bevatten, van de aanvankelijke gedachte en tot zijn uiteindelijke doel.

Alle eigenschappen van een toekomstige nieuwgeboren, vanaf zijn geboorte en tot zijn overleden, worden in een zaad bevat, die hem voortbrengt. De gehele schepping tot aan zijn einde, al zijn eigenschappen, en daarom ook al zijn weg wordt in het licht inbegrepen, dat van de Schepper uitgaat. Door langs de trappen van het neerdalen van dit licht op te stijgen, naar mate van zijn geestelijke ontwikkeling, bevat een mens op elke trap zijn verleden, zijn Bron. Hoe hoger een mens opstijgt, des te meer van zijn “verleden” hij bevat. Omdat alles zich langs één en dezelfde weg voordoet: van boven naar beneden dalen sfirot, partsoefiem en werelden, en langs dezelfde weg van beneden naar boven stijgt de mens op voor het samenvloeien met de Schepper.

De Schepper openbaarde Mosje al het neerdalen van de trappen van boven naar beneden, wat de “Keerzijde” heet. Maar de ontwikkeling van beneden naar boven, het bevatten van alle trappen van de allerlaagste, de trap van onze wereld, tot de allerhoogste, de “Eindcorrectie”, die de 50e poorten heet, werden aan Mosje niet getoond.

De uiteindelijke correctie van het egoïsme – is in het verkrijgen door hem de eigenschappen van het altruïsme, de eigenschappen van de sfira biena, die 100 heet: 50 trappen van het neerdalen van biena tot onze wereld heten trappen van het ontstaan (Ieboer) en 50 trappen van het opstijgen van onze wereld naar boven heten trappen van correctie en het bevatten. De biena zelf heet “Iema” – moeder, daar zij de gehele wereld voortbrengt. En hij, die de trap biena bevat, wordt waardig geacht om de gehele volmaaktheid van de schepping te bevatten.

Daarom liet de Schepper Mosje de neerdalende trappen zien, maar de opstijgende [trappen] tot hun uiteindelijke trap liet Hij hem niet zien, omdat zij alleen bij het bereiken van de correctie door alle zielen bevat worden. En indien het licht, het bevatten, in nog niet-gecorrigeerde wensen binnenkomt, dan vindt het breken van wensen plaats (sjvierat keliem), en de reeds gedeeltelijk gecorrigeerde wensen zakken opnieuw onder de macht van het egoïsme naar beneden.

Vóórdat alle zielen in hun uiteindelijke volmaakte correctie zullen worden gecorrigeerd kan geen één, die opstijgt, de 50e poorten bereiken. In het voorwoord bij het tweede boekdeel van het boek “Pri chacham”, schrijft mijn rav, rabbi Baruch Ashlag, dat zijn vader, rabbi J. Ashlag, bevatte de 10e duizend jaren. Maar, zoals wij een voorbeeld uit het boek Zohar al citeerde, namelijk uit het artikel “Het visioen van rabbi Chieja”, er bestaat een persoonlijke bevatting – een trap, die een mens kan bereiken, én een algemene bevatting – dat kan men alleen door het totaal van alle gecorrigeerde zielen bereiken.

Aan het einde van de correctie van al onze wensen, wanneer wij de gehele ons ter correctie gegeven natuur, haar eigenschappen volledig zullen corrigeren, zal ons onze ware natuur geopenbaard worden, onze echte egoïstische wens – de Malchoet, zal in ons onthuld worden. Deze Malchoet voelden wij nog nooit tevoren, en wij wisten niet, wat het is. Deze gigantische wens “Lev haEven” wordt niet gewaarword vóórdat alle overige, voorafgaande 288 wensen gecorrigeerd zijn, omdat de mens niet in staat is het lijden dat ermee gepaard gaat te gewaarworden, en de wens zelf hij niet in staat is te corrigeren.

Hij, die vooruitgaat ondervindt soms een gewaarwording van het zich openen voor hem van een zwarte afgrond, die “het schijnen van malchoet” – “ha-jarat malchoet” heet. Dat is slechts een klein schijnen van de echte malchoet. Maar in het algemeen, vóór de volledige correctie, deze wens wordt in mens niet vertoond. Zij is dermate van ons verborgen, dat wij ons haar zelfs niet kunnen voorstellen.

Pas na de correctie van 49 poorten en het vullen ervan met licht, worden kabbalisten waardig bevonden om te bevatten, wat de “50e poorten” – “sjaar noen” is – de trap van Mosje Rabbejnoe.

Er zijn twee typen bevattingen: de profetie en de hoge wijsheid. Naar het niveau van de hoge wijsheid bevatte Mosje datgene, wat ook andere wijzen bevatten. Maar in de profetie kon hij datgene niet bevatten, wat hij wel kon in zijn wijsheid, en daarom is het gezegd: “Een wijze is verkieselijk boven een profeet”. Omdat een wijze ontvangt met behulp van een scherm, en dat is al zijn persoonlijke, verdiende bevatting, die hij besturen kan, en in de mate van deze trap van hem is hij “een partner” van de Schepper – hij brengt die trap als het ware zelf voort, en bouwt hem op, de trap, waarop hij opstijgt en waarop hij zich bevindt.

Terwijl de profetie – dat is het openbaren “van boven”, in de vorm van een geschenk, wanneer de Schepper ogen aan een kabbalist opent en hij ziet en begrijpt – maar alleen krachtens datgene, wat niet door hem is verricht, maar door de Schepper.

ZIEL DOET LICHAAM ONTSTAAN: HET ONTSTAAN EN ONTWIKKELING

Vanaf het moment van het aanplanten van een zaad in de aarde begin het zich vrijmaken van zijn vorige vorm, van zijn eigenschappen. Het hele zaad heet een ouder ten opzichte van het zaad, die in staat van ontbinding is gekomen, in de aarde is opgelost, zonder zijn eigen eigenschappen is overgebleven. In het hele zaad ware er veel eigenschappen, de gehele wereld, mineralen, eiwitten, e.d., maar wat ervan overblijft en in een nieuwe vorm overgaat – dat is alleen het programma van de ontwikkeling.

Van het vorige blijft alleen de kracht van een vorig stadium over, die in geen enkele vorm is ingehuld: er was een zaad met eigenschappen en een vorm, en er bleef de kern, die door voor ons ongrijpbaar is. De vorige vorm is volledig vernietigd. En zolang er nog iets van het vorige overblijft, heet dat een kiem, het neerdalen van boven naar beneden. Maar wanneer het tot zijn laatste punt aankomt, laat het al zijn vorige vorm achter, begint te groeien en zich te ontwikkelen – is dat al een achtereenvolgende ontwikkeling van beneden naar boven, tot aan het bevatten opnieuw van dezelfde trap, waaruit dit neerdalen is begonnen, d.i. een trap van zijn ouders.

Een mens, door in onze wereld te zijn geboren, blijft in geestelijk opzicht nog een geestelijk embryo, wordt geacht alsof hij zich nog binnen zijn geestelijke ouders bevindt, wordt geacht als nog niet geboren zijn. Zijn fysieke ontwikkeling heeft niet zijn geestelijke ontwikkeling als gevolg. Zelfs indien een mens zich met de Tora en Voorschriften volgens de ontvangen opvoeding bezighoudt, heet hij “domem de kdoesja” – “[degene, die zich] geestelijk niet ontwikkelt” (let. geestelijk niet-levende).

Als gevolg van het inbedden in een mens van boven van een wens voor een geestelijke verheffing, indien het alleen [daadwerkelijk] plaatsvindt, dan begint die mens te streven naar het bestuderen van ware boeken, naar het uitzoeken van een ware Leraar, begint zichzelf, de nietigheid van zijn natuur te bevatten.

Dit proces van het bevatten van eigen nietigheid wordt in gewaarwordingen van een mens als negatief waargenomen – dat gelijkt op het verrotten van een zaad. Maar indien een mens geleidelijk in zichzelf zijn eigen egoïstische eigenschappen ontkent en om hun correctie verzoekt, dan rukt hij zich van zijn “Ik” af.

Vóór deze toestand wordt hij bepaald als een embryo, dat zich nog in zijn moeder bevindt. Maar vanaf het moment van het ontvangen van boven van kracht, die hem uit zijn egoïstische slavernij van zijn natuur bevrijdt, wordt hij als geboren zijn beschouwd. Het moment van een geboorte – dat is het moment van het ontvangen van kracht om al zijn wensen te beheersen en ze te onderdrukken omwille van het geestelijke verheffing. Vanaf dit moment begint zijn opstijgen van beneden naar boven, langs dezelfde trappen, waarlangs zijn ziel van boven naar beneden afdaalde.

Het bereiken van deze allerlaagste toestand is de eerste trap van het voortgaan van de mens naar het geestelijke – hoewel de richting van zijn ontwikkeling is omhoog, tot de Schepper, maar aanvankelijk verwijdert hij als het ware steeds verder in zijn gewaarwordingen van Hem. Dat wordt gewaarwordt omdat een onthulling plaatsvindt, door in zichzelf steeds lagere egoïstische eigenschappen te gewaarworden. Tegelijkertijd wordt een mens de nietigheid van zijn eigen krachten getoond, het in hem in het geheel afwezig zijn van een wens om zich tot de Schepper om hulp te wenden. Het onthullen van al deze factoren geeft hem juist een mogelijkheid om geestelijk geboren te worden.

GELIJKHEID VAN ALGEMENE EN BIJZONDERE

Hij, die voelt, dat in hem zijn kennis aanwezig is, dat hij zelf weet en begrijpt hoe te leven, hoe te leren – hij dient nog een ontwikkeling van boven naar beneden door te lopen. En pas dan een terugweg van beneden naar boven te beginnen.

Vóór het bevatten van het allerlaagste punt – een volledig besef van zijn egoïstische natuur – loopt een mens een weg van het bevatten van eigen kwaad door, onder uitwerking van hem tot een zulke ontwikkeling dwingende externe krachten. Een zulke weg heet de weg van het lijden. En onder invloed van deze krachten beseft en onderkent eenieder, in elke generatie, die met zijn leed leeft, geleidelijk - bewust of onbewust – de nietigheid van zijn egoïstische natuur. En daardoor nadert hij tot het doel der schepping. Maar hoe lang deze weg is! Immers het eindpunt van een ontwikkeling van deze weg is het beseffen, dat het egoïsme in het geheel en dermate schadelijk is, dat de enige manier om het lijden te ontvluchten is – om volledig ervan af te zien. Dit deel van de weg heet “het beseffen van het kwaad” – “ha-karat ra”.

Een mens kan zijn ontwikkeling bespoedigen, haar “door de weg van de Tora” doorlopen – indien hij zal streven – met behulp van de methode van de Kabbala - om zijn eigenschappen te ontdekken, zowel door een weg van een natuurlijke ontwikkeling, als door die van het lijden. Het onderscheid tussen die wegen bestaat daarin, dat de weg van de Tora bespoedigt in gigantische mate de geestelijke ontwikkeling van de mens.

Hoe meer een mens omhoog streeft, des te meer ziet hij hoe laag hij zich bevindt en hij daalt steeds lager, en des te sneller zal hij in zijn eigen ogen als een zaad “verrotten”, en na geboren te zullen zijn, zal hij beginnen “te ontkiemen”.

Aanvankelijk beseft een mens niet, dat zijn verlangen naar het geestelijke hem van boven is gegeven – immers waar haalt hij uit zijn egoïsme een zulke streven vandaan! En een mens wenst het geestelijke alleen daarom, omdat hij niet weet, wat dat is – immers het geestelijke voor het egoïsme, d.i. de huidige natuur van een mens, is een dood, is een volledige tegenpool.

Evenmin als het onmogelijk is om zijn hand in het vuur te leggen, zo is het ook onmogelijk om zich te dwingen om altruïstische eigenschappen te ontvangen – zo tegenovergesteld zijn zij voor ons. Maar het egoïsme zelf duwt een mens tot het geestelijke (ook nog daarom, omdat alleen van het licht hij genietingen ontvangt).

Hoe kan het egoïsme zich zo tot zijn eigen ondergang leiden? Waarom komt een mens van “voor zichzelf” – lo liesjma” tot “omwille van de Schepper” – “liesjma”? De “liesjma” vrijwillig vanaf het begin aan te nemen is onmogelijk.

Daarom is speciaal “lo liesjma” gecreëerd, en een mens kan zich liegen, dat hij omwille van het egoïsme handelt, maar in wijze juist het egoïsme helpt een mens om zijn nietigheid en machteloosheid te bevatten en leidt hem “zachtjes” tot de toestand van “liesjma”.

Daarom juist wordt gezegd, dat de Schepper schiep twee engelen – het goede en het kwade beginselen van de mens – en beide leiden zij de mens tot de Schepper. Maar tot het bewuste moment van het afscheid nemen van het egoïsme acht de mens, dat het onmogelijk is – gelijk een zaad: voordat het volledig vergaat kan het geen nieuwe vorm beginnen. Zolang in hem iets van zijn vorige toestand nog is, wordt het beschouwd als datgene, wat van boven naar beneden afdaalt.

En pas wanneer niets van vorige wensen overblijft begint een ontwikkeling van beneden naar boven. In plaats van de laatste, de meest laagste toestand komt dan direct een opstijging naar boven.

Onze onreine wensen, die kliepot heten, wekken in ons wensen tot het geestelijke. Zij vormen een noodzakelijk deel van de schepping, waarzonder onze vooruitgang onmogelijk is. Juist de onreine krachten zeggen ons: “Het zou voor je de moeite waard zijn om het geestelijke te verkrijgen! Wat heb je in deze wereld? Nietige genietingen. In de geestelijke wereld zijn genietingen in miljarden maal groter, echter, zij zijn eeuwig!”. Dat zeggen ons onze kliepot! En op die manier helpen zij ons om een geestelijke zoektocht te beginnen, en vervolgens zijn doel te veranderen en tot de geestelijke reinheid te komen.

Wanneer een mens het algehele plaatje van de schepping begint te beseffen, gewaarwordt hij een geweldige volmaaktheid. Deze gewaarwording van de volmaaktheid is dan ook de allergrootste genieting. Reine en onreine krachten, twee engelen van de Schepper, twee tegenovergestelde systemen van reine en onreine ABaJ”A, onophoudelijk “vermalen” een mens, als palmen een erwt. In onze wereld streven onze wensen naar genietingen van onze wereld, maar wanneer een mens van onze wereld in de geestelijke wereld uitgaat, verschijnen bij hem wensen om niet de genietingen van onze wereld te ontvangen, doch het licht zelf, een zuivere genieting, voor zichzelf, voor eigen genieting.

Door deze wens te corrigeren, stijgt een mens nog hoger – maar dan wordt het hem van de kant van onreine krachten, kliepot, opnieuw een nog grotere wens gegeven om het licht voor zichzelf te ontvangen. En hij corrigeert haar opnieuw in het altruïstische. En op die manier, door op “twee benen” voort te schrijden, groeit hij. De onreine krachten helpen een mens om op te stijgen. Niets is door de Schepper geschapen, dat tegen de mens zou zijn, doch alleen voor zijn best. Maar er is geen voorschrift om van onreine krachten te houden.

Van iets te houden of iets te haten kan men alleen krachtens het beseffen van het nut. Nu houden wij van kliepot, als van degenen, die ons genietingen verstrekken. Wanneer wij zullen zien, dat zij ons van een grote beloning afhouden, zullen wij ze als onze vijanden gewaarworden.

Een wens, zowel reine als onreine, wordt door een mens zelf geëvalueerd. En alleen een mens zelf meet zijn wens. Vandaag achten wij wensen voor genietingen van onze wereld nog niet als onreine. Dat is al ons leven! Wij houden van deze wensen, vervullen ze, dankzij hen gewaarworden wij een genieting van een microdosis van het licht, van een vonk licht “ner dakiek”, die door ons “het leven” genoemd wordt.

Zijn weg naar beneden, zijn embryonale rijping, kan een mens door zijn streven omhoog versnellen. Dat is de enige manier van het snelle “beseffen van eigen kwaad”. Krachten en wensen, een juiste richting, een zoektocht naar een waar doel – kan men alleen uit ware kabbalistische bronnen ontvangen en onder leiding van een echte Leraar.

Bij het uitvoeren van elke handeling in het leven dient men te denken over “waarvoor doe ik dat” – op die manier ontdekt een mens in hoeverre hij grof is, egoïstisch, wilszwak, alleen kleine genietingen wenst. Juist deze onaangename gewaarwordingen hopen bij hem op en tot het “vergaan van het zaad” leiden, waaruit vervolgens een nieuwe schepping van beneden naar boven zal beginnen te groeien.

Dit allerlaagste punt in de ontwikkeling van de mens heet in de Kabbala “het punt van deze wereld”. D.w.z., alleen wanneer een mens in zijn gewaarwordingen zijn allerlaagste toestand bereikt, dan voelt hij dit punt aan. Dat heet, dat hij zich in deze wereld bevindt. Wanneer hij het bereikt, dan ontvangt hij direct het antwoord van de Schepper en begint in gewaarwordingen van de hogere wereld te groeien.

 

III. WAT IS ZIEL

WET VAN ONTWIKKELING VANUIT HET STANDPUNT DER KABBALA

Indien in onze wereld een bewoner van een andere planeet zou verschijnen, dan zou hij, terwijl hij naar een pasgeboren bokje en een mens kijkt, tot een conclusie komen, dat een bokje een meer volmaakt wezen dan de mens is. En zo is het in alles: het is onmogelijk om iets te begrijpen indien alle toestanden van het te bestuderen object – van het begin van zijn ontstaan en tot het einde van zijn ontwikkeling - onbekend zijn.

En daar de mens alles alleen uit zijn gewaarwordingen bevat, waardoor hij een “doos” voorstelt, die alleen dat gewaarwordt, wat in hem via zijn zintuigen terecht binnenkomt, dient de mens – om iets te [kunnen] onderzoeken, zich aanvankelijk volledig te leren kennen, een beperking van zijn zintuigen, vertekeningen, welke zij in de omgeving binnenbrengen, te beseffen. Maar het voornaamste is, dat aangezien de mens zijn vorige toestanden niet bevatten kan, ontbreekt in hem van het begin af aan de mogelijkheid om zich te bevatten.

Het ontbreken van het begrijpen van redenen van datgene, wat zich voordoet, leidt tot het niet-begrijpen van huidige en toekomstige toestanden. Maar een kabbalist, die langs de geestelijke trappen opstijgt, vertegenwoordigt al een actief deeltje van de gemeenschappelijke Malchoet, Sjchiena, schepping en daarom, door zijn vorige toestanden van vóór de geboorte te bevatten, gaat hij buiten de perken van de tijd uit.

Maar door de geestelijke trappen te bevatten, blijft de mens steeds gedeeltelijk beperkt in zijn mogelijkheden voor het bevatten. En dat ondanks het feit, dat elk deel van de schepping in zich de eigenschappen van alle delen bevat. Maar de mens kan via dit zijn deel alle verschijnselen niet bevatten, hij ziet geen gevolgen van vele verschijnselen nog vanwege de onvatbaarheid van hun oorzaken. Vele redenen kan men niet zien omdat zij zijn nog [in de toestand van] ieboer, vorige toestanden, die hij in zijn geestelijke terugkeer-opstijging nog niet bereikte. Hij steeg nog niet langs de ladder tot die trappen op, waarop de voor hem nog verborgen eigenschappen en wetten waren ontstaan.

Laten wij veronderstellen, dat een mens steeg op een of ander niveau op. Dat betekent, dat vanaf dit niveau en eronder hij het begin en het einde van handelingen kan begrijpen. Dat heet de maat van zijn bevatten. De mens van onze wereld ziet niets van het verleden juist omdat hij de toekomst – zijn geestelijke toestanden - nog niet bevatte.

Het “objectief” zijn van de mens in gewaarwordingen van onze wereld komt neer op een overeenkomst om een bepaalde waarneembare kleur als rood te noemen, of een bepaalde smaak – als bitter. Onze taal, die uit onze gewaarwordingen is genomen, is niet-objectief, aangezien het onmogelijk is onze subjectieve gewaarwordingen te vergelijken.

Immers, om twee gewaarwordingen, gewaarwordingen van twee mensen te vergelijken, dienen zij in één mens zijn, die ze vergelijkt. Alleen dan kan hij ze vergelijken (maar ook dan opnieuw subjectief).

Aangezien de mens alles binnen zichzelf bevat, verplicht het hem om van het begin tot het einde zichzelf te bevatten. Alleen via zichzelf kan hij de omgeving bevatten. Indien een mens een vergelijkbare met wat zich voordoet niet had doorgemaakt, dan vindt het in hem geen weerklank. Had hij geen leed ondergaan – dat begrijpt hij niet welk leed een ander ondergaat. Alles wordt ten opzichte van vorige gevoelens, ervaring, waargenomen, van datgene, wat binnen zichzelf werd gewaarword.

Daarom kan de mens zonder het bevatten van zijn vorige “prenatale” toestanden zichzelf niet leren kennen. Maar de mens dient zichzelf te bevatten, immers anders zal hij de gehele schepping niet bevatten. Pas wanneer hij begint om langs dezelfde trappen op te stijgen, waarop zijn ziel neerdaalde, bevat de mens zijn eigenschappen. Deze bevattingen zijn niet van het feit, dat hij opstijgt, maar omdat hij, terwijl hij opstijgt, zijn vorige “neerdalende” trappen bevat, gaat zijn verleden in. En op die manier ziet hij zijn wortels.

ER IS GEEN MENS, DIE ZICH KENT

Om een of ander object te bevatten dient men in hoofdzaak zijn negatieve eigenschappen en manifestaties te bevatten. Omdat alles, wat geschapen is – dat is de wens om te genieten, het egoïsme, het kwaad. En voor het volle bevatten van een object, dienen wij de allergrootste vertoning van deze egoïstische wens in hem te zien. Dan zijn wij er zeker van, dat wij tot de eigenlijke diepte van de natuur zijn afgezakt, tot de ware essentie van dit object.

Zo blijkt het, dat een kern van iets te zien betekent zijn negatieve eigenschappen te zien. En omdat de mens niet in staat is om in zichzelf het negatieve te zien, kan hij zichzelf niet bevatten. Waarom kan de mens in zichzelf het slechte niet zien? – Omdat zijn egoïsme laat hem dat niet gewaarworden. Immers onze essentie is de wens om een genieting te ontvangen. Het ontbreken van een genieting roept in ons het lijden op.

De mens is niet in staat om vrijwillig voor ’t leed te gaan – dat is boven zijn natuur. Indien de mens voor een zichtbaar leed gaat, betekent dit, dat achter dat leed een voordeel schuilt, dat nog groter is, dan het op zichzelf opgelegde leed. D.w.z., uiteindelijk vindt het ontvangen van een genieting plaats als een beloning voor het leed.

Bovendien, daar, waar de mens een genieting ziet, kan hij niet tegelijkertijd ook het voor hem negatieve en schadelijke zien. En aangezien alle genietingen ons ons egoïsme bezorgt, laat juist het egoïsme ons onszelf niet als slechte zien.

Maar indien wij het egoïsme als het negatieve zouden aannemen, dan zouden wij zelf ons ervan willen bevrijden. Maar wij zeggen integendeel: “Deze mens wenst een grote geleerde te worden, een grote acteur, deze werkt hard, deze zorgt over zijn gezin, houdt van zijn kinderen!” – wij prijzen het vertonen van het egoïsme en zoeken in hem positieve aspecten. Maar negatieve [aspecten] trachten wij op een of andere manier van ons te verbergen.

Daarom worden mensen aangelokt door zulke theorieën als het communisme, liefdadigheid – immers het imponeert het egoïsme: “Ik zal met alles tevreden zijn”, “Allen zullen over mij zorg dragen”, “Ik voel mij goed en veilig”. Dat is een zeer fijne bedekking van het egoïsme! Maar van het negatieve in het egoïsme wensen wij niet horen – dat is onaangenaam, het roept het lijden op.

Alles, wat de mens als negatief in anderen zien, probeert hij in zichzelf van de goede kant te zien. In mensen, die hem aardig lijken, zien hij alleen het goede in. In hen, die hem tegenstaan, ziet hij alleen het slechte in. Een treffend voorbeeld is – ouders en kinderen: elke ouder ziet in zijn kind alleen maar het positieve in. Probeer eens, wijs hem op iets negatiefs – dan krijg je een vijand bij. Maar je wees toch op iets dat waar is, het objectieve? Maar het egoïsme neemt niet het objectieve waar, maar het aangename!

Elk kwaad, dat men voelt, wordt als pijn waargenomen. Daarom zelfs wanneer de mens van tevoren niet weet, dat het kwaad is, blokkeert hij zijn zintuigen, tracht om niet te horen, om zich van al dat slechte wat men over hem zegt af te sluiten. En dat vindt automatisch plaats. De mens kan de waarheid over hemzelf niet aanhoren. Een psycholoog noemt dat “beschermingssystemen van het organisme”, maar een kabbalist – “beschermingssystemen van het egoïsme”.

Enfin, er bestaat een wet: “datgene, wat een genieting met zich meebrengt wordt niet als kwaad gevoeld”. En alleen als gevolg van een langdurige ervaring begint de mens te begrijpen, wat het hem lijkende goed in feite kwaad is. En om dat te beseffen zijn dagen en jaren voor nodig. Alsmede geheugens en bijzondere eigenschappen van het beseffen, het verdiepte leren kennen van zichzelf. En niet eenieder is ervoor in staat.

Ons lichaam is op een simpel egoïsme opgebouwd, en om hem te laten begrijpen, dat na een genieting een afrekening volgt, dient een ervaring van het straf te zijn, welke ervaring een voorwaardelijke reflex op een genieting vormt – een gewaarwording van het erop volgende leed, zodanig, dat elke aangeboden genieting wordt van tevoren als kwaad waargenomen.

Maar kabbalisten, die hogere trappen bevatten, bevatten alles in een volle omvang, en waardig zijn om die niveaus in zichzelf te bevatten, dat “ziel” heet. “Ziel” – dat is met het licht gevuld vat (klie). Een klie kunnen wij bevatten volgens hem vullend licht, zoals is gezegd: “In Uw licht zal ik licht zien” – wanneer het licht komt, ziet de mens zijn positieve en negatieve eigenschappen ten opzichte van eigenschappen van het licht. Dat komt, omdat wij een object alleen in vergelijking met een aan hem tegenovergesteld [object] in staat zijn te bevatten. En alleen het licht, indien het verschijnt, kan ons onze negatieve eigenschappen doorschouwen.

ZIEL – DAT IS HET BEVATTEN VAN ADAM

Wij hebben al ter sprake gebracht, dat de werelden worden aanvankelijk van boven naar beneden bevat, eerst wordt het zogenaamde “neerdalen van de ziel” bevat, en vervolgens worden de trappen van toenadering tot de Schepper van beneden naar boven bevat, d.i. de bevatting zelf.

Door op een volgende geestelijke trap op te stijgen bevat de mens eerst het neerdalen van zijn ziel van boven naar beneden, zijn vorige toestand, waarin hij zich vóór zijn geestelijke geboorte bevond.

Een zulke toestand van hem heet “iboer-embryo”. D.w.z., het opstijgen op elke nieuwe geestelijke trap begint van de toestand “embryo” [op deze trap], maar niet zoals bij het neerdalen van zijn ziel – onbewust, door de kracht en wens van de Schepper – maar bij het opstijgen brengt de mens zich bewust, door zijn eigen krachten en gebeden in de toestand van “ieboer”: een toestand van een volledige onderwerping aan geestelijke regels van die trap, [een toestand] van een volledige onderwerping aan de wetten, die hem op die trap worden onthuld.

Indien een mens ermee akkoord gaat, om in weerwil van zijn egoïsme de wetten van die geestelijke trap, waarop hij zich bevindt, na te leven, dan wordt hij een embryo in de Schepper op deze trap. En vervolgens wordt hij op deze trap geboren en groeit op, totdat hij erboven uitgroeit en in een “ieboer” op een hogere trap binnenkomt.

En zo geleidelijk op elke trap begint hij zich deze vanaf de toestand “embryo” eigen te maken, d.w.z., zich aan de wetten van die trap te onderwerpen. Na een embryo te zijn geworden, begint de mens zich verder te ontwikkelen: om zich niet noodgedwongen aan de geestelijke wetten te onderwerpen, maar ze vrijwillig als zijn eigen in plaats van egoïstische eigenschappen aan te nemen. Dus, in plaats van vorige organen van zijn geestelijk lichaam, d.i. zijn egoïstische wensen, verkrijgt hij nieuwe organen – altruïstische wensen – en daarin ontvangt hij omwille van de Schepper het hoogste licht, zijn ziel. En dat heet al het bevatten van beneden naar boven, een bevatting zelf!

Zolang een mens op elke trap al zijn wetten alleen kan aannemen, maar zelf verkreeg hij de wensen-eigenschappen van die trap nog niet, heet zijn toestand op deze trap embryo, “oebar”. Maar zodra een mens begint de wetten van die trap zelfstandig uit te voeren, d.w.z., hij verkreeg de wensen ervan, dan wordt het geacht, dat hij op die trap is geboren.

Een embryo – dat is “het zich oplossen” in wensen, eigenschappen, wetten van een gegeven trap, die in zulk geval “Vader en moeder” (Abba en Iema) genoemd wordt. En wanneer een mens de eigenschappen van die trap verkrijgt, dan wordt hij groot, net als die trap, en begint direct een hogere trap te gewaarworden. En dezelfde weg wordt wederom herhaald: hij begint van zichzelf een embryo op die hogere trap op te bouwen, welke trap voor hem “Vader en moeder” wordt.

Alle trappen van het neerdalen van de ziel van de mens van boven naar beneden heten het verwekken van de ziel van de mens. Maar pas na te zijn begonnen datgene te wensen, wat een hogere trap wenst, heet de mens geestelijk geboren zijn.

Vanaf het moment, dat hij zich met de Kabbala bezig gaat houden, komt een mens terstond in een periode van het beseffen van zijn kwaad terecht. Deze weg beginnen wij met “lo liesjma” – door egoïstische strevingen, egoïstische wegen naar het geestelijke zouden wij de Schepper willen bevatten, om geestelijke genietingen ontvangen. Immers bij eenieder begint zijn geestelijke opstijging met een ontevredenheid met dit leven – hoe kan men anders het egoïsme tot iets aantrekken?

Daarom door een deeltje licht uit objecten van onze wereld te onttrekken en ermee van verte te schijnen zonder een bepaald object te bekleden, schept de Schepper in de mens het egoïstische streven op een genieting van het geestelijke te bereiken.

Op die manier streeft de mens egoïstisch tot het geestelijke. Maar daarbij helpt ons het egoïsme zelf om uiteindelijk eruit te komen, het egoïsme werkt tegen zichzelf. Een mens tracht één egoïstisch doel met een ander te veranderen. Dat is een voorafgaand stadium van de ontwikkeling van een echte wens. Natuurlijk, een geestelijke ontwikkeling wordt erbij van boven geleid, door de wil van hogere objecten, die “vader en moeder” heten. En een zulke stap van onze onbewuste ontwikkeling heet “ieboer”. Maar dat is een onbewuste “ieboer” van onze wereld. Maar in de geestelijke wereld komt een mens in de toestand “ieboer” bewust binnen.

De mens, door in zijn fysiek lichaam te bevinden, ontvangt geleidelijk alle wensen van de malchoet van de oneindige wereld. Juist door ze te corrigeren dient hij dezelfde allergrootste trap te bereiken, waaruit zijn ziel naar beneden neergedaald was, deze trap te bereiken terwijl hij in het lichaam verblijft. Op die manier bevat de mens 620 maal meer het samenvloeien met de Schepper, dan bij zijn ziel het geval was vóór haar inbedden in het lichaam. Met name dit voordeel is de reden van het scheppen van alle werelden. Juist dankzij de correctie van het egoïsme bevat de mens 620 maal meer zijn vorige toestanden, zijn toestanden van vóór zijn geboorte in deze wereld.

In het geestelijke niets verdwijnt: een mens steeg op een of andere bepaalde trap op, daarop bestaat zijn ziel op weg van boven naar beneden, in de toestand van vóórdat zij naar beneden neergedaald was en in onze wereld geboren werd. Daarom bestaan nu op één trap tegelijkertijd de vorige (van vóór de geboorte) en de huidige geestelijke toestanden van de mens.

Deze beide toestanden bestaan in de mens. Maar nu heeft een mens een scherm op al zijn eens egoïstische eigenschappen. Juist met behulp van het scherm kan een mens zich van zijn vorige toestanden bewust worden, en daardoor hem vullend licht volledig gewaarworden en smaken. Hij kan zijn in het verleden onbewuste toestand van eigen verwekking inzien. Daarin bestaat juist zijn zelfstandige bevatting.

De Schepper wordt nu door de mens als 620 maal groter gewaarword, dankzij het bestaan in de mens van nieuwe eigenschappen. Vroeger bevond hij zich op dezelfde trap in de toestand van ieboer, hij had geen keliem om zijn toestand door te voelen.

Thans, dankzij het egoïsme, zijn werk ermee langs de weg van het opstijgen, dankzij het vervullen van 620 voorschriften van het gegeven niveau, verschijnt in hem een mogelijkheid om binnen zichzelf 620 maal meer te zien en te onderscheiden.

Maar men moet ook niet denken, dat de rol van onze wereld beëindigt met de geestelijke geboorte van de mens, zijn opstijging op de eerste geestelijke trap, dat daarna onze wereld haar betekenis en zin verliest. Integendeel, de geestelijke trappen beginnen zich via objecten, bekledingen van onze wereld te onthullen. Door hen begint de mens de geestelijke categorieën te gewaarworden, welke categorieën zich erin bevinden. En daarom lijkt onze wereld hem doorschijnend. Ook alle overige werelden begint hij in dezelfde “omvang” te zien, waarbij hij ze verbindt en hen allemaal in zijn waarneming, in zijn activiteit, in zijn houding, combineert. De grootte van het bevatten van deze eenheid vertegenwoordigt juist de grootte van de correctie van de mens.

De mens wordt geestelijk hoger dan onze wereld, maar hij handelt door middel ervan. Er verschijnt de mogelijkheid om van onze wereld gebruik te maken. Immers dat is juist het doel van de schepping: om uit onze wereld de Schepper te bevatten terwijl men zich in onze wereld nog bevindt.

Onze wereld is geen trap, die men dient te vergeten, door over hem heen te stappen. Al het werk loopt juist via bekledingen van onze wereld: via een gezin, gemeenschap, via al de gehele omgeving. Daarom is een kabbalist niet een of andere van de gehele werkelijkheid afgezonderde mens, maar integendeel, juist hij, die het meest met haar verbonden is.

HET ONTSTAAN EN ONTWIKKELING VAN LICHAAM ALS ZIEL

Vanaf zijn geboorte, vanaf het begin van zijn geestelijke voortbeweging van beneden naar boven, van zijn geleidelijke geestelijke ontwikkeling, loopt de mens langs dezelfde trappen en door dezelfde achtereenvolgende processen, stijgt langs dezelfde trappen op, waarlangs zijn ziel neerdaalde – alleen in een tegengestelde volgorde: van beneden naar boven.  

Daarom, door in de Kabbala het neerdalen van trappen van boven naar beneden te bestuderen, wekt de mens in zich het streven op om deze processen te herhalen, maar nu van beneden naar boven. Maar het omringende licht wordt sowieso opgewekt, omdat het tot de trappen behoort, onafhankelijk van het feit, dat de mens zelf deze trappen nog niet bereikte.

De mens beweegt zich nergens naartoe: in zijn innerlijke gewaarwordingen loopt hij in de tegengestelde richting alle stadia van zijn ontstaan door, maar nu doet hij dat zelf, in zijn eigen schepping. Hij schept zichzelf, een scherm op zijn wensen, waardoor hij in zichzelf alle trappen voortbrengt. Als gevolg daarvan bevat hij de Schepper 620 maal meer, dan zijn ziel vóór haar inbedden in het lichaam in staat was. Wat een mogelijkheid wordt aan de mens door de Schepper gegeven! Alsof de mens een nog grotere schepper van zijn eigen toestand wordt, dan de Schepper zelf!

Door elke trap te bevatten, bevat de mens de oerreden van zijn toestand en ontdekt, dat het de Schepper is, die hem dat allemaal van tevoren voorbereidde. Maar een gewaarwording alsof hij zelf dat bereikte is in de eigenschappen van deze trap ingevoerd, terwijl deze trap van boven naar beneden neerdaalde. Dat is de volmaaktheid van het bevatten: aan de ene kant – de mens, aan de andere – de Schepper! Beurtelings en onverdeelbaar is de handeling: de mens doet alles…en alles doet de Schepper. En daardoor vloeien beiden op elke geestelijke trap, waarop de mens opstijgt, samen.

Deze tegenstrijdige waarneming van de mens, dat alles hangt van de Schepper af, en dat tegelijkertijd alles van de menselijke handelingen afhangt, wordt in de Kabbala als “HaVaJ”A – ELOKIEM” – het dubbele bestuur aangeduid. Op de geestelijke trappen vloeit het in het bewustzijn van de mens samen zoals voor hem het begrip tijd samenvloeit: toestanden van het gewaarworden van het verleden, het heden en de toekomst.

Maar het gewaarworden van de eigen “Ik” blijft. In onze taal zijn er geen woorden om deze geestelijke gewaarwording te beschrijven, waar geen gelijken in onze wereld zijn – immers in onze wereld bestaat een eenduidige oorzaak en gevolg. Daarom de reden kan óf in de mens zijn óf in de Schepper, maar het kan niet zo zijn, dat alles alleen van de mens en tegelijkertijd alleen van de Schepper afhangt. Dat is in tegenstrijd met ons verstand: “Alles hangt van mij af en tegelijkertijd alles is van tevoren voorzien”. Pas na zich “van de aarde” los te hebben gerukt, begrijpt de mens, dat daar absoluut geen tegenstrijdigheid in is.

 

IV. VAN BOVEN NAAR BENEDEN EN VAN BENEDEN NAAR BOVEN

ONTWIKKELING VERKLAART HET ONTSTAAN

Aangezien deze twee wegen, van boven naar beneden en van beneden naar boven, absoluut identiek zijn, kunnen wij - uit het bevatten op onszelf van de weg der verheffing, van de geestelijke ontwikkeling van beneden naar boven - de weg van het neerdalen, van het scheppen van de werelden en zielen van boven naar beneden, begrijpen.

Waarom dan beschrijven zij ons hun weg toch niet? Omdat zij wensen de verrichting van de Schepper ten opzichte van allen in de schepping te beschrijven. En hij, die aan het bevatten is, put gedurende zijn geestelijke ontwikkeling uit de beschrijving van het neerdalen der werelden methoden en hulp voor zijn geestelijke opstijging.

Door van zijn egoïsme, d.i. van zijn wereld, uit te gaan, komt de mens in de geestelijke wereld Asieja terecht, vervolgens stijgt hij in de wereld Jetsiera op, daarna in de wereld Brieja, en dan – in de wereld Atsieloet. Dat gelijkt op vier stadia van het ontstaan van een vrucht uit het zaaien en tot zijn volle rijping:

1 – vóórdat het als vrucht wordt geacht……….de wereld Asieja,

2 – men kan eten, maar er is nog geen smaak en genieting…de wereld Jetsiera,

3 – verschijnt een smaak……….de wereld Brieja,

4 – de smaak en alle eigenschappen volledig uikomen…de wereld Atsieloet.

ELKE GEVORMDE PASGEBORENE KOMT TOT TWEE WEGEN

Alles, wat in de schepping in het algemeen bestaat, bestaat ook in elk van zijn klein deel. Daarom bestaan en vertonen zich alle eigenschappen en wetten, die bij het neerdalen of bij het opstijgen langs de trappen van de werelden ABaJ”A aanwezig zijn ook in elk van hun klein deel.

Een hogere trap heet Vader, oorzaak, de Schepper. Een lagere [trap], die door Hem wordt voortgebracht, heet zijn zoon, een aftakking, het gevolg, de schepping. Het neerdalen van boven naar beneden leidt tot het ontstaan van een lagere uit een hogere op elke trap, tot het verschijnen van een schepping, die zich zelfstandig gewaarwordt, tot een afscheiding van de schepping uit de Schepper. De zin van het neerdalen van de werelden bestaat daarin, dat als gevolg van hun geleidelijke verwijdering van de Schepper, een schepping geleidelijk zou kunnen verschijnen, die zich volledig zelfstandig zou gewaarworden.

Het opstijgen langs de geestelijke trappen leidt tot het omgekeerde: de schepping ontwikkelt zich geestelijk, wat betekent zijn steeds groter wordende gelijkenis aan de Schepper – hij bevat zijn wortel, de Vader, wordt als Hij. En dit proces vindt plaats met een elk deel van de schepping (de mens) in het bijzonder en met de gehele schepping in het algemeen.

 

V. HET LEREN – IN HET NABOOTSEN VAN DE NATUUR

GEBOORTE VAN GELUKKIGE MENSHEID

Alles, wat wij ontdekken, creëren – dat allemaal is al door de natuur geschapen, bestaat erin, maar wij herhalen slechts haar verrichtingen. De natuur – dat zijn wij, en anders handelen kunnen wij niet, zelfs indien wij dat zouden wensen. Het is onmogelijk, om zich datgene voor te stellen, wat buiten de perken van onze wereld uitgaat. Daarom alles, wat wij doen, herhaalt ons of het ons omringende.

Wanneer wij kijken naar alles, wat in de Schepping is geschapen, dan vinden wij in overeenstemming met wat geschreven is: “Schiep de Schepper voor het doen”, dast Hij alles voor onze handelingen schiep. D.w.z., alles, wat ons omringt is alleen daarvoor geschapen, opdat wij de schepping zouden corrigeren, aan datgene, wat geschapen is zouden toevoegen.

Deze onze daad in de schepping heet “correctie van de schepping”. Ons doel is om de schepping tot de volledige correctie te brengen. En met name in overeenstemming met wat gezegd is: “Schiep de Schepper voor het doen”, dienen wij te achten, dat alles, wat geschapen is, voor ons is geschapen, voor onze handelingen, en dat alles alleen van ons afhangt, van het scheppen in ons van het scherm. Onze rol in de schepping is besloten in het voltooien van onze ontwikkeling door de natuur na te botsen.

Alles, wat zich van boven naar beneden voordoet, uit de Oneindige wereld, van de Schepper zelf tot Adam, tot het verbrokkelen van zijn ziel, tot het verschijnen van onze wereld, tot het verschijnen van fysieke lichamen in deze wereld, totdat de mens de zin van zijn bestaan zal beseffen, omwille van het doel dat door de Schepper is bepaald – al deze fasen van de ontwikkeling van de schepping vormen onze voorafgaande verwekking in het Hoge, van boven naar beneden.

Verder gaat onze geestelijke “prenatale” ontwikkeling door, tot aan het moment, wanneer wij in onze verrichtingen geestelijk onafhankelijk worden – naar mate van het verkregen scherm. Onafhankelijk niet van de Schepper, maar van onszelf, van ons kleine oorspronkelijke egoïsme. Het ontvangen van de onafhankelijkheid heet “geestelijke geboorte”. En vervolgens beginnen wij onze ontwikkeling door het opstijgen langs de geestelijke trappen.

In ons zijn alle onze toekomstige toestanden-eigenschappen, als in een zaad aanwezig, welk zaad, dat in de grond gelegd wordt, over alle fasen van zijn toekomstige ontwikkeling in zich bevat. Het ontbreekt alleen aan het scheppen van de nodige uitwendige voorwaarden voor een succesvolle ontwikkeling van een pasgeborene. Juist deze, uitwendige condities voor de ontwikkeling, dienen wij voor onze ziel te creëren. Pas dan zal zij beginnen zich te ontwikkelen.

Met name dat is ons werk. Wij scheppen niets nieuws, alles bevindt zich binnen onszelf, wij dienen alleen de geestelijke trappen in ons te ontdekken, de geestelijke natuur na te botsen. Bovendien, naarmate de mens groeit gaan zijn ogen open: hij begint te zien onze wereld als doorschijnend – hij ziet alle werelden als concentrische, waarbij de één de andere “bekleedt”. Hij ziet, hoe zij allemaal geleidelijk één voor één zijn portie licht van de Schepper vasthoudt en daarom komt de Schepper via hen voor de mens in beelden van deze wereld naar voren. Maar naarmate zijn geestelijke ontwikkeling ziet de mens achter objecten van onze wereld de geestelijke krachten.

Onze ontwikkeling, die wij dienen te verwezenlijken nadat wij beginnen geestelijk geboren te worden, bestaat in het herhalen van handelingen der natuur, van datgene, wat wij in onszelf en buiten onszelf zien. Het opstijgen langs de geestelijke trappen betekent aan hen qua zijn eigenschappen te gaan gelijken. De gehele groei van de mens bestaat alleen in een steeds groter wordende gelijkenis aan de natuur van hogere trappen – tot aan de gelijkenis aan de Schepper zelf.

Immers in alles, wat wij ook zou doen, in alle onze verrichtingen, bootsen wij de natuur na: in productie van verver, in het voortbrengen van geluiden, in vervoersmiddelen, in het bestuur – al onze kennis en wetenschap is het totaal van onze informatie, die ons over het ons omringende bekend is geworden.

Alles, het meest moderne, wat door de mens geschapen is, en dat nu van de werkelijkheid is als het ware afgetrokken – is niet meer dan een gecamoufleerde nabootsing van de natuur. Omdat wij een product van deze wereld zijn en in al onze fantasieën niet buiten haar berken uit kunnen gaat. Wij zijn niet in staat om ons iets te verbeelden, wat niet in een of andere vorm om ons heen aanwezig zou zijn.

Maar datgene, wat wij natuur noemen – dat is alleen een klein fragmentje van dat immens beeld, welk in feite bestaat en welk aan hem, die opstijgt, geopenbaard wordt. Dit volle beeld kennen wij niet. Daarom zijn wij niet in staat om hem nu te genereren. Het bevattelijke gedeelte van de natuur wordt binnen ons beseft, het onbevattelijke gedeelte blijft echter buiten onszelf. Maar juist dat deel dienen wij geleidelijk voor ons te ontdekken. En dat heet ontwikkeling in het nabootsen van de natuur.

Eveneens als de ontwikkeling van de mensheid in het kader van onze wereld, zo ook de geestelijke ontwikkeling van de mens komt neer op het nabootsen van die natuur, welke voor hem geopenbaard wordt.

HET BESTAAN EN ZIJN ONDERHOUD SPREKEN ELKAAR TEGEN

Indien wij observeren, op welke manier de natuur is geschapen en functioneert, zowel in een of ander afzonderlijk object, als in het geheel, waarbij wij de door ons waargenomen natuur als een geheel systeem beschouwen, dan zien wij, dat alles met een bepaald doel is geschapen – om een mogelijkheid voor het bestaan, functioneren en ontwikkeling is geschapen.

En de opbouw van elk object innerlijk dermate logisch is, alle verbanden in elk biologisch schepsel zijn dermate ondoorgrondelijk nauwkeurig en fijn vervlochten, dat bij het onderzoeken van een levend organisme kunnen wij praktisch geen enkel gebrek vinden.

En bovendien: indien wij iets als een gebrek zien, dan begrijpen wij uit vorige ervaring, dat het slechts gevolg is van ons onbegrip van de volmaaktheid van het functioneren van dit systeem-organisme. En daarom volgt op onze inmenging in de natuur, in de regel, een bittere bestraffing in de vorm van een verpest milieu, verminkte persoonlijkheid en catastrofen.

En het doet er niet toe, mengen wij ons in de levenloze natuur in, in de vegetatieve, in de dierlijke of in die van de mens. Het lijkt ons, dat in de mens hebben wij toch wel het recht om zich in te mengen. Maar niet wetend of, natuurlijk, de wetten van het functioneren van de mens niet na te levend, brengen wij, door een inmenging, een schade ook aan onszelf toe.

En daarom moeten wij door de eeuwen heen ontgelden. Maar dat is juist de weg van het lijden, die voor het geval is voorbestemd, indien wij niet door de weg van de Tora kunnen gaan.

Indien wij het gehele plaatje van de natuur zouden kunnen zien, m.i.v. ons in volle omvang, dan zouden wij geen enkel gebrek ontdekken en wij zouden begrijpen, dat voor ons allerbeste welzijn wij alleen de wetten van het heelal dienen te volgen, en niet nieuwe [wetten] in de zin van “op die manier functioneert als het ware de gemeenschap”.

Maar aangezien wij de wetten in hun volledige omvang niet observeren, en in ons geen krachten vinden om een instructie door het geloof boven kennis te gaan als een geneesmiddel tegen het egoïsme op te volgen, blijven wij ons egoïstisch verstand volgen, begaan wij voortdurend fouten in onze inmenging zowel in de natuur, als in onszelf.

Van de kant van de Schepper is alles in de volledige volmaaktheid geschapen – maar alleen vóór onze geboorte. Wij kunnen een schokkend verschil zien tussen datgene, op welke manier het Hoogste bestuur zorgvuldig en nauwkeurig alles voor een succesvolle geboorte en de initiële ontwikkeling van elk soort voorbereidde – na zijn geboorte, in de eerste fase van zijn leven, en die strijd voor het voortbestaan, welke elke soort vervolgens is gedwongen te voeren.

Alsof de natuur, die in alles voorziet, opeens zijn plan afbreekt en de verdere ontwikkeling van het individu aan hem zelf voorschotelt. En dat gaat zo ver, dat van de kroon der natuur zelf – de mens is verborgen, waarvoor hij met een zulke zorg door de natuur zelf is geschapen. Alsof een zulk waardevol materiaal, een zulke lange ontwikkeling, verspild zijn, en dat alleen daarvoor, om alle wetten opeens te verbreken en het organisme verder aan zichzelf over te laten.

Immers in de opbouw van het menselijke organisme ontdekken wij een doelmatigheid van elk systeem, van elk orgaan, van elke cel – het optimale functioneren van alle systemen. Over elk orgaan, over elke cel, over elke molecule kunnen wij zeggen, waarin diens doel van het bestaan bestaat. Maar indien wij dit doel nog niet kennen, dan wordt het ons duidelijk, dat dit doel hebben wij nog niet ontdekt. Maar waar het gehele organisme voor bestaat, kunnen wij niet zeggen – dat is van de mens verborgen!

Wij zien rondom ons een paradoxaal beeld: alles is volgens de meest volmaakte wetten geschapen, die wij niet kennen. Waarom schiep ons de natuur, die alles voorziet, ons als wezens, die haar wetten niet kennen? Immers op die manier reduceren wij tot nul alle inspanningen ervan om het volmaakte organisme te creëren? Wij begrijpen alleen gedeeltelijk de wetmatigheden en de logische voleinding van de wetten der schepping. Maar wij zien in het geheel geen logica in de wetten van het bestuur, van het brengen van de schepping tot het doel, waar de gehele schepping, blijkbaar, geschapen voor werd.

Globaal genomen, zien wij evenmin het doel van het bestaan van het heelal niet en wij weten de redenen en doelen van wat zich voordoet niet: noch van datgene, wat in de kosmos, of met volkeren gebeurt, noch met eenieder persoonlijk. Het meest relevante uit datgene, wat ons omringt is van ons gewoon verborgen.

Maar waar was het voor nodig om ons zo ontwikkelt te creëren, indien het bestuur door een harde hand van de macht der natuur plaatsvindt? Indien de mens gedwongen is om krachtens de in hem opgeslagen eigenschappen te handelen en in het beste geval alleen te beseffen, dat anders handelen kan hij niet!

GEBOORTE  

Het algemene bestaat uit het samenvloeien van het bijzondere en gelijkt erop. En eveneens als een preliminaire ontwikkeling plaatsvindt en vervolgens een geboorte van het bijzondere, het individu, zo doet zich ook voor bij het ontstaan van het algemene. En eveneens als er bijzondere voorwaarden voor de prenatale ontwikkeling van een vrucht bestaan, en vervolgens de liefde en trouw van ouders, die de natuur in ons zorgvuldig had opgenomen als een waarborg voor de ontwikkeling van een pasgeborene, zo ontstaat en ontwikkelt zich volgens dergelijke wetten ook de menselijke samenleving als een som van individuen.

Daarbij zorgde de natuur dermate voor een degelijke ontwikkeling van een pasgeborene, dat zij vormde in een moeder de instincten, die haar ertoe dwingen om het voortzetten van een prenatale ontwikkeling te vervullen. D.w.z., voor een vrucht is het niet relevant of hij zich binnen zijn moeder bevindt en dat alleen de natuur zich met zijn ontwikkeling bezighoudt, of zijn moeder voor hem zorg draagt. Zulke sterke instincten nam de natuur in ouders op voor het waarborgen van de voortzetting van het vervullen van haar voornemens.

De Schepper schiep van tevoren alle werelden en liet via hen een ziel tot onze wereld neerdalen, vormde hier levende vader en moeder, aan wie Hij de wens gaf om hun toekomstig kind lief te hebben, de wens om hem op de wereld te brengen en een pakket aan egoïstische wensen, welke wensen omwille van het derde, een pasgeboren egoïsme, tot zelfopoffering leiden. Wij zien, dat een geboorte is een voortzetting van de innerlijke ontwikkeling. Dat is nog niet het begin van de ontwikkeling van de mens. Hij bevindt zich nog steeds onder invloed van natuurlijke krachten, die van boven naar beneden neerdalen.

Wanneer begint dan de mens zich zelf te ontwikkelen, wanneer begint toch zijn weg van beneden naar boven, wanneer wordt hij geestelijk geboren? – Alleen vanaf zijn eerste zelfstandige geestelijke beweging. Dat alles geldt eveneens voor de samenleving in het algemeen.

Indien wij ons de gehele mensheid als een pasgeborene voorstellen, wat bereidde de Schepper [in dit opzicht] in de hoedanigheid van liefhebbende ouders aan een zulke pasgeborene voor? – Dat is de maatschappelijke wet “Heb je naaste lief, als jezelf”, die de Schepper als de pilaar voor de geestelijke ontwikkeling van de samenleving plaatste. En indien deze altruïstische wet niet nageleefd wordt, dan lijdt de gehele samenleving eronder en loopt haar vernietiging tegemoet, waarbij maatschappelijke structuren en stelsels vervangen worden.

Daarin bestaat al de voorbereiding van de samenleving voor het ontvangen van de geestelijke vulling. Waar dient de samenleving trouwe ouders te vinden? Elk individu dient zijn ouders in hen, die hem omringen te vinden, waarbij hij tegen zichzelf zegt, dat hij één van een miljoen is, en dat de gehele miljoen ten opzichte van hem – zijn liefhebbende ouders zijn.

Indien de samenleving dusdanig functioneert, d.i. als vader en moeder, die elke lid van de maatschappij voortbrengen en voor zich voor hem bekommeren als voor hun eigen kind, dan kunnen alle leden van een maatschappij en de laatste in het geheel zich geestelijk tot het niveau van het ontvangen van de Tora – het Licht van de Schepper ontwikkelen en hun voorbestemming volledig bereiken.

Maar zolang de leden van een maatschappij hun milieu niet op die manier opbouwen, gelijkt elke lid ervan aan een pasgeborene, die zijn vader en moeder kwijt is, en die, natuurlijk, geestelijk te gronde gaat. En omgekeerd, indien een maatschappij alleen uit zulke geestelijk gedode leden bestaat, dan is zij zelf geestelijk dood, en natuurlijk, kan zij geestelijke zorg voor geen van haar leden waarborgen.

Een maatschappij is niet louter een verzameling van individuen, maar de kracht van de Schepper, omdat daarin werd door Hem een mogelijkheid opgeslagen om tot de ultieme geestelijke ontwikkeling van zijn leden te bereiken. Dat kan ook een kleine besloten gezelschap zijn. alles hangt ervan af, welke doelen zij voor ogen heeft en door welke princiepen wordt zij geleid. Indien een zich verzamelende groep niet in staat is haar krachten aan het doel te geven zodat eenieder een zorgzame ouder voor allen wordt, en allen – als ouders voor eenieder, en dat met het oog op de geestelijke groei voor het samenvloeien qua eigenschappen met de Schepper, dan ondergaat een zulke groep geestelijk, en vervolgens valt uit elkaar ook fysiek.

Dat is goed zichtbaar aan alle communes, die in op verschillende tijdstippen in de wereld ontstaan: de reden van hun uiteenvallen bestaat daarin, dat hoewel zij op zich een verplichting namen op over elkaar te zorgen, gelijk hierboven uiteen is gezet, was het doel van al hun organisatie niet in het samenvloeien met de Schepper besloten, maar in een veilig en een egoïstisch bestaan.

Indien echter een groep van mensen daadwerkelijk wenst om haar krachten en strevingen omwille van het toenaderen tot de Schepper te bundelen, dan ontwikkelt zich een zulke groep geestelijk met een snelheid, die met het aantal leden van die groep vermenigvuldigd wordt.

In het algemeen is dat het doel van het oprichten van een groep, die de Kabbala bestudeert. In de Tora wordt een natuurlijke wet gegeven, die op de eigenschap van de eenheid van leden van een maatschappij is gestoeld: indien een maatschappij, zelfs op het egoïstische niveau, zonder het verband met het geestelijke, niet omwille van de toenadering tot de Schepper, verhoudt zich tot een individu als ouders tot hun kind, dan valt een zulke gemeenschap onder de werking van geestelijk beschermende krachten.

De Tora vertelt over een stad, waarin alleen zondaars zich verzamelden: dieven, moordenaars, goddelozen, laagste lagen van de maatschappij, die onderling voor elkaar zorgen. Niemand kan een zulke stad met kracht innemen en overwinnen, omdat zij een zekere egoïstische gelijkenis aan een “Eenheid” vormden en daarom vallen zij onder de werking van de Hoge geestelijke kracht, waarmee zij zich in overeenkomst bevinden, hoewel eenieder afzonderlijk een egoïst is, en zij allemaal de Schepper ontkennen. Maar indien hun onderlinge verhoudingen al was het maar een beetje geestelijk zijn, dan bestaat over hen al een geestelijke bescherming. Daarin is een betrekkelijke kracht van sekten – in het element van trouw en eenheid. En daarom is het zo moeilijk voor een maatschappij om hen te bestrijden.

Zo tijdens een oorlog, gevaar, het volk Israël begint zich verenigen. En daar ons eenwording roept aanzienlijk grotere, dan bij andere volkeren, beschermende krachten op, dan, als zijn er miljoenen vijanden, kunnen zij niets verrichten. Maar zodra er geen oorlog is, vindt een of ander vredesproces plaats – en een zulke toestand is uiterst gevaarlijk voor het volk, met name voor een zulk egoïstisch eentje, als het onze. Een oorlog – dat is altijd een geestelijke redding en reiniging, omdat wij één worden, al was het maar voor een ogenblik, waarbij wij over het gemeenschappelijke gevaar denken. Wij wensen, dat een soldaat zou leven, opdat een ander het goed zou hebben, omdat hij mij zou helpen. Uit het pure egoïsme, maar dat wij ons over een ander bekommeren, zelfs dat is een gigantische kracht.

Zo ook in een kleine gemeenschap, indien wij haar wensen op te richten, opdat eenieder het goed zou hebben, een gigantische kracht verschijnt. Maar zulke gemeenschappen kunnen juist daarom niet voortbestaan, omdat het in tegenspraak is met het geestelijke doel: wederzijdse eendracht en wederzijdse liefde niet omwille van de Schepper, maar voor het eigen welzijn, voor het eigen egoïsme, in weerwil van het doel van de Schepping. Zij vervangen één doel – het altruïsme omwille van het samenvloeien met de Schepper met een ander – het altruïsme omwille van de mens – en daarom houden spoedig op met hun voortbestaan.

En daar zij het doel onderbewust veranderen, waarbij zij de Schepper door de mens vervangen, zijn zulke gemeenschappen, in de regel, atheïstisch. De voorbeelden zijn vanaf de primitieve gemeenschappen tot sovjet- en kieboetsachtige. En allemaal vallen zij uit elkaar, omdat hun doel is niet de Schepper.

De mens wordt naar het doel van de schepping, d.i. “het toenaderen tot de Schepper”, door een geestelijke kracht gepusht, die wij de natuur of omstandigheden noemen. Indien de mens gecorrigeerd wordt, dan, naar mate zijn correctie, begin hij enige stappen zelf te maken, waarbij hij dezelfde wenst als de Schepper.

Zolang het toekomstige geestelijke object onderontwikkeld blijft en zelf geen inspanningen doen om naar het doel van de schepping te gaan, wordt hij door de dwingende natuurlijke kracht voortgeduwd, welke kracht uiterst wreed is. Deze weg heet de weg van het lijden. Deze dwingende kracht dwingt ons om zich zorgen te maken over de gezondheid, over het slapen, eten, huwen, kinderen voort te brengen, ze liefhebben en opvoeden. En men kan er niets aan doen – de wensen ontstaan in ons onafhankelijk van onze wil.

Maar wanneer de mens, door de Kabbala te bestuderen, begint het voor hem gesteld doel zich te realiseren, en vervolgens zelf hem te wensen, dan neemt hij dat doel bewust aan en verzoekt de Schepper om krachten om het te bereiken. Door dat deel bewust te gaan vervullen, welk de natuur met hem vroeger onverbiddelijk wreed deed, begint de mens zelf - in plaats van een natuurlijke ontwikkeling door de natuur – zich razend snel te ontwikkelen en zulke ontwikkeling heet de weg (tot het doel van de schepping) van de Tora.

Door te beginnen de stappen naar het doel van de schepping bewust te maken, ontneemt de mens van de natuur haar functies van een opzichter over hem, ontslaat de natuur van het werk aan hem en werkt aan zichzelf zelf. Het materieel-egoïstische leed wordt met het geestelijke vervangen – het streven naar de correctie, eerste voor zichzelf en vervolgens omwille van de Schepper.

En hoe verder de mens aan zichzelf zelfstandig werkt, waarbij hij inspanningen tijdens de bezigheid met de Kabbala levert, in het samenvloeien met een groep, met zijn Leraar, des te meer functies zal hij van de natuur die aan hem werkt kunnen terugnemen, totdat hij volledig vrij zal worden van haar dwingende uitwerking. Elke door de mens doorgelopen trap is een deel van het werk, dat van de natuur “afgepakt” is. Een geestelijke trap betekent, dat de mens voor een bepaald percentage met de Schepper instemt, d.w.z., zelf het voor hem bestemde vervult.

Met de stad van zondaars staat het echter als volgt: indien er een gemeenschappelijk gevaar bestaat, dan houden zij van elkaar en men kan ze niet verslaan. Maar zodra er geen gevaar aanwezig is, begint het egoïsme zich te vertonen, de mensen worden kwaad, zij haten elkaar, de gemeenschap valt uit elkaar en vernietigd wordt. En dat ondanks het feit, dat de autoriteiten de zorg over de naaste met geweld in een codex der gemeenschap beginnen in te voeren. Maar men kan de wensen met geweld in de mens niet invoeren, zij ontstaan alleen in de mate van het gewaarworden van een noodzaak.

De Schepper, het Hoogste bestuur, kan niets dergelijks Zich toestaan, indien dat binnen het kader van het egoïsme bestaat. Indien in de geestelijke wereld een wederzijdse liefde, zelfopoffering, geestelijke éénwording bestaan, kan dan een zulk spiegelbeeld ook in onze wereld zijn? de natuur van het egoïsme absoluut tegengesteld is aan de natuur van het altruïsme.

Indien in onze wereld een zulke gelijkenis van verhoudingen als die in de geestelijke [wereld] zou bestaan, dan zou het egoïsme aan het altruïsme gelijken. Het gehele verschil tussen de onze en de geestelijke werelden is juist in de tegenstelling van eigenschappen tussen het altruïsme en het egoïsme besloten. Behalve dan het enige, het meest relevante – het doel van het samenvloeien met de Schepper.

Wat houdt de zorg over de naaste in kleine groepen mensen in? Een gewone menselijke liefde gaat van een gewaarwording van een genieting uit: ik hou van een object, omdat via hem ik een genieting ontvang, in dit object is een vonk van het mij aantrekkende licht ingehuld.

Deze aantrekking is dikwijls dermate groot, dat de mens bereidt is voor zelfopoffering omwille van dit object van een genieting. Aangezien een genieting van het licht uitgaat, en dat roept in de mens onderbewust het begrijpen van zijn eeuwigheid. Soms houdt de mens tot een waanzinnigheid van bekledingen van vonken des licht – zoals van zijn hond, kind, een meisje van zijn keuze.

Aangezien in de stad der zondaars allen verenigen zich voor zichzelf, en niet omwille van een of ander hoge doel, hebben zij het bestaansrecht alleen in momenten van het gevaar van buiten: hun doel is werkelijk egoïstisch te noemen, maar binnen de perken van hun bestaan is gerechtvaardigd. En daarom bestaan zij en overwinnen in tijden van gevaar.

Maar indien de éénwording niet alleen omwille van het overleven is, maar tevens omwille van het ontvangen van genietingen, d.i. het wordt als het ware al het doel van het leven, en niet van het overleven, dan heeft een zulke gemeenschap geen recht op het bestaan, daar het doel van de Schepper wordt door een egoïstische doel vervangen.

Door in onze wereld geboren te zijn, zet de mens zijn geestelijke prenatale ontwikkeling voort. Deze zijn prenatale ontwikkeling is met het neerdalen van zijn ziel uit de Bron van alle zielen in de Oneindige wereld begonnen, door het doorlopen ervan langs al haar trappen van boven naar beneden, tot aan haar geestelijke geboorte in één van haar levens in deze wereld.

Een geestelijke geboorte heet het verschijnen van een minimaal scherm, dat ons een mogelijkheid geeft om alle genietingen van deze wereld omwille van het gewaarworden van de Schepper te ontkennen. Dat heet een geestelijke geboorte, de uittocht uit Egypte, uit de slavernij van ons egoïsme.

Gedurende vele zielstransmissies loopt de mens onbewust de eerste fase van zijn ontwikkeling door: het lijden van het egoïstische bestaan ophoopt in zijn geestelijk deel, dat door hem niet gewaarword wordt.

In een of andere fase van zijn aardse levens zal hij tot de Kabbala komen, daar een instructie voor een verdere opstijging nodig wordt. Vervolgens zal een fase komen, wanneer de mens reeds een boek in handen neemt en gedeeltelijk bewust tot zijn geestelijke geboorte begint voort te schrijden.

Dit deel van de weg der ontwikkeling van de mens heet “ha-karat ha-ra” – het beseffen van het kwaad, wanneer hij zijn egoïsme binnen de perken van onze wereld onderkent. Hij bevat dat, door zichzelf en de hem omringende wereld vanuit het standpunt der Kabbala te bestuderen. Dan gaan zijn ogen open en hij begint zijn ware eigenschappen in zichzelf en via zichzelf om zich heet te zien.

Datgene, wat de mens in zichzelf ziet wordt voor hem dermate ondraaglijk, kwaadwillig, gehaat, wordt in de meest lage vorm voorgesteld, dat zelfs iets goeds lijkt hem opgebouwd te zijn op een vernietiging van iets, op een ongeluk van iemand – dermate [hevig] hij al zijn eigenschappen van zich instinctief afstoot. En wanneer hij ze volledig van zich zal gaan wensen te verwerpen – zal hij zijn geestelijke geboorte waardig zijn.

 

VI. GECORRIGEERDE EN NOODZAKELIJKE VOOR MENSELIJKE ACTIVITEIT

“Schiep de Schepper om te doen”

het is gezegd in de Tora: “Schiep de Schepper om te doen”. Hij schiep iets opdat wij het zouden doen. Dan is datgene, wat geschapen is – is onvolmaakt. Wat is het doel van het onvoltooid zijn van Zijn schepping? Op welke manier kunnen wij datgene doen, wat Hij niet voltooide?

Indien wij de enige schepping zijn, die Hij schiep, dan wordt het dus over ons gezegd, dat wij onszelf dienen te maken? Kunnen wij soms onszelf maken, corrigeren, aanvullen, veranderen? Immers daar zijn krachten voor nodig, grotere [krachten], dan die, welke ons, niet-gecorrigeerden, door onze natuur gegeven zijn.

Hoe kunnen wij te weten komen, wat de Schepper in ons niet voltooide? Daarvoor is het nodig, blijkbaar, te weten, wat Hij schiep. Daarom is de eerste fase van de menselijke activiteit, d.i.“te doen”, bestaat in het te weten komen, wat de Schepper schiep – zijn egoïsme. En deze fase heet – het zich bewust-worden van het kwaad, een kennismaking met zichzelf als de enige schepping.

De Schepper heeft geen enkel werk van de kant van de schepping nodig. Maar Hij schiep de schepping onvoltooid opzettelijk, om de mens een mogelijkheid te geven zichzelf te voltooien.

De Schepper vond het noodzakelijk om aan de mens een of ander werk in de schepping te verstrekken. Hij zelf kon dan als het ware in plaats van de mens niet voltooien.

En dat komt, omdat de mens, door zich te corrigeren, verkrijgt daarbij zulke mogelijkheden – keliem, strevingen, wensen, welke de Schepper in hem van tevoren niet kon scheppen. En daarom alles, wat de Schepper kon doen – deed Hij Zelf, maar dat noodzakelijk werk, dat alleen de scheppings - mens kan vervullen, was Hij genoodzaakt om aan de mens over te laten.

Van de kant van de Schepper getuigt het juist over Zijn volmaaktheid, omdat Hij een zulke onvolmaakte schepping kon creëren, terwijl Hij gaf hem daarbij een mogelijkheid om zelf de volmaaktheid te bereiken. Maar in onze wereld oordeelt de mens erover – terwijl hij rondom zich en in zich de daden van de Schepper observeert – als over onvolmaakten.

Dat komt, omdat hij geen einde van de schepping ziet, wanneer de gehele volmaaktheid zich manifesteert – én datgene, wat de Schepper schiep, én dat, wat de mens voltooit. Zo, door de uiteindelijke toestand niet te weten, is het onmogelijk om over tussentijdse [toestanden] te oordelen. Zoals in het voorbeeld met een bewoner van een andere planeet, die in onze wereld is gekomen: hij acht, dat een bokje als Napoleon zal worden, maar de mens na zijn volgroeien even miserabel zal blijven.

Alle negatieve eigenschappen, welke wij rondom ons en binnen ons zien – dat is juist datgene, wat de Schepper schiep, omdat Hij niets meer schiep buiten het egoïsme. Maar, door het egoïsme in ons te creëren, liet Hij hem ons ter correctie. En dat deed Hij opzettelijk, omdat alleen dankzij ons werk eraan zullen wij Zijn niveau – het niveau van de Schepper – bereiken.

Maar het overige is in de vorm van automatische systemen geschapen, gelijk het verteringssysteem, bijvoorbeeld. Maar het deel van de schepping, welk aan de mens zelf is overgelaten, kan in geen geval door de Schepper worden voltooid. En juist het feit, dat Hij het gehele heelal schiep, waarbij Hij Zijn participatie daarin aan het einde der correctie inperkte, getuigt van Zijn volmaaktheid.

Wij begrijpen niet, dat van de kant van de Hoogste is het veel moeilijker om Zijn verrichtingen in te perken, om te stoppen te geven, omdat het weggeven – zijn natuur is. Zo gemakkelijk is het voor ons om te nemen en te ontvangen, daar wij niet in staat zijn om weg te geven, zo moeilijk het voor het geestelijke is om tegen zijn eigenschappen te gaan. In onze wereld kan men het ophouden te geven met de toestand van een moeder vergelijken, die haar kind het meest noodzakelijke voor leven ontzegt. Een zulke toestand van de Schepper heet “het lijden van de sjchiena”.

Wij dienen te begrijpen, dat daar, waar de Schepper Zijn aanwezigheid inperkte, is dat niet “naar Zijn goede wil”, doch omdat Hij ons een mogelijkheid wenst te geven om Zijn trap te bereiken. En uitgaande daarvan dient men [overeenkomstig] op al het negatieve te kijken, en niet met een kritiek en minachting.

Men dient te begrijpen, dat al het negatieve werd opzettelijk en met een nog grotere inspanning geschapen, dan het positieve, het werd met het oog op onze directe deelneming in de schepping geschapen. Aangezien de wens van de Schepper is om de schepping te vergenoegen, is het scheppen van een inperking op Zijn aanwezigheid, het verbergen van Zichzelf, het scheppen op die manier van het lijden, is tegengesteld [aan de aard van] Zijn eigenschappen.

Waarom heten de rechtvaardigen rechtvaardigen? Omdat zij instemmen met inperkingen van het licht, met het afwezig zijn van de Schepper, d.w.z., met de mogelijkheid van het werk, welke mogelijkheid de Schepper hen in de schepping overliet en welke zij tot het einde dienen te volbrengen, tot de volmaaktheid. En daardoor rechtvaardigen zij “het onvoltooid zijn” van de schepping.

Juist daar, waar de mens in de schepping kan participeren, ligt de mogelijkheid om op de meest doelmatige manier de Schepper een gewaarwording van een genieting van het door Hem verrichte te geven.

Wat doet de mens in de schepping? Hij schept van zichzelf een gelijkenis aan de Schepper. Wat betekent de Schepper? Een kleine, iets hogere dan ik geestelijke trap wordt door mij gewaarword (indien dat wel het geval is!) als de Schepper. Aangezien die bewuste trap mij daadwerkelijk schiep en voortdurend mij bestuurt, van die trap ontvang ik alles, wat in mij en met mij is.

Zodra de mens deze hogere trap bereikt, dat aan zijn Schepper gelijk worden heet, begint de hogere trap terstond als de Schepper gewaarword worden. Dus, terwijl de mens opstijgt, onthult hij de Schepper steeds meer en meer.

Wat betekent het opstijgen van één trap op een andere? Het feit, dat ik op die trap terechtkwam, waar voordien, in mijn vorige toestand, was hij, die ik mijn Schepper noemde. En nu ben ik met hem gelijkgesteld. De Schepper toont zich aan ons telkens op een steeds hogere trap als een staaltje en eist, dat wij Hem volgen, dat wij ons naar Zijn “beeld en gelijkenis” zouden scheppen.

Aan de mens is gegeven om door te voelen en te beseffen, hoe de tweede onvoltooide helft van de schepping, welke wij [dienovereenkomstig] het verwekken (ieboer), een geboorte, het opstijgen, een groei van de mes noemen, de Schepper laat door hem door.

Alles doet de Schepper – alleen één deel van de schepping [Hij doet] als een voorbeeld van trappen, en het tweede deel van de schepping verricht Hij als een weg, via de mens, alsof Hij van hem Zijn partner maakt en een mogelijkheid geeft, om zelf uit zichzelf een gelijkenis aan de Schepper te scheppen.

De mens gewaarwordt daarbij aan zichzelf tegelijkertijd twee uitwerkingen – het bijzondere en het algemene bestuur, die HaVaJ”A-ELOKIEM heten: aan de ene kant lijkt het aan de mens, dat alles, wat de Schepper overliet, dient de mens zelf te doen, aan de andere kant ziet hij, hoe de Schepper via hem handelt.

Het wederzijdse bevatten van deze twee scheppende krachten: zijn eigen en die van de Schepper, welke op via de mens werkt, het wederzijdse samenvloeien van de mens en de Schepper – dat is juist een gewaarwording van de allerhoogste genieting en de volmaaktheid. De mens – HaVaJ”A voelt, dat hij met het hoogste bestuur – ELOKIEM samenvloeit. Malchoet met Biena. Op elke trap. En in de mens verdwijnt de vraag: “Ik bestuur of de Schepper”, want in dit punt verdwijnt “ik en Hij” als gevolg van een wederzijdse samenvloeiing.

Wat is de plaats van een Leraar in dit proces, welk proces door de kracht en onder leiding van de Schepper verloopt? Alle inspanningen van een rav zijn daarop gericht, om zijn leerlingen niet aan zich te laten klampen, dat hun blik in geen geval op hem gericht zou zijn, maar integendeel, dat zij door hem heen naar de Schepper zouden kijken.

Een leerling dient niet op zijn rav te gelijken, maar op de Schepper. Een zulke leerling heet “talmied-chacham”, “Chacham” heet de Schepper, omdat Hij de bron van het licht chochma is. Maar een “talmied” – is een leerling, die dit licht chochma leert te begrijpen en hem op dezelfde manier weg te geven. En hij heet “talmied chacham”, omdat hij van de Schepper leert om aan Hem gelijk te worden.

De Schepper ontvangt een enorme genieting uit het feit, dat Zijn schepselen scheppen en vernieuwen de schepping gelijk Hij dat doet. En al onze vernieuwings- en ontwikkelingskrachten, welke wij trap voor trap doorlopen (wij doet niets nieuw, maar alleen lopen steeds dezelfde trappen van beneden naar boven) – dat is een vorm van het nabootsten de Schepper. In hoeverre onze eigenschappen aan de Schepper gelijken, zoveel genieting wij Hem verstrekken.

Eveneens als onze ontwikkeling in het kader van bevattingen en de vooruitgang in deze wereld uiteindelijk in de mate van onze nabootsing van de natuur gemeten wordt, zo ook onze geestelijke ontwikkeling wordt in de mate van onze nabootsing de geestelijke natuur ofwel de Schepper. En in het algemeen is er geen onderscheid tussen deze nabootsingen.

Een deel van onze natuur, van onze eigenschappen, schiep de Schepper in ons zodanig, dat zij automatisch werken. Maar een deel van onze natuur is in ons en alleen in ons zodanig geschapen, dat wij ons bewust aan de natuur volledig zouden kunnen gelijken.

Deze mogelijkheid wordt aan enkelingen gegeven, wie de Schepper tot Zich wenst dichterbij te brengen. Omdat Hem na te bootsen betekent een toenadering tot Hem. En een zulke mogelijkheid wordt in verschillende mate gegeven en zogenaamd afhankelijk van inspanningen daarin van de mens zelf.

Wij hebben reeds erover gesproken, dat het bestaan en HET WAARBORGEN VAN HET BESTAAN spreken elkaar tegen. Het bestaan is van boven gegeven en voor ons zijn dat de wetten van de natuur. Het waarborgen van het bestaan is ons echter afhankelijk van onze daden gegeven. Daarom komt ons doel erop neer, om het Bestaan en het Waarborgen van het Bestaan te verenigen, opdat het bestuur, dat “het Waarborgen van het Bestaan” heet, een precieze gelijkenis van het bestuur zouden worden, welk bestuur “het Bestaan” heet.

En dan zullen wij zien, hoe in alles, én in het Bestaan, én in zijn Waarborgen, de Ene en de Enige Schepper werkzaam is, die via ons in ons alle verrichtingen doet in een wonderlijke gewaarwording dat wij het zelf doen.

 

VII. BEWEGING ALS KENMERK VAN LEVEN

LEVENLOZE, VEGETATIEVE, DIERLIJKE EN MENS

Wij onderscheiden 4 vormen van de ons omringende natuur: de levenloze, de vegetatieve, de dierlijke en de mens. De grondslag voor een zulke indeling – zijn de eigenschappen, de mate van de innerlijke ontwikkeling van elke vorm [van de natuur].

Naar het kenmerk van het GEESTELIJKE LEVEN wordt de gehele schepping in twee typen ingedeeld: het 1e type bevat in zich “levenloze”, “vegetatieve” en “dierlijke”, en het 2e type – “sprekende”, die door ons “mens” wordt genoemd. Het 1e type wordt geheel dood geacht en alleen het 2e type wordt als levend bepaald. Verder onder het woord leven, beweging e.d. worden alleen geestelijke begrippen bedoeld, hoewel, er natuurlijk, directe analogieën met begrippen uit onze wereld zijn!

Enfin, het kenmerk van het geestelijke leven wordt een kracht geacht, het vermogen van een geestelijke beweging, en dat van het begin af aan uit twee volledig tegengestelde handelingen voortvloeit: van geestelijke inperkingen en uitbreidingen.

Maar ook de “sprekende”, die geestelijk levend wordt geacht, wordt geestelijk dood geboren, totdat men hem met behulp van duwtjes te geven tot het geestelijke leven aanzet. De noodzaak in het “doen opleven” van buiten ontstaat daarom, omdat hoewel keliem ontwikkeld zijn, gereed zijn om het geestelijke leven en een geestelijke beweging nog van de geestelijke prenatale ontwikkeling binnen zijn geestelijke moeder te ontvangen, maar op het moment van zijn geboorte, zijn verschijnen in de geestelijke wereld, op hem werkt geestelijke afkoelend het hem omringende geestelijke milieu, dat hem volkomen onbekend is.

En deze geestelijke invloed van de geestelijke wereld roept in een geestelijk pasgeborene een geestelijke inperking op. Met andere woorden, via al zijn stadia van de geestelijke ontwikkeling, welke stadia geestelijk dood worden geacht, d.i. het levenloze, vegetatieve, dierlijke stadia, bereikt de mens uiteindelijk een moment, wanneer hij al rijp is om geestelijk geboren te worden.

Maar hoewel uit de voorgaande geestelijke ontwikkeling in hem alle eigenschappen zijn voorbereid, wordt hij geestelijk als geestelijk dood geboren. Omdat de eerste gewaarwording van de geestelijke wereld werkt op hem geestelijk afkoelend en roept een geestelijke inperking op. Daarom ontstaat er een noodzaak in een geestelijke invloed van buiten: een geestelijk pasgeboren mens geestelijk opleeft, wordt tot het geestelijke leven met behulp van geestelijke (zachte) klappen opgewekt.

En na deze eerste geestelijke inperking, welke door een geestelijk afkoelende slag door hem nu omringend geestelijk milieu veroorzaakt, dient hij, die geestelijk geboren is zelf zich opnieuw tot zijn vorige toestand geestelijk uitbreiden – het verkrijgen van vorige geestelijke eigenschappen, ondanks de geestelijk afkoelende invloed van de geestelijke wereld.

En deze twee absoluut aan elkaar tegengestelde geestelijke uitwerkingen – geestelijke inperking en uitbreiding – heten gezamenlijk de eerste stap, een inademing van het geestelijke leven.

Een geestelijke inperking bij een geestelijke geboorte vindt onafhankelijk, automatisch, van de wil van de mens plaats. Vervolgens dient te volgt een krachtige, bewuste geestelijke inspanning van de mens naar zijn eigen geestelijke uitbreiding. Maar soms wordt een zwakte in een geestelijke bevalling geobserveerd, waardoor een geestelijk pasgeboren mens juist geestelijk zwak wordt. In een zulk geval kan het hem omringende geestelijke milieu in hem geen geestelijke inperking oproepen wegens zijn geestelijke zwakheid.

Een geestelijke inperking is noodzakelijk voor het scheppen in een pasgeborene van een geestelijke lege plaats – een wens. Vervolgens kan deze plaats met het licht van het geestelijke leven gevuld worden. Maar in geval van een zwakte van een geestelijke bevalling, het ontbreken van een geestelijke inperking schept in een mens geen geestelijk lege plaats ter opvulling ervan met het geestelijke leven, en daarom wordt een mens als geestelijk dood geacht. Immers, er wordt geen plaats voor het geestelijke leven geschapen, welk met een geestelijke inperking begint.

En daarom een pasgeborene sterft. Er verdwijnt bij hem een mogelijkheid voor het vormen van een plaats, die ontvangen wordt als gevolg van achtereenvolgende inperkingen en uitbreidingen, waar het leven binnen zou kunnen komen. En het begin ervan is juist deze inperking. En indien er geen geestelijke (innerlijke) inperking bestaat, dan komt daarop, natuurlijk, ook geen geestelijke uitbreiding. Omdat in geen geval wordt het mogelijk om zich geestelijk buiten zijn geestelijke grenzen uit te breiden. En aangezien geen inperking is en geen mogelijkheid om zich buiten zijn geestelijke grenzen uit te breiden, is er ook geen mogelijkheid voor een geestelijke beweging, en dus, ook geen geestelijk leven.

Een kenmerk van een mens, die geschikt voor het geestelijke leven, voor het licht van de Schepper is – het bij hem voorhanden zijn van een kracht om, al was het maar een of andere geestelijke inperking uit welke reden dan ook, te verrichten. Zodra een mens zich geestelijk inperkt, komt terstond het licht van de Schepper binnen, het licht des levens, en een geestelijke uitbreiding verricht. Op die manier vindt de eerste geestelijke beweging plaats. Vanaf dat moment wordt een mens als geestelijk levend geacht en tot een verdere geestelijke voortbeweging in staat.

De eerste geestelijke beweging “in zichzelf”, een inperking, en vervolgens een geestelijke uitbreiding tot zijn vorige afmetingen, heet ZIEL. Het gelijkt op het proces van in- en uitademing van de lucht van het leven. In een geestelijk levenloze, vegetatieve of dierlijke mens is er geen kracht om een innerlijke geestelijke inperking om een of andere reden te verrichten, en daarom kan het licht van het geestelijke leven hem niet bekleden om een geestelijke uitbreiding op te roepen.

D.w.z., hij, die zich geestelijk, innerlijk, niet inperken kan, kan geestelijk niet uitbreiden en het licht van het geestelijke leven ontvangen. En dat is de wet van de natuur. Daarom is een geestelijk levenloze, vegetatieve, dierlijke mens – geestelijk dood, doch een geestelijk “sprekende”, een mens, die tot het type “mens” geestelijk behoort, is voor het geestelijke leven geschikt. Maar hij wordt dood geboren. Omdat er iets nodig is, dat de eerste geestelijke inperking oproept, welke [inperking] hij zelfstandig niet in staat is te verrichten.

Deze geestelijk koele lucht, onder uitwerking waarvan een inperking plaatsvindt, doet zich in de mens voor als gevolg van het zich bezig te houden met de Tora en de “goede” daden. D.w.z., zonder een doelgerichte studie volgens speciale bronnen, met het begrijpen van het doel ervan – waar hij leert voor en wie hij tot zijn Leraar koos, is het onmogelijk om een innerlijke inperking te bereiken.

Het licht des levens, het besef en een gewaarwording van het geestelijke komt in die omvang, waarop een mens zich, zijn egoïsme, kon inperken, onder invloed van uitwendige factoren en processen. Dat vindt plaats door “ha-karat ha-ra” – het bewust-worden van het kwaad in een mens, welk bewustwording duwt hem tot het werken aan zichzelf , dat “goede daden” heet, waardoor het hem zijn ware “ik” laat zien. Het toenaderen tot een geestelijke, nog onduidelijke gewaarwording van de Schepper – dat is het ontstaan van het levende in de mens. En al het overige – is dood, omdat het egoïstisch is.

VORMEN VAN BEPERKING

Een geestelijke compressie, het vermogen om zich innerlijk in te perken, dient uit eigen innerlijke krachten van een mens uitgaan. Wat betekent “zich in te perken”? De mens is de enige schepping. Het enige wat geschapen werd – dat is de wens om van het licht van de Schepper te genieten. Daarom is de mens – een wens, al was het maar eerst onbewuste, om van het licht van de Schepper te genieten.

De hersenen zijn ons alleen als hulp voor het bereiken van deze wens gegeven. Dat betekent, dat wanneer wij over een geestelijke inperking spreken, dan gaat het over een beperking van wensen. Indien onder invloed van de Tora en Voorschriften een mens dat zal kunnen verwerkelijken, dan zal het licht des levens een vrijgekomen plaats opvullen. En een zulke plaats heet “ziel”.

Een inperking dient als gevolg van handelingen en krachten van de mens zelf te zijn, omdat de natuur te allen tijde naar het verspreiden, uitbreiden streeft en niet naar het inperken.

Er zijn twee vormen van inperkingen:

1 – van een uitwendige factor, zoals, bijvoorbeeld, een afkoeling. Indien op een geestelijk pasgeborene een druk uitgeoefend wordt, waardoor een inperking van zijn geestelijk lichaam opgeroepen wordt, dan streeft zijn lichaam zelf om tot zijn oorspronkelijke geestelijke toestand terug te keren. En het keert tot zijn vorige toestand niet door het licht des levens, maar door de natuur van het geestelijke lichaam, welke natuur nauwkeurig zijn grenzen wenst in te nemen. En daarom zodra een of andere uitwendige drukkende kracht verschijnt, terstond vertoont zich in het geestelijke lichaam, een klie, zijn kracht om tot zijn oorspronkelijke geestelijke vorm terug te keren, waardoor het van een positieve uitwendige dwingende kracht verwijdert.

2 – van een opbouw van een klie zelf. Maar indien een inperking van een reden voortvloeit, welke reden in een klie, een geestelijk lichaam zelf is besloten, gezien zijn eigenschappen en een opbouw, dan is er geen krachten in hem op tot zijn vorige geestelijke toestand, tot oorspronkelijke grenzen terug te keren. En in een zulk geval heeft een mens een hulp van de Schepper nodig, opdat een bijzonder, juist voor hem gezonden licht in dit klie zou binnenkomen en hem tot een vorige vorm terug zou keren. En dit aanvullende licht, welk in een klie na een zoveelste inperking is binnengekomen en dat hem opnieuw tot een vorige vorm terugkeert, heet LEVEN.

Indien men op een geestelijke vrucht drukt, hem nieuwe gedragsregels, wetten en handelingen oplegt, een “ik” van een mens wenst te bedrukken – dan brengt de natuur alles op zijn plaats terug, tot vorige wensen. Omdat hij instinctief streeft om zich tot zijn eigen natuurlijke afmetingen op te vullen, al zijn vorige eigenschappen zich terug te laten keren.

Elke willekeurige eigenschap, indien die van buiten onderdrukt wordt, van buiten, door een uitwendige kracht, en niet door een innerlijke wens van een mens, gereduceerd wordt, wordt hij niet gecorrigeerd. Daarop is het systeem “moesar” opgebouwd, en vandaar wordt het door de Kabbala ontkent. Indien iemand of iets een mens van buiten beperkt – helpt dat niet. Een mens dient zichzelf in te perken, van binnen.

Daarvoor is het nodig om een fase van “ha-karat ha-ra” door te lopen, dat betekent, het kwaad in zichzelf te bevatten, hem als het kwaad te beseffen, en in de mate daarvan vindt een inperking binnen een mens zelf plaats. Iets in een boek door te lezen betekent niet het geschrevene in zichzelf in te zien. En pas wanneer een mens tegen zichzelf zonder woorden alles zal zeggen, zal dast zijn eerste eigen inperking worden.

Een contractie kan onder invloed van zulke uitwendige factoren plaatsvinden, als een gemeenschap, de door haar aangenomen tradities, dwingende riten of datgene, wat een mens vroeger bestudeerde, maar dat niet tot zijn [tweede] natuur is geworden. Immers door een religieuze opvoeding aangekweekte gewoontes geven een natuurlijke, automatische modus van uitvoering. In zulk geval dwingt een mens zich niet. Dast wordt hemzelf, zijn natuur.

Zonder het zich bewust-worden van het kwaad in zichzelf, onder invloed alleen van uitwendige factoren, wordt het uitvoeren niet als van een mens uitgaande geacht en zijn lichaam (wensen) streeft onophoudelijk om tot een vorige toestand terug te keren, beperkingen, welke een mens onder invloed van druk van buiten gedwongen was te accepteren. Ons klein egoïsme, dat alleen maar een eigen vulling wenst, heeft in het geheel geen krachten voor een zelfstandige bewustwording van een noodzaak voor een inperking.

Maar het streven ernaar ontstaat bij een mens onder uitwerking van een uitwendige kracht – door een correctie bestudering van de Kabbala. In indien hij ervoor bereidt is, dan ontvangt hij een geestelijke kracht, die hem een mogelijkheid geeft om zich in te perken. Maar indien een inperking uit een klie – een wens van een mens, zelf wordt verricht, en niet onder druk van een bron van kracht van buiten (een omgeving, opvoeding, tradities, e.d.), dan een geestelijk lichaam streeft niet zelf om tot de vorige [toestand] terug te keren, want het wenste juist zelf om zich in te perken, en daarom is er geen terugkeer tot vorige grenzen, tot vorige maat, welke tevoren door het egoïsme ingenomen waren, vóór het in hem doorgevoerde inperking.

En alleen een uitwendige kracht, een geestelijk licht, verbreedt een klie tot zijn vorige grenzen. D.w.z., telkens, wanneer een mens zich innerlijk inperkt, vult het licht hem, veroorzaakt zijn uitbre