1. ALGEMENE EN BIJZONDERE

Het voornaamste doel in het onderzoeken van de schepping bestaat in de analyse van de handelingen van de Schepper, daarin, dat men leert te handelen als Hij handelt, het vermogen te verkrijgen om Zijn handeling na te botsen.

De handelingen van de Schepper heten “bestuur”, ofwel “de natuur van de schepping”. Ook de geleerden onderzoeken handelingen van de Schepper, waarbij zij dat natuur noemen, de wetten van de natuur, met hetzelfde doel om iets te leren, om de “wijze” natuur te kunnen nabootsen.

Alles, wat wij in ons leven doen – dat is het nabootsen van de natuur. Alle voortbrengselen van menselijke handen of gedachten: techniek, muziek, beeldende kunsten – alles is op gelijkenis met de natuur opgebouwd. Zelfs de meest uitbundige fantasie is het gevolg van onze natuur. Wij kunnen ons van de natuur niet onttrekken. En alles, wat wij kunnen scheppen – dat is slechts een ontwikkeling van datgene, wat in ons reeds in zit.

Niets nieuws kunnen wij scheppen. Alles, wat wij doen – dat zijn verdere verrichtingen van de Schepper, die Hij door ons verwezenlijkt. Maar ons lijkt alleen, dat wij zij zelf vervullen – zo zijn wij geschapen, dat, terwijl wij alles op aanwijzing van de natuur vervullen, volkomen overtuigd zijn, dat wij juist onze persoonlijke wensen vervullen. In feite, zijn dat eveneens verrichtingen van de Schepper, Zijn programma van onze ontwikkeling. En al onze “ontdekkingen” – dat zijn ontdekkingen van het reeds bestaande, maar dat eerder van ons verborgen was.

Ons fysiologisch lichaam is gelijk aan alle lichamen van onze wereld, als het lichaam van een dier, en, natuurlijk, heeft op zich genomen geen enkele geestelijke eigenschap. Maar ook de lichamen in onze wereld onderscheiden zich van elkaar door geen geestelijke eigenschappen en in hun kringlopen alleen vervangen elkaar.

Indien er geen kwalitatieve, geestelijke onderscheid is, dan waarmee onze fysiologische lichamen zich dan ook van elkaar niet zouden onderscheiden, geestelijk worden zij allen als één lichaam beschouwd. Immers het verschil in het geestelijke – dat is het verschil van eigenschappen, kwaliteiten, aangezien uitwendige materiële omhulsels in de geestelijke ruimte ontbreken.

Daarom, door naar onze wereld te lijken, ontdekt een kabbalist één vertegenwoordiger per elke soort. Maar indien hij een mening over de natuur naar de geestelijke eigenschappen vormt, dan is zijn gezichtsvermogen, welk alleen de geestelijke eigenschappen onderscheidt, ontdekt in onze wereld niets, behalve leegte.

De fysiologische eigenschappen van lichamen zijn gelijk. En indien, laten wij zeggen, bij één van hen een of andere ziekte is, dan bekijkt een arts zijn lichaam, als lichamen van overige mensen met een dergelijke ziekte. D.w.z., onze lichamen zijn gelijksoortig. En dat, terwijl in het geestelijke – één lichaam onderscheidt zich qua zijn eigenschappen volkomen van een ander.

Al deze beschouwingen zijn, natuurlijk, ook juist ten opzichte van alle objecten van onze wereld: alle levenloze lichamen – zijn als één lichaam, alle planten – zijn als één plant, alle dieren – zijn als één dier.

Er is maar één geestelijke ruimte, welke als ruimte van eigenschappen dichterbij-verder van de Schepper wordt bepaald. En het bestaan in die ruimte van materiлle lichamen: levenloze, vegetatieve, dierlijke – is niet van betekenis, aangezien het onderscheid tussen lichamen in deze ruimte alleen door het verschil van hun geestelijke eigenschappen wordt bepaald.

En indien bij vele lichamen geen onderling verschil bestaat, dat vloeien ze in één samen. Naar dezelfde enige wet der gelijkenis – wie de eigenschappen van de Schepper verkrijgt, vloeit met de Schepper samen.

In deze geestelijke ruimte bevindt zich de gehele schepping. Deze geestelijke ruimte werd geschapen als gevolg van het feit, dat de Schepper verborg Zich en wordt in de mate van gelijkenis met Hem onthuld. D.w.z., er bestaan Hij en wij.

En in de mate van onze gelijkenis van eigenschappen met die van Hem gewaarworden wij Hem steeds meer. En deze innerlijke verandering van een gewaarwording van de Schepper van een meer heldere in een minder heldere, of van een minder heldere in een meer heldere, heet een geestelijke beweging.

Men kan zeggen, dat in deze geestelijke ruimte bestaat de aantrekkingskracht van de Schepper, welke kracht trekt de mens tot Hem in de mate van een gelijkenis van de mens aan de Schepper, en op die manier verplaatst de mens zich. Deze verplaatsingen zijn achtereenvolgende, trapsgewijze. De mens verbetert zijn eigenschappen trapsgewijs: er vindt een proces plaats van het innerlijke beseffen en de evaluatie van zijn eigenschappen als [te zijn] slechte, en vervolgens – het aanwenden van zijn inspanningen om die [eigenschappen] met behulp van de Schepper te verbeteren.

Het ontvangen van hulp schept in de mens een nieuwe eigenschap. En in overeenkomst met zijn nieuwe eigenschappen neemt de mens automatisch, volgens de “aantrekkingskracht” in deze ruimte, een nieuwe, hogere trap in.

Hoe grotere trap een mens inneemt, des te meer algemene eigenschap van de schepping hij heeft. Dat is net als in onze wereld, waar een mens, die verschillende toestanden doorliep en een ervaring opdeed, sluit in zich als het ware vele mensen in. Daarom is het algemene hoger dan het bijzondere.

Daarom is degene, die trouw aan zijn volk is, hoger dan een burgermannetje. En dat komt, omdat het algemene brengt voort en bevat in zich al het bijzondere, en daarom hoe groter het algemene is, des te meer componenten het heeft. Daarom zijn er verschillen tussen degenen, die trouw zijn aan het gezin, de stad, het volk, de wereld.

GEESTELIJKE GEBOORTE

Een geboorte in de mens van een nieuwe eigenschap gelijkt om een geboorte van een menselijk lichaam. Aanvankelijk is het stadium van het verwekken, wanneer een eigenschap of een gedachte nog niet wordt opgevangen, zweeft ergens in een mens rond, als gevolg van bepaalde voorgaande redenen. Vervolgens begint die zich op te tekenen, zich via een of andere eigenschappen, gedachten, te manifesteren, totdat die als iets eigens, een apart bestaande, een zelfstandige, een geboren, wordt gewaarword.

Het proces lijkt op een geboorte van een mens: eerst worden bijbehorende cellen in organismen van een moeder en een vader voortgebracht, vervolgens vloeien zij samen. Een bepaald, nieuw organisme begint zich te ontwikkelen, ten opzichte van zichzelf absoluut onbewust, zoals een nog onbewuste gedachte. Daarna gewaarwordt dit nieuw zichzelf geleidelijk steeds meer en meer, en scheidt zich van zijn grondoorzaken, komt tot het zelfbewustzijn en het gewaarworden van zichzelf.

Het één is met de ander verbonden: naar mate zijn uitkomst vanuit de macht van ouders verkrijgt men zelfstandigheid. En omgekeerd. Een geboorte is het wisselen van macht. Een geestelijke geboorte is het wisselen van eigen macht in die van de Schepper: een mens neemt op zich vrijwillig een onderschikking aan de wil van de Schepper, wenst in weerwil van zijn verstand te gaan, waarbij hij door een wijsheid van een hogere geestelijke trap geleid wordt.

Gelijk een geboorte op alle niveaus, hetzij verstandelijk of dierlijk, vindt ook een geestelijke geboorte plaats: het verschijnen in een mens van geestelijke wensen. Vóór dat moment waren zij in een mens niet, daar hij in de macht van zijn egoïstische wensen was. Het ontvangen van boven van geestelijke wensen, het vervangen van egoïstische wensen in altruïstische, heet een geestelijke geboorte.

Dat doet zich voor met behulp van de Schepper – de geestelijke kracht, welke alles doet ontstaan, in alle werelden (m.i.v. onze wereld). Bovendien, alles, wat zich in onze wereld voordoet is het gevolg van datgene, wat in de geestelijke werelden plaatsvindt, dat vandaar naar ons neerdaalt. Zoals wordt gezegd: “Er is geen grasje beneden, waarboven geen engel (een geestelijke kracht) zou zijn, die hem niet zou slaan en bevelen te groeien”.

D.w.z., een geboorte en een verdere groei gebeurt alleen onder invloed van een dwingende en slaande van boven kracht. Des te meer een geestelijke geboorte en groei – daar dit proces vindt plaats tegen onze egoïstische natuur in.

Zonder van boven dwingende geestelijke kracht van de Schepper eveneens in onze, materiële wereld zal het leven en beweging ophouden te bestaan – immers alle [willekeurige] materiële vertoningen zijn vertoningen, gevolgen van de geestelijke krachten. En wanneer onze ogen zullen opengaan, zullen wij de hoge wereld zien, zullen wij ontdekken dat niets materieels bestaat. En dat zijn slechts manifestaties van geestelijke krachten, welke door ons in een materiële vorm worden gezien, zij verschijnen voor ons in onze materiële zintuigen.

Naar mate onze geestelijke opstijging, een toenadering tot de Schepper, lagere krachten worden door hogere vervangen, totdat wij zullen zien, dat rondom ons is er niemand en niets, behalve de Schepper.

Het verkrijgen van de eerste geestelijke eigenschap heet een geestelijke geboorte: door zijn innerlijke gewaarwording gaan een mens van onze egoïstische wereld uit, de geestelijke wereld in. Het verschijnen in hem van een nieuwe kwaliteit, die zich van onze wereld onderscheidt, stoot hem van deze wereld op die trap uit, welke [trap] met zijn nieuwe eigenschap overeenkomt. En deze trap heet allerlaagste trap van de geestelijke wereld – de malchoet van de wereld Asieja. De eerste correctie van de mens heet zijn geboorte. En vervolgens vindt zijn geestelijke groei plaats – de correctie tot een volledige gelijkenis met de Schepper.

 

UITTOCHT UIT EGYPTE HEET GEBOORTE

De uittocht (bevrijding) uit egoïstische eigenschappen in altruïstische, in de wereld van correctie, het verkrijgen van de eerste geestelijke eigenschap wordt dan mogelijk, wanneer een mens in staat is om een uiting van iedere willekeurige egoïstische eigenschap in zichzelf te onderdrukken.

Natuurlijk, dat zulke anti-egoïstische krachten in een mens ontbreken. Alleen onder invloed van boven ontstaat in hem een nieuwe geestelijke kracht, welke kracht hem zijn natuurlijke wensen helpt te overwinnen.

Het uitkomen van onder de macht van het egoïsme – de Farao, heet een bevrijding uit Egypte, de uittocht uit Egypte, en het verkrijgen van nieuwe altruïstische eigenschappen heet het intreden in het land Israël.

Een geestelijke geboorte lijkt op een geboorte van een mens in onze wereld: een embryo in het lichaam van een moeder bevindt zich in de meest comfortabele voor zijn ontwikkeling plaats – vóór onze geestelijke geboorte bevinden wij ons onder de absolute macht van geestelijke ontwikkelende kracht.

Maar ten opzichte van de schepping zelf, kan men zeggen, dat vóór zijn geboorte is een baby, terwijl het zich in het donker, in een moederschoot bevindt, niet zelfstandig, het beseft niet waar het is en wie het is, zelf kan het zich niet voortbewegen, noch voeden. Alles wat in hem is – is van zijn moeder. Zo is ook onze toestand vóór de geestelijke geboorte.

Een pasgeborene wordt pas dan geboren, wanneer hij zijn volledige prenatale rijpheid bereikt. En indien hij niet geboren zou worden, niet uit een zulke vóór dan moment (moment van de geboorte – vert.) geschikte plaats er uit zou komen – zal hij sterven. Omdat van de allerbeste [wordt een zulke plaats] voor hem de allergevaarlijkste. Indien hij in hem zal blijven vertoeven, zal hij doodgaan! Daarom een moeder zelf stoot een vrucht van zichzelf uit.

Het verblijven in het egoïsme, een bewust verblijf in zijn macht, in de egyptische ballingschap, kan alleen gewaarword worden, indien een mens al gedeeltelijk “van verte” gewaarwordt, wat “de lucht der vrijheid”, de eigenschappen van de geestelijke wereld betekenen. Het onbewuste en vervolgens al bewuste verblijf in de slavernij van de Farao is één van de noodzakelijke fasen van de “prenatale” ontwikkeling van een mens en heet in de Kabbala ieboer-embryo.

Het zich gewaarworden als een geestelijke embryo is noodzakelijk voor een geestelijke geboorte en wordt als het ontstaan van eigen geestelijke wensen gewaarword. Pas na geestelijk te zijn geboren, ontvangt een mens een gewaarwording en het besef, wat betekent om zich in de geestelijke wereld te bevinden: zelfstandig te ademen, van de Hoge te ontvangen, te verzoeken, de Hoge te gewaarworden als degene, die je ter wereld brengt en onder zijn hoede heeft.

Vervolgens doet zijn ontwikkeling zich voor gelijk de ontwikkeling van een pasgeborene mens in onze wereld: de hoge kracht leidt hem geleidelijk langs de geestelijke trappen, en elke volgende geestelijke trap onderscheidt zich van een voorafgaande alleen door een aanvullende, nieuwe, gecorrigeerde geestelijke wens.

Aanvankelijk bestaat de geestelijke weg van een mens in het verkrijgen van altruïstische krachten-eigenschappen: hij groeit van de malchoet van de wereld Asieja tot de malchoet van de wereld Atsieloet, waarbij hij de trappen van 30 sfirot doorloopt. Dit proces bestaat daarin, dat hij zijn egoïstische wensen in het geheel niet gebruikt, maar alleen ontkent.

Wanneer een mens met zijn eigenschappen de malchoet van de wereld Atsieloet bereikt – dan heet dat, dat hij zijn altruïstische wensen – G”E volledig verkreeg. En vervolgens, terwijl hij een deel van de malchoet van de wereld Atsieloet wordt, dan begint hij zijn egoïstische wensen te corrigeren: hij doet zijn ACha”P in de wereld Atsieloet opstijgen, waarbij hij egoïstische wensen in altruïstische verandert – daarbij ontvangt hij in hen genietingen omwille van de Schepper. In totaal worden deze correcties achtereenvolgend in 6000 delen-trappen, die jaren heten, verricht.

Wanneer een mens deze correcties voltooit, bereikt hij de laatste trap, het einde van al zijn correctie – de “Gmar Tiekoen”. En de daaropvolgende trap heet “Masjiejach” – de Bevrijder: van deze kracht ontvangt een mens een dermate sterk licht, dat het helpt hem om zijn eigen natuur te corrigeren, om zijn aangeboren egoïsme in het altruïsme te veranderen, vervangt het “stenen hart” – “het lev ha-even” in “het levende hart” – “lev bassar”. En vervolgens komt een mens op allerhoogste trappen omhoog van het samenvloeien met de Schepper, welke trappen de 7e, de 8e, de 9e en de 10e duizend jaren heten. Zoals rabbi J. Ashlag schrijft, er zijn afzonderlijke individuen, die deze trappen nog bij hun levens in onze wereld bereiken.

In het artikel “Het visioen van rabbi Chieja” uit het voorwoord bij het boek Zohar, Zohar vertelt, hoe na het overleden van rabbi Sjimon zijn leerling rabbi Chieja kon het niet begrijpen, waarom bereikte zijn leraar de laatste trap, de uiteindelijke correctie, de Gmar Tiekoen.

Het antwoord wordt daar direct gegeven: er is een bijzondere en algemene eindcorrectie. Hoewel rechtvaardigen hun bijzondere (persoonlijke) correctie bereiken, de algemene correctie zal allen op een kwalitatief nieuwe, allerhoogste trap van het samenvloeien met de Schepper zal doen opstijgen.

 

GEBOORTE VAN EEN DODE

Wanneer een mens beseft, dast hij zich in een donkere, dode wereld bevindt en met al zijn krachten-wensen er van uit streeft te komen – wordt hij in een nieuwe, geestelijke wereld geboren, gelijk een embryo, welk niet hoort, naar zijn ontwikkeling, om zich in de moederschoot te bevinden.

Maar indien aan het einde van een zwangerschap (een gewaarwording van het zich in een egyptische slavernij van het egoïsme te bevinden), een geboorte vroegtijdig plaatsvindt, d.w.z., een mens is nog niet rijp, hij verkreeg in zich nog geen altruïstische eigenschappen voor het zelfstandige bestaan in een nieuwe wereld, dan wordt het geacht, dat hij is dood geboren.

In een zulk geval zal een mens gedwongen zijn om door te zetten met zijn egoïstische wensen te vechten (de oorlog met Amalek, inwendige twisten, het aanbidden van een kalf, e.d., waardoor het ook “woestijn” heet, het gewaarworden van een nieuwe geestelijke wereld, naar de naam Sinai – van het woord sina – haat).

Na de toestanden van de egoïstische slavernij te hebben doorgelopen, wanneer een mens tot het besef van een noodzaak van het uitkomen uit de macht van egoïstische krachten komt, wordt hij nog niet volledig voorbereid om altruïstische eigenschappen in zich te ontvangen. Ondanks het feit, dat hem van boven altruïstische krachten zijn gegeven, is hij nog niet in staat om ze te ontvangen.

Werd dood geboren [betekent] – hij kon geestelijke eigenschappen niet verkrijgen, ondanks het feit, dat het voor hem was weggelegd. Het uitkomen uit egoïstische eigenschappen doet zich voor, maar een mens komt in de duisternis terecht. Het geestelijke schijnt, maar vóór hem zijn gigantische hindernissen – “Jam soef – de eindzee” (de Rode zee), dorre, levenloze woestijn (zo vertoont zich de geestelijke wereld in de niet volledig gecorrigeerde eigenschappen [van de mens]). Om zo te zien een mens ontvangt de Tora, maar hij ontrukt zich niet volledig van zijn vroegere eigenschappen, als gevolg waarvan vindt vervolgens het breken van stenen tafelen, de zonde van het gouden kalf, e.d.

Zoals rabbi J. Ashlag schrijft, de vroegtijdige uittocht uit de egyptische ballingschap werd de oorzaak van alle verbanningen. Maar er zijn geen onvolmaakte handelingen bij de Schepper – dat zal allemaal vertoond worden als een noodzakelijke trap voor een verdere vermenging van altruïstische en egoïstische eigenschappen, welke [vermenging] nodig is voor het doordringen van die in die, opdat een mogelijkheid zal verschijnen om het gehele egoïsme uit te corrigeren.

Daarom dient er op elke trap het breken van wensen plaatsvinden – zonder het breken, zonder een vermenging van deze tegengestelde eigenschappen in de mens, zal geen correctie zijn. een geboorte vindt stapsgewijs plaats, er zijn in een geboorte vele, zogenaamde mislukte processen. Wij worden opgetild – het geestelijke lijkt gewenst te zijn – en gegooid – ontgoocheling t.o.v. het geestelijke wordt in ons gewaarword.

Wensen worden vermengd, zodat het geestelijke in alle materiële deeltjes, in de wens om te ontvangen, in het egoïsme dermate binnen kan komen, dat de correctie van allerlaagste, meest van de Schepper verwijderde wensen, voltooid zal kunnen worden. Pas dan wordt de volle, volmaakte “Eindcorrectie” bereikt.

 

GEBOORTE UIT VADER EN MOEDER

Maar na zijn echte geestelijke geboorte, slikt een pasgeborene geestelijke levenskrachtige lucht, en gewaarwordingen van een nieuwe wereld openbaren zich bij hem voor het eerst. En dan groeit hij op, zoals wij hebben gezegd: aanvankelijk bevat hij alleen de wensen “om weg te geven”, de G”E, welke “Kohen” heten, en vervolgens corrigeert en sluit aan hen de wensen “om te ontvangen” met een intentie omwille van de Schepper, ACha”P, die “het Heilige volk” heten. Omdat onder “volk” worden altijd wensen om te ontvangen bedoeld.

Als middel voor het bereiken van een correctie “van ontvangende” wensen dient het uitvoeren van het Voorschrift over liefde voor de naaste – om met zijn [eigen] egoïsme niet van zichzelf te houden, maar van een ander. “Het heilige volk” – dat is een trap, waar een mens zijn egoïstische wensen in altruïstische verandert. “Het volk” – dat zijn egoïstische wensen van de mens, maar “het heilige” – dat zijn reeds gecorrigeerde egoïstische wensen (ACha”P de Alieja).

Er bestaan drie toestanden:

1. Egoïstische – wanneer men alleen van zichzelf houdt.

2. “Chafets chessed” – een altruïst, wenst niets voor zichzelf. Maar hij is nog niet in een toestand van het weggeven van datgene, wat van hem is aan anderen, “noch aan zichzelf, noch aan anderen”. Dat is een bepaalde trap van de correctie: een mens wenst zijn egoïsme niet te gebruiken.

3. “Om van andere te houden als van zichzelf”, om precies te zijn, op dezelfde wijze, als je van zichzelf hield, houdt je nu van een ander. Niet gelijkelijk – zoals ik nu van mijzelf hou, zo hou ik ook van een ander, maar om van een ander te houden, zoals ik hield van mijzelf vóór de correctie, d.w.z., om je liefde volledig op een ander over te brengen, waarbij je jezelf niet gewaarwordt. “Hebt uw naaste lief, als zichzelf” – zoals je hield van jezelf. Is het soms mogelijk om tegelijkertijd én van jezelf te houden, én nog van iemand. Dat is onmogelijk! Óf van jezelf, óf van een ander.

Wanneer een mens zich van zijn egoïstische wensen, van zijn gedachten aan zichzelf bevrijdt, wordt hij “chefets chessed” – hij wenst niets. Vervolgens, wanneer zijn ogen opengaan en hij ziet, dat er niemand is behalve de Schepper, verschijnt in hem de liefde voor de Schepper.

Zoals in onze wereld, een baby, na zijn geboorte in lieflijke en trouwe handen van zijn ouders terechtkomt, welke ouders hem een veilige, nodige ontwikkeling waarborgen – zo ook aan eenieder die geestelijk geboren wordt, wordt een bepaalde geestelijke omgeving voorbereid, welke omgeving de 600.000 voor hem zorgdragende zielen heet. Deze zielen helpen hem om in de geestelijke wereld te overleven en zich te ontwikkelen. Door op te stijgen, gewaarwordt de mens, dat alles behalve hem is gecorrigeerd.

 

2. ACHTERKANT EN VOORKANT

De mens is zodanig ingesteld, dat hij altijd vooruitkijkt naar zijn toekomstige groei, vooruitgang, zijn weg lijkt hem als een opstijging “van beneden naar boven”, zijn elke toekomstige toestand neemt hij aan als een grotere, betere, dan nu, dan de huidige [toestand]. Indien hij echter gewaarwordt hem als mindere (minder geld, gezondheid, eerbetoon), dan lijkt het hem als een dood. De mens is zodanig geschapen, dat hij te allen tijde naar zijn volgende toestand streeft, als naar een grotere, ten opzichte van de voorafgaande [toestand].

En daar de mens is geschapen als degene, die naar de toekomst streeft, kan hij de toestand, die aan zijn fysieke geboorte voorafgaat, niet beseffen en gewaarworden. En hij is evenmin niet in staat, om te gewaarworden, op welke manier in hem een of andere wens ontstaat, hij kan zich niet voorstellen, waarvandaan verschijnt in hem datgene, wat zijn “Ik” vormt.

De trap, die de mens voortbracht, zijn voorgaande geestelijke toestand, heet “vaderen”, “oervaderen”, “vader en moeder”. Deze hoogste trap brengt in de mens bepaalde eigenschappen voort. Maar hoe kan een mens zich met deze trap in verbinding brengen, waar ontvangt hij al zijn wensen vandaan, m.a.w., waar bevindt zijn toekomst zich?

Opeens verschijnt in de mens een wens om iets te bereiken, hij gewaarwordt plotseling iets als wenselijk om het ontvangen, te weten, te bevatten. Maar deze gedachte is het gevolg van het in de mens neerdalende wens. Deze van boven neerdalende wens doen in de mens een gedachte ontstaan over de noodzakelijkheid om een of andere handeling te verrichten, iets te bereiken.

Hoewel een mens maakt zichzelf wijs van “ik zal het beter hebben, indien ik dit zal bereiken, verkrijgen” – maar deze nieuwe argumenten zijn slechts het gevolg van een wens, die gewaarword wordt, van een wens, die al eerder van boven was neergedaald. Maar deze wens zelf ontstaat in een lagere, in de mens, uit een gedachte en een wens van een hogere, om een zulke wens voort te brengen. Dit voornemen van een hogere gaat aan het verschijnen van een wens en een gedachte in de mens vooraf. Dit voornemen ontbreekt in de gewaarwordingen van de mens, aangezien het tot een volkomen andere, voorgaande, hogere partsoef, zijn geestelijke ouders behoort.

Daarom gelijkt de mens aan een boek, waarin de eerste helft van pagina’s ontbreekt. Vandaar, dat door “zich te lezen”, door zich met behulp van zijn niet-gecorrigeerde, “aardse” eigenschappen te bestuderen, is het onmogelijk om maar iets over zichzelf te begrijpen, en niet alleen zijn verleden, maar ook de toekomst, hoewel het de mens lijkt, dat hij het wel begrijpt.

Het voordeel van degenen, die in het geestelijke uitgaan is, dat zij de toekomst zien, en niet in het feit, dat zij hun verleden bevatten. Zij hebben een mogelijkheid om hun oorzakelijkheid te bevatten – datgene, wat hen dwingt om zich te ontwikkelen, hun tegenwoordige “ik” bepaalt. Door zijn geestelijke ouders te bevatten, beseft de mens volkomen zijn huidige trap, kan zichzelf als het ware van buiten zien, hij wordt objectief.

Al het voordeel van hen, die zich geestelijk bevatten, d.i. kabbalisten, bestaat daarin, dat zij hun ontstaan uit de Schepper tot onze wereld zien, omdat zij langs dezelfde ladder opstijgen, als waarop het neerdalen van hun zielen plaatsvond. Kabbalisten beginnen hun vorige “ik” te gewaarworden en vooruit te zien. Indien de mens zijn geestelijke wortel bevat, dan ziet hij zichzelf daadwerkelijk, alsmede datgene, wat vóór hem ligt. Zonder dit bevatten ziet hij zelfs datgene niet, wat zich vóór hem is.

In de mens veranderen telkens zijn wensen, omdat zijn geestelijke wortel, die hem tot het doel doet voortgaan, voortdurend vernieuwd wordt. Een groei van de mens bestaat in een groei van zijn scherm – het vermogen om in weerwil van zijn common sense te gaan, door ogen te sluiten, door het GELOOF BOVEN KENNIS. Een geestelijke groei – dat is een wens om zelf langs die weg te gaan, en niet vanwege een opgelegde noodzakelijkheid.

Maar, indien het verkieselijk is om met het geloof [door het leven] te gaan, waar is het dan voor nodig om zijn geestelijke oorsprong te bevatten? Men dient achteruit te kijken met het doel van het bevatten van zijn vorige toestand alleen daarvoor, om te weten hoe verder voort te gaan, niet voor het rechtvaardigen van het nietsdoen, doch voor de kennis, om vervolgens in weerwil ervan te gaan.

In de Tora is geschreven, dat de vrouw van Lot keek achterom – zij streefde naar haar vorige toestand, naar de oerreden. Elke toekomstige toestand is gecorrigeerder en dichter bij de Schepper, dan een voorafgaande, en wij bereiken hem door de weg van de Tora of door de weg van het lijden.

Een mens bevat in zich alles, wat door de Schepper is geschapen: werelden, sfirot, engelen en de gehele onze wereld binnen de mens bestaat. Maar het lijkt de mens, dat hij alles van buiten gewaarwordt. In werkelijkheid echter bestaat buiten de mens niets, dan alleen de Schepper, die wij niet voelen, maar gewaarworden alleen Zijn verschillende uitwerkingen op ons, in de vorm van het bevatten van onszelf steeds dieper en dieper.

Deze stadia van het bevatten van onszelf heten sfirot, partsoefiem, werelden, en zij bevinden zich binnen ons. En datgene, wat buiten ons bestaat – dat is een illusie, en een dusdanige, dat het onmogelijk is om zich iets omgekeerds, een tegenovergestelde voor te stellen. Dat komt, omdat onze zintuigen geven ons een inversieve voorstelling: het feit, dat alles in werkelijkheid zich binnen onszelf bevindt lijkt ons als datgene, dat zich buiten ons heen bevindt, terwijl buiten onszelf alleen de Schepper zich bevindt.

Hoe wordt in de mens een gewaarwording opgebouwd, dat om hem heen een wereld zich bevindt? Een mens bevindt zich als het ware binnen een ballon van zijn gewaarwordingen. Van buiten “drukt” de Schepper, maar de mens, door zich binnen zijn sfeer, ofwel een ballon, te bevinden, neemt waar, door een druk van buiten in evenwicht te brengen – hij reageert op Hem met zijn zintuigen. En in de mate van deze “druk” op uitwerkingen van buiten wordt in de mens een voorstelling gevormd, een beeld, dat “wereld” heet. Dat beeld wordt door hem gezien, als datgene, wat zich van buiten bevindt, maar in werkelijkheid is het binnen de mens.

Naar hetzelfde principe zijn alle meetgereedschappen opgebouwd: zij meten niet een uitwerking zelf, maar hun tegenwerking eraan. Wij kunnen de buitenwereld niet bevatten, omdat zij niet bestaat. Al onze wetenschap bevat het waarnemen door ons van de Schepper. Maar ondanks het feit, dat de mens alleen zichzelf bevat en al het plaatje bevat hij alleen in zichzelf, geeft het hem een voldoende inzicht in dat beeld zelf. Aangezien de Schepper, door in ons dit beeld op te tekenen, behandelt ons ook in overeenstemming ermee.

Datgene, wat wij gewaarworden – dat is de meest geschikte en noodzakelijke voor ons gewaarwording ten behoeve van onze ontwikkeling. Er is geen plaats voor een vraag “Op welke manier men zich in onze wereld geestelijk kan ontwikkelen?”. Dat fragment van de Schepper, welk een mens gewaarwordt en zijn wereld noemt – dat is juist datgene, wat hij op het gegeven moment dient te gewaarworden, en hij dient juist in deze “zijn wereld” te handelen. Datgene, wat wij op elk moment gewaarworden – dat is het allerbeste, wat het ook kan ten behoeve van onze geestelijke ontwikkeling!

Maar via zijn subjectieve waarneming gewaarwordt de mens al het hem omgevende in een noodzakelijke voor het bestaan vorm, hij gewaarwordt anderen en andermans voornemens begrijpt – het feit, dat hem een mogelijkheid geeft, om in een omgeving van zichzelf gelijken te coëxisteren. Maar dat bevat hij zoals in ons bekend voorbeeld met een radio-ontvanger alleen dan, wanneer hij is ontwikkeld, als overigen – dan begrijpt hij vanuit zichzelf hun gedachten.

Men kan een zich gelijke alleen vanuit zijn eigen zelfgevoel gewaarworden. Hij dient in zichzelf eigenschappen van de overige wereld te vinden en pas dan zal hij zijn omgeving kunnen bevatten. Maar indien hij nooit een of andere gewaarwording ondervond (bijvoorbeeld, een hoofdpijn), zou hij zich nooit kunnen voorstellen, wat dat betekent. Daarom onderscheidt de mens zich van de levenloze, vegetatieve en dierlijke werelden door een maat van zijn innerlijke ontwikkeling.

Om zijn omgeving tot aan de Schepper te bevatten, dient men zijn eigenschappen te bestuderen, zoals is gezegd: “Uit mijzelf zal ik mijn Schepper bevatten”. De mens is opzettelijk zo opgebouwd opdat hij alles buiten zichzelf kon bevatten, anders zou hij niet in staat zijn om met behulp van zichzelf “de gehele wereld” te corrigeren.

Wat de mens niet kan bevatten – dat is zijn eigen oorsprong, alles, wat geweest was vóórdat hij zich van zichzelf bewust werd, tot aan deze gedachte, welke bij hem nu is ontstaan, op welke wijze is zij ontstaan, waar daalde deze wens in hem vandaan. Wij beschikken niet over een taal, om uit te drukken, wat de oorzaak geweest was van onze “Ik”.

Het neerdalen van de werelden van boven naar beneden, het verwijderen ervan van het licht van de Schepper, zijn verzwakking, werd verricht, om een mens te kunnen scheppen, die in volle vervreemding van de Schepper zou beginnen en vervolgens een volle samenvloeiing met Hem zou bereiken. De gehele voorbereiding voor het verschijnen van de mens heet de “Keerzijde”. En de mens gewaarwordt haar in het geheel niet, omdat dat zijn hoge trappen van het neerdalen van het licht van de Schepper naar onze wereld – de laagste trap.

Deze trappen van het neerdalen worden alleen door kabbalisten bevat, die van beneden naar boven daarlangs opstijgen en ze in hun boeken opschrijven. Zij, die opstijgen, bevatten hun oorsprong, en daarom bevatten zij steeds meer hun Bron en zichzelf – zij bevatten hun toekomst.

DE VIJFTIGSTE POORTEN

Er wordt in de Tora verteld, dat Mosje verzocht de Schepper om Zich aan hem te vertonen, en de Schepper verscheen hem van buiten, maar op zijn verzoek om Zijn aangezicht te laten zien, antwoordde Hij, dat het onmogelijk is. Wat betekent de keerzijde van de Schepper te zien? – Dat betekent het gehele geheim van het ontstaan (Ieboer) van het gehele heelal te bevatten, van de aanvankelijke gedachte en tot zijn uiteindelijke doel.

Alle eigenschappen van een toekomstige nieuwgeboren, vanaf zijn geboorte en tot zijn overleden, worden in een zaad bevat, die hem voortbrengt. De gehele schepping tot aan zijn einde, al zijn eigenschappen, en daarom ook al zijn weg wordt in het licht inbegrepen, dat van de Schepper uitgaat. Door langs de trappen van het neerdalen van dit licht op te stijgen, naar mate van zijn geestelijke ontwikkeling, bevat een mens op elke trap zijn verleden, zijn Bron. Hoe hoger een mens opstijgt, des te meer van zijn “verleden” hij bevat. Omdat alles zich langs één en dezelfde weg voordoet: van boven naar beneden dalen sfirot, partsoefiem en werelden, en langs dezelfde weg van beneden naar boven stijgt de mens op voor het samenvloeien met de Schepper.

De Schepper openbaarde Mosje al het neerdalen van de trappen van boven naar beneden, wat de “Keerzijde” heet. Maar de ontwikkeling van beneden naar boven, het bevatten van alle trappen van de allerlaagste, de trap van onze wereld, tot de allerhoogste, de “Eindcorrectie”, die de 50e poorten heet, werden aan Mosje niet getoond.

De uiteindelijke correctie van het egoïsme – is in het verkrijgen door hem de eigenschappen van het altruïsme, de eigenschappen van de sfira biena, die 100 heet: 50 trappen van het neerdalen van biena tot onze wereld heten trappen van het ontstaan (Ieboer) en 50 trappen van het opstijgen van onze wereld naar boven heten trappen van correctie en het bevatten. De biena zelf heet “Iema” – moeder, daar zij de gehele wereld voortbrengt. En hij, die de trap biena bevat, wordt waardig geacht om de gehele volmaaktheid van de schepping te bevatten.

Daarom liet de Schepper Mosje de neerdalende trappen zien, maar de opstijgende [trappen] tot hun uiteindelijke trap liet Hij hem niet zien, omdat zij alleen bij het bereiken van de correctie door alle zielen bevat worden. En indien het licht, het bevatten, in nog niet-gecorrigeerde wensen binnenkomt, dan vindt het breken van wensen plaats (sjvierat keliem), en de reeds gedeeltelijk gecorrigeerde wensen zakken opnieuw onder de macht van het egoïsme naar beneden.

Vóórdat alle zielen in hun uiteindelijke volmaakte correctie zullen worden gecorrigeerd kan geen één, die opstijgt, de 50e poorten bereiken. In het voorwoord bij het tweede boekdeel van het boek “Pri chacham”, schrijft mijn rav, rabbi Baruch Ashlag, dat zijn vader, rabbi J. Ashlag, bevatte de 10e duizend jaren. Maar, zoals wij een voorbeeld uit het boek Zohar al citeerde, namelijk uit het artikel “Het visioen van rabbi Chieja”, er bestaat een persoonlijke bevatting – een trap, die een mens kan bereiken, én een algemene bevatting – dat kan men alleen door het totaal van alle gecorrigeerde zielen bereiken.

Aan het einde van de correctie van al onze wensen, wanneer wij de gehele ons ter correctie gegeven natuur, haar eigenschappen volledig zullen corrigeren, zal ons onze ware natuur geopenbaard worden, onze echte egoïstische wens – de Malchoet, zal in ons onthuld worden. Deze Malchoet voelden wij nog nooit tevoren, en wij wisten niet, wat het is. Deze gigantische wens “Lev haEven” wordt niet gewaarword vóórdat alle overige, voorafgaande 288 wensen gecorrigeerd zijn, omdat de mens niet in staat is het lijden dat ermee gepaard gaat te gewaarworden, en de wens zelf hij niet in staat is te corrigeren.

Hij, die vooruitgaat ondervindt soms een gewaarwording van het zich openen voor hem van een zwarte afgrond, die “het schijnen van malchoet” – “ha-jarat malchoet” heet. Dat is slechts een klein schijnen van de echte malchoet. Maar in het algemeen, vóór de volledige correctie, deze wens wordt in mens niet vertoond. Zij is dermate van ons verborgen, dat wij ons haar zelfs niet kunnen voorstellen.

Pas na de correctie van 49 poorten en het vullen ervan met licht, worden kabbalisten waardig bevonden om te bevatten, wat de “50e poorten” – “sjaar noen” is – de trap van Mosje Rabbejnoe.

Er zijn twee typen bevattingen: de profetie en de hoge wijsheid. Naar het niveau van de hoge wijsheid bevatte Mosje datgene, wat ook andere wijzen bevatten. Maar in de profetie kon hij datgene niet bevatten, wat hij wel kon in zijn wijsheid, en daarom is het gezegd: “Een wijze is verkieselijk boven een profeet”. Omdat een wijze ontvangt met behulp van een scherm, en dat is al zijn persoonlijke, verdiende bevatting, die hij besturen kan, en in de mate van deze trap van hem is hij “een partner” van de Schepper – hij brengt die trap als het ware zelf voort, en bouwt hem op, de trap, waarop hij opstijgt en waarop hij zich bevindt.

Terwijl de profetie – dat is het openbaren “van boven”, in de vorm van een geschenk, wanneer de Schepper ogen aan een kabbalist opent en hij ziet en begrijpt – maar alleen krachtens datgene, wat niet door hem is verricht, maar door de Schepper.

ZIEL DOET LICHAAM ONTSTAAN: HET ONTSTAAN EN ONTWIKKELING

Vanaf het moment van het aanplanten van een zaad in de aarde begin het zich vrijmaken van zijn vorige vorm, van zijn eigenschappen. Het hele zaad heet een ouder ten opzichte van het zaad, die in staat van ontbinding is gekomen, in de aarde is opgelost, zonder zijn eigen eigenschappen is overgebleven. In het hele zaad ware er veel eigenschappen, de gehele wereld, mineralen, eiwitten, e.d., maar wat ervan overblijft en in een nieuwe vorm overgaat – dat is alleen het programma van de ontwikkeling.

Van het vorige blijft alleen de kracht van een vorig stadium over, die in geen enkele vorm is ingehuld: er was een zaad met eigenschappen en een vorm, en er bleef de kern, die door voor ons ongrijpbaar is. De vorige vorm is volledig vernietigd. En zolang er nog iets van het vorige overblijft, heet dat een kiem, het neerdalen van boven naar beneden. Maar wanneer het tot zijn laatste punt aankomt, laat het al zijn vorige vorm achter, begint te groeien en zich te ontwikkelen – is dat al een achtereenvolgende ontwikkeling van beneden naar boven, tot aan het bevatten opnieuw van dezelfde trap, waaruit dit neerdalen is begonnen, d.i. een trap van zijn ouders.

Een mens, door in onze wereld te zijn geboren, blijft in geestelijk opzicht nog een geestelijk embryo, wordt geacht alsof hij zich nog binnen zijn geestelijke ouders bevindt, wordt geacht als nog niet geboren zijn. Zijn fysieke ontwikkeling heeft niet zijn geestelijke ontwikkeling als gevolg. Zelfs indien een mens zich met de Tora en Voorschriften volgens de ontvangen opvoeding bezighoudt, heet hij “domem de kdoesja” – “[degene, die zich] geestelijk niet ontwikkelt” (let. geestelijk niet-levende).

Als gevolg van het inbedden in een mens van boven van een wens voor een geestelijke verheffing, indien het alleen [daadwerkelijk] plaatsvindt, dan begint die mens te streven naar het bestuderen van ware boeken, naar het uitzoeken van een ware Leraar, begint zichzelf, de nietigheid van zijn natuur te bevatten.

Dit proces van het bevatten van eigen nietigheid wordt in gewaarwordingen van een mens als negatief waargenomen – dat gelijkt op het verrotten van een zaad. Maar indien een mens geleidelijk in zichzelf zijn eigen egoïstische eigenschappen ontkent en om hun correctie verzoekt, dan rukt hij zich van zijn “Ik” af.

Vóór deze toestand wordt hij bepaald als een embryo, dat zich nog in zijn moeder bevindt. Maar vanaf het moment van het ontvangen van boven van kracht, die hem uit zijn egoïstische slavernij van zijn natuur bevrijdt, wordt hij als geboren zijn beschouwd. Het moment van een geboorte – dat is het moment van het ontvangen van kracht om al zijn wensen te beheersen en ze te onderdrukken omwille van het geestelijke verheffing. Vanaf dit moment begint zijn opstijgen van beneden naar boven, langs dezelfde trappen, waarlangs zijn ziel van boven naar beneden afdaalde.

Het bereiken van deze allerlaagste toestand is de eerste trap van het voortgaan van de mens naar het geestelijke – hoewel de richting van zijn ontwikkeling is omhoog, tot de Schepper, maar aanvankelijk verwijdert hij als het ware steeds verder in zijn gewaarwordingen van Hem. Dat wordt gewaarwordt omdat een onthulling plaatsvindt, door in zichzelf steeds lagere egoïstische eigenschappen te gewaarworden. Tegelijkertijd wordt een mens de nietigheid van zijn eigen krachten getoond, het in hem in het geheel afwezig zijn van een wens om zich tot de Schepper om hulp te wenden. Het onthullen van al deze factoren geeft hem juist een mogelijkheid om geestelijk geboren te worden.

GELIJKHEID VAN ALGEMENE EN BIJZONDERE

Hij, die voelt, dat in hem zijn kennis aanwezig is, dat hij zelf weet en begrijpt hoe te leven, hoe te leren – hij dient nog een ontwikkeling van boven naar beneden door te lopen. En pas dan een terugweg van beneden naar boven te beginnen.

Vóór het bevatten van het allerlaagste punt – een volledig besef van zijn egoïstische natuur – loopt een mens een weg van het bevatten van eigen kwaad door, onder uitwerking van hem tot een zulke ontwikkeling dwingende externe krachten. Een zulke weg heet de weg van het lijden. En onder invloed van deze krachten beseft en onderkent eenieder, in elke generatie, die met zijn leed leeft, geleidelijk - bewust of onbewust – de nietigheid van zijn egoïstische natuur. En daardoor nadert hij tot het doel der schepping. Maar hoe lang deze weg is! Immers het eindpunt van een ontwikkeling van deze weg is het beseffen, dat het egoïsme in het geheel en dermate schadelijk is, dat de enige manier om het lijden te ontvluchten is – om volledig ervan af te zien. Dit deel van de weg heet “het beseffen van het kwaad” – “ha-karat ra”.

Een mens kan zijn ontwikkeling bespoedigen, haar “door de weg van de Tora” doorlopen – indien hij zal streven – met behulp van de methode van de Kabbala - om zijn eigenschappen te ontdekken, zowel door een weg van een natuurlijke ontwikkeling, als door die van het lijden. Het onderscheid tussen die wegen bestaat daarin, dat de weg van de Tora bespoedigt in gigantische mate de geestelijke ontwikkeling van de mens.

Hoe meer een mens omhoog streeft, des te meer ziet hij hoe laag hij zich bevindt en hij daalt steeds lager, en des te sneller zal hij in zijn eigen ogen als een zaad “verrotten”, en na geboren te zullen zijn, zal hij beginnen “te ontkiemen”.

Aanvankelijk beseft een mens niet, dat zijn verlangen naar het geestelijke hem van boven is gegeven – immers waar haalt hij uit zijn egoïsme een zulke streven vandaan! En een mens wenst het geestelijke alleen daarom, omdat hij niet weet, wat dat is – immers het geestelijke voor het egoïsme, d.i. de huidige natuur van een mens, is een dood, is een volledige tegenpool.

Evenmin als het onmogelijk is om zijn hand in het vuur te leggen, zo is het ook onmogelijk om zich te dwingen om altruïstische eigenschappen te ontvangen – zo tegenovergesteld zijn zij voor ons. Maar het egoïsme zelf duwt een mens tot het geestelijke (ook nog daarom, omdat alleen van het licht hij genietingen ontvangt).

Hoe kan het egoïsme zich zo tot zijn eigen ondergang leiden? Waarom komt een mens van “voor zichzelf” – lo liesjma” tot “omwille van de Schepper” – “liesjma”? De “liesjma” vrijwillig vanaf het begin aan te nemen is onmogelijk.

Daarom is speciaal “lo liesjma” gecreëerd, en een mens kan zich liegen, dat hij omwille van het egoïsme handelt, maar in wijze juist het egoïsme helpt een mens om zijn nietigheid en machteloosheid te bevatten en leidt hem “zachtjes” tot de toestand van “liesjma”.

Daarom juist wordt gezegd, dat de Schepper schiep twee engelen – het goede en het kwade beginselen van de mens – en beide leiden zij de mens tot de Schepper. Maar tot het bewuste moment van het afscheid nemen van het egoïsme acht de mens, dat het onmogelijk is – gelijk een zaad: voordat het volledig vergaat kan het geen nieuwe vorm beginnen. Zolang in hem iets van zijn vorige toestand nog is, wordt het beschouwd als datgene, wat van boven naar beneden afdaalt.

En pas wanneer niets van vorige wensen overblijft begint een ontwikkeling van beneden naar boven. In plaats van de laatste, de meest laagste toestand komt dan direct een opstijging naar boven.

Onze onreine wensen, die kliepot heten, wekken in ons wensen tot het geestelijke. Zij vormen een noodzakelijk deel van de schepping, waarzonder onze vooruitgang onmogelijk is. Juist de onreine krachten zeggen ons: “Het zou voor je de moeite waard zijn om het geestelijke te verkrijgen! Wat heb je in deze wereld? Nietige genietingen. In de geestelijke wereld zijn genietingen in miljarden maal groter, echter, zij zijn eeuwig!”. Dat zeggen ons onze kliepot! En op die manier helpen zij ons om een geestelijke zoektocht te beginnen, en vervolgens zijn doel te veranderen en tot de geestelijke reinheid te komen.

Wanneer een mens het algehele plaatje van de schepping begint te beseffen, gewaarwordt hij een geweldige volmaaktheid. Deze gewaarwording van de volmaaktheid is dan ook de allergrootste genieting. Reine en onreine krachten, twee engelen van de Schepper, twee tegenovergestelde systemen van reine en onreine ABaJ”A, onophoudelijk “vermalen” een mens, als palmen een erwt. In onze wereld streven onze wensen naar genietingen van onze wereld, maar wanneer een mens van onze wereld in de geestelijke wereld uitgaat, verschijnen bij hem wensen om niet de genietingen van onze wereld te ontvangen, doch het licht zelf, een zuivere genieting, voor zichzelf, voor eigen genieting.

Door deze wens te corrigeren, stijgt een mens nog hoger – maar dan wordt het hem van de kant van onreine krachten, kliepot, opnieuw een nog grotere wens gegeven om het licht voor zichzelf te ontvangen. En hij corrigeert haar opnieuw in het altruïstische. En op die manier, door op “twee benen” voort te schrijden, groeit hij. De onreine krachten helpen een mens om op te stijgen. Niets is door de Schepper geschapen, dat tegen de mens zou zijn, doch alleen voor zijn best. Maar er is geen voorschrift om van onreine krachten te houden.

Van iets te houden of iets te haten kan men alleen krachtens het beseffen van het nut. Nu houden wij van kliepot, als van degenen, die ons genietingen verstrekken. Wanneer wij zullen zien, dat zij ons van een grote beloning afhouden, zullen wij ze als onze vijanden gewaarworden.

Een wens, zowel reine als onreine, wordt door een mens zelf geëvalueerd. En alleen een mens zelf meet zijn wens. Vandaag achten wij wensen voor genietingen van onze wereld nog niet als onreine. Dat is al ons leven! Wij houden van deze wensen, vervullen ze, dankzij hen gewaarworden wij een genieting van een microdosis van het licht, van een vonk licht “ner dakiek”, die door ons “het leven” genoemd wordt.

Zijn weg naar beneden, zijn embryonale rijping, kan een mens door zijn streven omhoog versnellen. Dat is de enige manier van het snelle “beseffen van eigen kwaad”. Krachten en wensen, een juiste richting, een zoektocht naar een waar doel – kan men alleen uit ware kabbalistische bronnen ontvangen en onder leiding van een echte Leraar.

Bij het uitvoeren van elke handeling in het leven dient men te denken over “waarvoor doe ik dat” – op die manier ontdekt een mens in hoeverre hij grof is, egoïstisch, wilszwak, alleen kleine genietingen wenst. Juist deze onaangename gewaarwordingen hopen bij hem op en tot het “vergaan van het zaad” leiden, waaruit vervolgens een nieuwe schepping van beneden naar boven zal beginnen te groeien.

Dit allerlaagste punt in de ontwikkeling van de mens heet in de Kabbala “het punt van deze wereld”. D.w.z., alleen wanneer een mens in zijn gewaarwordingen zijn allerlaagste toestand bereikt, dan voelt hij dit punt aan. Dat heet, dat hij zich in deze wereld bevindt. Wanneer hij het bereikt, dan ontvangt hij direct het antwoord van de Schepper en begint in gewaarwordingen van de hogere wereld te groeien.

 

III. WAT IS ZIEL

WET VAN ONTWIKKELING VANUIT HET STANDPUNT DER KABBALA

Indien in onze wereld een bewoner van een andere planeet zou verschijnen, dan zou hij, terwijl hij naar een pasgeboren bokje en een mens kijkt, tot een conclusie komen, dat een bokje een meer volmaakt wezen dan de mens is. En zo is het in alles: het is onmogelijk om iets te begrijpen indien alle toestanden van het te bestuderen object – van het begin van zijn ontstaan en tot het einde van zijn ontwikkeling - onbekend zijn.

En daar de mens alles alleen uit zijn gewaarwordingen bevat, waardoor hij een “doos” voorstelt, die alleen dat gewaarwordt, wat in hem via zijn zintuigen terecht binnenkomt, dient de mens – om iets te [kunnen] onderzoeken, zich aanvankelijk volledig te leren kennen, een beperking van zijn zintuigen, vertekeningen, welke zij in de omgeving binnenbrengen, te beseffen. Maar het voornaamste is, dat aangezien de mens zijn vorige toestanden niet bevatten kan, ontbreekt in hem van het begin af aan de mogelijkheid om zich te bevatten.

Het ontbreken van het begrijpen van redenen van datgene, wat zich voordoet, leidt tot het niet-begrijpen van huidige en toekomstige toestanden. Maar een kabbalist, die langs de geestelijke trappen opstijgt, vertegenwoordigt al een actief deeltje van de gemeenschappelijke Malchoet, Sjchiena, schepping en daarom, door zijn vorige toestanden van vóór de geboorte te bevatten, gaat hij buiten de perken van de tijd uit.

Maar door de geestelijke trappen te bevatten, blijft de mens steeds gedeeltelijk beperkt in zijn mogelijkheden voor het bevatten. En dat ondanks het feit, dat elk deel van de schepping in zich de eigenschappen van alle delen bevat. Maar de mens kan via dit zijn deel alle verschijnselen niet bevatten, hij ziet geen gevolgen van vele verschijnselen nog vanwege de onvatbaarheid van hun oorzaken. Vele redenen kan men niet zien omdat zij zijn nog [in de toestand van] ieboer, vorige toestanden, die hij in zijn geestelijke terugkeer-opstijging nog niet bereikte. Hij steeg nog niet langs de ladder tot die trappen op, waarop de voor hem nog verborgen eigenschappen en wetten waren ontstaan.

Laten wij veronderstellen, dat een mens steeg op een of ander niveau op. Dat betekent, dat vanaf dit niveau en eronder hij het begin en het einde van handelingen kan begrijpen. Dat heet de maat van zijn bevatten. De mens van onze wereld ziet niets van het verleden juist omdat hij de toekomst – zijn geestelijke toestanden - nog niet bevatte.

Het “objectief” zijn van de mens in gewaarwordingen van onze wereld komt neer op een overeenkomst om een bepaalde waarneembare kleur als rood te noemen, of een bepaalde smaak – als bitter. Onze taal, die uit onze gewaarwordingen is genomen, is niet-objectief, aangezien het onmogelijk is onze subjectieve gewaarwordingen te vergelijken.

Immers, om twee gewaarwordingen, gewaarwordingen van twee mensen te vergelijken, dienen zij in één mens zijn, die ze vergelijkt. Alleen dan kan hij ze vergelijken (maar ook dan opnieuw subjectief).

Aangezien de mens alles binnen zichzelf bevat, verplicht het hem om van het begin tot het einde zichzelf te bevatten. Alleen via zichzelf kan hij de omgeving bevatten. Indien een mens een vergelijkbare met wat zich voordoet niet had doorgemaakt, dan vindt het in hem geen weerklank. Had hij geen leed ondergaan – dat begrijpt hij niet welk leed een ander ondergaat. Alles wordt ten opzichte van vorige gevoelens, ervaring, waargenomen, van datgene, wat binnen zichzelf werd gewaarword.

Daarom kan de mens zonder het bevatten van zijn vorige “prenatale” toestanden zichzelf niet leren kennen. Maar de mens dient zichzelf te bevatten, immers anders zal hij de gehele schepping niet bevatten. Pas wanneer hij begint om langs dezelfde trappen op te stijgen, waarop zijn ziel neerdaalde, bevat de mens zijn eigenschappen. Deze bevattingen zijn niet van het feit, dat hij opstijgt, maar omdat hij, terwijl hij opstijgt, zijn vorige “neerdalende” trappen bevat, gaat zijn verleden in. En op die manier ziet hij zijn wortels.

ER IS GEEN MENS, DIE ZICH KENT

Om een of ander object te bevatten dient men in hoofdzaak zijn negatieve eigenschappen en manifestaties te bevatten. Omdat alles, wat geschapen is – dat is de wens om te genieten, het egoïsme, het kwaad. En voor het volle bevatten van een object, dienen wij de allergrootste vertoning van deze egoïstische wens in hem te zien. Dan zijn wij er zeker van, dat wij tot de eigenlijke diepte van de natuur zijn afgezakt, tot de ware essentie van dit object.

Zo blijkt het, dat een kern van iets te zien betekent zijn negatieve eigenschappen te zien. En omdat de mens niet in staat is om in zichzelf het negatieve te zien, kan hij zichzelf niet bevatten. Waarom kan de mens in zichzelf het slechte niet zien? – Omdat zijn egoïsme laat hem dat niet gewaarworden. Immers onze essentie is de wens om een genieting te ontvangen. Het ontbreken van een genieting roept in ons het lijden op.

De mens is niet in staat om vrijwillig voor ’t leed te gaan – dat is boven zijn natuur. Indien de mens voor een zichtbaar leed gaat, betekent dit, dat achter dat leed een voordeel schuilt, dat nog groter is, dan het op zichzelf opgelegde leed. D.w.z., uiteindelijk vindt het ontvangen van een genieting plaats als een beloning voor het leed.

Bovendien, daar, waar de mens een genieting ziet, kan hij niet tegelijkertijd ook het voor hem negatieve en schadelijke zien. En aangezien alle genietingen ons ons egoïsme bezorgt, laat juist het egoïsme ons onszelf niet als slechte zien.

Maar indien wij het egoïsme als het negatieve zouden aannemen, dan zouden wij zelf ons ervan willen bevrijden. Maar wij zeggen integendeel: “Deze mens wenst een grote geleerde te worden, een grote acteur, deze werkt hard, deze zorgt over zijn gezin, houdt van zijn kinderen!” – wij prijzen het vertonen van het egoïsme en zoeken in hem positieve aspecten. Maar negatieve [aspecten] trachten wij op een of andere manier van ons te verbergen.

Daarom worden mensen aangelokt door zulke theorieën als het communisme, liefdadigheid – immers het imponeert het egoïsme: “Ik zal met alles tevreden zijn”, “Allen zullen over mij zorg dragen”, “Ik voel mij goed en veilig”. Dat is een zeer fijne bedekking van het egoïsme! Maar van het negatieve in het egoïsme wensen wij niet horen – dat is onaangenaam, het roept het lijden op.

Alles, wat de mens als negatief in anderen zien, probeert hij in zichzelf van de goede kant te zien. In mensen, die hem aardig lijken, zien hij alleen het goede in. In hen, die hem tegenstaan, ziet hij alleen het slechte in. Een treffend voorbeeld is – ouders en kinderen: elke ouder ziet in zijn kind alleen maar het positieve in. Probeer eens, wijs hem op iets negatiefs – dan krijg je een vijand bij. Maar je wees toch op iets dat waar is, het objectieve? Maar het egoïsme neemt niet het objectieve waar, maar het aangename!

Elk kwaad, dat men voelt, wordt als pijn waargenomen. Daarom zelfs wanneer de mens van tevoren niet weet, dat het kwaad is, blokkeert hij zijn zintuigen, tracht om niet te horen, om zich van al dat slechte wat men over hem zegt af te sluiten. En dat vindt automatisch plaats. De mens kan de waarheid over hemzelf niet aanhoren. Een psycholoog noemt dat “beschermingssystemen van het organisme”, maar een kabbalist – “beschermingssystemen van het egoïsme”.

Enfin, er bestaat een wet: “datgene, wat een genieting met zich meebrengt wordt niet als kwaad gevoeld”. En alleen als gevolg van een langdurige ervaring begint de mens te begrijpen, wat het hem lijkende goed in feite kwaad is. En om dat te beseffen zijn dagen en jaren voor nodig. Alsmede geheugens en bijzondere eigenschappen van het beseffen, het verdiepte leren kennen van zichzelf. En niet eenieder is ervoor in staat.

Ons lichaam is op een simpel egoïsme opgebouwd, en om hem te laten begrijpen, dat na een genieting een afrekening volgt, dient een ervaring van het straf te zijn, welke ervaring een voorwaardelijke reflex op een genieting vormt – een gewaarwording van het erop volgende leed, zodanig, dat elke aangeboden genieting wordt van tevoren als kwaad waargenomen.

Maar kabbalisten, die hogere trappen bevatten, bevatten alles in een volle omvang, en waardig zijn om die niveaus in zichzelf te bevatten, dat “ziel” heet. “Ziel” – dat is met het licht gevuld vat (klie). Een klie kunnen wij bevatten volgens hem vullend licht, zoals is gezegd: “In Uw licht zal ik licht zien” – wanneer het licht komt, ziet de mens zijn positieve en negatieve eigenschappen ten opzichte van eigenschappen van het licht. Dat komt, omdat wij een object alleen in vergelijking met een aan hem tegenovergesteld [object] in staat zijn te bevatten. En alleen het licht, indien het verschijnt, kan ons onze negatieve eigenschappen doorschouwen.

ZIEL – DAT IS HET BEVATTEN VAN ADAM

Wij hebben al ter sprake gebracht, dat de werelden worden aanvankelijk van boven naar beneden bevat, eerst wordt het zogenaamde “neerdalen van de ziel” bevat, en vervolgens worden de trappen van toenadering tot de Schepper van beneden naar boven bevat, d.i. de bevatting zelf.

Door op een volgende geestelijke trap op te stijgen bevat de mens eerst het neerdalen van zijn ziel van boven naar beneden, zijn vorige toestand, waarin hij zich vóór zijn geestelijke geboorte bevond.

Een zulke toestand van hem heet “iboer-embryo”. D.w.z., het opstijgen op elke nieuwe geestelijke trap begint van de toestand “embryo” [op deze trap], maar niet zoals bij het neerdalen van zijn ziel – onbewust, door de kracht en wens van de Schepper – maar bij het opstijgen brengt de mens zich bewust, door zijn eigen krachten en gebeden in de toestand van “ieboer”: een toestand van een volledige onderwerping aan geestelijke regels van die trap, [een toestand] van een volledige onderwerping aan de wetten, die hem op die trap worden onthuld.

Indien een mens ermee akkoord gaat, om in weerwil van zijn egoïsme de wetten van die geestelijke trap, waarop hij zich bevindt, na te leven, dan wordt hij een embryo in de Schepper op deze trap. En vervolgens wordt hij op deze trap geboren en groeit op, totdat hij erboven uitgroeit en in een “ieboer” op een hogere trap binnenkomt.

En zo geleidelijk op elke trap begint hij zich deze vanaf de toestand “embryo” eigen te maken, d.w.z., zich aan de wetten van die trap te onderwerpen. Na een embryo te zijn geworden, begint de mens zich verder te ontwikkelen: om zich niet noodgedwongen aan de geestelijke wetten te onderwerpen, maar ze vrijwillig als zijn eigen in plaats van egoïstische eigenschappen aan te nemen. Dus, in plaats van vorige organen van zijn geestelijk lichaam, d.i. zijn egoïstische wensen, verkrijgt hij nieuwe organen – altruïstische wensen – en daarin ontvangt hij omwille van de Schepper het hoogste licht, zijn ziel. En dat heet al het bevatten van beneden naar boven, een bevatting zelf!

Zolang een mens op elke trap al zijn wetten alleen kan aannemen, maar zelf verkreeg hij de wensen-eigenschappen van die trap nog niet, heet zijn toestand op deze trap embryo, “oebar”. Maar zodra een mens begint de wetten van die trap zelfstandig uit te voeren, d.w.z., hij verkreeg de wensen ervan, dan wordt het geacht, dat hij op die trap is geboren.

Een embryo – dat is “het zich oplossen” in wensen, eigenschappen, wetten van een gegeven trap, die in zulk geval “Vader en moeder” (Abba en Iema) genoemd wordt. En wanneer een mens de eigenschappen van die trap verkrijgt, dan wordt hij groot, net als die trap, en begint direct een hogere trap te gewaarworden. En dezelfde weg wordt wederom herhaald: hij begint van zichzelf een embryo op die hogere trap op te bouwen, welke trap voor hem “Vader en moeder” wordt.

Alle trappen van het neerdalen van de ziel van de mens van boven naar beneden heten het verwekken van de ziel van de mens. Maar pas na te zijn begonnen datgene te wensen, wat een hogere trap wenst, heet de mens geestelijk geboren zijn.

Vanaf het moment, dat hij zich met de Kabbala bezig gaat houden, komt een mens terstond in een periode van het beseffen van zijn kwaad terecht. Deze weg beginnen wij met “lo liesjma” – door egoïstische strevingen, egoïstische wegen naar het geestelijke zouden wij de Schepper willen bevatten, om geestelijke genietingen ontvangen. Immers bij eenieder begint zijn geestelijke opstijging met een ontevredenheid met dit leven – hoe kan men anders het egoïsme tot iets aantrekken?

Daarom door een deeltje licht uit objecten van onze wereld te onttrekken en ermee van verte te schijnen zonder een bepaald object te bekleden, schept de Schepper in de mens het egoïstische streven op een genieting van het geestelijke te bereiken.

Op die manier streeft de mens egoïstisch tot het geestelijke. Maar daarbij helpt ons het egoïsme zelf om uiteindelijk eruit te komen, het egoïsme werkt tegen zichzelf. Een mens tracht één egoïstisch doel met een ander te veranderen. Dat is een voorafgaand stadium van de ontwikkeling van een echte wens. Natuurlijk, een geestelijke ontwikkeling wordt erbij van boven geleid, door de wil van hogere objecten, die “vader en moeder” heten. En een zulke stap van onze onbewuste ontwikkeling heet “ieboer”. Maar dat is een onbewuste “ieboer” van onze wereld. Maar in de geestelijke wereld komt een mens in de toestand “ieboer” bewust binnen.

De mens, door in zijn fysiek lichaam te bevinden, ontvangt geleidelijk alle wensen van de malchoet van de oneindige wereld. Juist door ze te corrigeren dient hij dezelfde allergrootste trap te bereiken, waaruit zijn ziel naar beneden neergedaald was, deze trap te bereiken terwijl hij in het lichaam verblijft. Op die manier bevat de mens 620 maal meer het samenvloeien met de Schepper, dan bij zijn ziel het geval was vóór haar inbedden in het lichaam. Met name dit voordeel is de reden van het scheppen van alle werelden. Juist dankzij de correctie van het egoïsme bevat de mens 620 maal meer zijn vorige toestanden, zijn toestanden van vóór zijn geboorte in deze wereld.

In het geestelijke niets verdwijnt: een mens steeg op een of andere bepaalde trap op, daarop bestaat zijn ziel op weg van boven naar beneden, in de toestand van vóórdat zij naar beneden neergedaald was en in onze wereld geboren werd. Daarom bestaan nu op één trap tegelijkertijd de vorige (van vóór de geboorte) en de huidige geestelijke toestanden van de mens.

Deze beide toestanden bestaan in de mens. Maar nu heeft een mens een scherm op al zijn eens egoïstische eigenschappen. Juist met behulp van het scherm kan een mens zich van zijn vorige toestanden bewust worden, en daardoor hem vullend licht volledig gewaarworden en smaken. Hij kan zijn in het verleden onbewuste toestand van eigen verwekking inzien. Daarin bestaat juist zijn zelfstandige bevatting.

De Schepper wordt nu door de mens als 620 maal groter gewaarword, dankzij het bestaan in de mens van nieuwe eigenschappen. Vroeger bevond hij zich op dezelfde trap in de toestand van ieboer, hij had geen keliem om zijn toestand door te voelen.

Thans, dankzij het egoïsme, zijn werk ermee langs de weg van het opstijgen, dankzij het vervullen van 620 voorschriften van het gegeven niveau, verschijnt in hem een mogelijkheid om binnen zichzelf 620 maal meer te zien en te onderscheiden.

Maar men moet ook niet denken, dat de rol van onze wereld beëindigt met de geestelijke geboorte van de mens, zijn opstijging op de eerste geestelijke trap, dat daarna onze wereld haar betekenis en zin verliest. Integendeel, de geestelijke trappen beginnen zich via objecten, bekledingen van onze wereld te onthullen. Door hen begint de mens de geestelijke categorieën te gewaarworden, welke categorieën zich erin bevinden. En daarom lijkt onze wereld hem doorschijnend. Ook alle overige werelden begint hij in dezelfde “omvang” te zien, waarbij hij ze verbindt en hen allemaal in zijn waarneming, in zijn activiteit, in zijn houding, combineert. De grootte van het bevatten van deze eenheid vertegenwoordigt juist de grootte van de correctie van de mens.

De mens wordt geestelijk hoger dan onze wereld, maar hij handelt door middel ervan. Er verschijnt de mogelijkheid om van onze wereld gebruik te maken. Immers dat is juist het doel van de schepping: om uit onze wereld de Schepper te bevatten terwijl men zich in onze wereld nog bevindt.

Onze wereld is geen trap, die men dient te vergeten, door over hem heen te stappen. Al het werk loopt juist via bekledingen van onze wereld: via een gezin, gemeenschap, via al de gehele omgeving. Daarom is een kabbalist niet een of andere van de gehele werkelijkheid afgezonderde mens, maar integendeel, juist hij, die het meest met haar verbonden is.

HET ONTSTAAN EN ONTWIKKELING VAN LICHAAM ALS ZIEL

Vanaf zijn geboorte, vanaf het begin van zijn geestelijke voortbeweging van beneden naar boven, van zijn geleidelijke geestelijke ontwikkeling, loopt de mens langs dezelfde trappen en door dezelfde achtereenvolgende processen, stijgt langs dezelfde trappen op, waarlangs zijn ziel neerdaalde – alleen in een tegengestelde volgorde: van beneden naar boven.  

Daarom, door in de Kabbala het neerdalen van trappen van boven naar beneden te bestuderen, wekt de mens in zich het streven op om deze processen te herhalen, maar nu van beneden naar boven. Maar het omringende licht wordt sowieso opgewekt, omdat het tot de trappen behoort, onafhankelijk van het feit, dat de mens zelf deze trappen nog niet bereikte.

De mens beweegt zich nergens naartoe: in zijn innerlijke gewaarwordingen loopt hij in de tegengestelde richting alle stadia van zijn ontstaan door, maar nu doet hij dat zelf, in zijn eigen schepping. Hij schept zichzelf, een scherm op zijn wensen, waardoor hij in zichzelf alle trappen voortbrengt. Als gevolg daarvan bevat hij de Schepper 620 maal meer, dan zijn ziel vóór haar inbedden in het lichaam in staat was. Wat een mogelijkheid wordt aan de mens door de Schepper gegeven! Alsof de mens een nog grotere schepper van zijn eigen toestand wordt, dan de Schepper zelf!

Door elke trap te bevatten, bevat de mens de oerreden van zijn toestand en ontdekt, dat het de Schepper is, die hem dat allemaal van tevoren voorbereidde. Maar een gewaarwording alsof hij zelf dat bereikte is in de eigenschappen van deze trap ingevoerd, terwijl deze trap van boven naar beneden neerdaalde. Dat is de volmaaktheid van het bevatten: aan de ene kant – de mens, aan de andere – de Schepper! Beurtelings en onverdeelbaar is de handeling: de mens doet alles…en alles doet de Schepper. En daardoor vloeien beiden op elke geestelijke trap, waarop de mens opstijgt, samen.

Deze tegenstrijdige waarneming van de mens, dat alles hangt van de Schepper af, en dat tegelijkertijd alles van de menselijke handelingen afhangt, wordt in de Kabbala als “HaVaJ”A – ELOKIEM” – het dubbele bestuur aangeduid. Op de geestelijke trappen vloeit het in het bewustzijn van de mens samen zoals voor hem het begrip tijd samenvloeit: toestanden van het gewaarworden van het verleden, het heden en de toekomst.

Maar het gewaarworden van de eigen “Ik” blijft. In onze taal zijn er geen woorden om deze geestelijke gewaarwording te beschrijven, waar geen gelijken in onze wereld zijn – immers in onze wereld bestaat een eenduidige oorzaak en gevolg. Daarom de reden kan óf in de mens zijn óf in de Schepper, maar het kan niet zo zijn, dat alles alleen van de mens en tegelijkertijd alleen van de Schepper afhangt. Dat is in tegenstrijd met ons verstand: “Alles hangt van mij af en tegelijkertijd alles is van tevoren voorzien”. Pas na zich “van de aarde” los te hebben gerukt, begrijpt de mens, dat daar absoluut geen tegenstrijdigheid in is.

 

IV. VAN BOVEN NAAR BENEDEN EN VAN BENEDEN NAAR BOVEN

ONTWIKKELING VERKLAART HET ONTSTAAN

Aangezien deze twee wegen, van boven naar beneden en van beneden naar boven, absoluut identiek zijn, kunnen wij - uit het bevatten op onszelf van de weg der verheffing, van de geestelijke ontwikkeling van beneden naar boven - de weg van het neerdalen, van het scheppen van de werelden en zielen van boven naar beneden, begrijpen.

Waarom dan beschrijven zij ons hun weg toch niet? Omdat zij wensen de verrichting van de Schepper ten opzichte van allen in de schepping te beschrijven. En hij, die aan het bevatten is, put gedurende zijn geestelijke ontwikkeling uit de beschrijving van het neerdalen der werelden methoden en hulp voor zijn geestelijke opstijging.

Door van zijn egoïsme, d.i. van zijn wereld, uit te gaan, komt de mens in de geestelijke wereld Asieja terecht, vervolgens stijgt hij in de wereld Jetsiera op, daarna in de wereld Brieja, en dan – in de wereld Atsieloet. Dat gelijkt op vier stadia van het ontstaan van een vrucht uit het zaaien en tot zijn volle rijping:

1 – vóórdat het als vrucht wordt geacht……….de wereld Asieja,

2 – men kan eten, maar er is nog geen smaak en genieting…de wereld Jetsiera,

3 – verschijnt een smaak……….de wereld Brieja,

4 – de smaak en alle eigenschappen volledig uikomen…de wereld Atsieloet.

ELKE GEVORMDE PASGEBORENE KOMT TOT TWEE WEGEN

Alles, wat in de schepping in het algemeen bestaat, bestaat ook in elk van zijn klein deel. Daarom bestaan en vertonen zich alle eigenschappen en wetten, die bij het neerdalen of bij het opstijgen langs de trappen van de werelden ABaJ”A aanwezig zijn ook in elk van hun klein deel.

Een hogere trap heet Vader, oorzaak, de Schepper. Een lagere [trap], die door Hem wordt voortgebracht, heet zijn zoon, een aftakking, het gevolg, de schepping. Het neerdalen van boven naar beneden leidt tot het ontstaan van een lagere uit een hogere op elke trap, tot het verschijnen van een schepping, die zich zelfstandig gewaarwordt, tot een afscheiding van de schepping uit de Schepper. De zin van het neerdalen van de werelden bestaat daarin, dat als gevolg van hun geleidelijke verwijdering van de Schepper, een schepping geleidelijk zou kunnen verschijnen, die zich volledig zelfstandig zou gewaarworden.

Het opstijgen langs de geestelijke trappen leidt tot het omgekeerde: de schepping ontwikkelt zich geestelijk, wat betekent zijn steeds groter wordende gelijkenis aan de Schepper – hij bevat zijn wortel, de Vader, wordt als Hij. En dit proces vindt plaats met een elk deel van de schepping (de mens) in het bijzonder en met de gehele schepping in het algemeen.

 

V. HET LEREN – IN HET NABOOTSEN VAN DE NATUUR

GEBOORTE VAN GELUKKIGE MENSHEID

Alles, wat wij ontdekken, creëren – dat allemaal is al door de natuur geschapen, bestaat erin, maar wij herhalen slechts haar verrichtingen. De natuur – dat zijn wij, en anders handelen kunnen wij niet, zelfs indien wij dat zouden wensen. Het is onmogelijk, om zich datgene voor te stellen, wat buiten de perken van onze wereld uitgaat. Daarom alles, wat wij doen, herhaalt ons of het ons omringende.

Wanneer wij kijken naar alles, wat in de Schepping is geschapen, dan vinden wij in overeenstemming met wat geschreven is: “Schiep de Schepper voor het doen”, dast Hij alles voor onze handelingen schiep. D.w.z., alles, wat ons omringt is alleen daarvoor geschapen, opdat wij de schepping zouden corrigeren, aan datgene, wat geschapen is zouden toevoegen.

Deze onze daad in de schepping heet “correctie van de schepping”. Ons doel is om de schepping tot de volledige correctie te brengen. En met name in overeenstemming met wat gezegd is: “Schiep de Schepper voor het doen”, dienen wij te achten, dat alles, wat geschapen is, voor ons is geschapen, voor onze handelingen, en dat alles alleen van ons afhangt, van het scheppen in ons van het scherm. Onze rol in de schepping is besloten in het voltooien van onze ontwikkeling door de natuur na te botsen.

Alles, wat zich van boven naar beneden voordoet, uit de Oneindige wereld, van de Schepper zelf tot Adam, tot het verbrokkelen van zijn ziel, tot het verschijnen van onze wereld, tot het verschijnen van fysieke lichamen in deze wereld, totdat de mens de zin van zijn bestaan zal beseffen, omwille van het doel dat door de Schepper is bepaald – al deze fasen van de ontwikkeling van de schepping vormen onze voorafgaande verwekking in het Hoge, van boven naar beneden.

Verder gaat onze geestelijke “prenatale” ontwikkeling door, tot aan het moment, wanneer wij in onze verrichtingen geestelijk onafhankelijk worden – naar mate van het verkregen scherm. Onafhankelijk niet van de Schepper, maar van onszelf, van ons kleine oorspronkelijke egoïsme. Het ontvangen van de onafhankelijkheid heet “geestelijke geboorte”. En vervolgens beginnen wij onze ontwikkeling door het opstijgen langs de geestelijke trappen.

In ons zijn alle onze toekomstige toestanden-eigenschappen, als in een zaad aanwezig, welk zaad, dat in de grond gelegd wordt, over alle fasen van zijn toekomstige ontwikkeling in zich bevat. Het ontbreekt alleen aan het scheppen van de nodige uitwendige voorwaarden voor een succesvolle ontwikkeling van een pasgeborene. Juist deze, uitwendige condities voor de ontwikkeling, dienen wij voor onze ziel te creëren. Pas dan zal zij beginnen zich te ontwikkelen.

Met name dat is ons werk. Wij scheppen niets nieuws, alles bevindt zich binnen onszelf, wij dienen alleen de geestelijke trappen in ons te ontdekken, de geestelijke natuur na te botsen. Bovendien, naarmate de mens groeit gaan zijn ogen open: hij begint te zien onze wereld als doorschijnend – hij ziet alle werelden als concentrische, waarbij de één de andere “bekleedt”. Hij ziet, hoe zij allemaal geleidelijk één voor één zijn portie licht van de Schepper vasthoudt en daarom komt de Schepper via hen voor de mens in beelden van deze wereld naar voren. Maar naarmate zijn geestelijke ontwikkeling ziet de mens achter objecten van onze wereld de geestelijke krachten.

Onze ontwikkeling, die wij dienen te verwezenlijken nadat wij beginnen geestelijk geboren te worden, bestaat in het herhalen van handelingen der natuur, van datgene, wat wij in onszelf en buiten onszelf zien. Het opstijgen langs de geestelijke trappen betekent aan hen qua zijn eigenschappen te gaan gelijken. De gehele groei van de mens bestaat alleen in een steeds groter wordende gelijkenis aan de natuur van hogere trappen – tot aan de gelijkenis aan de Schepper zelf.

Immers in alles, wat wij ook zou doen, in alle onze verrichtingen, bootsen wij de natuur na: in productie van verver, in het voortbrengen van geluiden, in vervoersmiddelen, in het bestuur – al onze kennis en wetenschap is het totaal van onze informatie, die ons over het ons omringende bekend is geworden.

Alles, het meest moderne, wat door de mens geschapen is, en dat nu van de werkelijkheid is als het ware afgetrokken – is niet meer dan een gecamoufleerde nabootsing van de natuur. Omdat wij een product van deze wereld zijn en in al onze fantasieën niet buiten haar berken uit kunnen gaat. Wij zijn niet in staat om ons iets te verbeelden, wat niet in een of andere vorm om ons heen aanwezig zou zijn.

Maar datgene, wat wij natuur noemen – dat is alleen een klein fragmentje van dat immens beeld, welk in feite bestaat en welk aan hem, die opstijgt, geopenbaard wordt. Dit volle beeld kennen wij niet. Daarom zijn wij niet in staat om hem nu te genereren. Het bevattelijke gedeelte van de natuur wordt binnen ons beseft, het onbevattelijke gedeelte blijft echter buiten onszelf. Maar juist dat deel dienen wij geleidelijk voor ons te ontdekken. En dat heet ontwikkeling in het nabootsen van de natuur.

Eveneens als de ontwikkeling van de mensheid in het kader van onze wereld, zo ook de geestelijke ontwikkeling van de mens komt neer op het nabootsen van die natuur, welke voor hem geopenbaard wordt.

HET BESTAAN EN ZIJN ONDERHOUD SPREKEN ELKAAR TEGEN

Indien wij observeren, op welke manier de natuur is geschapen en functioneert, zowel in een of ander afzonderlijk object, als in het geheel, waarbij wij de door ons waargenomen natuur als een geheel systeem beschouwen, dan zien wij, dat alles met een bepaald doel is geschapen – om een mogelijkheid voor het bestaan, functioneren en ontwikkeling is geschapen.

En de opbouw van elk object innerlijk dermate logisch is, alle verbanden in elk biologisch schepsel zijn dermate ondoorgrondelijk nauwkeurig en fijn vervlochten, dat bij het onderzoeken van een levend organisme kunnen wij praktisch geen enkel gebrek vinden.

En bovendien: indien wij iets als een gebrek zien, dan begrijpen wij uit vorige ervaring, dat het slechts gevolg is van ons onbegrip van de volmaaktheid van het functioneren van dit systeem-organisme. En daarom volgt op onze inmenging in de natuur, in de regel, een bittere bestraffing in de vorm van een verpest milieu, verminkte persoonlijkheid en catastrofen.

En het doet er niet toe, mengen wij ons in de levenloze natuur in, in de vegetatieve, in de dierlijke of in die van de mens. Het lijkt ons, dat in de mens hebben wij toch wel het recht om zich in te mengen. Maar niet wetend of, natuurlijk, de wetten van het functioneren van de mens niet na te levend, brengen wij, door een inmenging, een schade ook aan onszelf toe.

En daarom moeten wij door de eeuwen heen ontgelden. Maar dat is juist de weg van het lijden, die voor het geval is voorbestemd, indien wij niet door de weg van de Tora kunnen gaan.

Indien wij het gehele plaatje van de natuur zouden kunnen zien, m.i.v. ons in volle omvang, dan zouden wij geen enkel gebrek ontdekken en wij zouden begrijpen, dat voor ons allerbeste welzijn wij alleen de wetten van het heelal dienen te volgen, en niet nieuwe [wetten] in de zin van “op die manier functioneert als het ware de gemeenschap”.

Maar aangezien wij de wetten in hun volledige omvang niet observeren, en in ons geen krachten vinden om een instructie door het geloof boven kennis te gaan als een geneesmiddel tegen het egoïsme op te volgen, blijven wij ons egoïstisch verstand volgen, begaan wij voortdurend fouten in onze inmenging zowel in de natuur, als in onszelf.

Van de kant van de Schepper is alles in de volledige volmaaktheid geschapen – maar alleen vóór onze geboorte. Wij kunnen een schokkend verschil zien tussen datgene, op welke manier het Hoogste bestuur zorgvuldig en nauwkeurig alles voor een succesvolle geboorte en de initiële ontwikkeling van elk soort voorbereidde – na zijn geboorte, in de eerste fase van zijn leven, en die strijd voor het voortbestaan, welke elke soort vervolgens is gedwongen te voeren.

Alsof de natuur, die in alles voorziet, opeens zijn plan afbreekt en de verdere ontwikkeling van het individu aan hem zelf voorschotelt. En dat gaat zo ver, dat van de kroon der natuur zelf – de mens is verborgen, waarvoor hij met een zulke zorg door de natuur zelf is geschapen. Alsof een zulk waardevol materiaal, een zulke lange ontwikkeling, verspild zijn, en dat alleen daarvoor, om alle wetten opeens te verbreken en het organisme verder aan zichzelf over te laten.

Immers in de opbouw van het menselijke organisme ontdekken wij een doelmatigheid van elk systeem, van elk orgaan, van elke cel – het optimale functioneren van alle systemen. Over elk orgaan, over elke cel, over elke molecule kunnen wij zeggen, waarin diens doel van het bestaan bestaat. Maar indien wij dit doel nog niet kennen, dan wordt het ons duidelijk, dat dit doel hebben wij nog niet ontdekt. Maar waar het gehele organisme voor bestaat, kunnen wij niet zeggen – dat is van de mens verborgen!

Wij zien rondom ons een paradoxaal beeld: alles is volgens de meest volmaakte wetten geschapen, die wij niet kennen. Waarom schiep ons de natuur, die alles voorziet, ons als wezens, die haar wetten niet kennen? Immers op die manier reduceren wij tot nul alle inspanningen ervan om het volmaakte organisme te creëren? Wij begrijpen alleen gedeeltelijk de wetmatigheden en de logische voleinding van de wetten der schepping. Maar wij zien in het geheel geen logica in de wetten van het bestuur, van het brengen van de schepping tot het doel, waar de gehele schepping, blijkbaar, geschapen voor werd.

Globaal genomen, zien wij evenmin het doel van het bestaan van het heelal niet en wij weten de redenen en doelen van wat zich voordoet niet: noch van datgene, wat in de kosmos, of met volkeren gebeurt, noch met eenieder persoonlijk. Het meest relevante uit datgene, wat ons omringt is van ons gewoon verborgen.

Maar waar was het voor nodig om ons zo ontwikkelt te creëren, indien het bestuur door een harde hand van de macht der natuur plaatsvindt? Indien de mens gedwongen is om krachtens de in hem opgeslagen eigenschappen te handelen en in het beste geval alleen te beseffen, dat anders handelen kan hij niet!

GEBOORTE  

Het algemene bestaat uit het samenvloeien van het bijzondere en gelijkt erop. En eveneens als een preliminaire ontwikkeling plaatsvindt en vervolgens een geboorte van het bijzondere, het individu, zo doet zich ook voor bij het ontstaan van het algemene. En eveneens als er bijzondere voorwaarden voor de prenatale ontwikkeling van een vrucht bestaan, en vervolgens de liefde en trouw van ouders, die de natuur in ons zorgvuldig had opgenomen als een waarborg voor de ontwikkeling van een pasgeborene, zo ontstaat en ontwikkelt zich volgens dergelijke wetten ook de menselijke samenleving als een som van individuen.

Daarbij zorgde de natuur dermate voor een degelijke ontwikkeling van een pasgeborene, dat zij vormde in een moeder de instincten, die haar ertoe dwingen om het voortzetten van een prenatale ontwikkeling te vervullen. D.w.z., voor een vrucht is het niet relevant of hij zich binnen zijn moeder bevindt en dat alleen de natuur zich met zijn ontwikkeling bezighoudt, of zijn moeder voor hem zorg draagt. Zulke sterke instincten nam de natuur in ouders op voor het waarborgen van de voortzetting van het vervullen van haar voornemens.

De Schepper schiep van tevoren alle werelden en liet via hen een ziel tot onze wereld neerdalen, vormde hier levende vader en moeder, aan wie Hij de wens gaf om hun toekomstig kind lief te hebben, de wens om hem op de wereld te brengen en een pakket aan egoïstische wensen, welke wensen omwille van het derde, een pasgeboren egoïsme, tot zelfopoffering leiden. Wij zien, dat een geboorte is een voortzetting van de innerlijke ontwikkeling. Dat is nog niet het begin van de ontwikkeling van de mens. Hij bevindt zich nog steeds onder invloed van natuurlijke krachten, die van boven naar beneden neerdalen.

Wanneer begint dan de mens zich zelf te ontwikkelen, wanneer begint toch zijn weg van beneden naar boven, wanneer wordt hij geestelijk geboren? – Alleen vanaf zijn eerste zelfstandige geestelijke beweging. Dat alles geldt eveneens voor de samenleving in het algemeen.

Indien wij ons de gehele mensheid als een pasgeborene voorstellen, wat bereidde de Schepper [in dit opzicht] in de hoedanigheid van liefhebbende ouders aan een zulke pasgeborene voor? – Dat is de maatschappelijke wet “Heb je naaste lief, als jezelf”, die de Schepper als de pilaar voor de geestelijke ontwikkeling van de samenleving plaatste. En indien deze altruïstische wet niet nageleefd wordt, dan lijdt de gehele samenleving eronder en loopt haar vernietiging tegemoet, waarbij maatschappelijke structuren en stelsels vervangen worden.

Daarin bestaat al de voorbereiding van de samenleving voor het ontvangen van de geestelijke vulling. Waar dient de samenleving trouwe ouders te vinden? Elk individu dient zijn ouders in hen, die hem omringen te vinden, waarbij hij tegen zichzelf zegt, dat hij één van een miljoen is, en dat de gehele miljoen ten opzichte van hem – zijn liefhebbende ouders zijn.

Indien de samenleving dusdanig functioneert, d.i. als vader en moeder, die elke lid van de maatschappij voortbrengen en voor zich voor hem bekommeren als voor hun eigen kind, dan kunnen alle leden van een maatschappij en de laatste in het geheel zich geestelijk tot het niveau van het ontvangen van de Tora – het Licht van de Schepper ontwikkelen en hun voorbestemming volledig bereiken.

Maar zolang de leden van een maatschappij hun milieu niet op die manier opbouwen, gelijkt elke lid ervan aan een pasgeborene, die zijn vader en moeder kwijt is, en die, natuurlijk, geestelijk te gronde gaat. En omgekeerd, indien een maatschappij alleen uit zulke geestelijk gedode leden bestaat, dan is zij zelf geestelijk dood, en natuurlijk, kan zij geestelijke zorg voor geen van haar leden waarborgen.

Een maatschappij is niet louter een verzameling van individuen, maar de kracht van de Schepper, omdat daarin werd door Hem een mogelijkheid opgeslagen om tot de ultieme geestelijke ontwikkeling van zijn leden te bereiken. Dat kan ook een kleine besloten gezelschap zijn. alles hangt ervan af, welke doelen zij voor ogen heeft en door welke princiepen wordt zij geleid. Indien een zich verzamelende groep niet in staat is haar krachten aan het doel te geven zodat eenieder een zorgzame ouder voor allen wordt, en allen – als ouders voor eenieder, en dat met het oog op de geestelijke groei voor het samenvloeien qua eigenschappen met de Schepper, dan ondergaat een zulke groep geestelijk, en vervolgens valt uit elkaar ook fysiek.

Dat is goed zichtbaar aan alle communes, die in op verschillende tijdstippen in de wereld ontstaan: de reden van hun uiteenvallen bestaat daarin, dat hoewel zij op zich een verplichting namen op over elkaar te zorgen, gelijk hierboven uiteen is gezet, was het doel van al hun organisatie niet in het samenvloeien met de Schepper besloten, maar in een veilig en een egoïstisch bestaan.

Indien echter een groep van mensen daadwerkelijk wenst om haar krachten en strevingen omwille van het toenaderen tot de Schepper te bundelen, dan ontwikkelt zich een zulke groep geestelijk met een snelheid, die met het aantal leden van die groep vermenigvuldigd wordt.

In het algemeen is dat het doel van het oprichten van een groep, die de Kabbala bestudeert. In de Tora wordt een natuurlijke wet gegeven, die op de eigenschap van de eenheid van leden van een maatschappij is gestoeld: indien een maatschappij, zelfs op het egoïstische niveau, zonder het verband met het geestelijke, niet omwille van de toenadering tot de Schepper, verhoudt zich tot een individu als ouders tot hun kind, dan valt een zulke gemeenschap onder de werking van geestelijk beschermende krachten.

De Tora vertelt over een stad, waarin alleen zondaars zich verzamelden: dieven, moordenaars, goddelozen, laagste lagen van de maatschappij, die onderling voor elkaar zorgen. Niemand kan een zulke stad met kracht innemen en overwinnen, omdat zij een zekere egoïstische gelijkenis aan een “Eenheid” vormden en daarom vallen zij onder de werking van de Hoge geestelijke kracht, waarmee zij zich in overeenkomst bevinden, hoewel eenieder afzonderlijk een egoïst is, en zij allemaal de Schepper ontkennen. Maar indien hun onderlinge verhoudingen al was het maar een beetje geestelijk zijn, dan bestaat over hen al een geestelijke bescherming. Daarin is een betrekkelijke kracht van sekten – in het element van trouw en eenheid. En daarom is het zo moeilijk voor een maatschappij om hen te bestrijden.

Zo tijdens een oorlog, gevaar, het volk Israël begint zich verenigen. En daar ons eenwording roept aanzienlijk grotere, dan bij andere volkeren, beschermende krachten op, dan, als zijn er miljoenen vijanden, kunnen zij niets verrichten. Maar zodra er geen oorlog is, vindt een of ander vredesproces plaats – en een zulke toestand is uiterst gevaarlijk voor het volk, met name voor een zulk egoïstisch eentje, als het onze. Een oorlog – dat is altijd een geestelijke redding en reiniging, omdat wij één worden, al was het maar voor een ogenblik, waarbij wij over het gemeenschappelijke gevaar denken. Wij wensen, dat een soldaat zou leven, opdat een ander het goed zou hebben, omdat hij mij zou helpen. Uit het pure egoïsme, maar dat wij ons over een ander bekommeren, zelfs dat is een gigantische kracht.

Zo ook in een kleine gemeenschap, indien wij haar wensen op te richten, opdat eenieder het goed zou hebben, een gigantische kracht verschijnt. Maar zulke gemeenschappen kunnen juist daarom niet voortbestaan, omdat het in tegenspraak is met het geestelijke doel: wederzijdse eendracht en wederzijdse liefde niet omwille van de Schepper, maar voor het eigen welzijn, voor het eigen egoïsme, in weerwil van het doel van de Schepping. Zij vervangen één doel – het altruïsme omwille van het samenvloeien met de Schepper met een ander – het altruïsme omwille van de mens – en daarom houden spoedig op met hun voortbestaan.

En daar zij het doel onderbewust veranderen, waarbij zij de Schepper door de mens vervangen, zijn zulke gemeenschappen, in de regel, atheïstisch. De voorbeelden zijn vanaf de primitieve gemeenschappen tot sovjet- en kieboetsachtige. En allemaal vallen zij uit elkaar, omdat hun doel is niet de Schepper.

De mens wordt naar het doel van de schepping, d.i. “het toenaderen tot de Schepper”, door een geestelijke kracht gepusht, die wij de natuur of omstandigheden noemen. Indien de mens gecorrigeerd wordt, dan, naar mate zijn correctie, begin hij enige stappen zelf te maken, waarbij hij dezelfde wenst als de Schepper.

Zolang het toekomstige geestelijke object onderontwikkeld blijft en zelf geen inspanningen doen om naar het doel van de schepping te gaan, wordt hij door de dwingende natuurlijke kracht voortgeduwd, welke kracht uiterst wreed is. Deze weg heet de weg van het lijden. Deze dwingende kracht dwingt ons om zich zorgen te maken over de gezondheid, over het slapen, eten, huwen, kinderen voort te brengen, ze liefhebben en opvoeden. En men kan er niets aan doen – de wensen ontstaan in ons onafhankelijk van onze wil.

Maar wanneer de mens, door de Kabbala te bestuderen, begint het voor hem gesteld doel zich te realiseren, en vervolgens zelf hem te wensen, dan neemt hij dat doel bewust aan en verzoekt de Schepper om krachten om het te bereiken. Door dat deel bewust te gaan vervullen, welk de natuur met hem vroeger onverbiddelijk wreed deed, begint de mens zelf - in plaats van een natuurlijke ontwikkeling door de natuur – zich razend snel te ontwikkelen en zulke ontwikkeling heet de weg (tot het doel van de schepping) van de Tora.

Door te beginnen de stappen naar het doel van de schepping bewust te maken, ontneemt de mens van de natuur haar functies van een opzichter over hem, ontslaat de natuur van het werk aan hem en werkt aan zichzelf zelf. Het materieel-egoïstische leed wordt met het geestelijke vervangen – het streven naar de correctie, eerste voor zichzelf en vervolgens omwille van de Schepper.

En hoe verder de mens aan zichzelf zelfstandig werkt, waarbij hij inspanningen tijdens de bezigheid met de Kabbala levert, in het samenvloeien met een groep, met zijn Leraar, des te meer functies zal hij van de natuur die aan hem werkt kunnen terugnemen, totdat hij volledig vrij zal worden van haar dwingende uitwerking. Elke door de mens doorgelopen trap is een deel van het werk, dat van de natuur “afgepakt” is. Een geestelijke trap betekent, dat de mens voor een bepaald percentage met de Schepper instemt, d.w.z., zelf het voor hem bestemde vervult.

Met de stad van zondaars staat het echter als volgt: indien er een gemeenschappelijk gevaar bestaat, dan houden zij van elkaar en men kan ze niet verslaan. Maar zodra er geen gevaar aanwezig is, begint het egoïsme zich te vertonen, de mensen worden kwaad, zij haten elkaar, de gemeenschap valt uit elkaar en vernietigd wordt. En dat ondanks het feit, dat de autoriteiten de zorg over de naaste met geweld in een codex der gemeenschap beginnen in te voeren. Maar men kan de wensen met geweld in de mens niet invoeren, zij ontstaan alleen in de mate van het gewaarworden van een noodzaak.

De Schepper, het Hoogste bestuur, kan niets dergelijks Zich toestaan, indien dat binnen het kader van het egoïsme bestaat. Indien in de geestelijke wereld een wederzijdse liefde, zelfopoffering, geestelijke éénwording bestaan, kan dan een zulk spiegelbeeld ook in onze wereld zijn? de natuur van het egoïsme absoluut tegengesteld is aan de natuur van het altruïsme.

Indien in onze wereld een zulke gelijkenis van verhoudingen als die in de geestelijke [wereld] zou bestaan, dan zou het egoïsme aan het altruïsme gelijken. Het gehele verschil tussen de onze en de geestelijke werelden is juist in de tegenstelling van eigenschappen tussen het altruïsme en het egoïsme besloten. Behalve dan het enige, het meest relevante – het doel van het samenvloeien met de Schepper.

Wat houdt de zorg over de naaste in kleine groepen mensen in? Een gewone menselijke liefde gaat van een gewaarwording van een genieting uit: ik hou van een object, omdat via hem ik een genieting ontvang, in dit object is een vonk van het mij aantrekkende licht ingehuld.

Deze aantrekking is dikwijls dermate groot, dat de mens bereidt is voor zelfopoffering omwille van dit object van een genieting. Aangezien een genieting van het licht uitgaat, en dat roept in de mens onderbewust het begrijpen van zijn eeuwigheid. Soms houdt de mens tot een waanzinnigheid van bekledingen van vonken des licht – zoals van zijn hond, kind, een meisje van zijn keuze.

Aangezien in de stad der zondaars allen verenigen zich voor zichzelf, en niet omwille van een of ander hoge doel, hebben zij het bestaansrecht alleen in momenten van het gevaar van buiten: hun doel is werkelijk egoïstisch te noemen, maar binnen de perken van hun bestaan is gerechtvaardigd. En daarom bestaan zij en overwinnen in tijden van gevaar.

Maar indien de éénwording niet alleen omwille van het overleven is, maar tevens omwille van het ontvangen van genietingen, d.i. het wordt als het ware al het doel van het leven, en niet van het overleven, dan heeft een zulke gemeenschap geen recht op het bestaan, daar het doel van de Schepper wordt door een egoïstische doel vervangen.

Door in onze wereld geboren te zijn, zet de mens zijn geestelijke prenatale ontwikkeling voort. Deze zijn prenatale ontwikkeling is met het neerdalen van zijn ziel uit de Bron van alle zielen in de Oneindige wereld begonnen, door het doorlopen ervan langs al haar trappen van boven naar beneden, tot aan haar geestelijke geboorte in één van haar levens in deze wereld.

Een geestelijke geboorte heet het verschijnen van een minimaal scherm, dat ons een mogelijkheid geeft om alle genietingen van deze wereld omwille van het gewaarworden van de Schepper te ontkennen. Dat heet een geestelijke geboorte, de uittocht uit Egypte, uit de slavernij van ons egoïsme.

Gedurende vele zielstransmissies loopt de mens onbewust de eerste fase van zijn ontwikkeling door: het lijden van het egoïstische bestaan ophoopt in zijn geestelijk deel, dat door hem niet gewaarword wordt.

In een of andere fase van zijn aardse levens zal hij tot de Kabbala komen, daar een instructie voor een verdere opstijging nodig wordt. Vervolgens zal een fase komen, wanneer de mens reeds een boek in handen neemt en gedeeltelijk bewust tot zijn geestelijke geboorte begint voort te schrijden.

Dit deel van de weg der ontwikkeling van de mens heet “ha-karat ha-ra” – het beseffen van het kwaad, wanneer hij zijn egoïsme binnen de perken van onze wereld onderkent. Hij bevat dat, door zichzelf en de hem omringende wereld vanuit het standpunt der Kabbala te bestuderen. Dan gaan zijn ogen open en hij begint zijn ware eigenschappen in zichzelf en via zichzelf om zich heet te zien.

Datgene, wat de mens in zichzelf ziet wordt voor hem dermate ondraaglijk, kwaadwillig, gehaat, wordt in de meest lage vorm voorgesteld, dat zelfs iets goeds lijkt hem opgebouwd te zijn op een vernietiging van iets, op een ongeluk van iemand – dermate [hevig] hij al zijn eigenschappen van zich instinctief afstoot. En wanneer hij ze volledig van zich zal gaan wensen te verwerpen – zal hij zijn geestelijke geboorte waardig zijn.

 

VI. GECORRIGEERDE EN NOODZAKELIJKE VOOR MENSELIJKE ACTIVITEIT

“Schiep de Schepper om te doen”

het is gezegd in de Tora: “Schiep de Schepper om te doen”. Hij schiep iets opdat wij het zouden doen. Dan is datgene, wat geschapen is – is onvolmaakt. Wat is het doel van het onvoltooid zijn van Zijn schepping? Op welke manier kunnen wij datgene doen, wat Hij niet voltooide?

Indien wij de enige schepping zijn, die Hij schiep, dan wordt het dus over ons gezegd, dat wij onszelf dienen te maken? Kunnen wij soms onszelf maken, corrigeren, aanvullen, veranderen? Immers daar zijn krachten voor nodig, grotere [krachten], dan die, welke ons, niet-gecorrigeerden, door onze natuur gegeven zijn.

Hoe kunnen wij te weten komen, wat de Schepper in ons niet voltooide? Daarvoor is het nodig, blijkbaar, te weten, wat Hij schiep. Daarom is de eerste fase van de menselijke activiteit, d.i.“te doen”, bestaat in het te weten komen, wat de Schepper schiep – zijn egoïsme. En deze fase heet – het zich bewust-worden van het kwaad, een kennismaking met zichzelf als de enige schepping.

De Schepper heeft geen enkel werk van de kant van de schepping nodig. Maar Hij schiep de schepping onvoltooid opzettelijk, om de mens een mogelijkheid te geven zichzelf te voltooien.

De Schepper vond het noodzakelijk om aan de mens een of ander werk in de schepping te verstrekken. Hij zelf kon dan als het ware in plaats van de mens niet voltooien.

En dat komt, omdat de mens, door zich te corrigeren, verkrijgt daarbij zulke mogelijkheden – keliem, strevingen, wensen, welke de Schepper in hem van tevoren niet kon scheppen. En daarom alles, wat de Schepper kon doen – deed Hij Zelf, maar dat noodzakelijk werk, dat alleen de scheppings - mens kan vervullen, was Hij genoodzaakt om aan de mens over te laten.

Van de kant van de Schepper getuigt het juist over Zijn volmaaktheid, omdat Hij een zulke onvolmaakte schepping kon creëren, terwijl Hij gaf hem daarbij een mogelijkheid om zelf de volmaaktheid te bereiken. Maar in onze wereld oordeelt de mens erover – terwijl hij rondom zich en in zich de daden van de Schepper observeert – als over onvolmaakten.

Dat komt, omdat hij geen einde van de schepping ziet, wanneer de gehele volmaaktheid zich manifesteert – én datgene, wat de Schepper schiep, én dat, wat de mens voltooit. Zo, door de uiteindelijke toestand niet te weten, is het onmogelijk om over tussentijdse [toestanden] te oordelen. Zoals in het voorbeeld met een bewoner van een andere planeet, die in onze wereld is gekomen: hij acht, dat een bokje als Napoleon zal worden, maar de mens na zijn volgroeien even miserabel zal blijven.

Alle negatieve eigenschappen, welke wij rondom ons en binnen ons zien – dat is juist datgene, wat de Schepper schiep, omdat Hij niets meer schiep buiten het egoïsme. Maar, door het egoïsme in ons te creëren, liet Hij hem ons ter correctie. En dat deed Hij opzettelijk, omdat alleen dankzij ons werk eraan zullen wij Zijn niveau – het niveau van de Schepper – bereiken.

Maar het overige is in de vorm van automatische systemen geschapen, gelijk het verteringssysteem, bijvoorbeeld. Maar het deel van de schepping, welk aan de mens zelf is overgelaten, kan in geen geval door de Schepper worden voltooid. En juist het feit, dat Hij het gehele heelal schiep, waarbij Hij Zijn participatie daarin aan het einde der correctie inperkte, getuigt van Zijn volmaaktheid.

Wij begrijpen niet, dat van de kant van de Hoogste is het veel moeilijker om Zijn verrichtingen in te perken, om te stoppen te geven, omdat het weggeven – zijn natuur is. Zo gemakkelijk is het voor ons om te nemen en te ontvangen, daar wij niet in staat zijn om weg te geven, zo moeilijk het voor het geestelijke is om tegen zijn eigenschappen te gaan. In onze wereld kan men het ophouden te geven met de toestand van een moeder vergelijken, die haar kind het meest noodzakelijke voor leven ontzegt. Een zulke toestand van de Schepper heet “het lijden van de sjchiena”.

Wij dienen te begrijpen, dat daar, waar de Schepper Zijn aanwezigheid inperkte, is dat niet “naar Zijn goede wil”, doch omdat Hij ons een mogelijkheid wenst te geven om Zijn trap te bereiken. En uitgaande daarvan dient men [overeenkomstig] op al het negatieve te kijken, en niet met een kritiek en minachting.

Men dient te begrijpen, dat al het negatieve werd opzettelijk en met een nog grotere inspanning geschapen, dan het positieve, het werd met het oog op onze directe deelneming in de schepping geschapen. Aangezien de wens van de Schepper is om de schepping te vergenoegen, is het scheppen van een inperking op Zijn aanwezigheid, het verbergen van Zichzelf, het scheppen op die manier van het lijden, is tegengesteld [aan de aard van] Zijn eigenschappen.

Waarom heten de rechtvaardigen rechtvaardigen? Omdat zij instemmen met inperkingen van het licht, met het afwezig zijn van de Schepper, d.w.z., met de mogelijkheid van het werk, welke mogelijkheid de Schepper hen in de schepping overliet en welke zij tot het einde dienen te volbrengen, tot de volmaaktheid. En daardoor rechtvaardigen zij “het onvoltooid zijn” van de schepping.

Juist daar, waar de mens in de schepping kan participeren, ligt de mogelijkheid om op de meest doelmatige manier de Schepper een gewaarwording van een genieting van het door Hem verrichte te geven.

Wat doet de mens in de schepping? Hij schept van zichzelf een gelijkenis aan de Schepper. Wat betekent de Schepper? Een kleine, iets hogere dan ik geestelijke trap wordt door mij gewaarword (indien dat wel het geval is!) als de Schepper. Aangezien die bewuste trap mij daadwerkelijk schiep en voortdurend mij bestuurt, van die trap ontvang ik alles, wat in mij en met mij is.

Zodra de mens deze hogere trap bereikt, dat aan zijn Schepper gelijk worden heet, begint de hogere trap terstond als de Schepper gewaarword worden. Dus, terwijl de mens opstijgt, onthult hij de Schepper steeds meer en meer.

Wat betekent het opstijgen van één trap op een andere? Het feit, dat ik op die trap terechtkwam, waar voordien, in mijn vorige toestand, was hij, die ik mijn Schepper noemde. En nu ben ik met hem gelijkgesteld. De Schepper toont zich aan ons telkens op een steeds hogere trap als een staaltje en eist, dat wij Hem volgen, dat wij ons naar Zijn “beeld en gelijkenis” zouden scheppen.

Aan de mens is gegeven om door te voelen en te beseffen, hoe de tweede onvoltooide helft van de schepping, welke wij [dienovereenkomstig] het verwekken (ieboer), een geboorte, het opstijgen, een groei van de mes noemen, de Schepper laat door hem door.

Alles doet de Schepper – alleen één deel van de schepping [Hij doet] als een voorbeeld van trappen, en het tweede deel van de schepping verricht Hij als een weg, via de mens, alsof Hij van hem Zijn partner maakt en een mogelijkheid geeft, om zelf uit zichzelf een gelijkenis aan de Schepper te scheppen.

De mens gewaarwordt daarbij aan zichzelf tegelijkertijd twee uitwerkingen – het bijzondere en het algemene bestuur, die HaVaJ”A-ELOKIEM heten: aan de ene kant lijkt het aan de mens, dat alles, wat de Schepper overliet, dient de mens zelf te doen, aan de andere kant ziet hij, hoe de Schepper via hem handelt.

Het wederzijdse bevatten van deze twee scheppende krachten: zijn eigen en die van de Schepper, welke op via de mens werkt, het wederzijdse samenvloeien van de mens en de Schepper – dat is juist een gewaarwording van de allerhoogste genieting en de volmaaktheid. De mens – HaVaJ”A voelt, dat hij met het hoogste bestuur – ELOKIEM samenvloeit. Malchoet met Biena. Op elke trap. En in de mens verdwijnt de vraag: “Ik bestuur of de Schepper”, want in dit punt verdwijnt “ik en Hij” als gevolg van een wederzijdse samenvloeiing.

Wat is de plaats van een Leraar in dit proces, welk proces door de kracht en onder leiding van de Schepper verloopt? Alle inspanningen van een rav zijn daarop gericht, om zijn leerlingen niet aan zich te laten klampen, dat hun blik in geen geval op hem gericht zou zijn, maar integendeel, dat zij door hem heen naar de Schepper zouden kijken.

Een leerling dient niet op zijn rav te gelijken, maar op de Schepper. Een zulke leerling heet “talmied-chacham”, “Chacham” heet de Schepper, omdat Hij de bron van het licht chochma is. Maar een “talmied” – is een leerling, die dit licht chochma leert te begrijpen en hem op dezelfde manier weg te geven. En hij heet “talmied chacham”, omdat hij van de Schepper leert om aan Hem gelijk te worden.

De Schepper ontvangt een enorme genieting uit het feit, dat Zijn schepselen scheppen en vernieuwen de schepping gelijk Hij dat doet. En al onze vernieuwings- en ontwikkelingskrachten, welke wij trap voor trap doorlopen (wij doet niets nieuw, maar alleen lopen steeds dezelfde trappen van beneden naar boven) – dat is een vorm van het nabootsten de Schepper. In hoeverre onze eigenschappen aan de Schepper gelijken, zoveel genieting wij Hem verstrekken.

Eveneens als onze ontwikkeling in het kader van bevattingen en de vooruitgang in deze wereld uiteindelijk in de mate van onze nabootsing van de natuur gemeten wordt, zo ook onze geestelijke ontwikkeling wordt in de mate van onze nabootsing de geestelijke natuur ofwel de Schepper. En in het algemeen is er geen onderscheid tussen deze nabootsingen.

Een deel van onze natuur, van onze eigenschappen, schiep de Schepper in ons zodanig, dat zij automatisch werken. Maar een deel van onze natuur is in ons en alleen in ons zodanig geschapen, dat wij ons bewust aan de natuur volledig zouden kunnen gelijken.

Deze mogelijkheid wordt aan enkelingen gegeven, wie de Schepper tot Zich wenst dichterbij te brengen. Omdat Hem na te bootsen betekent een toenadering tot Hem. En een zulke mogelijkheid wordt in verschillende mate gegeven en zogenaamd afhankelijk van inspanningen daarin van de mens zelf.

Wij hebben reeds erover gesproken, dat het bestaan en HET WAARBORGEN VAN HET BESTAAN spreken elkaar tegen. Het bestaan is van boven gegeven en voor ons zijn dat de wetten van de natuur. Het waarborgen van het bestaan is ons echter afhankelijk van onze daden gegeven. Daarom komt ons doel erop neer, om het Bestaan en het Waarborgen van het Bestaan te verenigen, opdat het bestuur, dat “het Waarborgen van het Bestaan” heet, een precieze gelijkenis van het bestuur zouden worden, welk bestuur “het Bestaan” heet.

En dan zullen wij zien, hoe in alles, én in het Bestaan, én in zijn Waarborgen, de Ene en de Enige Schepper werkzaam is, die via ons in ons alle verrichtingen doet in een wonderlijke gewaarwording dat wij het zelf doen.

 

VII. BEWEGING ALS KENMERK VAN LEVEN

LEVENLOZE, VEGETATIEVE, DIERLIJKE EN MENS

Wij onderscheiden 4 vormen van de ons omringende natuur: de levenloze, de vegetatieve, de dierlijke en de mens. De grondslag voor een zulke indeling – zijn de eigenschappen, de mate van de innerlijke ontwikkeling van elke vorm [van de natuur].

Naar het kenmerk van het GEESTELIJKE LEVEN wordt de gehele schepping in twee typen ingedeeld: het 1e type bevat in zich “levenloze”, “vegetatieve” en “dierlijke”, en het 2e type – “sprekende”, die door ons “mens” wordt genoemd. Het 1e type wordt geheel dood geacht en alleen het 2e type wordt als levend bepaald. Verder onder het woord leven, beweging e.d. worden alleen geestelijke begrippen bedoeld, hoewel, er natuurlijk, directe analogieën met begrippen uit onze wereld zijn!

Enfin, het kenmerk van het geestelijke leven wordt een kracht geacht, het vermogen van een geestelijke beweging, en dat van het begin af aan uit twee volledig tegengestelde handelingen voortvloeit: van geestelijke inperkingen en uitbreidingen.

Maar ook de “sprekende”, die geestelijk levend wordt geacht, wordt geestelijk dood geboren, totdat men hem met behulp van duwtjes te geven tot het geestelijke leven aanzet. De noodzaak in het “doen opleven” van buiten ontstaat daarom, omdat hoewel keliem ontwikkeld zijn, gereed zijn om het geestelijke leven en een geestelijke beweging nog van de geestelijke prenatale ontwikkeling binnen zijn geestelijke moeder te ontvangen, maar op het moment van zijn geboorte, zijn verschijnen in de geestelijke wereld, op hem werkt geestelijke afkoelend het hem omringende geestelijke milieu, dat hem volkomen onbekend is.

En deze geestelijke invloed van de geestelijke wereld roept in een geestelijk pasgeborene een geestelijke inperking op. Met andere woorden, via al zijn stadia van de geestelijke ontwikkeling, welke stadia geestelijk dood worden geacht, d.i. het levenloze, vegetatieve, dierlijke stadia, bereikt de mens uiteindelijk een moment, wanneer hij al rijp is om geestelijk geboren te worden.

Maar hoewel uit de voorgaande geestelijke ontwikkeling in hem alle eigenschappen zijn voorbereid, wordt hij geestelijk als geestelijk dood geboren. Omdat de eerste gewaarwording van de geestelijke wereld werkt op hem geestelijk afkoelend en roept een geestelijke inperking op. Daarom ontstaat er een noodzaak in een geestelijke invloed van buiten: een geestelijk pasgeboren mens geestelijk opleeft, wordt tot het geestelijke leven met behulp van geestelijke (zachte) klappen opgewekt.

En na deze eerste geestelijke inperking, welke door een geestelijk afkoelende slag door hem nu omringend geestelijk milieu veroorzaakt, dient hij, die geestelijk geboren is zelf zich opnieuw tot zijn vorige toestand geestelijk uitbreiden – het verkrijgen van vorige geestelijke eigenschappen, ondanks de geestelijk afkoelende invloed van de geestelijke wereld.

En deze twee absoluut aan elkaar tegengestelde geestelijke uitwerkingen – geestelijke inperking en uitbreiding – heten gezamenlijk de eerste stap, een inademing van het geestelijke leven.

Een geestelijke inperking bij een geestelijke geboorte vindt onafhankelijk, automatisch, van de wil van de mens plaats. Vervolgens dient te volgt een krachtige, bewuste geestelijke inspanning van de mens naar zijn eigen geestelijke uitbreiding. Maar soms wordt een zwakte in een geestelijke bevalling geobserveerd, waardoor een geestelijk pasgeboren mens juist geestelijk zwak wordt. In een zulk geval kan het hem omringende geestelijke milieu in hem geen geestelijke inperking oproepen wegens zijn geestelijke zwakheid.

Een geestelijke inperking is noodzakelijk voor het scheppen in een pasgeborene van een geestelijke lege plaats – een wens. Vervolgens kan deze plaats met het licht van het geestelijke leven gevuld worden. Maar in geval van een zwakte van een geestelijke bevalling, het ontbreken van een geestelijke inperking schept in een mens geen geestelijk lege plaats ter opvulling ervan met het geestelijke leven, en daarom wordt een mens als geestelijk dood geacht. Immers, er wordt geen plaats voor het geestelijke leven geschapen, welk met een geestelijke inperking begint.

En daarom een pasgeborene sterft. Er verdwijnt bij hem een mogelijkheid voor het vormen van een plaats, die ontvangen wordt als gevolg van achtereenvolgende inperkingen en uitbreidingen, waar het leven binnen zou kunnen komen. En het begin ervan is juist deze inperking. En indien er geen geestelijke (innerlijke) inperking bestaat, dan komt daarop, natuurlijk, ook geen geestelijke uitbreiding. Omdat in geen geval wordt het mogelijk om zich geestelijk buiten zijn geestelijke grenzen uit te breiden. En aangezien geen inperking is en geen mogelijkheid om zich buiten zijn geestelijke grenzen uit te breiden, is er ook geen mogelijkheid voor een geestelijke beweging, en dus, ook geen geestelijk leven.

Een kenmerk van een mens, die geschikt voor het geestelijke leven, voor het licht van de Schepper is – het bij hem voorhanden zijn van een kracht om, al was het maar een of andere geestelijke inperking uit welke reden dan ook, te verrichten. Zodra een mens zich geestelijk inperkt, komt terstond het licht van de Schepper binnen, het licht des levens, en een geestelijke uitbreiding verricht. Op die manier vindt de eerste geestelijke beweging plaats. Vanaf dat moment wordt een mens als geestelijk levend geacht en tot een verdere geestelijke voortbeweging in staat.

De eerste geestelijke beweging “in zichzelf”, een inperking, en vervolgens een geestelijke uitbreiding tot zijn vorige afmetingen, heet ZIEL. Het gelijkt op het proces van in- en uitademing van de lucht van het leven. In een geestelijk levenloze, vegetatieve of dierlijke mens is er geen kracht om een innerlijke geestelijke inperking om een of andere reden te verrichten, en daarom kan het licht van het geestelijke leven hem niet bekleden om een geestelijke uitbreiding op te roepen.

D.w.z., hij, die zich geestelijk, innerlijk, niet inperken kan, kan geestelijk niet uitbreiden en het licht van het geestelijke leven ontvangen. En dat is de wet van de natuur. Daarom is een geestelijk levenloze, vegetatieve, dierlijke mens – geestelijk dood, doch een geestelijk “sprekende”, een mens, die tot het type “mens” geestelijk behoort, is voor het geestelijke leven geschikt. Maar hij wordt dood geboren. Omdat er iets nodig is, dat de eerste geestelijke inperking oproept, welke [inperking] hij zelfstandig niet in staat is te verrichten.

Deze geestelijk koele lucht, onder uitwerking waarvan een inperking plaatsvindt, doet zich in de mens voor als gevolg van het zich bezig te houden met de Tora en de “goede” daden. D.w.z., zonder een doelgerichte studie volgens speciale bronnen, met het begrijpen van het doel ervan – waar hij leert voor en wie hij tot zijn Leraar koos, is het onmogelijk om een innerlijke inperking te bereiken.

Het licht des levens, het besef en een gewaarwording van het geestelijke komt in die omvang, waarop een mens zich, zijn egoïsme, kon inperken, onder invloed van uitwendige factoren en processen. Dat vindt plaats door “ha-karat ha-ra” – het bewust-worden van het kwaad in een mens, welk bewustwording duwt hem tot het werken aan zichzelf , dat “goede daden” heet, waardoor het hem zijn ware “ik” laat zien. Het toenaderen tot een geestelijke, nog onduidelijke gewaarwording van de Schepper – dat is het ontstaan van het levende in de mens. En al het overige – is dood, omdat het egoïstisch is.

VORMEN VAN BEPERKING

Een geestelijke compressie, het vermogen om zich innerlijk in te perken, dient uit eigen innerlijke krachten van een mens uitgaan. Wat betekent “zich in te perken”? De mens is de enige schepping. Het enige wat geschapen werd – dat is de wens om van het licht van de Schepper te genieten. Daarom is de mens – een wens, al was het maar eerst onbewuste, om van het licht van de Schepper te genieten.

De hersenen zijn ons alleen als hulp voor het bereiken van deze wens gegeven. Dat betekent, dat wanneer wij over een geestelijke inperking spreken, dan gaat het over een beperking van wensen. Indien onder invloed van de Tora en Voorschriften een mens dat zal kunnen verwerkelijken, dan zal het licht des levens een vrijgekomen plaats opvullen. En een zulke plaats heet “ziel”.

Een inperking dient als gevolg van handelingen en krachten van de mens zelf te zijn, omdat de natuur te allen tijde naar het verspreiden, uitbreiden streeft en niet naar het inperken.

Er zijn twee vormen van inperkingen:

1 – van een uitwendige factor, zoals, bijvoorbeeld, een afkoeling. Indien op een geestelijk pasgeborene een druk uitgeoefend wordt, waardoor een inperking van zijn geestelijk lichaam opgeroepen wordt, dan streeft zijn lichaam zelf om tot zijn oorspronkelijke geestelijke toestand terug te keren. En het keert tot zijn vorige toestand niet door het licht des levens, maar door de natuur van het geestelijke lichaam, welke natuur nauwkeurig zijn grenzen wenst in te nemen. En daarom zodra een of andere uitwendige drukkende kracht verschijnt, terstond vertoont zich in het geestelijke lichaam, een klie, zijn kracht om tot zijn oorspronkelijke geestelijke vorm terug te keren, waardoor het van een positieve uitwendige dwingende kracht verwijdert.

2 – van een opbouw van een klie zelf. Maar indien een inperking van een reden voortvloeit, welke reden in een klie, een geestelijk lichaam zelf is besloten, gezien zijn eigenschappen en een opbouw, dan is er geen krachten in hem op tot zijn vorige geestelijke toestand, tot oorspronkelijke grenzen terug te keren. En in een zulk geval heeft een mens een hulp van de Schepper nodig, opdat een bijzonder, juist voor hem gezonden licht in dit klie zou binnenkomen en hem tot een vorige vorm terug zou keren. En dit aanvullende licht, welk in een klie na een zoveelste inperking is binnengekomen en dat hem opnieuw tot een vorige vorm terugkeert, heet LEVEN.

Indien men op een geestelijke vrucht drukt, hem nieuwe gedragsregels, wetten en handelingen oplegt, een “ik” van een mens wenst te bedrukken – dan brengt de natuur alles op zijn plaats terug, tot vorige wensen. Omdat hij instinctief streeft om zich tot zijn eigen natuurlijke afmetingen op te vullen, al zijn vorige eigenschappen zich terug te laten keren.

Elke willekeurige eigenschap, indien die van buiten onderdrukt wordt, van buiten, door een uitwendige kracht, en niet door een innerlijke wens van een mens, gereduceerd wordt, wordt hij niet gecorrigeerd. Daarop is het systeem “moesar” opgebouwd, en vandaar wordt het door de Kabbala ontkent. Indien iemand of iets een mens van buiten beperkt – helpt dat niet. Een mens dient zichzelf in te perken, van binnen.

Daarvoor is het nodig om een fase van “ha-karat ha-ra” door te lopen, dat betekent, het kwaad in zichzelf te bevatten, hem als het kwaad te beseffen, en in de mate daarvan vindt een inperking binnen een mens zelf plaats. Iets in een boek door te lezen betekent niet het geschrevene in zichzelf in te zien. En pas wanneer een mens tegen zichzelf zonder woorden alles zal zeggen, zal dast zijn eerste eigen inperking worden.

Een contractie kan onder invloed van zulke uitwendige factoren plaatsvinden, als een gemeenschap, de door haar aangenomen tradities, dwingende riten of datgene, wat een mens vroeger bestudeerde, maar dat niet tot zijn [tweede] natuur is geworden. Immers door een religieuze opvoeding aangekweekte gewoontes geven een natuurlijke, automatische modus van uitvoering. In zulk geval dwingt een mens zich niet. Dast wordt hemzelf, zijn natuur.

Zonder het zich bewust-worden van het kwaad in zichzelf, onder invloed alleen van uitwendige factoren, wordt het uitvoeren niet als van een mens uitgaande geacht en zijn lichaam (wensen) streeft onophoudelijk om tot een vorige toestand terug te keren, beperkingen, welke een mens onder invloed van druk van buiten gedwongen was te accepteren. Ons klein egoïsme, dat alleen maar een eigen vulling wenst, heeft in het geheel geen krachten voor een zelfstandige bewustwording van een noodzaak voor een inperking.

Maar het streven ernaar ontstaat bij een mens onder uitwerking van een uitwendige kracht – door een correctie bestudering van de Kabbala. In indien hij ervoor bereidt is, dan ontvangt hij een geestelijke kracht, die hem een mogelijkheid geeft om zich in te perken. Maar indien een inperking uit een klie – een wens van een mens, zelf wordt verricht, en niet onder druk van een bron van kracht van buiten (een omgeving, opvoeding, tradities, e.d.), dan een geestelijk lichaam streeft niet zelf om tot de vorige [toestand] terug te keren, want het wenste juist zelf om zich in te perken, en daarom is er geen terugkeer tot vorige grenzen, tot vorige maat, welke tevoren door het egoïsme ingenomen waren, vóór het in hem doorgevoerde inperking.

En alleen een uitwendige kracht, een geestelijk licht, verbreedt een klie tot zijn vorige grenzen. D.w.z., telkens, wanneer een mens zich innerlijk inperkt, vult het licht hem, veroorzaakt zijn uitbreiding, zijn terugkeer tot een vorige toestand, maar met een vervanging van ene eigenschappen door andere: in plaats van eigenschappen, welke een mens inperkte, verbreedt het licht zijn altruïstische eigenschappen in plaats van ingeperkte egoïstische [eigenschappen]. En dit licht heet leven.

In een zulke vorm vindt een geestelijke ademhaling plaats: vroegen – inperking. Immers ook wij kunnen niet inademen, indien onze longen vol van lucht zijn. en vervolgens onder uitwerking van het licht komt volgende uitbreiding. Daarom wordt het gezegd: “Laat Mij naar binnen jezelf…”, “Doe de poorten voor Mij open…” e.d., d.w.z., zonder voor Mij een plaats in uw egoïsme af, welke plaats Ik zou kunnen vullen. Juist daarin is een geleidelijke correctie besloten, welke een mens dient door te lopen.

TWEE BEPERKINGEN: BIJZONDERE EN VOLLE
TWEE MET HEN OVEREENKOMSTIGE UITBREIDINGEN

Een geestelijke “bloed” heet ziel, omdat de rode eigenschap een behoefte heeft, dat de witte eigenschap zich met hem verenigt – en dan heet het “bloed”. En tot de uiteindelijke vereniging van deze twee eigenschappen heet de rode eigenschap geen “bloed”, omdat zonder de witte [eigenschap] verdwijnt zijn rode kleur en wordt gewoon kleurloos, volledig zonder eigenschappen, zoals een embryo.

En wanneer deze beide geestelijke eigenschappen zich samen verenigen, vormen zij bloedvaten van een ziel. En door zich samen te verenigen, vormen zij tegengestelde eigenschappen: het ene deel van het bloed vormt een levende ziel, en het andere, zoals voorheen, vóór het vormen van het gezamenlijke – het bloed, bestaat uit twee delen, een rode en een witte, omdat het tot het vervangen van geestelijke toestanden leidt – beurtelings, nu tot een grotere toestand, tot het opstijgen, dan weer tot een kleine toestand, tot het vallen.

Hieruit onderscheid men in het geestelijke twee vormen van het bloed – het rode en het witte, welke vormen ook vroeger beurtelings werkten, maar nu verenigden zij zich samen en vormden door verenigde eigenschappen een bloed, dat een levende ziel heet.

En dat overeenkomt met een partiële inperking en uitbreiding, welke nefesj en roeach heten. Maar het hoogste licht, dat een geestelijke uitbreiding verricht, gaat uit de Schepper uit en daarom compenseert en vult alle voorafgaande geestelijke inperkingen op.

Deze vullingen van voorgaande inperkingen, welke [inperkingen] een mens in zijn vroegere tijden van zijn weg tot de Schepper doormaakte, heten geestelijke cellen van hersenen. En van het vullen, van een uitbreiding met de witte, wordt na nefesj en roeach, nesjama (Ga”R) gevormd.

Het verspreiden van rode bloedvaten vormt een beenmerg, met behulp waarvan de mens onderbewust, onbewust handelt, dat “lo mie daato” heet, omdat deze toestand vóór een grote toestand plaatsvindt, vóór het bereiken van “nesjama”. En vervolgens vindt de 2e verspreiding plaats, er wordt een merg gevormd en de mens begint bewust geestelijk te handelen, volgens het in hem geboren verstand.

OMGEKEERDE EIGENSCHAPPEN TUSSEN HOOFD EN LICHAAM

In geestelijke cellen van het merg is het rode – dat is de eigenschap van de schepping, mens, zijn “ik”, zelf, maar het witte – dat is zijn niet-bestaan, omdat in het witte licht van de Schepper een persoonlijke “ik” van de mens verdwijnt, de schepping “lost zich op”. Omgekeerd vertonen zich deze twee eigenschappen in bloedvaten van een geestelijk lichaam.

HET ONTSTAAN

Een geestelijk embryo tijdens zijn prenatale ontwikkeling in een hogere partsoef gelijkt op een “plant”, en niet op een “dier”, omdat een geestelijke dier – dat is al een apart bestaand geestelijk lichaam, met zijn scherm, welk het licht chaja ontvangt. Maar een embryo hangt van een kracht van boven af, die hem doet ontwikkelen. En zijn taak is – om zich volledig in handen van deze kracht over te geven, door zijn wensen te neutraliseren, een “niet-zelfstandig” bestaan te bereiken, gelijk een embryo in een moeder. Dan begint de hoogste kracht hem te ontwikkelen, en wordt hij als vegetatief geacht.

Alle bewegingen van een embryo kunnen geen levensbewegingen heten, omdat zij onder uitwerking van zijn moeder – de hoogste kracht, verricht worden, een deel waarvan het uitmaakt. Indien een mens – een embryo-oebar, d.w.z., hij kan zich volledig neutraliseren, dan alles, wat de hoogste kracht met hem ook zou doen, wordt verwezenlijkt, en zijn lichaam verkrijgt als het ware een ander hoofd, andere wensen – die van een hogere partsoef. Dat is juist de essentie van de toestand embryo, een tussentijdse toestand – om zich in de macht van een hogere over te geven, waarbij het al zijn egoïstische wensen onderdrukt.

Een mens neutraliseert zich en in plaats van zijn hoofd “plaatst” hij het hoofd van een rav, van de Schepper. Al zijn gedachten, gevoelens, wensen zal niet zijn eigen hoofd bepalen, dat alleen maar naar het vervullen van zijn egoïstische wensen streeft, maar het hoofd van een hogere geestelijke partsoef – gedachten van de Leraar en aanwijzingen van boeken.

ESSENTIE VAN LEVEN

Het zich bewust-worden van het leven is het bewust-worden van zichzelf en hangt alleen van een inperking af, omdat het onmogelijk is voor welk schepsel dan ook om buiten de grenzen, waarin het geschapen is, uit te steken. En zolang een uitwendige kracht een inperking van een schepping, de mens, oproept, wordt hij levenloos geacht. En pas nadat hij zelf een inperking in staat is te verrichten wordt hij geestelijk geboren levend wezen geacht. Maar hoe een levenloze zelf een inperking kan verrichten, terwijl hij nog niet levend is geworden?

Dat is alleen mogelijk, door krachten en wensen van boven te hebben ontvangen, waar een aanzienlijk innerlijk werk voor nodig is, het werk, welk men alleen door het ontvangen van wensen en krachten uit het bestuderen van ware bronnen met een leraar kan verrichten.

Geen enkel schepsel kan buiten zijn grenzen-wensen, waarin het in het heden geschapen is, uitgaan. Waarvandaan bestaat dan in ons het vermogen tot een inperking? Dat komt in geen geval uit onszelf. Een zulke aan het egoïsme tegengestelde wens kan in het egoïsme niet zijn. Maar het is wel in ons opgeslagen.

Als gevolg van het breken van vaten, konden “de scherven” van altruïstische wensen van de Schepper binnen egoïstische wensen – in ons – terechtkomen. Op die manier beschikken wij binnen ons over een embryo van altruïstische wensen. Deze wensen van inperkingen zijn ons van boven gegeven. Een poging om zich in te perken – dat is een verzoek, een gebed.

Alleen indien een mens pogingen onderneemt, zichzelf in een of ander werk inzet, wordt dat werk voor hem dierbaar. Hoeveel hij in zijn kameraad insteekt – in die mate houdt hij van hem, omdat hij een deel van zichzelf in hem insteekt, zijn wensen, zijn krachten, zijn kapitaal, zijn hersenen. Daarbij verschijnt in zijn kameraad een deel van de “inlegger” – en met name van dit deel houdt een mens, daar hij een egoïst is, omdat het van hem is, hij zelf. Daarom is een echt gebed – in pogingen om op elke trap het onmogelijke te maken – en de mens ontvangt van boven krachten om door eigen inspanningen het onmogelijke te verrichten.

 

VANUIT MIJZELF ZAL IK DE SCHEPPER BEVATTEN

1. VOORBEREIDING TOT ONTWIKKELING VAN ZIEL IN DE MENS

Een mens in onze wereld kan niet zonder elementaire kennis bestaan over datgene, hoe deze wereld is ingericht, hoe zij hem beïnvloedt, wat zijn de wetten van levenloze, vegetatieve, dierlijke natuur en de mens. Ongetwijfeld, hoe meer de mens de hem omringende wereld zal bevatten, des te gemakkelijker en veiliger zal het voor hem zijn om in haar te bestaan.

Het roept bij niemand twijfels op, dat indien het lot een moderne stedeling in een woestijn zou achterlaten, dan zou hij, met levensomstandigheden in een woestijn onbekend, gewoon ondergaan. D.w.z., om in elke willekeurige plaats te bestaan dient men te weten, hoe die plaats functioneert, wat zijn zijn wetten en eigenschappen. Wat daar nuttig is, wat schadelijk en gevaarlijk voor het leven.

En tevens voor het minst pijnlijke bestaan in de maatschappij dient de mens te weten, wat in het hart van een ander is, het zich omringende te begrijpen. En zonder deze eigenschap kan hij geen volwaardige lid van de maatschappij zijn. Zo, indien men onder ons een oermens zou plaatsen, die de wetten van het functioneren van onze maatschappij, haar problemen, gedachten van mensen er omheen, hun onderlinge verhoudingen niet kent, - zou hij zelfs onder de zich gelijken kunnen bestaan? Enfin, een mens, die geen van die twee vormen van kennis heeft – over de natuur en over de gemeenschap, kan in onze wereld niet bestaan.

En eveneens als de mens in onze wereld niet zonder kennis van onze wereld kan bestaan, precies zo ook de ziel van de mens in de toekomstige wereld niet kan bestaan, zonder bepaalde kennis van haar bestaan en de natuur te verkrijgen. En deze kennis dient in zich de kennis van de inrichting en het functioneren van geestelijke werelden, partsoefiem, sfirot, hun interacties, welke zievoegiem heten, en gevolgen van hun verrichtingen.

Maar om een noodzaak te hebben met de geestelijke werelden kennis te maken, dient de mens over de ziel te beschikken. Dan wordt het voor hem relevant om de aard van de geestelijke wereld te verduidelijken, omdat het zijn ziel een mogelijkheid zal geven in hem te bestaan. En wat betekent een ziel te hebben?

Een ziel – dat is het geestelijke orgaan, welk in de mens, die zich in onze wereld bevindt, geleidelijk ontstaat. Het ontstaan van de ziel betekent het geleidelijke verschijnen in de mens van een gewaarwording van geestelijke krachten, die hem beïnvloeden, nieuwe altruïstische wensen, het verschijnen van een minimale gewaarwording van de Schepper.

Op die manier, naast een fysiek lichaam, dat een biologisch leven leidt, verschijnt in de mens een geestelijk lichaam, dat in de geestelijke wereld leeft. En precies zoals wij zonder kennis van de wetten van de natuur en de maatschappij in onze wereld fysiek niet zouden kunnen functioneren, zo ook onze ziel, ons geestelijk lichaam, zonder kennis van de natuur van de geestelijke wereld niet in de geestelijke wereld zou kunnen bestaan.

En omgekeerd, een mens die geen geestelijke kennis heeft, zal geen ziel verkrijgen. En dat komt, omdat hij haar terstond schade berokkenen. En daarom beperkt het Hoge bestuur zijn gewaarwordingen. Gewaarwordingen van de geestelijke wereld ontvangt alleen hij, die met vol begrip en kennis van het functioneren van dat geestelijk milieu, dat zich aan hem openbaart, in staat is te handelen.

Enfin, de mens, die geen geestelijke kennis verkreeg, zal geen ziel verkrijgen. En hij, die de ziel ontving, ontwikkelt zich in de geestelijke wereld gelijk een pasgeboren kind.

Aangezien alles in de schepping volgens één principe van vijf stadia der ontwikkeling is opgebouwd, is het in de mens geboren geestelijk lichaam, dat “ziel” heet, gelijk is aan het geboren zijn van een fysiek lichaam. In het geboren zijn en het zich ontwikkelen van een lichaam onderscheiden wij 3 perioden, en dienovereenkomstig zijn er drie perioden, die met ons geestelijk lichaam verlopen, d.w.z., met onze egoïstische wensen om een genieting te ontvangen: van zijn uitgangstoestand van een absoluut egoïstische wens om een genieting te ontvangen, wanneer wij datgene wensen te ontvangen, wat door ons fysiek lichaam als een genieting gezien wordt, en tot een toestand, wanneer wij objecten van onze genietingen vervangen.

DE EERSTE FASE – dat is het ontstaan en het levenslicht aanschouwen, wanneer kennis en krachten ontbreken en alles, wat voor het bestaan noodzakelijk is, de mens van zijn vader en moeder ontvangt en dankzij hun kracht en zorg bestaat. Dienovereenkomstig is een geestelijke geboorte, het uitgaan in de geestelijke wereld, na het beseffen van het egoïsme als het kwaad, van het ontkennen van eigen egoïsme, van het verkrijgen van een aanvankelijke wens om zich aan de wil van de Hoge over te geven, zodat Hij hem zal corrigeren en het schepsel zal vormen, dat met Hem gelijkenis vertoont.

Het beseffen van het kwaad – dat is het volledige begrijpen, dat alle wensen voor het geestelijke, voor datgene, wat buiten de grenzen van lichamelijke belangen uitsteekt, ontbreken. Vervolgens vindt een geboorte plaats: de Hoge geest krachten om zijn natuur volledig om te vormen, te onderdrukken, zijn eigen wensen niet te gebruiken, op hen een scherm te maken, de voorwaarden van de eerste beperking aan te nemen.

Een zulke toestand heet verwekking en een geboorte van een geestelijke wens-klie: ondanks het feit, dat steeds grotere en grotere wensen verschijnen, als gevolg van het onthullen in het geestelijke van gigantische genietingen, verkiest de mens om in een toestand van een embryo te verblijven. Een zulke gecorrigeerde wens heet de 1e kleine toestand (katnoet alef).

Een ziel, die door een volwassene in onze wereld is ontvangen, heet “pasgeborene”. Bij haar ontstaan in een mens, aan het begin van haar gewaarwording, zijn er bij een mens nog geen sprake van geestelijke kennis, en hij beseft niet datgene, wat zich in de geestelijke wereld voordoet, gelijk een pasgeboren kind niet beseft, waar hij zich bevindt. Omdat hij alleen een “aviejoet alef” heeft – het scherm van het weerstand aan het allerkleinste deel van zijn egoïsme.

Zelfstandig kan hij zich niet voortbewegen, noch enige geestelijke handelingen verrichten, zoals een menselijk embryo generlei bewuste fysieke handelingen kan doen. Hoe kan men door geestelijk geboren te zijn en zich in die toestand te bevinden, in het geestelijke bestaan? – alleen ten koste van zijn ouders, eveneens als in onze wereld.

Wat betekent dat? In weerwil van storende krachten en omstandigheden, zich tot een hogere partsoef aan te binden en, door al zijn inspanningen te leveren, te trachten zich in geen geval, in weerwil van alle egoïstische storingen, verleidingen van zijn genietingen of beweegredenen van zijn verstand, van die hogere partsoef los te maken.

D.w.z., de mens ontvangt allerlei storingen, gedachten, verleidingen tegen zijn geestelijke vooruitgaan. En meer dan eens valt hij geestelijk, overtredingen verricht, in dierlijke genietingen vervalt - alsof hij een mens met de allerzwakste wil ter wereld is. En dat komt, omdat men hem van boven laat zien hoe hij in werkelijkheid is, in hoeverre hij nietig zwak in zijn geestelijke wensen is en in hoeverre zijn egoïstische natuur sterk is.

En indien, ondanks dat, de mens tot de Hogere partsoef “aankleeft”, dan groeit hij, omdat hij de hem storende hindernissen overwint. En die worden door dezelfde Hoge speciaal op die manier gestuurd, dat een lagere dat niet voelt: een Hogere stuurt aan een lagere allerlei hindernissen in zijn geestelijke vooruitgaan, opdat hij, na zich in zijn eigen krachteloosheid te zijn vergewist, tot Hem om hulp zou roepen.

En dan helpt een Hogere. Hij heeft geen vernederingen en smekingen voor nodig. Gewoonlijk een lagere, die zijn krachteloosheid beseft, vormt in zich een voorwaarde voor het ontvangen van hulp, het licht van een Hogere.

Indien bij een mens geen besef van datgene is, dat hij zelf het hem neerslaande egoïsme - met zijn drang naar genietingen of wensen alles te begrijpen, en niet om in weerwil van kennis te handelen - niet aankan, dan heeft hij geen klie, een mogelijkheid om hulp te ontvangen. Dat lijkt op een voorwaarde van het ontvangen van kennis van één mens bij een ander: een mens kan kennis van een ander ontvangen, indien hij zich daarin vergewist, dat een ander meer dan hij weet.

Daarom is het voor een Hogere een noodzakelijkheid om aan een lagere te laten zien, dat hij niets is. Deze [noodzakelijkheid] vloeit voort uit een noodzaak om uit een egoïstische wens van zijn pasgeboren kind een ziel te ontwikkelen. Maar wanneer een mens zijn volledige nietigheid en zwakheid van krachten gewaarwordt, wenst hij de geestelijke weg te verlaten, omdat zijn innerlijke stem overtuigt hem, dat hij geen krachten heeft. En hoe kan men zonder krachten een zulk hoog doel bereiken?

Zich in deze toestand overeind te houden helpt de mens alleen de kracht van een Hogere partsoef, zijn Av”I – vader en moeder, de kracht van ouders, die boven hem is. Een zulke groei van een zuigeling onder invloed van een Hogere, een zulke toestand heet “katnoet alef’- de eerste kleine toestand.

DE TWEEDE FASE – wanneer hij is gegroeid en de nodige kennis ontving, geeft men hem het verstand om zich van alles te behoeden, wat voor het lichaam schadelijk is, maar in een gemeenschappelijke zorg over zichzelf: door zijn eigen krachten en tevens door die van zijn vader en moeder.

De volgende fase – dat is de groei. Wat betekent dit in het geestelijke? Hij werd dikker, hoger – zoals in onze wereld? “Dikker” – ten opzichte van het licht chassadiem, de gevende wens werd groter. “Hoger” – ten opzichte van het licht chochma, de mogelijkheid werd groter om het licht omwille van de Schepper te ontvangen.

De kennis wordt door het ontvangen van het licht chochma verkrijgen. Maar men kan hem allees dan ontvangen, wanneer dit licht chochma het licht chassadiem bekleedt, d.w.z., de intentie “omwille van de Schepper”, de altruïstische intenties [bekleedt]. Dan kan het licht chochma in altruïstische wensen binnenkomen, en het licht chochma de kennis geeft, op welke manier men tegen onreine krachten stand kan houden.

Wat betekent onreine krachten? Het lijkt ons, dat onze wensen ons voor ons nut gegeven worden, omdat dankzij het voorhanden zijn van wensen kunnen wij genietingen ontvangen en gewaarworden. Daarom lijkt het ons, dat datgene, wat schijnt en ons door zijn genietingen aantrekt, goed voor ons is. En berhaupt een genieting en “goed voor ons” – dat is dezelfde.

In werkelijkheid echter het beseffen van het kwaad bestaat daarin, om te begrijpen, dat een egoïstische genieting en het kwaad – dezelfde zijn. In de werelden BaJ”A spreken de onreine krachten tegen de mens over datgene, welke geestelijke genietingen hij kan ontvangen, indien wij zijn eigen wensen zou blijven volgen – die wensen, welke zij hem als zijn eigen in de plaats voor stellen. En indien de mens kan beseffen, daarin het kwaad voor zichzelf in te zien, dat is deze bewustwording al een deel van zijn volgende, hogere toestand is.

Om in te zien, dat “het” kwaad is en daarom tegen hem stand te kunnen houden, in zijn krachteloosheid om iets zelfstandig te doen toe te geven, zich voor een hulp tot een Hogere te gaan wenden – al deze stadia dient de mens op elke trap van zijn geestelijke weg van beneden naar boven door te lopen. En hij kan ze alleen dankzij het schijnen aan hem van het hoogste licht doorlopen – in zijn licht gewaarwordt hij zijn egoïsme als het kwaad, zichzelf als nietig, een Hogere – als zijn redder.

En wanneer hij die doorloopt, dan voelt hij, hoe zijn ouders – een Hogere partsoef hem behoeden en behouden. Zij behoeden hem, door het voorzien van alle kanten van het noodzakelijke, laten zien, wat goed en wat slecht is. Aanvankelijk geeft hem én dat én het andere, en hij begint te begrijpen, dat het van de ouders uitgaat. Iets kan hij zelf aan, door te herinneren wat zij hem leerden. Geleidelijk aan, door steeds meer geestelijke krachten en kennis te vergaren, groeit hij verder door.

De geestelijke groei bestaat op zijn minst uit twee stadia. Daar, waar ik iets voor de Schepper kan doen, doe ik zelf. Daar, waar ik dat niet kan – dien ik een Hogere erom te verzoeken. Op een trap, waar hij zich bevindt, wordt het geacht, dat hij alles zelfstandig kan doen. Maar voor het bereiken van de hoogste trap dient hij over alles de Schepper te vragen. En zo te groeien. En dit stadium van de groei ten koste van een Hogere en het bevatten van de geestelijke natuur, heet Katnoet Beth – de tweede kleine toestand.

DE DERDE FASE – de gadloet, de toestand van een volwassene, wanneer de verkregen kennis een kracht voor een zelfstandig bestaan geven. Gelijk een volwassene mens in onze wereld. En hoewel hij van de gemeenschap, van hem omringende mensen, afhankelijk is, maar er zijn geen ouders meer. Hij zelf heeft het licht chochma en een zievoeg kan maken, voortbrengen en laten opgroeien, met het licht een andere, lagere partsoef, zijn zoon, kan vullen. Er verscheen bij hem zijn eigen ervaring en het verstand, om zelfstandig te bestaan. En hij is in staat om deze ervaring aan een ander door te geven.

En eveneens als met een mens in onze wereld, dienovereenkomstige, maar alleen geestelijke handelingen vinden met een geestelijk object plaats – met de ziel van een mens. Het verschil is alleen in het materiaal: het egoïstische of het altruïstische. Maar juist dat maakt voor ons alle geestelijke handelingen volkomen onbegrijpelijk. Omdat wij de aard van het altruïsme absoluut niet begrijpen.

Zo dat een ziel van elke mens verricht zielstransmissies met een terugkeer in deze wereld, het zich inhullen in een lichaam van deze wereld – totdat zij de gehele kabbalistische kennis zal ontvangen, omdat zonder die kan zij niet opgroeien en alles, wat de Schepper voornemens was om haar te geven, niet zal ontvangen.

De ziel dient de wetenschap Kabbala te bevatten, niet dat de kennis zelf een geestelijke toestand van de mens doet toenemen, maar omdat de aard van de ziel zodanig is, dat zonder het ontvangen van het or chochma zij niet in staat is om dat niveau te bereiken, waar zij door de Schepper voor geschapen werd.

Enfin, niet het ontvangen van kennis brengt de ziel van de mens groot, maar een innerlijke eigenschap van zijn ziel is zodanig, dat hij met zijn eigen handen zichzelf niet kan grootbrengen alvorens hij zich de gehele geestelijke natuur eigen-maakt, alle voor hem noodzakelijke geestelijke kennis ontvangt. De groei van de ziel hangt volledig van de mate van de door hem ontvangen kennis af.

Indien de ziel zou kunnen groeien, zonder het Hoogste licht, de kennis over de Schepper te ontvangen, dan zou zij zich schade kunnen berokkenen. Zij zouden steeds grotere wensen hebben zonder het beseffen, hoe men ze correct kan gebruiken – gelijk een mens in onze wereld: indien hij in de leeftijd van 20 jaar op het niveau van de verstandelijke ontwikkeling van een éénjarige is gebleven, dan kan hij vreeslijke dingen doen. Dat is een kracht zonder verstand – die is én voor hem én voor de hem omgevenden gevaarlijk.

In het geestelijke kan zoiets niet zijn: een mens ontvangt een mogelijkheid om geestelijk te handelen alleen in de mate van zijn gecorrigeerd zijn, in de mate van de door hem ontvangen kennis. Een leeftijd wordt door een mate van het ontvangen van het geestelijk licht bepaald. Er bestaat gewoon een lichaam, dat een ziel niet voortbracht. Daarom is onze wereld vol van tweevoetige lichamen, maar er zijn, jammer genoeg, zeer weinig zielen erin.

Een hoeveelheid licht, die in de ziel binnenkomt, bepaalt de hoogte van een partsoef: hetzij hij ligt, als een pasgeborene: zijn benen, handen, romp en hoofd bevinden zich op één niveau. Zijn hoofd heeft geen enkel voordeel boven zijn benen, in alle delen van zijn geestelijk lichaam, in al zijn wensen is alleen één minimaal scherm en dienovereenkomstig een minimaal licht. daarom onderscheidt het hoofd zich niet van zijn benen. Het lijkt op een kind of een slapende mens, wanneer zijn verstand zich niet manifesteert.

Een horizontale positie in de Kabbala heet een zulke opstelling, wanneer alleen het or chassadiem aanwezig is en het or chochma, dat in een partsoef in overeenstemming met een scherm binnenkomt, ontbreekt. Het aanvankelijke stadium van de geestelijke ontwikkeling begint van een positie, wanneer een mens ligt, als een pasgeborene.

Het tweede stadium is – wanneer hij al zit, maar in zijn benen is er nog geen kracht om zich overeind te houden. Zijn ledematen, de uiteinden van wensen om een genieting te ontvangen, zijn nog niet gecorrigeerd, hebben geen scherm, kunnen geen grenzen vormen – beperkingen op eigen ontvangen van een groot licht. (Raglaim – benen – van het woord “meragliem” – bespieders, zij rondsnuffelen, zoeken wat te grijpen valt).

In de geestelijke toestand “liggend” worden alle 10 sfirot van de menselijke ziel als één licht, één minimaal scherm hebbende, geschat. In een pasgeborene is er geen kennis en daarom geen krachten om zich voort te bewegen. En indien er een kracht zou geweest zijn om op benen voort te bewegen, maar geen kennis, dan zou een mens zich schade toebrengen.

Een geestelijke kracht geeft aan de ziel (partsoef) alleen het licht chochma. En de belangrijkste ontwikkeling vindt plaats niet als gevolg van het ontvangen van licht van ouders, zonder eigen inspanningen, maar als gevolg van goede daden, van handelingen van een partsoef zelf. “Goede daden” – betekent het ontvangen van het licht met behulp van een scherm, in weerwil van het eigen egoïsme. Maar het vermogen daartoe hangt van het bevatten van de Kabbala. D.w.z., de voornaamste groeifactor is een functie van goede daden, welke van het eigen-maken van de Kabbala afhangen – van het ontvangen van kennis van een hogere partsoef.

Elke ziel bevat door haar kennis alle zielen: van hun oorspronkelijke toestand, die “de ziel van Adam” heet, en tot de uiteindelijke correctie van alle zielen. Zoals een mens, die de wereld in een volle omvang bevat, de natuur van de mensheid, mentaliteit, gewoontes, d.i. al het omringende, bevat. En op basis van deze kennis behoedt hij zichzelf van het benadelen van de kant van de natuur, van de hem omringende mensen en hij kan zich men hen, die zijn groei bevorderen, verenigen en tot hen toenaderen.

En wij hoeven ons niet te verbazen, dat een afzonderlijke ziel alle zielen bevatten kan. Net zoals in onze wereld het geval is, indien een mens wijs is, dan kan hij de aard van de gehele mensheid bevatten, alle overigen, indien hij zichzelf bevat, omdat elk deel van de schepping bevat in zich elementen van al haar overige delen.

Er is geen eigenschap in de mensheid, welke in alle overigen zou ontbreken. Eenieder, al was het maar in een minimale mate, over eigenschappen van de gehele mensheid beschikt. Elke mens is een beetje een moordenaar, een beetje verkrachter, rokkenjager, geleerde, domkop, gelovige, goddeloze e.d… Alles is er in eenieder!

En wanneer een mens aan zijn geestelijke vervolmaking werkt, begint hij al deze eigenschappen in zich te gewaarworden en door elke ervan als een egoïstische te gewaarworden, beseft hij hun voor zichzelf als het kwaad. En wanneer een gewaarwording van dit kwaad een maximale, ondraaglijke grens bereikt, dan laat hij die eigenschap vrijwillig achter, als een schadelijke en op die manier zich keer op keer corrigeert.

Een mens neemt eigenschappen van een ander alleen dan als natuurlijke waar, indien hij ze in zichzelf ontdekte en doorvoelde, hun voorhanden zijn in zichzelf besefte. Immers hoe vaak wij mensen zien, die over negatieve eigenschappen beschikken, maar die zelf daar niets van merken, zij gewaarworden ze in zichzelf niet. Maar tegelijkertijd verdragen zij dezelfde eigenschappen bij hun omgeving niet.

Wanneer echter met behulp van het bestuderen van de Kabbala een mens begint te bevatten, wie hij eigenlijk in werkelijkheid is, dan kan hij andere verdragen en vergeven, omdat hij beseft, dat eveneens in hem dezelfde schuilt. En waarom is hij verdraagzaam tot anderen? – Omdat hij gewaarwordt, dat hij niet in staat is om zich van slechte eigenschappen te bevrijden. En naar mate het zich bewust-worden van zijn nietigheid, begint hij anderen lief te hebben, omdat hij in hen zichzelf ziet.

En daar alle delen van de schepping van allen deel uitmaken, immers alleen fysieke lichamen ons verdelen, maar onze zielen één geestelijk lichaam vertegenwoordigen, welk de ziel van Adam heet, dan, door zichzelf te corrigeren, corrigeert een mens de gehele wereld – en zo eenieder van ons.

2. LICHAAM EN ZIEL

Elk lichaam – en in de Kabbala onder lichaam niet het fysieke lichaam bedoeld wordt, doch de wensen van de mens – is vol van ongeduld en boosheid, omdat door hem perioden van het ophopen van een gebrek, honger doorlopen, beurtelings met perioden van een genieting. En deze elkaar afwisselende toestanden-tijden brengen in een lichaam het vermogen voort voor het waarnemen van allerkleinste en gigantische genietingen en wensen voor vullingen ermee.

Een genieting komt binnen en wordt alleen daar gewaarwordt, waar voordien een wens gevoeld werd hem te gewaarworden. Een honger – dat is de onontbeerlijke voorwaarde van het gewaarworden van een genieting. En bovendien, zodra een genieting voortdurend wordt, verandert niet, niet met gewaarwordingen van een honger afgewisseld wordt, van een opwekking ervoor, dan houdt een genieting op om als een genieting gewaarword te worden. Er is onophoudelijk een afwisseling nodig, het verwisselen van het vullen en het ontbreken ervan.

Daarom wordt het in de Tora gezegd: “Uit Tsion de Tora zal uitgaan”: Tsion komt van het woord “jetsieja” – uitgaan. D.w.z., juist het uitgaan van zijn toestand, wanneer een genieting, kennis, ene bewustwording uitgaat en een mens zijn geestelijke vallen gewaarwordt – juist die toestanden verwekken in hem een gewaarwording van honger naar een genieting, en daarom heet de volgende fase – het ontvangen van een genieting, kennis – het ontvangen van de Tora.

Wanneer het licht, een genieting uit een sfira, een klie uitgaat, dan blijft een herinnering aan een wens voor een vertrokken genieting. Juist deze resjiemo’s – herinneringen aan het vorige licht zijn echte klie – een wens voor het ontvangen van een volgend licht.

Daarom vormt juist een resjiemo uit het uitgaande licht, een resjiemo uit nekoedot, een klie: het licht, dat in een partsoef binnenkomt, heet taamiem – smaak; het licht, dat van een partsoef uitgaat, heet nekoedot – het verdwijnen: herinneringen aan een smaak heten tagien – deze geven een aanvullende gewaarwording van een vorige genieting; herinneringen aan nekoedot heten otiejot – letters, of keliem – vaten voor het ontvangen van het licht in de toekomst, omdat juist daarin is een wens om hem te ontvangen, daar zij niet het vullende, maar het uitgaande licht gewaarworden.

Daarom het gewaarworden van het uitgaande licht, van het verlies, van het vorige, wat onmogelijk is zonder het geestelijke vallen, is een noodzakelijke voorwaarde voor een geestelijke groei. Dus, het vullen met licht (genieting), zijn vertrek, het verschijnen van resjiemo’s (herinneringen) – dat zijn allemaal noodzakelijke voorwaarden, stadia voor het ontstaan van het streven naar een vorige genieting. Maar wanneer een genieting verschijnt voor het eerst – dan is een zulke genieting onbewust en wordt gewoon als een genieting waargenomen.

Wanneer echter een genieting reeds gewaarword werd, vertrok en op die manier een gepaste wens voor zich vormde – dan wordt die al van tevoren gewenst en daarom volkomen anders waargenomen wordt. Als gevolg van het feit, dat onophoudelijk hetzij het vullen, hetzij het leegraken plaatsvindt – “slaat” het licht daarmee een klie, maakt eerst een zievoeg, d.w.z., komt tot een klie en zegt tegen hem: “Ontvang mij”. En het scherm antwoordt: “Dat wil ik niet. Ik kan alleen omwille van de Schepper ontvangen” – en ontvangt.

Maar zodra een scherm een deel van het licht ontvangt, slaat het van buiten overgebleven licht tegen de zijkant: “Ontvang nog meer”. Een klie kan niet meer omwille van de Schepper ontvangen en besluit berhaupt om zich volledig leeg te maken. Maar vervolgens “drukt” het licht er opnieuw aan en verzoekt de lege klie om een weinig licht te ontvangen. Op die manier, door tegen het scherm te slaan, vormt het licht nieuwe gewaarwordingen, nieuwe keliem, verdere nieuwe mogelijkheden voor het ontvangen van het licht.

Een lichaam loopt verschillende kringlopen door, toestanden van honger en verzadiging. Maar de wet van de natuur is zodanig, dat toestanden van honger strepen de toestanden van verzadiging en genieting door. Een geestelijk lichaam loopt deze kringlopen voortdurend door, als een kiezelsteen, die terwijl hij door zeegolven doorgerold wordt, een gladheid verkrijgt, als het ware de zachtheid van het water, het water vormt ten minste uiterlijk om, doch maakt een steen aan zichzelf gelijk.

Zo ook bewerkt het licht een klie, maakt hem voor het ontvangen van het licht geschikt, door op hem zijn eigenschappen over te brengen. Maar behalve, dat onaangename gewaarwordingen en herinneringen de aangename volledig doorstrepen, waarbij niets van laatsten overblijft, alsof zij nooit geweest waren, is er nog één aanvullende eigenschap van het egoïsme – het lijkt hem, dat datgene, wat het niet heeft, wel bij anderen is, of dat datgene, wat bij hem is – bij anderen nog groter is. Bij een klie verschijnt een gevoel van afgunst, een gewaarwording, dat een toestand van een ander beter, dan die van hem is.

Dat komt van het feit, dat de ziel zelf neutraal is en zich tussen twee krachten bevindt, welke krachten engelen heten, tussen twee systemen van reine en onreine krachten, en het goede en slechte beginsel. En zij wrijven een ziel tussen elkaar, beurtelings, als tussen palmen, waarbij zij haar aan elkaar overgooien – zo voelt een mens zich in zijn geestelijke ontwikkeling. Nu gooit men hem tot goede gedachten, daden, wensen, dan komt hij opeens weer onder invloed van slechte gedachten, strevingen terecht – en men kan er niets aan doen.

In de eerste instantie dient een mens zichzelf trachten te bestuderen, te begrijpen, welke krachten hem op een gegeven moment beïnvloeden, en pas dan, uitgaande ervan, een beslissing te nemen.

Een mens, die langs de geestelijke trappen opstijgt, bevat zijn eigen keliem, welke keliem op een elk niveau van een keten der neerdalen van zijn ziel uit de oneindige wereld in onze wereld zijn overgebleven, op elke trap van de weg, waarlangs zijn ziel in onze wereld neerdaalde. Hij stijgt op – begint nieuwe wensen te gewaarworden en, dienovereenkomstig, om hulp begint te verzoeken. Maar indien hij een voorgaande klie niet uitcorrigeerde, zal een volgende [klie] in hem niet geopenbaard worden. Hij zal hem niet gewaarworden, hij zou niet weten waar om te verzoeken. Zoals wij reeds hebben gezegd, de Schepper, de natuur in onze wereld geeft geen kracht aan een zuigeling, zodat hij - als gevolg van het ontbreken van het verstand - geen schade zich zou toebrengen.

Een geestelijke opstijging van de mens is daarin besloten, dat hij al zijn keliem in zichzelf verzamelt, welke keliem zijn als het ware op hogere trappen overgebleven, en, door op te stijgen, vult hij ze met het licht en bij zijn ziel aansluit. Dat is juist een volle ziel, met het licht gevulde keliem. Daar alles in vergelijking met een tegengestelde wordt bevat, dan kan men zonder de geestelijke wereld te bevatten ook onze wereld niet bevatten! Deze beide werelden zijn niet meer, dat onze subjectieve toestanden en worden door ons tegelijkertijd bevat.

Wij gewaarworden alleen ons lijden, maar in geen geval dat van anderen. Daarom zien wij genietingen van een ander, omdat zij “van buiten” zijn, maar het lijden zien wij niet, omdat zij “van binnen” zijn – en daarom worden wij met een gevoel van afgunst gevuld. Dat is een afgunst voor het licht, dat in een ander is binnengekomen. Maar dankzij het feit, dat de Schepper in ons het gevoel van afgunst schiep – kwam hetzelfde licht nu als het ware in mij en vormde in mij een klie – een wens. Ik wens dezelfde genieting, welke hij ondervindt, wie ik benijd. Bij mij verschijnt voor deze genieting mijn eigen wens. Daarom, is het gevoel van afgunst, eveneens als alle eigenschappen van de mens – m.i.v. de meest “ongunstige” – noodzakelijk voor een geestelijke vooruitgang is.

 

3. HET BEVATTEN IN HET MATERIËLE EN HET GEESTELIJKE

Er is geen verschil tussen het lichaam en de ziel – hun onderscheid is alleen in het feit, dat een lichaam een uitwerking van de omringende natuur ontvangt en van binnen hemzelf, zijn natuur. De ziel echter wordt alleen als gevolg (en in de mate) van zijn werk verandert, naar mate een gezamenlijke combinatie in zichzelf van het materiële en het geestelijke.

Alles, wat met onze ziel en lichaam gebeurt, gaat van dezelfde Bron – de Schepper – uit, Die zich via een materiële of geestelijke natuur vertoont. Zij, het geestelijke niet gewaarworden en die in hun gewaarwordingen alleen onze wereld voelen, beweren, dat er “geen Schepper is en alles – alleen de natuur is”. Zij, die de ziel, het licht van boven ontvangen, voelen anders: alles van de Schepper uitgaat, en, via hogere werelden doorlopend, tot ons neerdaalt.

De mens ontvangt hetzij van de materiële natuur, de laatste trap van het gehele heelal, óf van een hogere [trap]. En medeafhankelijk van het feit, van welke trap hij ontvangt, wordt hij hetzij gewoon een mens van onze wereld genoemd, óf een kabbalist, omdat de Kabbala is een wetenschap over het ontvangen van het hoogste licht (kabbala – van het werkwoord “lekkabel” – ontvangen).

De ons omringende natuur wordt zelfs zonder verplichte bevatting van de natuurwetten, de essentie van datgene, wat zich voordoet. Wij kunnen in deze wereld leven zonder het begrijpen van datgene, wat zich in de natuur, in de maatschappij en in onze wereld [in het algemeen] voordoet, zonder te weten van het verleden en de toekomst, wat met ons en over ons gebeurt en waar de mensheid naartoe gaat. Het bestaan onder invloed van het omringende heelal – dat is het onbewuste, dierlijke bestaan.

Maar in het geestelijke is het begrijpen en het bevatten onmogelijk, voordat de mens in zijn ziel het verleden en de toekomst van die toestand zal bevatten, welke hij dient te ontvangen en alsmede gegevens over die trap (of over dat object), welke hij nu bevat.

Het geestelijke bevatten is ideaal, volledig, volmaakt in zijn elke fase. Daarom kan de mens zijn toekomstige toestand naarmate het bevatten van de oerreden van zijn geestelijke aard ontvangen. Door op te stijgen, bevat de mens voor alles de trappen, waarlangs zijn ziel van boven naar beneden neerdaalde, dezelfde lege klie van hem, welke zich al op die trap bevindt, op die trap bij het neerdalen van de ziel van boven naar beneden overgehouden werd. Maar nu, terwijl hij van beneden naar boven opstijgt, kan de mens zelf bevatten, vormt als het ware deze klie, wens, corrigeert hem, geeft hem een scherm en met licht vult.

Op elke trap van de ladder van ons tot de Schepper bevindt zich een leeg vat, dat eenieder opwacht. En door op te stijgen, vult de mens hem met licht, waarbij hij zijn verleden – het neerdalen van boven naar beneden – bevat, samen met zijn groei vanaf zijn geboorte en tot die trap, welke hij bereikte. En wij dienen tot de allerhoogste trap aankomen, waar de ziel met alle overige zielen in de Oneindige wereld samenvloeit, waarbij wij onze Bron – de Schepper – bevatten en met Zijn licht ons vullen. Zo sluit het einde en het begin van onze weg zich af.

Kabbala is allesbehalve een theoretische wetenschap, dat is de meest praktische kennis, omdat het object ervan – de mens zelf is. Datgene, wat een mens in de Kabbala bestudeert, gewaarwordt hij vervolgens aan zichzelf, en niet aan een of ander abstract object. Daarom loopt een kabbalist in zich, in zijn gewaarwordingen, alle toestanden van het bevatten van zijn eigen waar egoïsme door, d.w.z., hij dient elke van zijn egoïstische wensen om te genieten door te leven, door te voelen.

Bovendien, hij dient hem aan zichzelf dermate door te voelen, dat hij dat gaat haten – en zijn haat zodanig moet zijn, dat hij in de toekomst van deze wens geheel zal afzien. En alleen in zulk geval bevrijdt de mens zich van zijn egoïstische wensen, en dat [gebeurt] beurtelings: wens voor macht, voor dierlijke genietingen, voor rijkdom – hij dient te voelen, dat wensen voor deze genietingen brengen hem pijn en verlies, zijn voor hem schadelijk. Pas door het kwaad ervan te gewaarworden, zal de mens vrijwillig ervan afzien en vrij worden.

Maar men dient te onthouden, dat alles wat in ons is – is alleen voor onze geestelijke vooruitgang gecreëerd alsmede ter bereiken van het doel van de schepping: - “Alles schiep de Schepper alleen voor Zichzelf, voor het bereiken van Zijn doel. En niets schiep Hij voor niets”. Maar bovendien, de mens is geschapen als een schepsel, dat het verborgene wenst te bevatten, datgene, wat door hem als verborgene gewaarword wordt. Omdat, eigenlijk, het verborgene wordt door ons op geen manier gewaarword.

En indien de Schepper wenst om de mens tot iets aan te trekken, dan doet Hij dat iets open, d.w.z., laat zien, dat er hier iets van het verborgene is, en dat roept in de mens een wens op het voor zichzelf te onthullen. Waarbij het “half-verborgene” trekt meer aan, dan het geopenbaarde.

Het aantrekken tot het half-verborgene geeft ons kracht om hem te onthullen. En wanneer wij hem zullen onthullen, dan zal het weer nodig zijn om het half-verborgene te zoeken. In het geopenbaarde is er geen voldoening. Omdat het half-verborgene uit een klie – een gewaarwording uit een gebrek en een genieting tegelijkertijd bestaat, een klie en een licht, en daarom geeft het een grotere genieting, dan een met een genieting volledig gevulde klie – wanneer al geen tekort is. Een volle gewaarwording van een genieting – dat is geen genieting, omdat er geen tekort is, een klie is volledig met een genieting gevuld.

Voor het gewaarworden van een genieting dienen er pauzes in het gewaarworden zijn. Pas dan kan men ge gehele bekoorlijkheid van een genieting begrijpen. Waarom maakte de Malchoet van de Oneindige wereld de 1e beperking? Zij bevond zich in de toestand van een volledige samenvloeiing met de Schepper, in een volle als het ware volmaaktheid. Zij maakte deze beperking, omdat zij geen andere uitweg had: indien zij het licht onophoudelijk zou ontvangen, met licht volledig gevuld zou worden, dan zou zij ophouden hem als een genieting te gewaarworden.

Daarom maakte zij de eerste beperking en ontvangt nu alles omwille van de Schepper, waarbij zij over de mogelijkheid beschikt haar verhouding tot de Schepper elke seconde te verifiëren: “Kan ik nu iets voor de Schepper doen?” – Er vindt voortdurend een vernieuwing plaats en een genieting zonder stop wordt gewaarword. Omdat aan het weggeven en de wens om aan een ander te geven geen beperking kan zijn.

Oorspronkelijk schiep de Schepper binnen de malchoet een zulke mogelijkheid voor het beperken van het ontvangen van het licht, opdat de schepping voortdurend een genieting zou kunnen ontvangen.

Gmar tiekoen – dat is, wanneer de mens zich volledig corrigeert, en alle mogelijkheden om “omwille van de Schepper” te doen volledig tot zijn beschikking komen.

Gmar tiekoen – dat is een volledige sereniteit, een volledige rust, omdat je een volle mogelijkheid hebt om met daden omwille van de Schepper te genieten. Een rust van het egoïsme – dat is een onverstoorde altruïstische genieting. Het geven aan de Schepper – dat is niet een werk, dat is juist een genieting.

Een uitwerking van een scherm is het afstoten van licht. Vormt het ontvangen van het licht ons werk? Nee, dat is geen werk. Een werk is het vormen van dit scherm, en niet een zievoeg, welke men vervolgens omwille van de Schepper kan maken.

Alles, wat omwille van de Schepper gedaan wordt, wordt niet als werk geacht. Een werk – dat zijn handelingen tegen onreine krachten, kliepot, zijn egoïstische wensen, het afzien ervan. Alles, wat onder parsa verricht wordt, binnen de werelden BaJ”A, heet weekdagen. Daar, op die trappen vindt een correctie van wensen plaats. En vervolgens hun opstijgen in de wereld Atsieloet.

Het opstijgen vindt niet mechanisch plaats: indien een mens zijn wensen overeenkomstig met de eigenschappen van de wereld Atsieloet veranderde – dan betekent dat, dat hij in de wereld Atsieloet is opgestegen. De wereld Atsieloet bevindt zich boven de parsa; alleen door zich erin te bevinden kan men het licht omwille van de Schepper ontvangen.

De toestand Atsieloet heet “Sjabbat”, en voordat de mens dit licht nog niet kan ontvangen, wanneer hij alleen zijn keliem corrigeert, bevindt hij zich in een toestand, die “werk”, “weekdagen” heet.

Daarom is de Uiteindelijke Correctie (Gmar tiekoen) – dat is een toestand, wanneer je al alle schermen hebt en je het oneindige licht (genieting) kan ontvangen. Je verifieert jezelf voortdurend, al je handelingen - of zij omwille van de Schepper zijn – en je geniet van een oneindig vernieuwende, onuitputtelijke genieting. Hier voeg je voortdurend aan voorgaande partsoefiem, die overblijven, toe. Daarom gewaarwordt je, dat je opstijgt.

Er is geen opstijging. Je voegt aan je vorige toestand nog één nieuwe, een nieuwe partsoef bij. Aanvankelijk heb je één partsoef – een kleine, vervolgens binnen hem ontstaat een middelmatige [partsoef], en daarna binnen een middelmatige wordt een grote voortgebracht. Achter je sleept een zulke sliert van partsoefiem, je voegt er steeds aan toe. En deze aanvulling is oneindig. En alles is tot je beschikking.

Een zulke toestand heet “Menoechat ha-olamiem” – een verpozing der werelden. Indien alles tot aan de rand is opgevuld, dan begint het zich als een leegraking te gewaarworden. Geen vreugde in het leven. Landen die qua aantallen zelfmoorden boven aan de lijst staat zijn juist die met de allerhoogste levenspeil.

Hoe meer mogelijkheden een mens heeft, des te gemakkelijker om terstond het gewenste te ontvangen, des te sneller een genieting van datgene, wat ontvangen wordt, verloren gaat. Dat komt, omdat er geen verborgenheid, ontoegankelijkheid is. Daarom gaat én een smaak, én een genieting verloren. De kracht van de Schepper wordt juist daarin vertoond, dat Hij ons naar een ten opzichte van Zichzelf tegengestelde kant gooit. Vervolgens openbaart Hij zich aan ons geleidelijk – dan beginnen wij naar Hem getrokken te worden.

Echter van de kant van de mens het voornaamste werk is het zoeken van de verborgen Schepper, naar een gewaarwording van onze verwijdering van Hem, naar een gewaarwording van de noodzaak om onze wortel te vinden, naar een gewaarwording van het omringende licht. Zodra wij dat bereiken, onthullen wij in ons krachten, die ons tot de Schepper toetrekken.

 

4. HET BEVATTEN VAN VERRICHTINGEN VAN DE SCHEPPPER IN HUN ONTHULLING

Wat betekent dat? Indien ik het geestelijke “direct” zonder bepaalde correcties van mijn eigenschappen wens te “grijpen”, dan kan ik dat niet uitvoeren. Ik dien zulke correcties te verrichten, die met het geestelijke overeenkomen, en naar mate mijn gelijkenis aan het geestelijke, zoek ik hem. De Schepper verbergt zich van ons niet. Zijn wetten verbergen ons egoïsme van Hem.

Zodra wij voor ons vrijwillig het verbod van de 1e beperking zullen maken om “in egoïstische wensen niet te ontvangen”, dan zal de Schepper zich aan ons terstond openbaren. Hier is als het ware een tweespraak van twee deelnemers. De Eén verbergt zich, wanneer de ander Hem openlijk wenst te gewaarworden.

Zodra de tweede het verbergen van de Eerste vrijwillig op zich opneemt, d.i. zijn eigenschappen verandert, openbaart zich de Eerste. De Schepper verbergt zich van ons niet. Hij dwingt ons om onze eigenschappen dermate te wijzigen, dat wij Hem zouden kunnen gewaarworden. Door Zijn verbergen wijst Hij ons wegen voor Zijn onthulling aan.

Wanneer een mens op zich de wetten van het verbergen vrijwillig opneemt, d.i. het verbergen van het geestelijke van zijn egoïsme, dan worden de geestelijke keliem, welke daarbij gevormd worden, met licht van de Schepper gevuld, met een gewaarwording van Hem, met een onthulling. De keliem van ontvangst kan men alleen door middel van het onderdrukken van het egoïsme opbouwen, van het opbouwen van een scherm ten behoefte van het afstoten van het licht. Wij scheppen in ons een wens – klie, die aan de Schepper gelijkt.

Er zijn twee kanten van hetzelfde verbergen: wanneer wij onze egoïstische keliem verbergen en wanneer wij ons van het genieten van de Schepper verbergen. Maar in principe is dat hetzelfde: het egoïsme en het directe genieten – dat zijn dingen, die onderling verbonden zijn.

Licht en klie zijn onderling met elkaar verbonden. Men kan geen licht zonder wens gewaarworden. En indien er een wens is, is deze daarom aanwezig, omdat zij een of andere mogelijke genieting gewaarwordt – het hem omringende licht. Men onze gewaarwordingen gaat het als volgt: óf in een wens gewaarword en werk er tegen, óf ik een genieting gewaarword en tegen een genieting werk.

Al ons werk is in weerwil van kennis, van het materiële, van alle egoïstische storingen, van de wetten en normen van de gemeenschap – dat allemaal bundelt zich in het werk tegen zichzelf. In tegenstelling ervan dient er een geloof te zijn, dat alles door de Schepper is geschapen, al onze hindernissen, het geloof daarin, dat de Schepper zich in het verborgene bevindt, dat alleen in een zulke toestand ik Hem ontdekken kan, waarbij ik alle “storingen” in mijn helpers verander. Het is voor de Schepper afdoende, om te laten zien, dat Hij verborgen is, om ons te laten beginnen naar Hem te streven.

Zij, die ons omringen, gewaarworden de Schepper niet, zij bevinden zich als het ware in een onbewuste toestand, omdat zij bereikten het allerlaagste punt nog niet. Zij bevinden zich nog binnen de Schepper, als een embryo in zijn moeder, en zij handelen automatisch – alleen onder uitwerking van de natuur, die Hij geschapen had.

Wanneer de mens begint te begrijpen, in hoeverre hij van de Schepper verwijderd is – dat is het uitgangspunt, waaruit zijn geestelijke ontwikkeling begint. Vanaf deze toestand verschijnt bij een mens een mogelijkheid om zich de Schepper tegemoet voort te bewegen.

Het is alleen nodig dat wij de Schepper een klein beetje gewaarworden, al was het maar onduidelijk. Dat zal ons terstond gigantische krachten geven, daar wij met een wens om te genieten geschapen zijn. en het licht van de Schepper – dat is een gigantische Bron van genieting, en tot Hem beginnen wij ons aangetrokken te voelen.

Wanneer men een steen ophoog gooit, wordt de zwaartekracht niet gevoeld, zij vertraagt zijn beweging onmerkbaar en doet hem in het allerhoogste punt van zijn zweven stoppen. Maar deze kracht zelf manifesteert zich in een verborgen vorm daarin, dat zij de beweging ophoog vertraagt. Zo ook de kracht van de Schepper wordt in ons neerdalen van boven naar beneden vertoond.

Maar helder wordt deze kracht in de mens zelf zichtbaar, in zijn beweging van beneden naar boven, wanneer door de Schepper te gewaarworden, hij op natuurlijke wijze zich naar Hem uitstort, zoals de zwaartekracht zich manifesteert, wanneer zij de beweging van de steen omhoog al stopte, en hij onder [invloed van] haar aantrekking naar beneden vliegt.

De Schepper bouwde de schepping op door het neerdalen van Zichzelf naar ons, waarbij Hij zich steeds meer en meer verbergt, als een steen, die omhoog is geworpen, verwijdert zich steeds verder en verder van de grond. Daarbij is het voor de Schepper zwaarder om Zich te verbergen, niet te geven, dan wel te geven en niet te verbergen, omdat het tegen Zijn wensen en eigenschappen is.

Het lijkt erop, hoe ouders in onze wereld het meest lijden, wanneer zij aan hun kind niet kunnen geven. Een steen, die omhoog vliegt, loopt zijn weg tot een bepaald punt door, waar hij als het ware stopt. Op dat punt vindt onze geestelijke geboorte plaats.

Wij beginnen te ontdekken, wie wij zijn, waar komen wij vandaan, wie onze geestelijke ouders zijn. Daarvoor besefte wij niets. Dan ontstaat er in ons onze innerlijke aantrekkingskracht tot de Schepper. Deze aantrekking vindt als het ware automatisch plaats.

Wat doet de Schepper gedurende 6000 jaren? Hij verbergt zich, laat ons verschillende maten van zijn verborgen zijn zien. Er ontstaan in ons geestelijke wensen om Hem te onthullen. In de 7e duizend jaar stopt de Schepper Zijn verbergen. Zodra Hij dat doet, breekt er de volmaaktheid aan, en wij een deel van de Schepper worden.

 

5. HET BEVATTEN VAN HET GEESTELIJKE

Elke geestelijke bevatting bestaat uit twee verplichte eigenschappen: 1 – in geen geval dient het een voortbrengsel van een verbeelding te zijn, doch een ware, 2 – het dient geen enkel twijfel op te roepen, evenmin als bij de mens zijn eigen bestaan geen twijfels oproept.

De naam “geestelijke” getuigt over het feit, dat het aan een geest gelijkt, aan iets dat als lucht om ons heen is: iets, dat bestaat, maar dat het onmogelijk is aan te grijpen en dat geen enkele concrete vorm heeft.

En ondanks dat, allen weten, wat dat is, en zijn bestaan bij niemand twijfels oproept: omdat eenieder is bekend, wat zijn leven van lucht afhangt. Immers bij het tekort ervan ondergaat de mens terstond – juist daarom het voorhanden zijn van lucht dermate duidelijk en boven alle twijfels is.

En laten wij nu uit het materiële het geestelijke begrijpen. Dat is mogelijk, omdat ons innerlijk bewustzijn en het verstand aan ons innerlijk lichaam gelijken, welk [innerlijk lichaam] de “ziel van het levende” genoemd wordt, dat het leven en de bron van een gewaarwording van haar (de ziel) gebrek is.

En het innerlijke deel van het verstand wordt een verstandelijke ziel genoemd. En ook in deze kan de mens haar gebrek gewaarworden. De reden van het gewaarworden van het voorhanden zijn en het gebrek tegelijkertijd en van dezelfde bron is daarin besloten, dat de schepping, die zich gewaarwordt, juist in de mate van zijn gewaarwording als levende zelfstandige schepping, het gebrek in het gewaarworden van het leven en de levenskracht voelt.

Dat, terwijl de scheppingen, die een gewaarwording van hun bestaan is ontzegd, zijn tevens van een gewaarwording van de verstandelijke ziel en haar innerlijk deel ontzegd, en daarom gewaarworden zij het gebrek alleen in de mate, die voor hun lichamelijk bestaan noodzakelijk is.

Immers indien de schepping het gebrek zou niet gewaarworden, dan zou zij zich niet met alles wat voor het onderhouden van haar bestaan noodzakelijk is kunnen vullen, en zou ondergaan. Maar bovendien, de geestelijke welzijn en de geestelijke groei hangen volkomen af van de mate van het gewaarworden van hun tekort, eveneens als in ons dierlijk lichaam, wanneer elke fysiek gezondere [mens] een grotere eetlust gewaarwordt, en daarom ook meer eet, waarbij hij zijn krachten ermee doet toenemen.

 

6. NOODZAKELIJKHEID VAN HET BEVATTEN VAN DE SCHEPPER

Alle gebreken, welke de verstandelijke ziel van de mens gewaarwordt, worden tot één reden, tot één wens teruggebracht – de wens om de Schepper te gewaarworden, het gewaarworden van het tekort in de gewaarwording van de Schepper. Indien bij de mens een wens ontstaat om de Schepper te gewaarworden, dan doet hij alle bekledingen van zijn vorige genietingen uit – van [genietingen van] macht, rijkdom, e.d., door hen als het ware aan het licht te brengen, en streeft alleen naar de Schepper.

De wensen van de mens “verdubbelen zich”: hij wenst én dit, én de toekomstige wereld. De mens begint niet omwille van een beloning in de toekomstige wereld te handelen, d.w.z., een beloning na zijn heengaan uit deze, onze wereld, zoals gelovigen in een beloning in deze of in de toekomstige wereld de Voorschriften vervullen, maar om in deze wereld, in dit zijn leven, de Schepper te gewaarworden.

Deze wens verschijnt in hem, omdat in de natuur van de verstandelijke ziel zelf het streven naar het bevatten van zijn Schepper is opgenomen. En het voorhanden zijn van deze wens in de mens gaat van zijn gewaarwording van zichzelf als bestaande uit, waardoor hij altijd ernaar streeft om datgene te bevatten, wat “boven hem is”. Al het streven van de mens om zichzelf en al hem omringende te bevatten gaan uit van de in hem verborgen wens om zijn Ouder, zijn afkomst te bevatten.

En hoewel de verstandelijke ziel van de mens zich in een onophoudelijke jacht achter alle van haar verborgen verschijnselen bevindt en wenst alles, wat boven en beneden is, alsmede wat in harten van de omringenden aanwezig is te ontdekken, blijven al deze strevingen toch specifieke [strevingen] van de enige ware menselijke streving – die naar haar Bron.

En dat is zichtbaar al uit het feit, dat indien er in de wereld niemand anders behalve de mens zou geweest zijn, bijvoorbeeld, indien de mens als de enige geschapen zou zijn, dan zou hij geen andere strevingen erop na houden, behalve die naar zijn bron.

Omdat het streven naar het bevatten van de Schepper – dat is het resultaat van een bijzondere vorm van een gewaarwording van het afwezig zijn van de Enige, het Leven Dragende. En alle overige wensen leiden tot het volledig aan het licht brengen van deze ware wens, die van de mens zelf verborgen is – zijn voornaamste wens.

Indien de mens zelfs als de enige schepping geschapen zou zijn, dan zou hij blijven naar het gewaarworden van de Schepper te streven, en de overige wensen gewoon kwijt zou raken. Onze dierlijke wensen eisen ons lichaam te bevredigen, en onze menselijke wensen legt ons de maatschappij op.

In die mate, waarin de mens het or makief begint te gewaarworden, de hem omringende Schepper, begint hij naar Hem te streven. Door het or makief te gewaarworden, begint de mens zich als de schepping te gewaarworden. Alle handelingen in deze wereld vinden alleen met één doel plaats – om de mens tot de toestand van het gewaarworden van de Schepper te brengen.

Dat is de reden van alles wat zich voordoet, zowel in het algemeen, met volkeren, als in het bijzonder, met elke van ons. Maar dat wordt in de mate van het gecorrigeerd zijn van de mens geopenbaard en uitsluitend aan hem alleen.

Zoals, bijvoorbeeld, alle bestuurders van het openbaar verkeer een zwaar werk in de naam van de maatschappij zouden vervullen, omdat zij zouden wensen met al hun krachten allen te helpen, als het maar allen het goed zouden hebben en eenieder waar hij ook naartoe wenst, zijn bestemmingsplaats zou bereiken, opdat elke passagier, nadat hij zijn bestemmingsplaats bereikt zou hebben, op zijn beurt ook op zijn plaats alles aan anderen zou geven, vanuit zijn ziel, met al zijn wens allen zou bedienen. En de gehele wereld al maar zich bezig zou houden om weg te geven en het goede één de ander zou doen.

Maar voordat de mens niet in staat is om te begrijpen en het eeuwige heil van een zulk werk te gewaarworden, wordt hij van boven bedrogen: de Schepper laat hem zien, dat hij veel egoïstische genietingen voor zijn inspanningen voor het heil van anderen kan verdienen. En de mens wordt te grazen genomen, zichzelf bedriegt, dat hij voor geld, eer, macht, dierlijke genietingen werkt. Op die manier de gehele wereld onbewust voor de Schepper werkt.

Onbewust vervult de gehele wereld geestelijke handelingen. Maar om die te gewaarworden en te zien – daarvoor is het nodig om met hen in te stemmen, anders, na zijn ware handelingen te hebben gezien, de niet-gecorrigeerde mens niet in staat zou zijn ze voort te zetten. Daarom wordt aan eenieder van ons in de mate van ons gecorrigeerd zijn een waar beeld van de wereld geopenbaard, dat “de geestelijke wereld en alles en allen besturende Schepper!” genoemd wordt.

Een grootte van een geestelijk vat wordt bepaald door een grootte van zijn wens om met de Schepper samen te vloeien. Een grootte van een egoïstische klie wordt door zijn wens voor een genieting bepaald: door een grootte van het streven en een vorm van een genieting, waar zijn wens voor is.

Hoe meer een mens is, des te hoger zijn egoïstische wensen zijn. Kleine wensen zijn bij een insectje, bij dieren. Bij grote mensen zijn grote wensen. Bij mensen, die zich geestelijk ontwikkelen zijn de wensen nog groter, maar die zijn al in een geabstraheerde vorm, niet als wensen van genietingen, welke in een of ander gewaad van onze wereld ingehuld zijn (macht, geld, geslacht), maar een wens om de Schepper te gewaarworden.

Een mens hoeft in zichzelf geen één van zijn oude eigenschappen te corrigeren, hij hoeft niet in zichzelf in te diepen om te denken, wat hij dient te corrigeren, hoe slecht hij is, en daarom hoe ver van de Schepper. Dat zal uit zichzelf geleidelijk tot hem aankomen, naarmate de noodzaak voor de correctie. De mens dient al zijn gedachten op de Schepper over te brengen. Maar over zichzelf kan hij – zoals rabbi Ashlag schrijft - hoogstens een half uur per dag denken.

Immers daar, waar de gedachten van de mens zijn, daar bevindt zich de mens zelf. Daarom, terwijl hij aan de Schepper denkt, rukt hij zich daardoor van zijn natuur af. En de overige tijd dient hij te denken aan de schepping van de Schepper, over Zijn wegen. Dan zullen wij in ons in een nog grotere mate een behoefte ontwikkelen om de Schepper te gewaarworden. De mens wordt naar die mate gecorrigeerd, waarin hij het streven om over zichzelf te denken met dat over de Schepper, vervangt.

Een zulke toestand heet “ieboer” – embryo, wanneer de mens alleen over zijn hogere trap wenst te denken, is ermee samengevloeid, streept zichzelf volledig door. Vervolgens begint zijn prenatale ontwikkeling en de geestelijke geboorte.

 

7. HET BEVATTEN VAN DE SCHEPPER

Het is gezegd: “En gij zult geen afbeeldingen van de Schepper zien”. Inderdaad, op welke manier kan men de Schepper zien? Hoe kunnen wij ons iets voorstellen, dat onze natuur niet is, kan door onze zintuigen niet gewaarword zijn? Immers al onze verbeelding is het product van ons bewustzijn. En het bewustzijn is binnen de grenzen van onze natuur opgebouwd.

Wij zijn naar een bepaalde sjabloon geschapen; iets, dat buiten zijn perken uitsteekt, is onmogelijk uit te beelden. Indien de Schepper onzichtbaar is, in onze echte egoïstische zintuigen niet gewaarword wordt, hoe kunnen wij Hem toch bevatten? Hoe kunnen wij Hem ons voorstellen?

En bovendien, zelfs wanneer wij onze natuur in de tegengestelde corrigeren, in de altruïstische, waar is de zekerheid, dat wij de Schepper in onze nieuwe altruïstische gewaarwordingen bevatten? Wat betekent het bevatten van de Schepper, het Licht? Wat betekent het gewaarworden van het Licht?

Wij gewaarworden alleen onze reacties op Hem. Is dat het bevatten van de Schepper? Wij bevatten daarbij onszelf, onthullen onszelf en openbaren via ons als het ware iets, dat ons van buiten beïnvloedt. In gewaarwordingen zijn wij precies gelijk aan al onze meetgereedschappen, welke niet een uitwendig proces registreren, maar zijn uitwerking op het gereedschap. En om nog preciezer te zijn, zelfs niet zijn invloed op het gereedschap, maar een reactie van het gereedschap op een uitwerking van buiten. Uitwerkingen kunnen verschillend zijn, maar indien zij één en dezelfde reactie oproepen, dan kunnen wij op geen manier één uitwerking van een andere onderscheiden.

Waarom wordt toch in de Kabbala een vraagstuk gesteld over het bevatten van de Schepper? Of is dat een puur filosofische vraagstuk over datgene, waar zich de grens van het bevatten bevindt? Natuurlijk, kunnen wij zelfs niet aan denken, dat er een materiële belichaming van de Schepper bestaat. Dat is het allergrootste verbod in onze religie: om de Schepper in beelden uit onze wereld voor te stellen. De Schepper is zonder lichaam, heeft in het geheel geen omvang, bevindt zich buiten tijdperken, ruimte, onze gewaarwordingen.

Daarom het zich neerbuigen voor allerlei concrete krachten, d.w.z. voor afzonderlijke krachten van de Schepper, een afgoderij is. In een zulk geval stelt een mens als basis van de schepping, als zijn schepper, gewoon een zekere als een robot levenloze, geestelijke kracht, welke in de Tora een engel, een gezant, een automatische uitvoerder genoemd wordt. Maar indien de Schepper – dat is alles, waarom mag ik mij niet neerbuigen voor datgene, wat Hij schiep? Immers dat is Hij, dat is Zijn kracht.

Waarom mag ik mij voor een of ander van Zijn verschijnselen, van Zijn krachten, niet neerbuigen? Immers ik heb toch altijd met Hem een voeling alleen via Zijn krachten en vertoningen? Laat mij dan voor Zijn vertoningen ten opzichte van mij neerbuigen! Dat beweren anderen in hun neerbuigen voor sterren, lot, idolen, door een mens als de zoon van G-d te beschouwen, e.d. het verbod “Maak je geen idool” is aan joden gegeven, opdat de mens binnen zichzelf dagelijks, elke seconde zijn egoïstische strevingen van altruïstische zou scheiden. Omdat het verschil tussen de ware verhouding tot de Schepper en het vormen van materiële of geestelijke idolen, wordt juist op het onderscheid tussen het altruïsme en het egoïsme opgebouwd.

Aangezien het licht van de Schepper zelf uitgaat, wordt het tot de meest sterke ware wens van de mens - de wens om Hem te bevatten, omdat het licht vormt de wens te ontvangen en naar mate het toenaderen tot de Schepper, wordt die steeds groter. Nooit kan een wens tot datgene ontstaan, wat in de natuur berhaupt in geen enkele vorm bestaat. Indien er een wens ontstaat – betekent dat, dat er een object bestaat, dat deze wens in staat is te verzadigen. Dat komt, omdat het licht bouwt voor zichzelf een klie, een wens om van dat licht te genieten.

Wij hebben erover al gesproken, dat op alle niveaus van onze ontwikkeling bekleedt het doel – het bevatten van de Schepper – verschillende kledij: aanvankelijk zijn dat dierlijke wensen, vervolgens – het streven naar macht, eer, daarna – het streven naar kennis en uiteindelijk – het streven naar het gewaarworden van de Schepper. En alleen die heten geestelijk. Het streven naar macht, eer, heten menselijk, en lichamelijke genietingen behoren tot ons dierlijk niveau. In dit opzicht onderscheidt de mens zich niet van een dier.

Alle vormen van wensen zijn trappen in het streven naar de Schepper, omdat hun geleidelijke ontwikkeling leidt al de mensheid tot de wens om met de Schepper samen te vloeien. Hoe beweegt de mens zich van één streving naar een andere?

Door zijn bepaling van de waarheid en de leugen voortdurend te veranderen: gisteren hield hij zich met een wetenschap bezig, dacht om een grote geleerde te worden en daarin de waarheid zag, maar vandaag is hij ontgoocheld geworden over een wetenschap, daar hij erin een leugen in zag. Thans wenst hij veel geld te hebben – daarin is voor hem de gehele waarheid van het leven. Maar vervolgens ook deze waarheid keert zich tot een leugen. Nu wenst hij een grote rabbijn te worden – en eveneens in deze egoïstische wens hij geleidelijk een leugen zag. En nu wenst hij de Schepper – maar ook dat is een leugen en het egoïsme.

En zo op elke bepaalde trap ontkent een volgende trap een voorgaande [trap]. Voordat de mens het altruïsme als de waarheid kan aannemen. En pas dan, wanneer de mens met de volle zekerheid kan zeggen, dat al het geestelijke – de ware waarheid is, wordt dat moment hét moment van zijn geestelijke verwekking.

Al de innerlijke ontwikkeling van de mens is in de kunde besloten, om aan te voelen, waar de waarheid, en waar een leugen is. Uit de scherpte van deze gewaarwording zijn wij in staat om te kiezen, wie wij op een gegeven moment als de Schepper achten. En de Schepper – dat is onze waarheid op elk moment. Een leugen heeft geen recht op het bestaan. De mens kan niet in weerwil van zijn bepaling van de waarheid handelen. Daarom “de Tora aan de mens is gegeven, om bij hem een gevoel te doen ontwikkelen voor het bepalen van de waarheid en een leugen, d.i. van het gewaarworden van het kwaad”, - zei Baal Soelam.

Een zulke ontwikkeling vindt juist plaats volgens de wet van ontkenning. Een voorgaande trap versterft, wanneer ik voel, dat die voor mij een leugen is. Het is onmogelijk om een volgende stap te nemen, zich van het verleden te bevrijden, door hem niet te ontkennen, door hem niet als kwaad voor zichzelf te bevatten. Wanneer vorige inzichten, smaken, kortom, wensen, nog niet als het kwaad dragende zijn doorgevoeld, dan betekenen zij nog iets voor een mens, hij kan geen afscheid van hen nemen. En hij pas dan van hen afstand zal nemen, wanneer hij ze zal beginnen te ontkennen, te haten. Het afstoten van een voorgaande eigenschap als een kwaad, als een leugen is namelijk de reden van het afscheid nemen ervan.

U kunt aan zelf aan zichzelf zien, dat door de Kabbala beginnen te bestuderen, u bent niet meer in staat om welke andere wetenschapsachtige filosofieën au sérieux te nemen. Dat komt, omdat de wetenschap Kabbala ontwikkelt in de mens de fijnste gewaarwording van de waarheidsanalyse. Om voortdurend langs de trappen voort te kunnen bewegen, dient de mens die trap te gewaarworden, waar hij zich op bevindt, zijn huidige innerlijke toestand en een hogere trap, een gewaarwording van het innerlijke en van het omringende lichten te ontvangen.

Juist het verschil tussen deze twee lichten vormt in de mens het begrijpen van de waarheid en een leugen. Het is niet zo, dat een voorgaande trap een leugen is, maar ten opzichte van de huidige toestand is die niet meer bruikbaar, zoals een wereldbeschouwing van een volwassene ten opzichte van die van een kind: dat zijn gewoon verschillende niveaus en waarnemingen, maar wij kunnen niet zeggen, dat de wereld van een kind een leugen is. Op dezelfde wijze wordt een malchoet van een hogere trap tot een kether voor een lagere.

Een malchoet verandert van een schepping, welke zij op een hogere trap is, in een schepper voor een lagere [trap]. Waar verschijnen in haar zulke eigenschappen vandaan? Hieruit kunnen wij wellicht begrijpen, dat binnen het egoïsme een ware altruïstische eigenschap van de Schepper is besloten.

Daarom bestaat er bij de mens een mogelijkheid om te bepalen, wat de waarheid en wat een leugen is. Hij kan de Schepper en zichzelf gewaarworden, om die gigantische contrasten te begrijpen, welke tussen malchoet en kether bestaan.

Het voornaamste in de mens op zijn gehele weg van beneden naar boven is het gewaarworden in zichzelf van het vermogen om in elke fase de waarheid en een leugen correct te beoordelen, om datgene, wat hij doorloopt, het leugenachtige, te kunnen ontkennen, en naar de Hoogste waarheid te streven.

Hoewel het ons lijkt, dat het van het verstand afhangt, hangt het in werkelijkheid uitsluitend van de Schepper af. Een gewaarwording van de waarheid en een leugen – dat is een puur gevoelsmatige waarneming en hangt van de scherpte der innerlijke bevatting van de waarheid af. Het wordt alleen van boven gegeven.

Een mens kan geschapen zijn met de meest slechte eigenschappen en karaktertrekken. En opeens ontvangt hij van boven een mogelijkheid om zijn inzichten t.o.v. de waarheid en een leugen te herzien en vanaf dat moment begint hij zich voort te bewegen, waarbij hij al ware gewaarwordingen heeft. De Schepper brengt de mens tot Zich, waarbij Hij hem een noodzakelijk gevoel geeft.

Op elk moment van zijn voortbeweging dient een mens te herinneren, dat een mogelijkheid om de Schepper te bevatten hem de Schepper zelf geeft. En dat geeft Hij hem via allerlei omringende invloeden. Datgene, wat een innerlijke stem van de mens hem zegt, indien hij hem hoort en is kundig om ernaar luisteren, is de meest belangrijke in zijn werk aan zichzelf. En in geen geval dient hij naar anderen te luisteren, doch alleen aan zichzelf. Immers om (in zijn gewaarwordingen) in de geestelijke wereld uit te komen, dient de mens vele toestanden door te lopen, omdat de ingang tot de geestelijke wereld opent aan de mens de Schepper zelf, doch alleen volgens een waar gebed-verzoek van de mens.

Maar om een ware wens voor een geestelijke toestand in zijn hart te bereiken, welke wens een gebed heet, dient de mens een bepaalde weg door te lopen: aanvankelijk ontvangt hij een gigantische wens voor het geestelijke, en al zijn gedachten zijn alleen erover – dat gebeurt, omdat de Schepper hem naar Zich toe trekt en zendt hem Zijn licht, en de mens vliegt erop af, omdat het licht dermate al zijn overige wensen onderdrukt, dat in de mens in een zulk geval niets anders, behalve zijn wensen van het geestelijke overblijft.

Daarmee wordt de eerste fase van alle terugkerenden tot “het geloof” gekenmerkt, vervolgens breekt een fase aan van het zoeken naar het vervullen van de door de Schepper opgelegde wens – een mens is op zoek naar lessen, boeken. Gaandeweg, indien het hem volgens zijn voorbestemming in deze kringloop van de ziel gegeven wordt, komt hij tot de Kabbala, de mens houdt zich met de Kabbala bezig.

Als gevolg van lessen en het omgang in een groep, manifesteren zich in hem afgunst en schaamte – positieve eigenschappen, omdat zij zijn wens vergroten en krachten bijbrengen. In de mate van zijn studie roept de mens een omringend licht op zich op, welk licht in hem het beseffen van het egoïsme als kwaad oproept, als een obstakel aan het bereiken van het meeste belangrijke.

En naarmate zijn besef ervan, verschijnt een haat voor het egoïsme, men gooit een mens regelmatig in grote egoïstische wensen, welke hij noodgedwongen vervuld, daar over hem in die perioden het egoïsme heerst.

Maar na egoïstische daden te hebben verricht, en vervolgens hun laagheid te hebben beseft (het wordt hem gegeven), wordt hij dermate pijnlijk bestraft: de zijn omgeving, vrienden, gezin, maatschappij, morele of materiële verliezen, dat hij met een gigantische haat voor het egoïsme vervuld wordt. Deze haar bezorgt hem ondraaglijk leed, en een geleidelijke uitwerking van het omringende licht brengt de mens tot een gewaarwording van zijn eigen nietigheid en zijn geestelijke krachteloosheid. Hij werkt, gaat met de wereld om, maar er wordt een innerlijke overtuiging in hem gevormd, dat hijzelf kan het gewenste doel niet bereiken, en er een noodzaak in een hulp van de Schepper ontstaat.

Het is ontzettend moeilijk voor het egoïsme om ermee eens te zijn en daarom juist drijven de omstandigheden de mens in het nauw, waaruit hij de Schepper om hulp begint te smeken. Een enorme hulp in het geestelijke vooruitgaan komt uit een correct georganiseerde groep voor elke deelnemer ervan. In een kabbalistische groep is het verboden om over zijn toestanden met elkaar te spreken. Samen bestuderen zij de leerstof, overleggen en bestuderen alles, wat niet tot persoonlijke toestanden van eenieder betreft. Het is verboden om zijn wensen en meningen, zijn stemming op te dringen: vandaag voel je je goed – je waardeert het geestelijke hoog, morgen voel je je slecht – je waardering van het geestelijke is slecht. En er zijn veel van dergelijke toestanden.

Door over zijn toestanden te spreken, berokkent de mens daarmee een dubbele schade: aan zichzelf, omdat hij onthult, wat bij hem in het hart is, en omdat anderen er invloed op uit kunnen oefenen, alsmede brengt hij aan zijn kameraad een schade toe, daar hij hem zijn mening aanpraat, ontzegt hem de vrijheid van keuze in zijn analyse van waarheid en leugen. Daarom is de mens als een enkeling geschapen en zo is gebleven: hoewel wij weten, dat de ziel in 600.000 delen - zielen is verbrokkeld, maar elke ziel heeft haar rol in deze wereld, loopt haar eigen correctie door. Zij interacteert, natuurlijk, met andere zielen, maar [dat doet zij] om van haar eigen deel door een innerlijke wisselwerking te corrigeren.

In onze wereld echter een interactie vindt op het fysieke niveau plaats. Door anderen materieel te dienen, fysiek, gaat de mens geestelijk voort. Het enige, wat niet verboden is – is zijn leraar om raad te vragen. Maar in principe, het leren en het werk bestaan in het vinden van het verband met de Schepper.

Men dient een diepe achting alleen voor de Schepper te voelen, alleen voor de Schepper het ontzag te hebben. Het punt van de Schepper is boven, het embryo van een geestelijke klie van de mens – dat is zijn individueel punt. Een groep en een rav zijn nodig om tot een contact met de Schepper te komen. Ons verstand is een puur secundair apparaat, om de scherpte te versterken in het onderscheiden tussen de waarheid en een leugen, om te zien, waar een kliepa (schil), en waar een graan is. U kunt met de verstandigste mensen spreken, die uit hun hoofd de gehele Tora kennen, maar die niet kundig zijn om de geestelijke waarheid van een leugen af te scheiden, omdat daarvoor in de mens een punt in zijn hart dient te zijn, een bijzondere gewaarwording, die van de hogere wereld gegeven wordt.

En alleen hij, in wie het is, kan door een innerlijk gevoel bepalen, waar de geestelijke waarheid is. Een innerlijke eigenschap – de wensen van de mens – hebben niets met het verstand te maken. Het verstand in het geestelijke bevatten hindert niet, indien de mens eerst alles met zijn verstand analyseert, en vervolgens, na een zulke analyse, zegt tegen zichzelf, dat hij niet zo zal handelen, als zijn gezond verstand hem zegt, maar zo, als hem het geloof in datgene, wat in boeken en door zijn leraar gezegd is.

Indien de mens, echter, na alles te hebben nagetrokken, door het geloof boven het verstand gaat, dan gaat hij vooruit, stijgt omhoog. Er wordt hem een grotere gewaarwording van het geestelijke gegeven, een groter punt, dat in zijn hart is, en dus – een groter verstand. Indien hij besluit om ook verder boven het verstand te gaan, gaat hij wederom vooruit. Het verstand is op het pure egoïsme opgebouwd, het weet en ziet alles alleen binnen de grenzen van onze wereld. Het onthult ons steeds meer en meer zijn zogenaamde positieve kanten en overtuigt ons, bewijst ons, waarom wij naar hem dienen te luisteren. Maar de Schepper geeft Zijn deel, een deel van Zijn licht, in overeenkomst met datgene, wat de mens in zichzelf poogt te corrigeren.

Na alle mogelijke manieren van zijn strijd met zichzelf te hebben uitgeprobeerd, voelt de mens, dat hij zich in een volkomen uitzichtloze toestand bevindt, dat er geen enkele hoop bestaat om het uitkomen in de geestelijke wereld te bereiken – en pas dan legt hij zich erbij neer om zich om hulp tot de Schepper te richten: uiteindelijk, uitgeput, haalt hij zijn handen omhoog en geeft op, omdat hij niets in staat is te doen tegen zijn verstand, hij geeft zich, als op de veldslag, aan de Schepper over, opdat de Schepper met zijn egoïsme zou gaan vechten, opdat de Schepper zijn “ik” zou tenietdoen. Deze trap heet “oebar” – embryo.

In het leren, in het proces van het lezen van boeken, ordent de mens voortdurend – hij betrekt alles tot één bron – de Schepper; of tot twee – de Schepper en de schepping, tot twee tegengestelde krachten; of tot drie – de Schepper, het egoïsme en de mens tussen hen, die deze twee tegengestelde krachten, altruïstische en egoïstische, gewaarwordt, waar de mens een neutrale [kracht] is. Al onze gewaarwordingen dienen wij onophoudelijk ordenen. Maar [gewaarwordingen], die alles in de war brengen, zowel gevoelsmatige, als verstandelijke toestanden, die de mens doormaakt – dat zijn noodzakelijke toestanden van het zich bewust-worden van zichzelf.

Het enige, wat daarbij noodzakelijk is, dat is om in een onophoudelijke vreugde te verblijven. Indien de mens zich fysiek dwingt om in vreugde te verblijven, dan versnelt hij het proces. Wat betekent, dat de mens zich in vreugde bevindt?

Dat betekent, dat hij nu blij is, dat hij geestelijk vooruitgaat, de wegen van de Schepper rechtvaardigt, zelfs indien hij hun doel niet beseft. En indien hij daarbij huilt, wat met vele beginners gebeurt, dan verweet hij de Schepper in zijn hart voor Zijn schepping en voor datgene, wat de Schepper met hem verricht. Hij verwenst met zijn hart, met zijn gevoel datgene, wat de Schepper hem geeft, d.i. die geestelijke weg, waarop de Schepper hem, in weerwil van zijn wens, wegleidt.

Daarom is een puur mechanisch streven nodig, om in weerwil van zijn gewaarwordingen, blij te zijn. Het egoïsme wenst helemaal geen geestelijke bewegingen te gewaarworden - d.w.z., bewegingen ter vernietiging van het egoïsme – en laat ons niet in vreugde verblijven.

Indien een mens zich slecht voelt – betekent dat het onthullen van het ware houding van het egoïsme ten opzichte van het bevatten van de Schepper. Dat getuigt van het feit, dat hij begon al de waarheid te gewaarworden. Hij dient te danken voor deze aan hem geopenbaarde gewaarwording. Indien hij in plaats daarvan huilt en klacht, dan bevindt hij zich binnen zijn egoïsme in plaats van dit altruïstisch punt, dat in hem is verschenen, te verheffen, zich met ‘t egoïstische leed van zijn innerlijke vijand te verblijden. Daar, waar de gedachten van de mens zijn, daar hij zich zelf bevindt.

En indien hij telkens naar zijn egoïsme kijkt, waarin niet is, en aan belevenissen van het egoïsme lijdt, dan is hij niet in staat om zich van zijn egoïsme te scheiden, hij stopt en ontwikkelt een vonk in zich niet, welke vonk de Schepper hem gaf. “Vele gedachten zijn in het hart van de mens, maar van alle ervan zal de Schepper ons redden” – dat zeggen de wijzen door hun ervaringen in de geestelijke opklimming. De mens zelf kan het in zich niet uitzoeken.

Nooit kan de mens, terwijl hij zich op een bepaalde geestelijke trap, in een bepaalde toestand bevindt, het egoïsme beseffen, objectief beoordelen en een verstandelijke beslissing nemen, omdat zij zich onder invloed van deze trap bevindt.

En alleen in weerwil van zijn egoïstische gewaarwordingen, indien de mens de aantrekkingskracht van zijn lichaam overwint en geen aandacht op zijn tegenstrijdigheid schenkt, maar met het geloof voortgaat, in datgene, wat zijn Leraar en boeken hem zeggen, en pas wanneer hij deze trap doorloopt en op een volgende opstijgt, ontdekt hij, dat hij gelijk had, door niet naar zijn egoïsme te luisteren. En dan dient hij terstond te beseffen, dat het de Schepper hem hielp om uit die toestand op te stijgen, hielp te beslissen, dat met alleen door de weg boven beweringen van het verstand dient te gaan – en Hem daarvoor te danken.

De mens is van zijn begin af aan egoïstisch. Indien de Schepper in zijn hart een geestelijk punt “nekoeda sje ba lev” plaatst, dan dankzij die deel van de Schepper, dit punt in het hart, welk punt de Schepper aan de mens geeft, juist daarin begint de mens zekere buitenaardste bewegingen te gewaarworden. Dit punt is het embryo van het toekomstige geestelijke zintuig van de mens, van de geestelijke partsoef, van zijn geestelijke lichaam, dat onder invloed van inspanningen van de mens uit een punt in een heel vat zal uitgroeien.

Zonder dit punt in zichzelf kan de mens zelfs niet over iets geestelijks horen, het is weerzinwekkend voor hem – [aan hem] tegenovergesteld. In overeenstemming met dit in hem verschenen geestelijk punt begint de mens naar andere objecten te streven en daarom vervangt hij volledig zijn vrienden, relaties en hobby’s, dermate, dat zelfs met zijn naasten vindt hij niets om erover te spreken, omdat al zijn streven is naar dat, wat in hen niet is.

In onze wereld, in onze generatie, in onze tijd zijn wij ermee geëerd, dat in vele mensen de Schepper dit punt plaatst, en daarom houden zij zich met het zoeken naar het geestelijke bezig. Waarom heet dit punt een deel van de Schepper van boven? Omdat het inderdaad een kiem van het toekomstige geestelijke vat is. De Schepper laat op die manier zien, wat de mens dient te bereiken.

De mens is een puur egoïstisch schepsel – en de Schepper laat hem een “stukje” altruïsme zien. En de mens dient het egoïsme in het altruïsme te corrigeren naar het voorbeeld, door de Schepper gegeven. Hij dient het altruïsme samen met egoïstische wensen te gebruiken: aan egoïstische wensen altruïstische intenties te verlenen, deze beide eigenschappen in zichzelf te verenigen totdat de eigenschap van de Schepper daadwerkelijk de eigenschap van de mens zal worden.

 

ÉÉN VOORSCHRIFT

1. AAN DE GEMEENSCHAP TE DIENEN OP BASIS VAN HET VOORSCHRIFT VAN DE SCHEPPER

Velen rond ons heen dienen anderen. Dat wordt hetzij als een onderpand gedaan, dat de Hoogste kracht hun voor de besteden inspanningen in de vorm van gezondheid van hen en hun verwanten, van successen, van bescherming tegen rampen, e.d. zal belonen; of deze goede daden worden in de naam van “de verlichte toekomst” voor zichzelf en zijn kinderen verricht.

Het weggeven van de mens aan een maatschappij trekt allen aan: eenieder begrijpt, dat in dit geval alle overige leden van een gemeenschap over hem zorg zullen dragen. Daarmee stemmen alle in, allen wensen om een zulke mogelijkheid te bereiken, waarbij zij van hun egoïsme geen afscheid hoeven te nemen.

Het voorschrift van de Schepper over het dienen aan een gemeenschap streeft echter een volkomen ander doel na – niet een egoïstische ongestoorde toekomst, maar het bereiken van de allerhoogste geestelijke ontwikkeling. Juist dat is voor ons heil, maar, terwijl men zich in het egoïsme bevindt, is het onmogelijk om dat te begrijpen.

Maar een mens neemt het grootste Voorschrift, de hoogste Bron, de wortel van de gehele heelal, en begint hem voor zichzelf te gebruiken, omwille van zijn klein aards egoïsme. Daarin is de reden van het vallen van idealen van het communisme, kibboetsen, e.d. zolang in hun voornemens een volkomen egoïstische onbaatzuchtigheid was, stemde het Hoogste bestuur met een zulk bestaan in.

Maar wanneer zij zelfs in de aardse betekenis het begrip van het zorgen voor de naaste begonnen te vervalsen, terstond bracht het Hoogste bestuur, de natuur zelf, zulke gemeenschappen automatisch tot val en ondergang. En alles valt uit elkaar.

Het dienen aan de omgeving is nodig, waarbij men het Voorschrift van de Schepper vervult – d.w.z., niet omdat het voor mij aangenaam is, of omdat ik acht, dat het nodig is, doch omdat het de wens van de Schepper is. Anders wordt het niet als Voorschrift geacht. Alleen een zulke acceptatie van het altruïsme geeft recht op het eeuwig bestaan. In dit Voorschrift zijn er twee voordelen.

Het eerste – eenieder dient te beseffen, dat hij werkt, omdat zijn werk door alle bewoners van de wereld gerechtvaardigd en goedgekeurd wordt. Met name de wereld, het wordt niet over een of andere groep mensen gesproken. Het tweede voordeel. Dit Voorschrift draagt op de allerbeste manier bij aan de ontwikkeling van de mens, helpt hem om tot het vervullen van alle wensen van de Schepper te komen, d.i. tot het vervullen van voorschriften omwille van Hem.

Waarom? Dit Voorschrift is zelf een doel, en niet een middel, zoals de overige. Wanneer de mens geleidelijk in dit Voorschrift binnenkomt, dan bereikt hij een zulk niveau, wanneer het in zijn gewaarwordingen en wensen tot een gewone behoefte wordt. Er is sprake van het inkomen op dit niveau met al zijn wensen.

Wanneer de mens eraan went, om omwille van de scheppingen te werken, voor hun welzijn werkt, en niet voor zichzelf, én in handeling, én in intentie, dan beseft hij geleidelijk en tot een zulke toestand voortbeweegt, dat hij dezelfde intenties omwille van de Schepper kan doen.

Deze voorlopige noodzakelijke trap is een tussentijdse tussen het egoïsme en een toestand van “lie sjma”. Men kan die niet omzeilen. En wanneer de mens tot die trap aankomt, moet het hem duidelijk zijn, dat de volgende trap omwille van de Schepper is. Door alles omwille van de scheppingen te doen, begrijpt de mens, dat in zijn intenties hij geleidelijk tot “lie sjma” dien te komen.

Van het begin af aan dient zijn gedachte op het einddoel – omwille van de Schepper – gericht zijn, anders zal hij zich vergissen. En dit doel dient op elk moment feller zijn, zichtbaarder. Het doel is de Schepper. En alle overige handelingen dient de mens met deze intentie uitvoeren. Aanvankelijk weet de mens niet, wat het betekent, de Schepper te bereiken. Maar het betekent – Zijn eigenschappen te bereiken.

Ons egoïsme laat dat niet begrijpen, daar is een enorme perestrojka (radicale verandering) voor nodig. Maar indien de mens aan het begin van de weg een zulk doel voor ogen had, dan zal hij het aan het einde ervan bereiken. Maar handelingen, waarin geen zulke intentie zijn, komen buiten de perken van een bewuste voortgang die de geestelijke weg is.

 

2. DEEL VAN DE TORA TUSSEN DE MENS EN ZIJN NAASTE

Er zijn in de Tora twee delen. Het eerste betreft de mens en zijn Schepper. Het tweede – tussen de mens en zijn naaste. Baal Soelam zegt, dat de mens dient op zijn minst verplichtingen ten opzichte van zijn naaste op zichzelf te nemen. En dat zal tot de ontwikkeling van handelingen tussen de mens en de Schepper leiden.

3. SPRAAK, GEDACHTE, HANDELING.

Elk werk dient in zich een gedachte, een spraak en een handeling inhouden. De mens dient een verplichting op zichzelf te nemen om al zijn vrije tijd, met uitzondering van die, welke hij voor het voor hem meest noodzakelijke nodig heeft, ten behoeve van de gehele wereldbevolking toe te wijden. Dat is wat een handeling betreft. Een gedachte – dat is het voornaamste in dit Voorschrift.

Dit voorschrift is belangrijker, dat het Voorschrift tussen de mens en de Schepper. Alles, wat de mens omringt – dat zijn krachten van de Schepper, welke de mens op die manier beïnvloeden, om hem “te storen”, om de mens als deeg “in te kneden”, in overeenkomst met de nodige eigenschappen, en hem in een nodige richting voort te laten bewegen.

Indien wij het geestelijke gezichtsvermogen zouden kunnen verkrijgen, dan zouden wij zien, dat alle mensen één en hetzelfde geestelijke wezen zijn. Maar indien een houding van mens tot mens van het bewustzijn van de mens uitgaan, van zijn eigen waarheid, of omdat hij zo krachtens zijn opvoeding e.d. begrijpt, dan hebben die houdingen niets met het Voorschrift van de Schepper te maken.

Een voorschrift – dat is wanneer je daarom vervult, omdat het een wens van de Schepper is. Maar hier je bewustzijn beveelt je, je wensen. Uiteindelijk, voel je daardoor goed en aangenaam. Zulke handelingen hebben niets met aanwijzingen van de Schepper te maken, zij zullen geenszins tot een toenadering met Hem, tot het werk omwille van de Schepper, leiden.

De mens hoeft niet te wachten, wanneer bij hem wensen om omwille van de Schepper te handelen zullen verschijnen. Omdat indien zij zullen verschijnen, dan zal hij naar zijn eigen wens handelen. Men dient echter te handelen, omdat de Schepper zo deed. Baal Soelam onderstreept telkens een uitdrukking “de gehele wereld”. Omdat indien ik de wereld in een of andere delen verdeel, dan doe ik dat volgens mijn eigen wens, eigen voordeel, eigen gevoelens.

Maar indien ik de wereld ten opzichte van de Schepper verdeel, dan wordt zij niet verdeeld. Dat alles is gemeenschappelijk. Dat is één Schepping. Daarom kan men niet zeggen “één volk”, “één staat”, “één gezin”, e.d. “De gehele wereld” – dat is alles, behalve mijzelf. Bij de Schepper is alleen maar één houding tot allen: om de scheppingen te vergenoegen. Indien de door Hem geschapen schepsel een varken is – dan wenst Hij een varken te vergenoegen.

Indien een schepping een of andere verschrikkelijke goj is, dan wenst de Schepper hem te vergenoegen. Nievra – de schepping – is een begrip, dat men nog dient te bepalen. Maar indien je de gehele wereldbevolking als kinderen van de Schepper beschouwt, dan dien je jezelf tot hen dienovereenkomstig te verhouden. Indien je ze op een of andere wijze in delen verdeelt, dan doe je dat omdat je het voordelig vindt.

Je dient allen goed te bejegenen, niets in deze wereld onverantwoord te vernietigen. Immers alles voor een of ander bepaald doel is geschapen. Neem alleen naarmate het voor je bestaan strikt noodzakelijk is: planten, dieren, e.d.

Dan worden zij samen met je gecorrigeerd. Indien je handelingen verricht in overeenkomst met datgene, hoe de schepping geschapen is, dan dient je houding tot allen gelijk te zijn. Wat valt het je in deze wereld te doen, indien er achter elk object de Schepper schuilt? De uitvoerder is één, alleen zijn verrichtingen hij via verschillende voorwerpen verricht. Indien je door hen heen de Uitvoerder zien, zal je hen niet op verschillende wijze bejegenen. Je zal je tot Hem verhouden.

Wat is dan de schuld van een kleding, indien de kleermaker hem niet naar de zin maakte? Er worden in onze wereld opzettelijk onprettige dingen gemaakt, om de mens te beïnvloeden. Ik dien voor alle schepselen in de wereld zorg dragen. Er is geen sprake van elke mens. Zoals altijd, gaat het in de Tora over het niveau, [voor het bereiken waarvan] wij nog veel moeten groeien! Het is een tussentijds [niveau] tussen het egoïsme en het samenvloeien met de Schepper.

De mens kan niet dit of dat doen, dat voor een of andere groep mensen gewenst is. Want dan zal hij hun voorschriften vervullen. Maar hij dient de Voorschriften van de Schepper ten opzichte van de schepselen te vervullen, hen van het standpunt van de Schepper goed te doen. Immers men loopt niet overhaast om wensen van een klein kind te vervullen, maar men zegt hem, wat te doen. Soms geeft men hem een snoep, soms berispt men hem.

Laten wij zeggen, dat aan de mens 70-80 levensjaren zijn weggelegd. Maar hij besluit: “Ik ga even een paar uurtjes uitblazen”. En hij sneed een stukje van zijn 70 jaren van de voor hem weggelegde tijd af, e.d. Indien hij echter het voor hem nodige gedurende 20 jaren vervult, gedwongen is om te vervullen, omdat hij er niet zonder kan leven, dan wordt het geacht, dat hij het Voorschrift van de Schepper vervulde. Zelfs indien hij daarbij niets voor anderen deed. De Schepper plaatsten hem van boven in zulke perken.

Laten wij zeggen, dat om zijn dagelijkste brood te verdienen, dient hij 20 uur per etmaal te werken, en 4 uur slapen. Dan vervult hij daarmee het Voorschrift van de Schepper. Alles hangt van datgene, hoe de mens de tijd verdeeld en wat hij in zijn vrije tijd doet. En daarom dient eenieder te denken, dat hij zijn handelingen alleen daarvoor vervult, om een voldoening aan de Schepper te verstrekken, om aan Hem in zijn wegen en eigenschappen te gelijken.

De haat voor goim wekt een haat op binnen zijn volk voor degenen, wie aan je niet gelijkt, wie niet dezelfde kledij als je draagt, niet dezelfde uitspraak heeft. Dat is aan de Schepper tegengesteld is. Er is niets verschrikkelijks, omdat het voornaamste Voorschrift luidt, dat je de gehele wereld dient lief te hebben. Maar je handelt tegengesteld.

Indien gedachten van de mens en niet alleen zijn spraak correct zouden zijn, dan zou hij nooit tot haat ten opzichte van iemand komen, behalve tot zijn eigen negatieve eigenschappen. Het beste voor allen te wensen, of trachten te begrijpen, dat het in mij nog niet is – dat is het uiteindelijke doel

Een gelijkenis eraan in overeenkomst met goede daden zal de mens dermate tot de Schepper dicht brengen, dat hij aan Hem in geestelijkheid en heiligheid gelijk zal worden en zijn egoïstisch materiaal volledig in het materiaal van de Schepper zal veranderen, waarbij hij het ontvangen van het hoogste licht, de volmaaktheid, waardig zal zijn. Dat is wat gedachten betreft.

En het begrip “spraak” – dat is een gebed van de mens, welk gebed tijdens zijn werk in bepaalde, speciaal daarvoor door hem uitgetrokken tijden, uitgesproken wordt, om waardig te zijn het egoïsme in het altruïsme te veranderen. En alle handelingen van de mens in de Tora, alles, waar hij over denkt, doet, uitvoert, leidt hem geleidelijk ertoe. Een gebed – dat is het streven in het hart van de mens, welk in hem ontstaat, wanneer hij, terwijl hij iets zelf poogt te doen, gewaarwordt, dat hij er niet in staat voor, en een aanspraak bij de Schepper op maakt.

Een zulke gewaarwording heet spraak en vindt juist via een mond plaats, d.i. de plaats, waar al de nietigheid van het menselijke egoïsme aan het licht komt. En met name in dit punt ontvangt de mens vervolgens een scherm, het or chozer, en een mogelijkheid om zich van een ontvangende in een gevende te veranderen.

Een mens dient een kwartier per dag te gaan zitten en te denken, wat hij in zijn gelijkenis aan de eigenschappen van de Schepper bereikte. Datgene, wat hem in het hoofd komt, hangt van het niveau van de mens af, en heet zijn gebed.

Aanvankelijk zal het kunstmatig zijn. maar de mens zal leren om in zich datgene op te wekken, wat hem op elk moment interesseert, zijn innerlijke wensen te gewaarworden, en ze niet onbewust te vervullen.

Scheppingen – dat zijn alle namen en begrippen ten opzichte van degene, die hen omringt en deze namen geeft. Al deze namen en benamingen veranderen afhankelijk van het niveau van de mens op een gegeven moment alleen in de zijn ogen. Dat getuigt van het feit, dat de mens zelf aan het veranderen is.

Een evaluatie, die je aan mensen, welke je omringen, geeft, hangt van datgene af, of je in hen de Schepper ziet of afzonderlijke persoonlijkheden, volkeren, gezinnen. Aanvankelijk bepaal je hen en verhoudt je tot hen alleen volgens dat.

Het enige middel om goed te handelen is om binnen zijn groep te handelen. Er ontstaat een gemeenschappelijkheid van doelen, gedachten, een begrip, waarom eenieder dat doet, en niet een schijnvertoon. Niet de hoeveelheid van handelingen is relevant, maar in hoeverre je je ziel erin inbrengt. Dan bestaat er de enige mogelijkheid “be hatkafa”, zoals de rav placht te zeggen, d.i. door een aanval in de geestelijke wereld uit te rukken. Dat hangt alleen van de leerlingen af. Het onderwerp is buitengewoon ingewikkeld en wordt door het hart absoluut niet waargenomen. Nu bent u om zo te zien ermee eens, maar vervolgens komen er twijfels. Omdat niets adequaats in het egoïsme bestaat, wat men in zijn gewaarwordingen zou kunnen opschrijven. Maar aan die dingen kan men zien, waar de mens zich bevindt.

Kan hij erover denken, hoewel ook zonder een innerlijke beving, ja of niet? Een theorie – dat is goed, maar laat anderen zich kapotslaan, maar niet ik. Laten wij aannemen, dat theoretisch wens ik al, maar praktisch dien ik nog krachten van de Schepper te ontvangen. Maar dat verloopt bijna simultaan.

Indien de mens al :”lie sjma” zou werken, dan zou voor hem geen voorschriften nodig zijn. Alle voorschriften zijn nodig, om tot “lie sjma” te komen. Alles, wat je “lo lie sjma” vervult, dien je te doen, om je tot de Schepper voort te bewegen, na duizenden keren te hebben geverifieerd, waarvoor je dit doet. Direct ontstaan er gigantische weerstandskrachten: afgunst, e.d.

U komt een verschrikkelijke kracht van het egoïsme tegen, en u wenst om hem terstond ter plekke te vermoorden. Hij zal uitvluchten en zich verfijnen. Daarom dient men langzaam, stap voor stap voort te bewegen. In elke fase dient men te gewaarworden, hoe in mij deze negatieve eigenschappen, slechte gedachten, beginnen te werken.

Het is nodig om deze gewaarwordingen te absorberen, ze te analyseren, denken, waarom ga ik vooruit, op welke manier. Er dient een onophoudelijk werk in zichzelf te worden verricht. Het is in het geheel niet belangrijk, of je vandaag egoïst of altruïst bent, wat telt is je wens en het streven. Je kan duizenden uren leren, hier in een enorm grote hoed komen, maar indien je geen intentie hebt, dan vervul je dit alleen op het levenloos niveau. Geestelijk ga je niet voort.

Een mens hoeft zich niet op te offeren, hij moet voor zijn gezin, kinderen zorgen, in alles menselijk zijn. Geleidelijk aan zal de mens beginnen te begrijpen, wat voor hem het belangrijkst is, dat alles is niet voor anderen van belang, maar voor zijn groei. Een gezin hoort er een begrip voor hebben. En dan zal de mens vrij zijn, dat betekent, dat hij van niets afhankelijk is behalve van de Schepper. Dat is een volledige onafhankelijkheid van deze wereld.

Naarmate de mens acht, dat de bezigheid met de Kabbala zijn leven is, zullen zij belangrijker zijn, dat opmerkingen van zijn moeder, dat hij zijn gezondheid kapotmaakt, of die van zijn vrouw, die zegt, dat hij haar weinig aandacht schenkt, alles voor zijn leerlingen en studie weggeeft, maar dat zij te kort komt om naar het buitenland te reizen, e.d.

Alles hangt alleen van het grootsheid van het doel af, dat bepaalt alles, “Er is niets behalve de Schepper”. En aan Hem dient men zich toewijden. Een handeling van het Voorschrift over mens tot mens bevestigt zijn intentie. Een handeling en een intentie dienen samen te vallen. Je kan niet iets goeds voor je naaste doen, terwijl je geheel over iets anders denkt.

Gedachten in het Voorschrift tussen mens en mens zijn hoger, dan in sommige Voorschriften, welke de interactie tussen de mens en de Schepper betreffen. Omdat in het eerste het samenvallen tussen een gedachte en een handeling zichtbaar is. Terwijl in de houding van de mens tot de Schepper een handeling zelf op de intentie “omwille van de Schepper” wijst.

De mens heeft niemand tot wie hij zich kan richten, behalve de Schepper. Indien handelingen van de mens tot zijn naaste niet door een intentie zijn voortgekomen, maar door het bewustzijn, ongemak in het gedrag, een verplichting, dan is het gelijk of hij niet deed.

Een handeling wordt alleen naar zijn intentie beoordeeld. Indien handelingen niet met intenties (“omdat de Schepper zo wenst”) overeenkomen, dan zijn zijn handelingen van het geestelijke standpunt niets waard, hoe goed en deugdzaam zij ook zouden kunnen lijken.

Eerst dient een intentie te zijn, en alleen die een handeling bepaalt. Er dient een zeer nauwkeurige innerlijke verificatie te zijn van “wat beweegt mij om te handelen”. Aan de andere kant zeggen wij, dat van “lo lie sjma” kom je tot “lie sjma”.

Indien de mens poogt, wenst tot een intentie omwille van de Schepper te komen, doch begrijpt, dat zijn egoïsme hem in de weg staat, maar gaat toch door met goede daden ten opzichte van kameraden, groep, te doen, waarbij hij beseft, dat hij tot een altruïstische intentie zal komen, dan is zijn handeling in zulk geval gerechtvaardigd te noemen, hoewel hij zijn intentie voorlopig niet kan veranderen, maar het doel om dat te bereiken – zei het onbewust – stelt hij wel. En hij gaat vooruit.

Het bewustzijn, je trots, opvoeding, als een motor van je handelingen, veranderen in het geestelijke niets. Nooit kunnen zij de mens tot een toenadering tot de Schepper, tot een echt geestelijk werk, leiden. Daarom dient eenieder over zijn eigen intentie te overpeinzen en te weten, dat zijn doel omwille van de Schepper is. Opdat Hij Zich met verrichtingen van de mens zou verheugen.

Hoe weten wij, verheugt de Schepper Zich of niet? Wij ontvangen er een bevestiging van, dat wij de Schepper een vreugde bezorgen, door Zijn nabijheid te gewaarworden, doordat Hij zich aan ons een stukje opendoet. En deze gewaarwording van een toenadering tot Hem wekt in de mens een vreugde op. Dat is ondeelbaar. De mens kan niet de Schepper zien en [daarbij] voelen, dat hij van Hem het slechte ontvangt.

Het gewaarworden van de Schepper draagt in zich een kennis daarover, dat van Hem alleen het goede uitgaat. Alsmede het gevoel, dat de Schepper zich met je verheugt. Het licht brengt dezelfde gewaarwordingen met zich mee. Het licht, dat de mens corrigeert, is onvoelbaar. Het geeft aan de mens alleen kracht voor zijn correctie als gevolg van handelingen van de mens de Schepper tegemoet.

Wanneer de mens, na zijn wensen met een voorgaand licht te hebben gecorrigeerd, kan hem al ontvangen, dan wordt een zulk licht bij het toenaderen eraan door de mens al als een genieting gewaarword. Dit is het licht van “het doel der schepping” – om zich van een eeuwige genieting te genieten. Het brengt met zich een gewaarwording van het feit mee, dat de Schepper “blij is” met een handeling van de mens. In die mate laat Hij zich hem open, verandert hem, hult zich in hem in. Waarom aan de Schepper te gelijken? Uiteindelijk is dat ons doel.

Indien wij alle tussenfasen en handelingen opzij zullen schuiven en de uitgangs- en eindfasen van de schepping in ogenschouw zullen nemen, dan zullen wij zien, dat er in het geheel geen handelingen en intenties zijn, behalve de gelijkenis aan de Schepper. Omdat de Schepper is de absolute volmaaktheid, en, behalve Hem, is er niets. En elke eigenschap, welke behalve Hem bestaat, is al niet de meest volmaakte en heeft geen recht op het bestaan.

Daarom bestaat het doel van de schepping daarin, om met de Schepper opnieuw tot één gehele te worden. Andere toestand kan niet zijn. Indien een toestand valt op een of andere manier met de Schepper (qua gemeenschappelijke eigenschappen) niet samen, dan is hij onvolmaakt en zich buiten het scheppingsdoel bevindt. Daarom zijn al onze handelingen, zievoegiem, tsiemtsoemiem, alleen daarvoor [bedoeld], om zoals Hij te worden, om tot Eén, de Enige terug te keren.

In het geestelijke kan men dit alleen door correcties van eigenschappen van de mens bereiken, in overeenkomst met wensen van de Schepper. De Schepper laat aan de mens geleidelijk steeds nieuwe en nieuwe van Zijn eigenschappen zien. En terwijl de mens ernaar kijkt, ziet hij in zichzelf tegenstrijdigheden. En uit deze tegenstelling bevat hij het kwaad in zichzelf en het feit, dat het aan de Schepper tegenovergesteld is.

Er is een groot werk voor nodig nadat je in jezelf een of andere negatieve eigenschap zag, om het beseffen van het kwaad te gewaarworden. En dit werk wordt als het scheppen van een nieuwe nooit eerder bestaande schepping, een wens, geacht.

Het altruïstische tegen het egoïstische, het oorspronkelijke. Dat is niet zo maar een masach op je verleden. In principe is dat zo, maar in gewaarwordingen van de mens is dat een volledige tegenstelling aan vorige eigenschappen. En naar mate het opengaan van de Schepper bestaat een mogelijkheid om in zichzelf nieuwe egoïstische eigenschappen te gewaarworden, welke hij vroeger niet bemerkte – misschien maakte hij er in een geringe mate gebruik van, maar lette er niet op, dermate bollig, egoïstisch zijn zij geweest.

De Schepper doet in zichzelf een bepaalde eigenschap een stukje open, die aan een bepaalde egoïstische eigenschap van de mens tegengesteld is. Dankzij dat ziet de mens zijn egoïsme, maar krachten om deze niet te gebruiken heeft hij nog niet. Hoe kan men deze eigenschap van het gewaarworden van het kwaad verkrijgen?

Hier dient de mens zich te vergewissen, dat deze eigenschap voor hem het kwaad is in een egoïstische vorm. Uiteindelijk zal hij hem in het altruïstische overbrengen en zal hem omwille van de Schepper gebruiken, elke ervan. Maar hem als het kwaad te zien kan men alleen als gevolg van het lijden. Indien de mens deze eigenschap gebruikt en het brengt hem kwaad (van de omgeving, van zichzelf), dan wenst hij volgens zijn eigen egoïstische wens van deze eigenschap afscheid te nemen. Deze is voor hem schadelijk. Dat heet met name “ha-karat ha-ra”.

Het is in de Tora geschreven, dat de mens niet in de Voorschriften van de Tora kan staan, voordat hij ze overtreedt. Dat is een geleidelijk, ophopend, proces. De weg van de Tora versnelt ons de weg. Echter de natuurlijke weg bestaat daarin, dat ik mijn egoïsme gedurende vele generaties, loopkringen, gebruik, voordat ik mij ervan vergewis, dat het voor mij schadelijk is, dat ik niet meer in staat ben, om zo [door] te gaan.

Wanneer de gehele generatie dat zal begrijpen, dan zal een geestelijke perestrojka beginnen. Dat is de weg van het lijden. Het verschil tussen die en de weg van de Tora is in de snelheid van het doorlopen. Wij verkorten alleen onze weg. Het is onmogelijk om het lijden te vermijden, het is onmogelijk om “ha-karat ha-ra” en andere pijnlijke processen te ontlopen. Zij allen dienen plaats te vinden, waardoor in ons een tekort, d.i. keliem, opgehoopt worden, waarin wij vervolgens het licht zullen ontvangen.

Het breken van vaten dient speciaal plaatsvinden, om het egoïsme te vormen, vervolgens hem te corrigeren en in hem het licht van de Schepper te ontvangen. Deze weg dient men noodgedwongen ook in onze wereld op geestelijke trappen door te lopen. Er zijn, grof gezegd, geen verschillen. De weg tot de Schepper is daarin besloten, om in zichzelf het egoïsme te doden en alleen het meest voor het leven noodzakelijke te gebruiken. Indien de mens op die manier zal handelen, dan zal hij geestelijke trappen kunnen bereiken.

Door brood te eten, dat met water weg te spoelen, op de grond te slapen, kunnen wij dat niet bereiken. Wij dienen de kracht van de Tora, de Kabbala aan te trekken, omdat die juist voor ons is ontdekt. In onze generatie zijn er geen krachten voor zelfbeperking, alles bevindt zich in het jagen voor kleine genietingen.

Met behulp van de Tora versnellen wij het proces. Eenieder van ons zal toestanden van opstijgingen en vallen, haat voor zichzelf, voor elkaar en voor de leraar doorlopen.

Het belangrijkste is, om dat met begrip aan te nemen, om te weten, dat het natuurlijke fasen van de weg zijn. En datgene, wat eenieder van ons binnen één dag kan doorlopen, lopen anderen in 10 jaren door. Is dat geen geschenk van Boven? En dat heet “derech Tora”. Met kan het lijden niet ontlopen. Wij ondervinden dat, omdat in ons het egoïsme aanwezig is. Maar het is onmogelijk om zich van hem zonder het lijden los te maken.

Het egoïsme dient een aversie ten opzichte van zichzelf (het egoïsme) teweeg te brengen, de mens te laten begrijpen, dat het voor hem schadelijk is. Anders kan men zich van hem niet bevrijden. Bijvoorbeeld, een zoon bezorgt zijn vader groot leed. Wat voor een geduld dient zijn vader te hebben en wat [dient hij] door te maken, om zich van een zulk kind te wensen los te komen? In welke mate dient hij dan zijn zoon te gaan haten? – Meer, dan lief te hebben. Zo zien wij ook, dat er geen groter liefde bestaat, dan tussen ons en het egoïsme. Al het overige – dat zijn gevolgen, een bijzondere uiting van deze liefde.

En er is geen andere weg in het geestelijke, behalve liefde en haat. Liefde – dat is het toenaderen, haat – het verwijderen. Op welke manier kan men zich van iets losmaken? Alleen door te gaan haten. In de mate van het haten vindt in het geestelijke een verwijdering van een object plaats. In hoeverre twee mensen door hun inzichten en gevoelens gelijken, precies zo zijn zij geestelijk dicht bij elkaar. Zelfs als zij zich op verschillende uiteinden van de wereld bevinden. En in de mate, waarin zij elkaar haten, zelfs als zij elkaars beuren zijn, zijn zij van elkaar verwijderd. En het haten van de in de mens zich bevindend egoïsme, stoot hem af. Alleen dient men daarvoor veel te lijden.

Een zulk feit kan men ook in een voorbeeld van onze wereld na te speuren. De mens ziet, dat het genieten van het eten voor hem schadelijk is. Hij wordt dik, krijgt ziekten. Welk leed dient hij door te staan om aan zichzelf te zeggen: “Ik doe mijn mond dicht. Ik weiger genietingen, ik ga op brood en water over, omdat smakelijke gerechten voor mij vijanden zijn. Anders kan in zich geen geestelijke klie vormen.

Alles begint met “ha-karat ha-ra”. Hoeveel miljoenen toestanden dient de mensheid door te lopen, om het kwaad in al hun egoïstische wensen door te voelen. Dat is de Malchoet de Ein Sof – een zulke egoïstische klie. En voordat het in eenieder van ons onthuld zal worden, kunnen er tientallen loopkringen plaatsvinden. De Tora helpt ons om dit programma gedurende één leven te vervullen.

Met behulp van dit geneesmiddel, dit geschenk, kan de mens gezond worden, zich corrigeren. De weg van de Tora verkort de weg en geeft volkomen andere gewaarwordingen. Als wij, bijvoorbeeld, een mens van de straat nemen, een zieke, die aan een ongeneeslijke ziekte lijdt en weet, dat hij nog 10 jaren ermee door dient te gaan. Omwille waarvan zal deze mens leven, lijden, zijn krachten, tijd, geld uitgeven? Om dit verschrikkelijk bestaan nog een poosje te verlengen?

Zij, die op de weg van de Tora zijn, door inspanningen binnen hun egoïsme te verrichten, erdoor te lijden, ermee te strijden, weten, waar deze toestanden voor gegeven zijn, wat het doel van dit strijd is. Uiteindelijk, komen al die lijdens in de eeuwige spaarpot binnen, welke lijdens al bewust zijn. Dat is geheel andere weg. Het leed zelf heeft andere smaak, hoewel op het allerlaagste punt van deze toestand het gewaarworden van de Tara, de Kabbala, verdwijnt. En lijdens worden als het meest gewone gewaarword.

Indien de mens in alle scherpe situaties het ontvangen van een geestelijke beloning zou voelen, dan zou dat het “verzoeten” – “ha-mtaka” van het lijden zijn. En zij zouden ophouden als lijdens gewaarword te worden. Afdalingen op onze weg zijn zeer diep, hoewel kortstondig. Behalve het lijden of een dierlijk genot, of een sterk egoïstisch gevoel, beleeft de mens niets. Hij wordt een dier.

De mens dient een zulke toestand in elke van zijn wens door te lopen, waarbij hij die in een ware mate gewaarwordt. Voor een correctie van het egoïsme is al het geestelijke licht nodig. Het licht van de Schepper – dat is tegelijkertijd én een correctie, én een genieting. Het egoïsme is een gigantische geestelijke eigenschap, een vreselijke schepping!

Door die om te vormen, door zijn intentie te veranderen, wordt de mens aan de Schepper gelijk. Het egoïsme is als tegengesteld aan de Schepper geschapen. Vandaar wordt het niveau van deze schepping begrepen. Dat is een gigantische lading, die wij niet gewaarworden, daar wij robotten, automaten zijn. maar zodra wij hem proberen te gewaarworden, zien wij, dat wij er niet toe in staat zijn. En wij schreeuwen tot de Scheper: “Help”, waarbij wij onze handen Hem tegemoet uitstrekken.

Wij zijn niet in staat om zelfs aan de meest kleine wens een verandering te verrichten. Zonder hulp van de Schepper, van de Tora, is dat onmogelijk. Te meer op de geestelijke trappen. Daar bevinden zich zulke kliepot, dat het gehele egoïsme van onze wereld, van vorige en toekomstige generaties, is in vergelijking met de allerkleinste geestelijke trap – niets! En hoeveel zulke geestelijke trappen er nog zijn…

Theoretisch zijn lijdens – het ontbreken van licht. Een genieting – dat is een gewaarwording van licht. Een klie stoort het licht van zichzelf uit, omdat hij aan de Schepper gelijk wenst te zijn. Voor hem veranderen egoïstische lijdens in altruïstische.

Het lijden en het ontbreken van licht is minder, dan het lijden van het ontbreken van een gewaarwording van de Schepper. Een klie stelt zich het leed op verschillende manieren voor. Een egoïstische angst – dat is een angst voor zijn kinderen, voor zichzelf, om geen beloning in de toekomstige wereld te ontvangen.

Een altruïstische angst – dat is een angst, dat men niet genoeg voor de Schepper doet. Dat is een geestelijke angst. Doe ik dat omwille van de Schepper? Het Voorschrift van liefde houdt op het Voorschrift van het ontzag stand. Heb ik Hem genoeg lief? Het Voorschrift van liefde is het allergrootste. Er is niets, behalve de liefde. Een aantrekking, een wens om samen te vloeien, te gelijken. Maar een zulke liefde voor de Schepper dient zich op het ontzag, een altruïstisch ontzag standhouden.

Dat zijn grote lijdens: “Heb ik alles voor de Schepper gedaan?” Dat is juist de oneindige klie, waarin de mens de eeuwige genieting, het oneindige licht, kan ontvangen. En voortdurend is er een mogelijkheid voor een verdere geestelijke vooruitgang. Daarom juist werd de tsiemtsoem alef geschapen. Indien wij al het licht in de toestand van de oneindige wereld aanvankelijk zouden ontvangen, wij – dat is de Malchoet, dan zouden wij daarbij ophouden een genieting te gewaarworden.

Immers het voortdurende houdt op als een genieting gewaarword te worden. Een verandering in een genieting vormt overgangen, grenzen, verschillen ervan. Genietingen worden alleen in een wens om te genieten gewaarword. Deze wens wordt met licht gevuld, wordt tenietgedaan en verdwijnt. Daarom wisselen wij bittere met zoete af, waardoor wij ons een eetlust creëren.

Daarmee houdt zich ook de reclame bezig – die vormt in ons een klie. De mensheid jaagt niet achter genietingen, zij is op jaagt achter nieuwe keliem, en pas dan achter hun vulling. Het gehele probleem is in keliem. Indien wij nu over keliem beschikten, d.i. over geestelijke lijdens, dan zouden wij naarmate hun schermen het geestelijke gewaarworden.

Geestelijke lijdens zijn wenselijk en noodzakelijk, omdat zij helpen steeds meer en meer met de Schepper samen te vloeien. Stel je je een mens voor, die van iemand hartstochtelijk houdt. Maar zijn geliefde is als een stenen muur. Tussen deze mensen is er geen verband. Welk leed ondervindt je alleen door dit gevoel te beleven! Wat te doen?

Is het nodig om de weg te zoeken, iets voor de geliefde te doen? Indien de mens op een altruïstische weg staat, dan is zijn zoektocht en een mogelijkheid om iets te doen grenzeloos. Dankzij het scherm wordt een mogelijkheid geschapen voor het steeds grotere geestelijke voortgaan en een voortdurende enorme genieting. Het egoïsme is een gigantische klie, maar wel beperkt. Het heeft geen mogelijkheid om een genieting steeds opnieuw te vernieuwen. Een klie gebruikt zijn egoïstische eigenschappen, waarbij hij zijn altruïstische intenties eraan toevoegt, welke intenties doen een klie onophoudelijk toenemen.

Een intentie voegt aan een egoïstische klie een mogelijkheid van een genieting. Het egoïsme zelf verandert niet, doch alleen een intentie. Er is geen verleden, heden, toekomst. Alles wordt in het heden gewaarword, dat geen verleden en toekomst heeft. Dat is alleen onze illusie.

Wat gisteren geweest was wordt door ons als resjiemot van een vorige toestand gezien. De toekomst – dat is het or makief, welk in ons zal binnenkomen. Het heden – dat is datgene, wat vandaag is. Een uitwerking van het licht op onze klie geeft een gewaarwording van drie tijden. Er zijn geen trappen, welke na je en vóór je overblijven. Dat zijn gradaties van onze innerlijke gewaarwordingen afhankelijk van datgene, wat wij in ons corrigeren. Wat betekent, dat in de mens het verleden overblijft? In hem blijft een resjiemo (herinnering) over een vorige toestand over voor het overgaan in een volgende. Niet meer.

En dat is noodzakelijk alleen voor een volgende. Uiteindelijk, wanneer de mens een volgende trap bereikt, komen al zijn vorige toestanden, om precies te zijn, die, welke nodig zijn, volledig boven water. En in een of andere combinatie dienen zij een klie, welke klie de mens juist gebruikt. Elke voorafgaande toestand brengt een volgende voort. Het verleden wordt in een nieuwe toestand zichtbaar, waarop zijn functie ook beëindigt. Het is uitgestorven, er is geen behoefte meer erin. Het verleden staat het heden nooit in de weg.

Alles, wat in het hoofd van de mens als herinneringen, gewaarwordingen uit het verre en nabije verleden, alles, wat aan de mens op elk moment gegeven wordt, is absoluut noodzakelijk voor zijn gegeven trap, voor zijn volgende stap. Men dient te leren van het bewust-worden van het verleden en het heden. Het is niet voor niets, dat wij aan iets herinneren, dat ons als het ware hindert, doordat het steeds maar in ons hoofd blijft doordraaien. Er zijn geen storingen. De mens dient tegen zichzelf te zeggen, dat alles, wat hem gegeven is, is noodzakelijk.

In welke vreselijke toestand dan ook hij terecht zou mogen komen – in armoede, ziekten e.d. – dient hij de Schepper te danken. Theoretisch is het makkelijk te zeggen, maar praktisch…G-d behoede, om deze toestanden door te lopen…De mens dient te zeggen: “Het is mij van Boven gegeven krachtens een noodzaak voor mijn zelfcorrectie. Zonder deze concrete, de meest verschrikkelijke toestand zal ik het doel van de schepping niet kunnen bereiken. Indien ik voor dat alles met één doel en kennis zal gaan, dat het allemaal van de Schepper uitgaat, is dat voldoende.

Alleen ruk je niet weg van deze gedachte. Ik sta tegenover een menigte, en allen zijn tegen mij. En in mij is een angst, schaamte en haat…Dan [dien ik] te herinneren, dat het mij de Schepper zendt. Voor mij is dat nu het allerbelangrijkste. “Baroech sje osa lie kol tsarchie” – “Gezegend is Hij, Die voor mij alles wat nodig is, geschapen heeft”.

Dat dient men in elke nieuwe toetand te zeggen, onafhankelijk van het feit, of die als slecht of als goed gewaarword wordt. De Schepper van het gehele hart te zegenen (te danken) voor het feit, dat Hij aan de mens het allerbeste geschenk gaf. Het wordt niet bedoeld om hardop gezegd te worden, maar in zijn hart te zeggen. De mens moet in geen gevat genieten, dat de Schepper hem lijdens zendt.

Met dient te beseffen en te gewaarworden, dat zij worden gegeven voor het begrijpen van een nietigheid van het egoïsme en voor het doorvoelen van eigen zwakheid. Maar niet om te genieten van deze toestanden, doch te trachten eruit te komen. Omdat het doel van de schepping is niet in het lijden met een of andere intentie besloten, maar om een genieting in elke toestand te beleven. Het lijden is onaangenaam, noch voor de Schepper, noch voor de mens. Uiteindelijk is dat het ontbreken van licht, dat ons aanzet om vooruit te gaan. Zonder hen zou het egoïsme zich niet kunnen bewegen.

In het artikel “Drijver van ezels” uit het boek “Zohar”, is het gezegd, dat een drijver (stekende in het Aramees) bestuurt een ezel (chamor-chomer-stof-het egoïsme) met behulp van een stok met een scherpe spits, waardoor hij door (een beetje) te steken dwingt om vooruit te gaan. Er is een egoïstische klie geschapen. Indien wij hem volledig in een altruïstische zullen corrigeren, dan zullen wij het licht voor de gehele Malchoet Ein Sof ontvangen. Dan is de gehele Malchoet gecorrigeerd – en er valt niets meer voor de geliefde te doen?

Een dode toestand? Deze is statisch ten opzichte van de Malchoet, d.i. wij kunnen het egoïsme niet groter maken, hem meer te corrigeren zijn wij ook niet in staat. Dan blijft een klie dus onveranderd, maar de intentie om steeds meer en meer omwille van de Schepper te doen wel verandert. Een intentie is niet met een klie verbonden, en kan dus volledig gecorrigeerd worden. Er zijn oneindige variaties van gerichtheid van gedachten.

De mens kan twijfelen, in hoeverre hij alles aan de Schepper weggeeft, zou hij nog in staat zijn om nog meer en meer te doen? Deze vraag – “En heb ik alles voor Hem gedaan?” - komt niet uit eigen gewaarwording van het gevuld zijn met het licht, maar van de gerichtheid van al mijn gedachten tot de Schepper. En er is geen beperking eraan. Immers dat is voor Hem! Een zulke gedachte leent zich niet voor om binnen egoïstische perken geplaatst te worden.

En indien men deze wens “om voor de Schepper te doen” vervolmaakt, dan zal een klie oneindig zijn. in gmar tiekoen zijn er geen correcties – alles is reeds gecorrigeerd. Er zijn aanvullingen op een intentie. Terwijl men elke handeling vervult, dient men te pogen om bij de Schepper in de smaak te vallen, Hem een genieting te verstrekken, zichzelf aan Zijn eigenschappen te doen gelijken. Zo Hij goed is, zo goed ik ben. Zo barmhartig Hij is – zo ook ik barmhartig ben.

In hoeverre de Schepper ons allen en altijd geeft – zo dient ook de mens ten opzichte van zijn omgeving te handelen. Dat is een gelijkenis in een wens, en niet in mechanische daden. Een gedachte over hoe men qua eigenschappen aan die van de Schepper kan gelijken dient de mens nooit verlaten. Alleen een innerlijke wens is niet voldoende. De mens dient fysiek te handelen. En daar is een groep voor nodig, zodat de mens zichzelf erin zal uiten, zijn krachten weg zal geven.

En indien hij dat doet, om tot de Schepper toe te naderen, hoewel hij zich niet voorstelt, wat dat betekent, dan kan het resultaat één zijn – een toenadering, welke in een gelijkenis aan de hogere Eigenschap en Heiligheid zal zich vertalen. Het zich tot het geestelijke toekeren zal een mogelijkheid geven om een zulke eigenschap te verkrijgen, welke in staat zal stellen om een ware genieting te ontvangen.

De derde eigenschap, “spraak”, met behulp waarvan hij voor de Schepper kan werken, heet “gebed” – een gewaarwording in het hart, wanneer de mens tracht aan zichzelf, aan zijn egoïsme te werken. En indien hij in een goede richting gaat, dan verschijnen gedachten tegen altruïstische intenties”: “Waarom doe ik dat, maar doen dat de anderen ook?

En indien hij met deze gedachte zal proberen te vechten, dan zal hij begrijpen, dat men dat alleen met behulp van de Schepper kan doen. Dus, dit verzoek, een innerlijke gewaarwording van datgene, wat hij zelf niet aankan, heet met name een gebed. En dat is het voornaamste tijdens het leren en werken in een groep. Het tweede gebed – dat is een zelfanalyse, een zelfbeoordeling gedurende speciaal [daarvoor] uitgetrokken 30 min. per dag.

En dat - afgezien van omstandigheden, van stemming. En binnen die halfuur te overdenken, wie ben ik, waar houd ik mee bezig. Dit gebed is erop gericht, om met behulp van de Schepper het veranderen van het hart van de mens van het ontvangende in het weggevende waardig te zijn. En tevens een bezigheid met de Tora en het zich wenden tot alle middelen, welke tot één doel leiden, nodig zijn. Er bestaat één gigantische klie – de Malchoet, welke de ziel heet. Wij zien dat niet.

Voor ons bestaan alleen maar deeltjes van dezelfde klie, welke in lichamen van onze wereld ingehuld zijn. En daarom is voor ons alles verdeeld. In werkelijkheid bestaan er tussen delen van de ziel geen scheidingen. Een zulk beeld vertoont zich alleen in onze gewaarwordingen. En daarom bestaat er een mogelijkheid van onderlinge hulp tussen kameraden in een groep, tussen een leraar en een leerling, eveneens als tussen grote kabbalisten van alle tijden en beginners.

Er is geen tijd, geen scheiding. En correcties, welke door grote kabbalisten zoals rabbi Sjimon, AR”I, Ramchal, Baal Sjem Tov, Ashlag, gemaakt waren, helpen ons vooruit te gaan. Het boek “Zohar” of “Talmoed Esser Sfirot” – dat is een gigantische geestelijke hulp. Alleen in onze ogen ziet het als het overbrengen van een of andere materiële objecten.

Kabbalisten deden correcties op geestelijke trappen, waarbij zij ons een mogelijkheid gaven om gemakkelijker erlangs voort te bewegen. De weg is “uitgebaggerd” en eist minder inspanningen. Uiteindelijk vloeit het allemaal samen. Indien een of ander werk door de mens niet gemaakt is, dan betekent het niet, dat hij iets niet erbij zou ontvangen. Alles wordt in de gemeenschappelijke ziel verenigd. De volmaaktheid betekent de volmaaktheid in alles.

 

VERBANNING EN BEVRIJDING

“Het zal je geen rust tussen andere volkeren zijn” (Tora, Dvariem 25, 85). En wat jullie je hebben voorgenomen zal niet gebeuren – datgene, wat jullie zeiden: “Laten wij als andere volkeren leven” (Jechezkel 20, 32) zal niet zijn…Er is absoluut geen mogelijkheid voor het bestaan van het volk Israël in ballingschap, buiten hun eigen land, het territorium en de staat. Het zal zich daar nooit rust vinden, als andere volkeren, welke verenigden en vermengden zich, en zich een toevlucht en rust vonden.

Wij weten niet, wat met antieke Egyptenaren en grieken gebeurde. Volkeren, welke vandaag in dezelfde plaatsen wonen en dezelfde naam dragen, kunnen niet tot hun directe nakomelingen gerekend worden.

Dat kunnen wij zien met als voorbeeld het Russische volk. Antropologen zeggen, dat ware russen vindt men slechts in een paar dorpen in één van de Russische gemeenten. De overige – dat is het resultaat van eeuwenlange vermenging van verschillende volkeren. (Met rasechte Nederlanders staat het ook niet anders).

Hieruit is het duidelijk, in hoeverre paradoxaal het fenomeen van het volk Israël is. En het uitgaat van de wet van wortel en zijn aftakking, aangezien het onmogelijk is, dat Galgalta ve Ejnaim (altruïstische wensen) zich met ACha”P (egoïstische wensen) zou verenigen, zonder allerlei gevolgen van dien, en dat daarbij geen correcties, evoluties, plaats zouden vinden, e.d. daarom verlopen de pogingen van het vermengen van Israëlieten met overige volkeren niet zonder sporen achter te laten.

In “Bejt sjaar ha-kavanot” schrijft AR”I, dat de reden van de verbanning uit Israël ligt niet in het feit, dat men zich bezondigde, zoals in andere plaatsen beweerd wordt, maar voor een vermenging met goim, om uit hun midden scherven van bijzondere zielen uit te kiezen. In ons gewone begrijpen is er geen woord voor zonde en boete, maar elke zonde is een doelgerichte handeling van boven. En boete – dat is de correctie.

Daarom is de reden van het vernietigen van Tempels, het vallen van de heiligheid der zielen Israëls – keliem de-hasjpaa, Galgalta ve Ejnaim – dezelfde, als ook in vorige vernietigingen in de geestelijke werelden. In de wortels vond eerst het breken van vaten plaats – de sjvierat ha-keliem, vervolgens het vernietigen van de Eerste Tempel (het verdwijnen van het licht chochma), het vallen van de Tweede Tempel (het verdwijnen van het licht chassadiem) en een steeds grotere vermenging van vaten niet alleen in de werelden, zoals de sjvierat ha-keliem, maar ook in de zielen. Er verscheen de eerste schepping, de Schepper beëindigde het scheppen van die sfira, waarin al de mens kan bestaan, die absoluut van de Schepper verwijderd is, onder voorwaarden, die hem in staat stellen om zogenaamd tot de Schepper komen.

Daarna was Adam ha-Riesjon geschapen, d.w.z., “de ziel”, welke ziel de weg van het zich verwijderen van de Schepper wederom diende door te lopen, om de nodige eigenschappen te ontvangen, na het corrigeren waarvan zij het doel van de schepping zou kunnen gewaarworden. Het egoïsme hebben wij juist voor die doel nodig.

De eerste schepping werd zonder egoïstische wensen geschapen, alleen met altruïstische – Galgalta ve Ejnaim. Vervolgens vond een vermenging plaats – het volk Israël daalde in Egypte af – en op die manier vond een veelheid van vermengingen van keliem plaats: “de zonde van het gouden kalf”.

Vervolgens, reeds na de uittocht uit Egypte, nam men met zich “erev rav” – zielen van goim – Acha”P de keliem, mee en vermengde zich ermee. Daarna – “de gouden slang” – wateren van twist. En vóór het afdalen naar Egypte – de Babylonische toren, S’dom en Gomorra, d.w.z., allerlei zogenaamde zonden van mensen, welke in feite geen zonden waren, maar een noodzakelijke combinatie, een vermenging van egoïstische en altruïstische keliem, opdat men egoïstische wensen zou kunnen ontvangen, hen te corrigeren en daarin alle volmaaktheid van het doel der schepping te gewaarworden. Immers het or jasjar kan men alleen op het or chozer ontvangen – een scherm op een gigantische wens en via het licht, dat ervan weerkaatst wordt, de Schepper te gewaarworden.

Daarom dienen wij in de eerste instantie een groot egoïsme te hebben, en behalve dat schiep de Schepper niets. Het doel van de Schepping is om de volmaaktheid in het gecorrigeerde egoïsme te gewaarworden, dat egoïsme is het centrale punt van de gehele schepping – de Malchoet Ejn Sof – “nekoeda emtsait” – “merkaziet”.

Daarom zijn goim niet iets dat in de schepping onnodig is, maar dat zijn egoïstische wensen, welke voor het bestaan van het Israël even belangrijk zijn, als de eigenschappen van de Schepper, de altruïstische wens, welke boven natuur zijn. En men mag in geen geval deze eigenschap – Israël – als menselijk beschouwen, d.w.z. tot de schepping behorende.

Indien wij op die manier – abstract – dit probleem gaan bekijken, dan zullen wij gemakkelijker begrijpen, wat toch met ons gebeurt. Maar aan de andere kant, uitgaande van de wet van wortel en aftakking, is er een of andere gelijkenis tussen datgene, wat zich met de eigenschap Israël en de eigenschap goi voordoet, en datgene, wat in deze wereld tussen het volk Israël en andere volkeren gaande is.

Aangezien het doel van de schepping daarin is besloten, om op een of andere manier de eigenschappen van de Schepper, de eigenschappen van de biena, in de eigenschap Malchoet af te laten dalen, en daardoor de laatste te corrigeren, hun te vermengen, opdat de Schepper Zijn schepping zou kunnen, als het ware, corrigeren, dan is er geen andere uitweg mogelijk, dan het Israël, het joodse volk in een galoet – verbanning – af te laten dalen, en hem onder alle overige volkeren te verspreiden.

Door hen tot een zulke toestand te vermengen, dat alle eigenschappen van goim in de joodse eigenschappen binnen zouden komen. Maar het is zeer moeilijk om niet met geestelijke ogen uitgerust te zijn te zien, achter welke eigenschappen van ons volk staan de geestelijke handelingen, en achter welke niet. Dat te onderscheiden is alles behalve gemakkelijk.

Ten opzichte van ons weten wij met alle zekerheid, dat goim “bloeien”, wanneer de joden zich onder hen bevinden (dat is zichtbaar uit de geschiedenis), en na een verbanning stagneert de vooruitgang en een recessie komt. Zo was het in grote en kleine landen, bij afzonderlijke volkeren en Grote Rijken.

Het omgekeerde ervan vond met het Israël plaats – hoe meer het zich met goim vermengde, des te meer verloor; hoe meer trachtte zich te onderscheiden, probeerde zich niet op te lossen, zelfs terwijl het in de meest moeilijke situaties verbleef, des te sterker werd het en overleefde. In de Kabbala is dat duidelijk. Indien keliem dehasjpaa vermengen zich met keliem dekabbala niet, dan kunnen zij zich met het licht Chassadiem vullen, welk licht voor hun bestaan noodzakelijk is.

Indien keliem dehasjpaa zich met keliem dekabbala zou kunnen verenigen en ze corrigeren, dan zou het ontvangen in hen van het or chochma mogelijk zijn. maar tot het einde van de gehele correctie wordt dat alleen door het opstijgen in de wereld Atsieloet bereikt. D.w.z., niet in de plaats van goim, op het terrein van landen van volkeren der wereld.

Het is geschreven, dat aan het einde der dagen alle volkeren zich in Jerusalem zullen verzamelen, d.i. de drie werelden BaJ”A zullen in de wereld Atsieloet opstijgen. De Acha”P zullen tot hun G”E boven de parsa in de wereld Atsieloet opstijgen, en als gevolg daarvan zal een volledige definitieve zievoeg plaatsvinden, welke zich naar beneden – in landen van de wereld – zal uitstrekken – de ACha”P zullen het or Chochma op zijn plaats ontvangen. De Atsieloet zal zich tot onze wereld uitstrekken.

Vóór het beëindigen van de 6000 jaren gaat het Israël tot goim alleen daarvoor uit, om zich met hen te vermengen en hen de scherven van hun leer, van hun zielen, van hun wensen door te geven. Te denken, dat Israël daar rust kan vinden, is in zijn wortel een vergissing, zoals de Kabbala ons laat zien. Immers ACha”P de Eljon daalt in G”E detachton alleen daarvoor af, om het vandaar uit te halen, hem hun eigenschappen door te geven.

En daarom hadden de joden nooit goed onder goim. En zodra zij insluimerden en zich met goim onbezonnen begonnen te vermengen, waarbij zij niet over hun missie dachten, terstond hielpen de goim hen eraan te herinneren. D.w.z., de Schepper begon in actie te komen niet “derech Tora”, maar “derech iesoeriem” – niet via de Tora, maar door het leed, via ACha”P. En dat werd als sjvierat keliem gedaan, voor een nog grotere vermenging van de joden onder goim, d.w.z., een vermenging van keliem dekabbala met keliem dehasjpaa. In de Kabbala bestuderen wij twee systemen, twee wegen van datgene, wat zich voordoet.

De ene weg – dat is van boven naar beneden. Dat is het ontstaan van de werelden en zielen naar een bepaald programma van de Schepper. Hij schept de wereld – een sfira, waar de ziel, welke in verwijdering is geboren, kan verrichtingen doen. De Schepper vertelt ons in kabbalistische boeken hoe de werelden en zielen geschapen werden.

De andere weg – de weg van correctie der zielen van beneden naar boven, de weg van bewuste, zelfstandige opstijging langs de geestelijke trappen tot de Schepper. Wij behoeven niet in de Voorschriften om naar beneden af te dalen, het breken van vaten, het oprichten van de Babylonische toren, e.d. Er wordt van ons alleen de weg omhoog verlangd. Het feit, dat wij op die weg vallen en breken, is niet in onze macht. In geen geval dienen wij ernaar te streven, om naar beneden af te dalen, om ons met goim te vermengen, om door ons eigen verstand het verdere neerdalen van de werelden zogenaamd voort te zetten.

De joden beschikken over hun Voorschriften, 613 in totaal, en de goim hebben hun eigen 7 voorschriften van “bnei Noach”. In totaal dus 620 voorschriften. En allemaal wijzen zij op de plicht voor het opstijgen, en niet voor de terugkeer tot het egoïsme, tot het afdalen. En bij de mens, die zijn weg naar het geestelijke begint, verschijnen gedachten, dat men nog groter egoïst dient te worden, om steeds meer wensen te ontvangen.

Dat hoeft geen onderwerp van zorgen voor de mens te zijn, hij zal alles van nodig is van boven ontvangen. En het egoïsme, én kliepot zullen aan hem dan “voorgeschoteld” worden, wanneer hij ertegen aan zal kunnen. Zo gaat het in het geestelijke. Ook zo gaat het in onze wereld. Men dient alleen over datgene te denken, hoe men opstijgt. Het Israël moest in Egypte hard werken, trachten vandaar eruit komen, en vervolgens beval de Schepper hen om bij de beuren – Egyptenaren, om het vaatwerk te verzoeken en dat met zich mee te nemen.

Wanneer het nodig is, wordt aan de mens een mogelijkheid gegeven, een wens, een kundigheid en omstandigheid om keliem dekabbala te ontvangen, die te corrigeren en daarin het licht te ontvangen. Wij dienen ernaar te streven, om van de verbanning, van de geestelijke en, natuurlijk, van de fysieke gadloet, uit te komen. En daarom riepen de leiders van het joodse volk, onze volksleiders, tot de laatste tijd ertoe op, wat men niet kan zeggen over hedendaagse leiding van Israël, welke, vanaf Ben-Gurion, voor het samenvloeien met volkeren der wereld ijvert. Zij wenst gelijkenis van uiterlijke en innerlijke kanten, in weerwil van de in onze Voorschriften en gebeden opgenomen oproep tot de innerlijke vereniging en terugkeer.

Hoe verder en dieper wij het geestelijke bestuderen, des te beter zien wij, dat een gigantische hoeveelheid van mogelijkheden van gedrag en vermenging, alleen van twee verschijnselen – licht en klie – bestaat. Alle verscheidenheid van gevoelens en wensen van miljarden mensen alleen uit die twee categorieën bestaat. En wij zijn slechts een luttel gevolg van datgene, wat zich in het geestelijke voordoet.

Daarom is alles, wat ons van boven gestuurd wordt, onmogelijk blijkt te voorspellen, noch op basis van onze kennis, veronderstellingen, ervaring, zelfs noch op basis van de Kabbala, welke wij bestuderen. Een profeet – dat is hij, aan wie van boven gegeven wordt om een volgende trap te zien. Maar indien aan iemand een visioen van deze volgende trap gegeven wordt, dan is dat alleen daarom, omdat hij zelf wenste die niet te zien, deed zijn ogen dicht. Dat is de weg van het geloof boven kennis.

Indien de Schepper aan een mens, een profeet, een schepping, dat niet onthult, kan hij zijn volgende trap niet zien. Daarom dient hij iets voor de Schepper doen: “Ik zal, om zo te zeggen, iets slechts doen, opdat er iets zou zijn om gecorrigeerd te worden”. Het slechte wordt door de Schepper gedaan. Hij zei: “Ik schiep het egoïsme, Ik gaf de Tora voor zijn correctie”. Het egoïsme wordt door de Schepper geschapen.

Wij dienen echter omhoog te streven. En nadat je alles, wat nodig is, deed, dien je te zeggen, dat datgene, wat geworden is – is van de Schepper! Maar vóór zelfstandige handelingen [dient de mens] alles op zich te nemen, wat nodig is – en dat is het belangrijkste principe van het gedrag van de mens in deze wereld, de basis van elke daad op elk moment.

Het is geschreven, dat op Rosj ha-Sjana de mens beoordeeld wordt – wie voor het leven, wie voor een dood, wie voor een gezondheid, wie voor een ziekte. Met inbegrip van hoeveel de mens verdient. Indien wij van tevoren weten, dat alles, wat reeds gebeurd is, alsmede datgene, wat nog zal gebeuren, - van de Schepper is, waarom moeten wij ons dan druk over iets maken, e.d.?

Het gaat erom, dat het aan ons verboden is om ons zo tot gebeurtenissen en tot onszelf te verhouden. Wij dienen alles te vervullen, alsof dat alleen van ons afhangt. Hij, die zo niet handelt, heet “kofér” – hij, die het bestuur van de Schepper, Zijn eenheid, ontkent. Bij massa’s wordt juist degene als “ongelovige” geacht, die, nadat hij ’s morgens opstaat, zegt, dat alles van hem zelf afhangt. Maar wij dienen juist op die manier te handelen, omdat wij in Zijn aanwijzingen geloven.

Er zijn nauwkeurige voorschriften voor hem, die tot Israël wenst te behoren. Dat wordt duidelijk uit het bestuderen van de Kabbala. Wij moeten ons in geen geval met het egoïsme, d.i. met goim vermengen. Men dient ernaar te streven om aan het licht te gelijken, om het slechte van het goede te scheiden, deze twee kanten in ons te sorteren. Nooit dienen gebeurtenissen in de wereld de mens achter zich mee te slepen. Zij vertonen zich voor hem, opdat hij zich zou realiseren hoe erop te reageren. En zij bestaan alleen daarvoor.

Wanneer de mens in elke slag Degene zal gewaarworden, wie hem een klap geeft, of, op zijn minst, een vermoeden ervan zal hebben, dan is dat al goed. Dan worden de klappen anders waargenomen. En al het verleden wordt daarom zodanig opgesteld, om ons even een tikje te geven, bij bewustzijn te brengen, te dwingen om een behoefte in de Schepper te gaan voelen en te schreeuwen: “Help!”.

Het is raadzaam om dat vroegtijdig te doen. Om langs de weg van de Tora te gaan. Indien niet, dan zal alles veel pijnlijker worden. En dat de weg van het lijden. Nadat de Schepper het doel en het programma van de schepping bepaalde, dient men dit te vervullen. Of via de weg van de Tora, de goede weg, óf door ‘t leed, dat ons corrigeert. Ons corrigeert óf het licht, óf de duisternis. Of G”E, wanneer wij zelf ons wensen te corrigeren, óf dat doen de goïm.

Op welke manier? Men wenst zich met ons te verenigen. En wanneer wij hen tegemoet gaan en met hen ons beginnen te verenigen, dan verlaat ons het licht. En het licht – dat is juist G”E. Keliem dekabbala beginnen over keliem dehasjpaa te heersen. Dat betekent, dat Israël sterft.

En dezelfde vindt in de werkelijkheid in onze wereld plaats. Israël sterft, en een goi ontvangt van hem alles, en dankzij dat leeft. Maar de één kan niet zonder ander zijn. Daarom begint een goi zonder Israël ook te sterven. En daarin is een onophoudelijke verplaatsing van datgene, “wat belangrijker is”.

Indien goim hun 7 voorschriften en Israël - hun 613 zouden vervullen, dan zouden zij zich corrigeren, door op de weg van de Tora naar hun wederzijds doel te gaan. Aangezien dat niet gedaan wordt – en voor alles van onze kant – corrigeert de Schepper ons met behulp van goim. In onze wereld – met behulp van Arabieren. En men kan er niets aan doen. Immers wij wensen vrede met hen…wij wensen ons met hen te vermengen, wensen zoals zij te zijn, of dat zij zoals wij zouden worden.

Nu is het duidelijk, dat een zulk inzicht tot een ramp leidt! Nooit in de geschiedenis van de mensheid was zoiets op het staatkundige niveau geweest, op het niveau van het gehele volk, welk in zijn eigen staat leeft. Er bestaat een afwijzing van religie volgens een persoonlijke wens op het staatkundige niveau. De afwijzing om een apart volk te zijn, over zichzelf en zijn land – Erets Israël - te waken – welk land met de wereld Atsieloet overeenkomt.

Alle overige landen behoren tot datgene, wat zich onder de parsa bevindt – tot de werelden BaJ”A. Er is Jordanië, het land, dat qua geestelijke hoogte na Israël staat, vervolgens – Syrië, Libanon, Iran, en verder – alle overige landen, welke geestelijk dood, leeg worden geacht. Vandaar, dat in alle eeuwen de mensheid naar het Heilige land streefde. En voor kabbalisten was dat de redding! Zij voelen het verschil tussen Israël en elk, zelfs het meest dichtbij gelegen land.

Daartegenover zijn er ook kliepot, die wensen om zich tot de kdoesja aan te zuigen. Hier heb je ook het centrum van onreine krachten. De toestand gered kan worden door het geloof boven het verstand – om langs zijn eigen weg te gaan, om aan de gehele wereld “nee!” te zeggen. En op dat moment zullen zij tot rust komen. Zodra goim aanvallen, dient G”E te zeggen: “Nee! Van mij krijgt u niets!”. En dan zal bij goim geen enkele mogelijkheid zijn om zich aan G”E – het niveau van de wereld Atsieloet – vast te klampen.

Maar zodra wij beginnen een open oor voor hen te hebben, zich door hen te laten inpakken, met hen ons te vermengen, kunnen wij vernietigd worden. En zij, die zich ermee vermengen, én zij, die niet – tellen allemaal mee. Er is geen enkele tegenspraak tussen het geestelijke en datgene, wat zich in onze wereld voordoet. Men mag niet zeggen, dat het geestelijke zich zogenaamd in onze wereld bevindt, men mag niet het geestelijke tot materiële dingen, bekledingen, omlaaghalen. Dat is verboden.

Juist daarom was de Kabbala duizenden jaren verboden. Men vreesde voor het verdinglijken van het geestelijke in het materiële. En uiteindelijk zou men een gouden berg, een beeldhouwwerk, een afbeelding, en niet de Schepper beginnen aan te bidden.

Er is een nauwkeurige en eenduidige wet van “wortel en aftakking”, welke altijd precies nageleefd wordt. Maar wij kunnen erover bij benadering spreken, omdat wij de overeenkomst te kennen. Kabbalisten vertellen ons een beetje daarover, waarbij zij woorden van onze wereld nemen en er geestelijke objecten naar noemen. Maar het verband en een gelijkenis tussen geestelijke objecten van onze en geestelijke werelden worden alleen door hen bevat, wie zich tegelijkertijd in twee werelden bevindt – in onze en de geestelijke, wie alles ziet, wat zich daar voordoet, en dat aan ons in de taal van aftakkingen doorgeeft.

Door zich van de ene kant van de muur te bevinden, zien wij niet, wat erachter gebeurt, hoewel er een verband [mee] is. Pas wanneer men tegen de rand van de muur staat, kan men zien, wat zich aan beide zijden van de muur voordoet. Met dient zich boven te bevinden, om te zien, wat in onze wereld gebeurt en gebeurtenissen in onze wereld te verklaren.

Hoewel het verschil tussen de werelden is alleen in het materiaal besloten, waar zij van gemaakt zijn, is een gelijkenis toch als patrijs en matrijs. Deze omgekeerde afhankelijkheid is voor ons niet te begrijpen. En daarom kunnen wij niet eenduidig oordelen, op welke manier een aftakking met een wortel verbonden is. Zoals wij reeds hebben gezegd, op een Nieuwjaar[sdag] is vooruitbepaald, hoe het leven van de mens zal verlopen. Men kan dat niet veranderen. Maar op welke wijze ertoe te komen – dat hangt van de mens af.

Wij onderscheiden drie toestanden – het begin van de schepping, het einde van de schepping en het proces tussen het begin en het einde. Het begin is door de Schepper geschapen. Het einde – dat is het doel, datgene, wat voorafgepland en bekend is. En het probleem bestaat daarin, hoe men van het begin tot het einde doorkomt.

Daarvoor is ons de Tora, de Kabbala, gegeven – de kennis over het bestaan van de geestelijke werelden. Juist daarvoor zijn wij door de Schepper geschapen, om in staat te zijn te gewaarworden, aan te voelen, te begrijpen, en niet als levenloze, zoals al het overige in de schepping. Ook dat overige zijn eindtoestand, zijn doel, bereikt, maar onbewust, in tegenstelling tot hoe wij onze eindcorrectie bereiken.

Het hangt dus van de mens af, hoe aan te komen – hetzij door de weg van de Tora, hetzij door die van het lijden. Uiteindelijk zullen wij toch allen aankomen. De Schepper is altijd boven ons, als een ruiter op een paard. De vraag is, of wij dat door onze eigen wens, bewust zullen doen. Anders zullen de natuur en omstandigheden je met kracht en pijnlijke uitwerking tot hetzelfde dwingen te komen. D.w.z., alles hangt van een stok af, waarmee de ruiter een paard voortdrijft.

Of het paard zich samen met de ruiter voortbeweegt, óf, indien het dat niet wenst, zal het een pak slag voor elke wens krijgen, welke wens niet met de wens van de ruiter overeen zal komen. De Tora is ons gegeven, om het proces te verkorten, hem pijnloos te maken. Dat is het geneesmiddel, welk ons op onze weg redt.

Zodra G”E in ACha”P beginnen af te dalen en zich ermee te verenigen, grof gesproken om weg te geven, zich te vermengen, om ACha”P te worden, dient het theoretisch tot het uitstorten van licht uit G”E leiden, wat dood heet.

De belangrijkste oorlog tussen de gehele wereld en Israël wordt in Erets Israël uitgevochten. En uiteindelijk, wanneer alle scherven licht uit ACha”P uitgeselecteerd en verzameld zullen worden, dan zullen duidelijk afgescheiden, 32 de meest dodelijke delen van de onreine kracht overblijven, tegenover opmerkelijk afgescheiden G”E – Israël, wanneer alle rechtvaardigen van de volkeren der wereld zullen uitkomen, en de onreinheid over zal blijven, pas dan zal een verschrikkelijke tegenstelling zijn van één tegenover de ander.

In het boek “Zohar” is het geschreven, dat de allerlaatste slag zal om Erets Israël gevoerd worden, natuurlijk, op zijn territorium, binnen zijn grenzen. En alles hangt van de weg door het geloof boven het verstand. En dat is zeer moeilijk. Maar juist dat is de enige weg van de redding. D.w.z., ik sta erop, dat ik een deel van de Schepper ben en Zijn wetten vervul.

Het land aan Arabieren af te geven is een anti-geestelijke daad. En alleen door de weg van het geloof boven het verstand kan men erover spreken, of het gehele volk, of een afzonderlijke mens overleeft. Dan kan hem niets schaden, hij wordt volledig van het egoïsme weggerukt. G”E vult zich met licht van Chassadiem. Dat ischefets chessed”. Men kan hem niets doen. Er is geen egoïsme erin. Dat is het licht van de Schepper.

De redding is in het samenvloeien met de Schepper. Het punt, dat men dient op te vangen, is puur psychologisch. Telkens is het bij de mens aanwezig, en hij dient hem steeds groot te brengen. Probeer nou eens van je kleine wens af te zien, zelfs in het eten. Dat zal “mesierat nefesj” zijn – zelfopoffering: deze wens van zichzelf weg te rukken, zijn “ik” te doden. Dit ding is puur psychologisch. Het is op elke niveaus mogelijk. Alleen “weg te rukken” – daarin bestaat het probleem!

Alleen een beslissing – en die is zwaar. Vervolgens wordt de mens volledig in het licht ingesloten, in keliem dehasjpaa. Dat heet ieboer, een embryo in een lichaam van een moeder, die hem beïnvloed, over hem waakt, grootbrengt. Welke goim, welke kliepot kunnen hier hinderen! De mens geeft zich volkomen aan de Schepper over. De menselijke “ik” bestaat niet, wordt binnen de mens volledig geannuleerd. Een zulke mens kan niemand en niets schaden. Op welke manier kan men dat doen? Alleen door te zeggen, dat het allemaal de Schepper is, alleen Hij bestaat. En alleen Hij antwoorden op vragen geeft, hoe op te treden, en krachten om te handelen.

.daarom bestaat de taak van een leraar - kabbalist daarin, om een leerling te leren zich tot de Schepper te wenden, en niet op zijn Rav vast te klampen. Een klein kind, wanneer het zijn leven begint, tracht in alles volwassenen na te bootsen, haast zich om groot te worden.

Zo ook wij dienen zelf iets te doen, en de ouders zullen ons helpen, te trachten met alle methoden, zonder vrees, dat het slecht zal zijn. De mens kan niet tot een echt verzoek komen, zonder alle overige wegen te hebben uitgeprobeerd. En wanneer alle poorten al dicht zijn, blijven alleen “de poorten van tranen” over. Na alles te hebben uitgeprobeerd, begrijpt de mens, beseft, dat de weg naar het geestelijke is gesloten. En het blijft hem alleen een gehuil, een gebed, over, een eis tot de Schepper om hulp.

Maar om nu te gaan zitten en beginnen te janken kan de mens niet. Hij verloor het vertrouwen in zichzelf, in zijn krachten nog niet, hij is nog niet afgeknapt. De mens dient een ondraaglijk zware last op zich te nemen, en dan zal hij geholpen worden. Het belangrijkste is, om datgene onophoudelijk na te gaan, waar hij aan denkt, wat wenst. En deze gedachten draaien in zijn hoofd naar het scenario van boven. Indien wij de ware redenen van datgene, wat zich voordoet, wensen te vinden, dan dienen wij – willen wij dat of niet – de wortels van gebeurtenissen na te trekken.

Immers alleen als gevolg van het feit, dat wij de wortels, die zich in de geestelijke wereld bevinden, niet begrijpen, gebeuren met ons “onverwachte” en onaangename voorvallen. Maar indien wij de ware redenen - wortels zouden weten, dan zouden wij niet alleen het verloop van gebeurtenissen kunnen vooruitzien, maar ze tevens besturen.

Zo ook in de Kabbala: wij lezen over geestelijke objecten, noemen bij naam, maar wij begrijpen en gewaarworden niet, wat achter deze namen schuilt. Dat is alsof ik in voor mij gewone woorden u datgene navertel, wat ik in een wereld zag, welke in het geheel niet op onze wereld lijkt: hoewel ik dingen en handelingen in gebruikelijke woorden benoem – dat komt, omdat er enige gelijkenis in te bemerken valt, maar geen overeenkomst.

Er zijn dikwijls jaren van een enorm innerlijk werk voor nodig voordat een mens enkele geestelijke krachten in zichzelf begint te onderscheiden en geestelijke objecten gaat onderkennen. De aanvankelijke fase van het eigen bevatten komt neer op het verdelen van eigen egoïstische natuur in gevende en ontvangende wensen. Hij, die de Kabbala begint te bestuderen, begrijpt aanvankelijk berhaupt niets van waar het over gaat.

Maar na verloop van tijd begint in hem een bepaald innerlijk beeld zich te vormen – en dat komt, omdat in het egoïsme zelf adequate gewaarwordingen beginnen te verschijnen, aangezien het verschil tussen onze wereld en de geestelijke, d.w.z., tussen onze gewaarwording en de geestelijke bestaat alleen is het materiaal van de schepping zelf: het egoïstische of altruïstische.

Maar in processen zelf zijn er als het ware gereflecteerde overeenkomst en gelijkenis te bemerken. Daarom ontdekt hij, die de Kabbala bestudeert, opeens, dat datgene, wat hij bestudeert, begint in hem een of ander innerlijk beeld te vormen. Eenieder van ons is een deel van de gemeenschappelijke ziel, de Malchoet van de Oneindige wereld, in eenieder van ons bevindt zich een deel van zijn hogere trap, die het punt in het hart heet.

En al het verschil tussen ons is alleen daarin, dat de grote massa vervult de aan haar door de natuur opgelegde verrichtingen, handelt als zombies, zelfs zonder te beseffen, in hoeverre alles onder de wilsoplegging van de natuur plaatsvindt. En maar enkelingen [ervan] een innerlijke bezieling ontvangen om dit te beseffen en zich van het robot-zijn te bevrijden – omdat het punt in hen begint zijn uitwerking, maar in geen geval door een of andere verdiensten van de mens zelf.

En onder degenen, die de Kabbala komen bestuderen, zijn er die, welke dat als wetenschap bestuderen, en er zijn enkele ervan, die dat doen krachtens het innerlijke behoefte om zichzelf, zijn wortel, zijn afkomst, te vinden, - het feit, dat hen uiteindelijk tot de Schepper leidt, omdat zijn afkomst te bevatten betekent de Schepper te bevatten.

Maar zij, die de Kabbala alleen als wetenschap bestuderen, worden slimmeriken, die met hun kennis pronken, maar het bevatten door een gewaarwording van de geestelijke werelden is voor hen gesloten, omdat het doel van hun studie is gelegen niet in het bereiken van een overeenkomst met het geestelijke door hun eigenschappen, kwaliteiten, wensen, maar simpelweg in het verkrijgen van kennis, voor zelfbevestiging.

In het “Voorwoord bij het boek Zohar” staat geschreven: “Weet, dat in alles het innerlijke en het uiterlijke bestaat”. Israël behoort tot het innerlijke deel van de gehele wereld, maar de 70 overige volkeren worden zijn uiterlijk deel geacht. Zo ook Israël zelf is verdeeld in het innerlijke deel – dat zijn zij, die voor de Schepper werken, en het uiterlijke deel – zij, die zich daarmee nog niet bezighouden, die het geestelijke met behulp van de Kabbala niet bevatten. Eveneens bij volkeren der wereld bestaat een innerlijk deel – dat zijn rechtvaardigen van volkeren der wereld, en er is ook een uiterlijk deel – dat zijn grove en schade toebrengende persoonlijkheden.

Ook binnen Israël onder hen, die voor de Schepper werken is er een innerlijk deel – zij, die waardig werd bevonden om de innerlijke ziel van de Tora en haar geheimen te begrijpen, - en het uiterlijke deel – zij, die zich alleen met een handeling bezighouden, met het vervullen van een handeling in de Tora. Het woord Israël stamt van woorden Isra – rechtstreeks en El – de Schepper, en zij, die dat in zich dit streven gewaarworden, heten het innerlijke deel van Israël, hoewel zij het gewenste nog niet (volledig) bevatten, hun toebehorigheid tot het innerlijke deel wordt niet door hun bevatting bepaald, maar door hun streven.

Zij, die het vervullen van Voorschriften bestuderen en ze vervullen, waarbij zij het doel van de correctie van zichzelf niet toevoegen, maar alleen voor een nauwkeurige uiterlijke uitvoering van handelingen der Voorschriften zorg dragen, heten het uiterlijke deel van Israël. Eveneens in elke mens uit Israël bestaat er een innerlijk deel, het deel van Israël, dat het punt in zijn hart heet, welk punt als het streven naar het geestelijke gewaarword wordt, en het uiterlijke deel [van Israël], dat “volkeren der wereld” heet, die in hem zelf in zijn lichaam zijn, d.i. zijn egoïstische strevingen. Maar zelfs volkeren der wereld worden in een zulke mens, in “Israël”, als zij, die van de eigenschap “volkeren der wereld” in de eigenschap “Israël” overgegaan zijn, geacht, omdat zij tot zijn innerlijk, geestelijk deel aangehecht zijn, welk deel met de Schepper verbonden is.

Naar de geestelijke relevantie ziet de piramide als volgt uit:

1. in een jood:

a) het punt in het hart (Israël in Israël)

b) lichaams - wensen (volkeren der wereld in Israël)

2. in het volk Israël:

a) zij, die de Schepper bevatten (kabbalisten)

b) zij, die aanwijzingen van de Tora vervullen (gelovigen)

3. in volkeren der wereld:

a) rechtvaardigen uit de 70 volkeren der wereld

b) vernietigers uit de 70 volkeren der wereld

Wanneer een mens uit Israël zijn innerlijk deel, het Israël in zichzelf, boven het uiterlijke verheft, d.i. de volkeren der wereld in zichzelf, d.w.z., hij geeft zijn meeste inspanningen voor het verheffen en het versterken van zijn innerlijk deel (ten behoeve van zijn ziel), en kleine inspanningen, alleen in de meest noodzakelijke mate, geeft hij voor het bestaan in zichzelf van het deel van volkeren der wereld (ten behoeve van zijn lichaam), een zulke verheffing als het doel van zijn leven beschouwt, dan roept hij door zijn handelingen in het innerlijke deel (Israël) en het uiterlijke deel (volkeren der wereld) van de wereld datgene op, dat de zonen Israëls (joden) zich verheffen, hoewel zij zich met de correctie en een toenadering tot de Schepper niet bezighouden.

Maar zelfs indien één van de joden zich met de geestelijke correctie bezighoudt, dan vindt er in een of andere mate een weerspiegeling plaats op de algemene houding van de wereld tot ons: dan beseffen volkeren der wereld, welke het uiterlijke deel van de gemeenschappelijke wereld vertegenwoordigen, instinctief en onderbewust door het bestuur van de Schepper de grootsheid van Israël.

Maar indien omgekeerd, een mens uit Israël zijn uiterlijk deel waardeert en verheft, d.i. het deel van volkeren der wereld in zichzelf, een egoïstische materiële ontwikkeling en een bezitsdrang, boven het deel Israël in zichzelf, het altruïstische deel der wensen, het streven naar de Schepper, dan verheft zijn uiterlijk deel zich, d.i. “hij, die tot het Jodendom is bekeerd”, maar zijn innerlijk deel, Israël in hem, zakt af.

D.w.z., indien de mens zijn materiële en maatschappelijke vooruitgang boven de geestelijke [vooruitgang] verheft, dan draagt hij erbij, dat het uiterlijke deel in de gemeenschappelijke wereld - volkeren der wereld - zich boven Israël, het uiterlijke deel van Israël, het volk Israël, verheffen, en hem vernederen.

En laat het je niet verbazen, hoe één mens, door zijn daden, het zich verheffen of het vallen van de gehele wereld veroorzaken kan, omdat er een wet bestaat, die daarin besloten is, dat een hogere kracht sluit in zich lagere krachten in als haar componenten, daar elke hogere trap is de Schepper ten opzichte van een lagere [trap].

Het algemene en zijn delen zijn gelijk, als twee druppels water: alles, wat in een algemene opbouw actief is, is tevens in zijn delen werkzaam, en bovendien, juist delen ervan bepalen alles, wat in het algemene werkzaam is, omdat het algemene wordt na het onthullen van al zijn delen bereikt, volgens maten en eigenschappen van die delen.

Alleen de bewuste geestelijke verheffing van eenieder zal tot de algemene verheffing van de wereld leiden, wat ook de komst van de Masjiejach heet. En het is verplichtend, dat een werking van een deel in overeenkomst met zijn eigenschappen, verheft of verlaagt het algemene in het geheel.

De meest grote krachten in onze wereld zijn onzichtbaar en men kan ze berhaupt moeilijk bevatten en onderzoeken. En hoe machtiger een kracht, des te ongrijpbaarder zij is, zoals, bijvoorbeeld, de radioactieve straling. De geestelijke krachten zijn echter in het geheel ongrijpbaar voor onze zintuigen, maar juist zij houden in zich de gehele onze wereld vast, waarbij zij al ons heelal doordringen en de gehele materie op al haar niveaus besturen.

Vandaar, natuurlijk, dat de mens, die kundig is, om door zijn altruïstische daden toestanden van deze krachten te beïnvloeden, roept gigantische veranderingen in het Hoge Bestuur van onze wereld op. Juist dat wenst en verwacht de Schepper van ons, opdat wij, na geestelijk te zijn opgestegen, zelf, als Hij, de werelden zouden gaan besturen. Daardoor rechtvaardigen wij Zijn daden. Daardoor worden wij vrij. Daardoor beïnvloeden wij de gehele wereld.

Nu zullen wij begrijpen wat in het boek Zohar geschreven is, dat alleen met behulp van het bestuderen van het boek Zohar zullen zij waardig bevonden worden om van de verbanning uit te komen. Wat heeft het bestuderen van het boek Zohar met de geestelijke bevrijding van Israël en het zich verheffen boven de volkeren der wereld te maken?

Uit datgene, wat boven is gezegd, wordt duidelijk, dat eveneens in de Tora bestaan het innerlijke en het uiterlijke delen, zoals in de wereld, en daarom zijn deze twee trappen ook in het bestuderen van de Tora aanwezig.

Er zijn twee mogelijkheden voor het bestuderen van de Tora en het vervullen van haar Voorschriften: een innerlijke, wanneer de mens dit geneesmiddel tegen zijn ziekte – het egoïsme innerlijk wenst in te nemen, of een uiterlijke, wanneer hij de Tora alleen voor het ontvangen van een beloning in deze of in de toekomstige wereld bestudeert.

Indien de mens zijn inspanningen in het bestuderen van het innerlijke deel van de Tora, in haar geheimen en in zijn bezigheid ermee, vergroot, dan verheft hij het innerlijke deel van de wereld, het Israël (elke mens, die naar de Schepper streeft, heet Israël, onafhankelijk van welke andere gegevens van zijn persoonlijkheid dan ook - alleen volgens deze wens, daar bij de joden het begrip nationaliteit ontbreekt). Hij verheft haar boven het uiterlijke deel van de wereld, welk deel vormen volkeren der wereld, en alle volkeren erkennen de voortreffelijkheid van Israël boven hen.

Maar indien een mens uit het volk Israël verlaagt de belangrijkheid van het innerlijke deel van de Tora en haar geheimen (die over de wegen der ontwikkeling en correctie van onze zielen spreken) ten opzichte van het uiterlijke deel van de Tora (die alleen over de mechanische vervulling van de Voorschriften spreekt), en de kern van de Tora zelf niet bestudeert, dan roept hij daarmee een vernedering en verlaging van het innerlijke deel van de wereld, de zonen Israëls tot het allerlaagste niveau, en versterkt het uiterlijke deel van de wereld, de volkeren der wereld.

En eveneens als Israël de Kabbala en het boek Zohar als nutteloos acht, achten de volkeren der wereld Israël nutteloos en overbodig in de wereld, zij menen, dat de wereld hem in het geheel niet nodig heeft.

En bovendien, hij, die de Kabbala niet bestudeert, veroorzaakt daardoor het toenemen van het uiterlijke deel van de volkeren der wereld boven hun eigen innerlijk deel, d.i. de allerslechtste ervan, de allergrootste schadelijke elementen en wereldvernietigers versterken en verheffen zich boven hun innerlijk deel, d.w.z., boven rechtvaardigen van de volkeren der wereld, wat tot vernietigingen en oorlogen leidt.

Zo zegt het boek Zohar, dat de bevrijding van Israël en al zijn grootheid, alleen van het bestuderen van het boek Zohar en de geheimen van de Tora afhankelijk is. En omgekeerd, alle vernietigingen en al het vallen van de zonen Israëls vinden uitsluitend plaats als gevolg van het feit, dat zij het innerlijke deel van de Tora achter hebben gelaten, alsof er berhaupt geen enkel behoefte ernaar zou bestaan.

In zulk geval is het gezegd over een dergelijke generatie, dat de Hoogste geest, de geest van de Masjiejach, die voor het bevrijden van Israël van al zijn lijdens tot de volledige bevrijding nodig is, verdwijnt. Wee hen, die de reden is voor het verdwijnen van de geest van de Masjiejach, omdat zij maken de Tora droog, zonder enig bijmengsel van het verstand en kennis, omdat zij zich alleen met het uitvoerende deel van de Tara bezighouden en wensen de wetenschap Kabbala niet te pogen te begrijpen om de geheimen van de Tora en de zin van de Voorschriften te weten en te bestuderen. Wee hen, die met hun daden honger, armoede, wreedheid, vernedering, moord en roof veroorzaken. Zo spreekt Zohar!

Zoals wij reeds hebben duidelijk gemaakt, komt de zin van datgene, wat in het boek Zohar gezegd is er op neer, dat indien hij, die zich met de Tora bezighoudt, zijn innerlijk deel en het innerlijk deel van de Tora – de Kabbala vernedert, zoals [men doet] met een ding, waarin geen enkel behoefte in de wereld bestaat, dan versterken zij daardoor hun uiterlijk deel en alle uiterlijke delen van de wereld versterken zich eveneens boven innerlijke delen ervan: het uiterlijke deel van de volkeren der wereld, welk deel vernietigingen veroorzaakt, wordt versterkt en annuleert hun innerlijk deel, d.i. rechtvaardigen van de volkeren der wereld. Het uiterlijke deel van de gehele wereld, de volkeren der wereld, wordt versterkt en de zonen Israëls, het innerlijke deel van de wereld tenietdoet.

En in een zulke generatie alle vernietigers van de volkeren der wereld steken hun hoofden omhoog, waarbij zij de zonen Israëls wensen te vernietigen, zoals in de Talmoed (Javamot, 63) is gezegd: “Alle ongeregeldheden komen in de wereld alleen voor Israël”, in overeenkomst met datgene, wat in het boek Zohar geschreven staat, dat juist zij, die het bestuderen van de Kabbala verfoeien, - zijn de reden voor de armoede, moorden, roof en vernietigingen over de gehele wereld.

Alleen van onze bezigheid met de Kabbala hangt zowel een toestand van eenieder van ons en van ons volk af, als die van de gehele wereld en haar houding tot ons. En indien eenieder van ons, van de resten van het verleden, met al zijn ziel en zijn verstand op zich zal nemen, om vanaf nu en in het vervolg het innerlijke deel van de Tora te verheffen, en hem een toepasselijke plaats in ons hart, het leren en verrichtingen, zal verstrekken, en dat boven onze kleine en tijdelijke strevingen – dat zal eenieder van ons zijn innerlijk deel – het deel “Israël” in zichzelf daardoor versterken, d.i. behoeften van zijn ziel boven die van het lichaam.

En deze kracht zal tevens het gehele volk Israël beïnvloeden, en de volkeren der wereld zullen de relevantie van Israël boven hen beseffen en naar hen zullen gaan luisteren. Dan zal het innerlijke deel van de volkeren der wereld, rechtvaardigen van de volkeren der wereld, zullen zich versterken en hun uiterlijk deel – de wereldvernietigers – zullen onderwerpen. Het innerlijke deel van de wereld, Israël, zal in al zijn grootheid en belangrijkheid het uiterlijke deel van de wereld, de volkeren der wereld, zal overtreffen. En dan zullen alle volkeren der wereld de voortreffelijkheid van Israël boven hen beseffen en accepteren.

Dan zal tot werkelijkheid worden, zoals het boek Zohar (Naso, 124, 2) voorspelt: “Door de kracht van dit boek zullen [zij] uit de slavernij met de genade der Schepper uitkomen”. De geestelijke, en als gevolg ervan, de fysieke bevrijding, zijn onderling met elkaar verbonden, en alleen de bevrijding uit de slavernij van het eigen egoïsme zal de bevrijding aan Israël brengen, bevrijding van de achtervolging door de volkeren der wereld en zal de gehele wereld tot een waar gelukkig bestaan leiden, zonder vrees voor tijdelijkheid, ziekten, dood, in de eeuwige samenvloeiing met de Bron van alles, wat bestaat, in de oneindige ware vulling met een hoge en eeuwige genieting.

De Bron van alles is de Schepper: van Hem gaat het licht uit, welk licht juist keliem – zielen schept, die hem wensen te ontvangen en van hem [wensen] te genieten. Alles, wat zich vervolgens met de geschapen keliem - zielen voordoet, is het gevolg van die natuur, die wensen, welke het licht van de Schepper erin oproept. Het licht is echter op die manier werkzaam, dat elke van zijn handeling en elke reactie erop van de kant van een klie, tot het doel leiden – de correctie van een klie tot het volle samenvallen van zijn eigenschappen met de altruïstische eigenschappen van het licht.

In het geestelijke is er geen veelheid van wetten, er is maar één basiswet – het ontvangen van het licht. D.w.z., een genieting is alleen mogelijk naar mate van een gelijkenis van een klie aan het licht. En deze wet is op alle trappen van de geestelijke werelden werkzaam. Deze wet vertoont zich tevens in een egoïstische vorm in onze wereld.

Een geestelijke klie van de mens, de ziel bestaat uit twee delen: uit “galgalta ve ejnaim” (G”E) – gevende wensen en “ozen, chotem, pe” (ACha”P) – ontvangende wensen. Elk van deze delen komt tot zijn correctie op eigen manier. In onze wereld, zowel in een [afzonderlijke] mens, als in volkeren is Galgalta ve Ejnaim – dat is Israël (in een mens of in een volk), en ACha”P – dat zijn volkeren der wereld (in een mens of in een volk)

Wanneer G”E langs de weg van de Tora gaan, ontwikkelen zij zich; indien zij wensen van ACha”P volgen – dan vindt een vernietiging plaats. Dat is de reden van alle vernietigingen, zoals de zonde van Adam, het vernietigen van de Eerste en de Tweede Tempels.

Wanneer Israël langs de weg van de Tora gaat, ontwikkelt het zich; wanneer het andere volkeren nabootst – wordt het vernietigd. Vanwege een nauwkeurige verdeling van wensen in G”E en ACha”P kunnen wij alle inspanningen van de mens in twee delen verdelen: G”E – een inspanning van de mens ten opzichte van de Schepper, wanneer hij alleen op Hem al zijn gedachten en inspanningen wenst te concentreren; en ACha”P – wanneer men met het egoïsme dient te werken.

Al onze correctie gedurende 6000 jaren bestaat daarin, dat wij ons het samenvloeien met de Schepper in onze altruïstische keliem G”E eigen-maken en beginnen ook onze egoïstische keliem ACha”P eraan toevoegen. De mens dient ervoor zorg te dragen, hoe hij in de ogen van de Schepper uitziet (het werk met altruïstische keliem), en niet te denken over hoe hij in de ogen van anderen uitziet (het werk met egoïstische keliem).

Daarin ligt de basis van de vrijheid van Israël: het scheiden van zijn G”E van andere volkeren – wensen van ACha”P. Indien echter het zich aanzuigen aan hem van andere volkeren begint, dan dreigt dat altijd met een ramp. Het aanzuigen van onreine krachten (kliepot) tot Israël vindt altijd plaats. Dat schept de Schepper met opzet zelf, opdat Israël zich in zijn innerlijke strijd zou versterken.

Alleen via Israël kunnen de volkeren van de wereld het licht ontvangen. Maar Israël kan alleen die goim tot zich aansluiten, bij wie men hun egoïstische wensen kan corrigeren en in G”E binnenbrengen.

Indien goim zich tot Israël niet omwille van de correctie aansluiten, maar met het doel om een geestelijk voordeel te behalen, dat leidt dat tot een directe vernietiging, het verdwijnen van het licht – een verbanning. Zolang Israël niet begrijpt, hoe het zich tot de gehele wereld, tot zichzelf, tot zijn eigen land dient te verhouden – zal geen rust zijn. op Israël is de correctie van zichzelf en alle volkeren opgelegd, van hem wordt het ook opgeëist. Al de galoet (verbanning) is het gevolg van het feit, dat het licht uit Israël weggaat.

Maar van de andere kant is alles, wat ook gedaan wordt, wordt in de richting van de correctie en de voltooiing van het doel der schepping gedaan. Daarom is de galoet nodig, opdat joden zich met goim zouden vermengen, uit hun midden die eruit zouden trekken, welke men corrigeren kan om daarin het licht te ontvangen. Maar als eerste dient Israël, G”E de correctie te verrichten, en vervolgens goim, ACha”P.

Indien Israël dat niet doet, dan onderwerpen goim hem. Zowel op wereldschaal, als in het geestelijke. Indien Israël niet aan zijn altruïsme werkt, maar zich tot het egoïsme verlaagt, tot goim, dan beginnen zij hem terstond te verdrukken. De redding is in het afschermen van zijn wensen en doelen van goim.

Indien Israël gedurende al zijn geschiedenis zijn kennis niet aan volkeren der wereld zou doorgeven, dan zouden zij tot op het heden wilden zijn en op bomen leven. De volkeren kunnen het licht alleen via Israël ontvangen. De volledige geestelijke afzondering van Israël (G”E) t.o.v. andere volkeren - goim (ACha”P) is daarom noodzakelijk.

Indien deze voorwaarde door Israël niet nageleefd zal worden, dan zal het ertoe door oneindige lijdens van beneden gepusht worden, alsmede door het verloren gaan van het licht van Boven. De enige methode voor de redding zijn verrichtingen met wensen G”E. Niet toegeven aan ACha”P, want dat tot rampen en vernietigingen gedurende de gehele geschiedenis leidt. Om het egoïsme te corrigeren, dient men hem geleidelijk in de eigenschappen van de Schepper in te sluiten.

Wanneer de mens geestelijk geboren wordt, ontvangt hij zijn altruïstische keliem - wensen (G”E). Vervolgens begint hij ze groot te brengen vanaf onze wereld tot de wereld Atsieloet: hij ontvangt steeds meer en meer altruïstische wensen – hij corrigeert G”E.

Na deze te hebben gecorrigeerd, begint de mens zijn egoïstische wensen ACha”P omhoog te brengen, aanvankelijk de allerbeste ervan, welke “rechtvaardigen van de volkeren der wereld” heten, de bijzondere zielen der volkeren. Aan de ene kant is de galoet een straf voor Israël. Aan de andere [kant] – dat is de weg van Israël tot de Schepper door middel van het uithalen van de beste goim, d.i. egoïstische wensen, uit de gemeenschappelijke massa van goim, waaronder Israël zich in de galoet bevindt.

Een vernietiging – dat is het onderlinge binnendringen van het egoïsme in het altruïsme en het altruïsme in het egoïsme. Een verbanning – dat is een natuurlijk gevolg van een vernietiging, dat is het beseffen van het feit, dat de mens zich in het allerlaagste punt van de schepping bevindt, in de maximale verwijdering van de Schepper. En de correctie – dat is een verbinding van alle altruïstische wensen samen en vervolgens een geleidelijke aansluiting eraan van egoïstische wensen. Met elke geestelijke toestand overeenkomt een toestand in onze wereld.

Maar deze overeenkomst heeft geen vorm van een direct verband. Bijvoorbeeld, in de geschiedenis is de Egyptische verbanning reeds geweest en de uittocht uit Egypte vond al plaats. Maar de mens, welke zich in deze wereld bevindt en wenst om tot de Schepper te komen, om in zijn gewaarwordingen in de geestelijke werelden op te stijgen, dient aan zichzelf persoonlijk een toestand van het gevangen zijn in egoïstische wensen te ondervinden, een gewaarwording van een egoïstische slavernij, de macht van Farao- het egoïsme over zichzelf.

Baal Soelam verklaart, dat wij ons in een toestand bevinden, die dichtbij de uiteindelijke correctie is, en daarom keerden wij in het land Israël terug, welk land ons is gegeven, hoewel wij hem in het geheel niet verdienden. Van boven is Israël ons al gegeven. Maar behalve het overhandigen van boven, dienen wij zelf dit land te ontvangen. Voordat wij hem niet zullen ontvangen zullen wij door vijanden omsingeld zijn, onophoudelijke nederlagen zullen dulden. Daarmee dwingt de Schepper ons om tot Hem te komen, om geestelijke krachten te ontvangen, om het doel van de schepping te bereiken. Malchoet de Malchoet in de Oneindige wereld is volmaakt, god-delijk. Er is geen enkel verschil tussen de Schepper en Malchoet de Malchoet.

Zij wenste geen licht te ontvangen, om nog meer op de Schepper te gaan lijken. Zij is niet egoïstisch, zij wenst alleen als de Schepper te worden. En zij maakt een inperking op het licht. in de geestelijke wereld bestaan alleen ontbloten wensen. Hoewel Malchoet van de Oneindige wereld de schepping heet, is zij altruïstisch. Waar verschijnt in het altruïsme een wens zonder scherm vandaan?

Zij verschijnt, omdat de eigenschappen sjoresj, alef, beth en giemel zijn in Malchoet van de Oneindige wereld invattingen van altruïstische eigenschappen van de Schepper in egoïstische wensen. Daarom deze egoïstische wens zich nu als het ware manifesteert. Maar Malchoet van de Oneindige wereld weigert met haar egoïstische eigenschappen te werken en tevens sluit zij nieuwe egoïstische eigenschappen, die zij van de Galgalta ontving, terstond af.

Daarom vindt het inperken van het licht niet alleen in Malchoet de Malchoet plaats, maar stijgt omhoog, in wensen, welke zij van de Schepper ontving. Wanneer deze delen breken, dan ontstaan ervan kliepot, de eerste echte egoïstische wensen, die niets gemeenschappelijks met Adam te maken hebben. Hij was uit Malchoet de Ejn Sof geschapen, welke niet wenst om te ontvangen, maar alleen samen met de Schepper te vloeien. Zij begint met Galgalta ve Ejnaim te interacteren en wenst alleen ermee te werken.

Het wordt geacht, dat Adam, de eerste mens, was besneden geschapen, aangezien hij met Galgalta werkt. Vervolgens begrijpt hij, dat men tevens de ACha”P kan maken, de gmar tiekoen, omdat hij ontving in Galgalta al het gehele licht. Zijn ACha”P en zijn Malchoet – dat zijn geen kliepot, zij wensten niet om voor zichzelf te ontvangen. Maar de gmar tiekoen te maken kan hij niet.

Zijn daad is geen misdaad. Alleen, hij luisterde niet naar de Schepper, die zei geen gmar tiekoen te maken. Maar hij dacht daardoor alleen beter te doen. Dat is geen misdaad. Hij ging tegen het woord van de Schepper in, maar niet tegen te natuur zelf. Zijn intenties waren altruïstisch, maar niet de handelingen.

Hier zijn er zoveel nuances, zoveel afzonderlijke toestanden, welke onmogelijk is te begrijpen, zonder een overeenstemming van onze eigenschappen met die, waar het over gesproken wordt. Woorden onthullen een innerlijke essentie niet, voordat zij adequate gewaarwordingen in zielen van mensen oproepen, welke mensen deze woorden horen.

De gehele schepping wordt in 10 sfirot ingedeeld, welke weer in 10, enz. Allemaal gelijken zij (scheppingen) aan elkaar, alles is alleen uit 10 bestaat. Alle Ktariem zijn onderling met elkaar verbonden. Alle Chochmot, Bienot, Z”A en Malchoejoet. De allerhoogste Kether geeft aan alle overige het licht door. De Chochma – aan alle Chochmot, e.d.

Indien in je de allerkleinste structuur – partsoef bestaat, welke ieboer, het ontstaan van de ziel, heet, dan ontvang je in je allerkleinste 10 sfirot al datgene, wat men ook in de meest grote 10 sfirot kan ontvangen, op een of andere schaal. En je kan dan over iets een oordeel vormen, een of andere woorden, waarin in je een zekere vulling zal verschijnen, begrijpen. Je bent al een aftakking van een of andere wortel.

De werelden zijn volkomen van elkaar gescheiden. Welk verband is er toch tussen hen? Waar is dat brugje, dat men over die afgrond kan slaan? Dit subtiel brugje is het correcte bestuderen van de Tora. Eenieder kan een boek openslaan. Bij een correcte studie zal het licht je achter zich leiden. Niet het innerlijke licht, omdat bij je geen keliem, geen masach, zijn. Maar het omringende licht.

Het correcte bestuderen van de Tora – dat is met behulp van ware bronnen, een ware leraar, een ware groep. Een gebed – dat is een gewaarwording of het werk van het hart. De mens dient de Schepper te smeken, dat moet een geschreeuw van het hart zijn. De mens weet niet, dat zijn hart schreeuwt. Soms in plaats van het hart zijn vlees schreeuwt.

Deze verdeling in zichzelf in twee delen – hartelijke en lichamelijke wensen – is een ingewikkelde zaak. Wanneer de mens zelf zich begint te haten, te verifiëren, kan hij op zichzelf geen invloed uitoefenen, maar hij begrijpt, wat hem bestuurt. Dat is de kennismaking met de essentie van de schepping.

Anders is hij een onbewuste gevangene van zijn egoïstische wensen: hij staat op, rent, iets wenst. Maar hij wenst datgene, wat in hem is ingeprogrammeerd. De mens dient in zichzelf een wens om mensen te geven af te scheiden van een wens voor een beloning ervoor – [en dat] in elke van zijn daad. Wij vervullen in feite alle altruïstische handelingen en bevinden ons in een volledige, ware geestelijke toestand. En indien wij van onze ogen alle egoïstische pleisters weg zouden halen, dan zouden wij dit beeld duidelijk zien.

Zo ook de Schepper, door het voortzetten van de menselijke geslacht te wensen, gaf aan de mensheid een genieting van een geslachtsgemeenschap, van het voortbrengen van kinderen, gaf er een zorg voor, e.d. De Schepper wint de mens erdoor [voor Zichzelf]. Er zijn twee engelen, welke de mens naar zijn doel leiden. Engelen – dat zijn geestelijke krachten, de kracht van de Schepper. Dat is als in onze wereld een paard. Een engel – dat is een robot. De ene drijft de mens met het egoïsme voort, de andere – trekt hem tot andere altruïstische engelen aan.

LICHAAM EN ZIEL

 

Voordat wij een zulk hoog probleem zullen gaan behandelen, is het noodzakelijk om op te merken, dat het aan eenieder, die deze kwestie tracht te begrijpen, lijkt, dat het onmogelijk is om op een of andere manier deze begrippen, die in onze verbeelding zo verschillend zijn, te combineren.

“Vanaf het moment, dat ik mijzelf in de wetenschap “Kabbala” gevonden heb”, - schrijft Baal Soelam, - en mijzelf eraan volledig overgaf, nam ik afstand van allerlei filosofische, abstracte, algemene begrippen, categorieën en leren”.

Het getuigt van het feit, dat hij weleens ervoor warmliep. Alles, wat hij later schreef, schreef hij alleen vanuit het standpunt van de meest pure wetenschap van het bevatten op basis van ons bespiegelend onderzoek.

En ondanks het feit, dat in al zijn werken hij over die kwesties had gesproken, was dat alleen maar om het onderscheid te onderstrepen tussen deze 2 begrippen onderling – het begrip en het besef van een gewone menselijke redenering en het begrip en het besef uit de Tora en profetische visioenen, welke op puur voelbare indrukken gebaseerd zijn.

Hij wenst nu ons te vertellen over de categorieën “lichaam” en “ziel” in die vorm, waarin zij waarlijk bestaan, omdat de waarheid en het verstand – dat is hetzelfde. De waarheid is voor elke mens in zijn bewustzijn en gewaarwording weggelegd. Alleen op basis van voorstellingen van onze Tora zijn wij in staat om alle abstracte begrippen uit het door allen onvoelbare gebied eruit te halen en ze in een zulke vorm aan de massa’s te presenteren, waarin zij dat in de ware vorm zouden kunnen gewaarworden en zich voorstellen.

Alle voorstellingen over de ziel en zelfs over het lichaam gaat van categorieën uit, die van onze wereld absoluut geabstraheerd zijn. daarom is het onmogelijk om deze abstracte begrippen aan massa’s op elke andere basis dan ook te presenteren, behalve op basis van de Tora.

Rabbi Sjimon zelf kon “Zohar” niet schrijven, omdat hij alles zo duidelijk zag, dat hij niet op een met anderen overeenkomstig niveau kon afdalen en dat in een bepaald gewaad in te hullen. Daarom gaf hij de volmacht aan één van zijn leerlingen – rabbi Abba ervoor, die de meest moeilijke in het uiteenzetten dingen in de meest eenvoudige vorm kon uiteenzetten. Maar hij, die niet moest begrijpen, begreep niets. Alles was - om zo te zien - eenvoudig geschreven, allen begrijpen. Maar in werkelijkheid, hij, aan wie alles duidelijk is, begrijpt niets.

Dat is een zeer ingewikkeld begrip, welk met het Hoogste verbergen te maken heeft. Het is niet eenvoudig om aan een mens onze wereld te presenteren, zodat hij zou voelen, dat – om zo te zien – alles voor hem ter beschikking staat. Maar het voornaamste, geestelijke deel, is verborgen en de geestelijke wereld zelf van ons verborgen is; doch voelen wij er geen enkel behoefte aan.

Zodat een tekst in een mens die vragen niet zou oproepen, welke hij voorlopig hoeft niet te weten. En, omgekeerd, een andere mens op een passende manier zou opwekken. Of één dezelfde mens, nu – opwekken, dan weer stoppen op te wekken, afhankelijk van zijn inspanningen, werk, een tijdsgebonden factor.

D.w.z., het onthullen is altijd het verbergen. Op alles, wat wij ook bevatten, maken wij een masach, kaatsen het licht, dat tot ons komt, weer. Wij schrijven met onze wensen met zwarte letters op de witte achtergrond. En alleen dat, wat wij met onze egoïstische keliem met behulp van een masach kunnen opschrijven, is met name die wijsheid, welke wij naar binnen kunnen ontvangen.

Daarom was het bijzonder verbergen nodig, om aan massa’s een zulk boek als “Zohar” te presenteren. In het bijzonder, wordt daar beschreven, hoe rabbi Sjimon huilde: “Indien ik hem zo zal opschrijven, dat het aan allen begrijpelijk zal worden, dan zullen de zondaars weten, hoe voor de Schepper te werken. Indien ik het echter niet zal opschrijven, hoe zullen dan rechtvaardigen weten, hoe voor de Schepper te werken?”.

Rechtvaardigen en zondaars, bevinden zich, zoals wij weten, in één persoon. Dat zijn twee wensen in één mens. D.w.z., het probleem, welk eerder in een primitieve vorm uiteen werd gezet, is gecompliceerder dan het ons leek. De zondaars hebben sowieso “Zohar” niet nodig. En rechtvaardigen zullen sowieso vinden en bestuderen. Het probleem is, dat het allemaal in één mens is.

Aan rechtvaardige eigenschappen zult het van nut zijn, maar onrechtvaardige zullen een zulk klap ontvangen, dat zij zullen ophouden te bestaan. Dat en veel meer vormt een kunst van het uiteenzetten van geheimen categorieën, de geheime leer. Er zijn dingen, waarover het verboden is te spreken. Een mens, bij wie nog niet veel verstand is, zal denken, dat men niets hoeft te vervullen.

Bij de Schepper bestaat Zijn plan, welk allen eer of laat tot het einde der schepping zal brengen. Maar ik zal er geen hand voor uitsteken. Als mijn tijd aankomt, zullen zij mij een duwtje geven, dwingen, maar voorlopig zal ik in het zonnetje liggen te zonnen en de kat uit de boom kijken.

Indien de mens zo redeneert, d.w.z., hij ontkent ten volle de weg van het geloof boven kennis, dan mag men zulk mens berhaupt niets zeggen, omdat elke kennis zal hij zodanig draaien, om niet te doen of zo te doen, als hij wenst. De Tora kan men op verschillende manieren bestuderen. Zij is ter correctie van het egoïsme geschapen. Maar er bestaat altijd een mogelijkheid om haar voor elke egoïstische wens aan te passen.

Bij Baal Soelam zijn er teksten, welke hij voor zichzelf schreef, er zijn passages, welke men niet anders mag lezen, omdat elke andere wijze van het lezen zou in een of andere mate de innerlijke zin van deze artikelen anders onthullen en daardoor zou een onvoorbereide mens een schade oplopen.

Een onvoorbereide mens is hij, bij wie nog geen scherm op het onthullen van het licht van een bepaalde trap voorhanden is, zelfs indien deze onthulling indirect is, in de vorm van het licht zonder kennis. Men mag geen kennis aan een mens doen toenemen, indien hij nog niet door het geloof boven kennis kan gaan.

Daarom bestaat één van de drie stelregels van het verbod om de Kabbala te onthullen in het volgende: wanneer zij een mens verhindert om zich verder te ontwikkelen. Het begrip van de waarheid op basis van de geest der heilige Tora dient datgene aan het licht te brengen en te belichten, wat aan de massa’s onbegrijpelijk is, welke massa’s de Tora zeer oppervlakkig en primitief opvatten. Zij begrijpen alleen uiterlijke kledijen, waarin de Tora is ingehuld. In werkelijkheid echter zijn dat de wetten van het heelal. Laten wij nu zulke begrippen als “ziel” en “lichaam” aan het licht brengen.

Uit veelvuldige aanpakken in het bepalen van deze twee begrippen kan men 3 belangrijkste concepties onderscheiden:

De eerste is: van alles wat bestaat is er niets, dat niet uit een ziel zou bestaan. Zij, die deze benadering aannemen, geloven, dat er een of andere geestelijke objecten zijn, welke van elkaar gescheiden zijn, en met name zij heten zielen der mensen. Maar zij onderscheiden zich van elkaar door hun eigenschappen en bestaan volkomen zelfstandig.

Voordat zij naar beneden neerdalen en zich in menselijke lichamen inhullen, zijn zij zelfstandig in een of andere dimensie. En na een beëindiging van het fysiologisch bestaan van het lichaam, zetten de zielen hun bestaan voort, zoals vóór hun inhullen in het lichaam. Het geestelijke is in principe eenvoudig, niet samengesteld, en daarom aan geen veranderingen onderhevig is. Zoals, bijvoorbeeld, een steen in onze wereld.

Het begrip dood wordt door de aanhangers van deze theorie gezien slechts als een ontbinding van het fysiologisch lichaam in zijn componenten, waaruit het bestaat (eenvoudige elementen van onze wereld). En daar het fysiologische lichaam – het voortbrengsel van onze wereld is, kunnen hem zulke processen van onze wereld beïnvloeden, als een geboorte en dood.

Het verwekken van een nieuw lichaam wordt bewerkstelligd door een verbinding in zich van een groot aantal elementen. Natuurlijk, dat zijn dood is met het omgekeerde proces verbonden – met een ontbinding in afzonderlijke elementen. Maar behalve het lichaam, bestaat nog nefesj roechanie. Zij is absoluut eenvoudig, men kan haar niet in onderdelen verdelen, en dat betekent, dat een fysiologische dood van het lichaam geen beëindiging van haar bestaan kan veroorzaken.

De ziel is eeuwig. Zij wordt alleen in een lichaam ingehuld en via hem onthult zij haar krachten, toont het streven naar kennis, gewaarwording en bevatting. Deze geestelijke substantie geeft aan het lichaam leven, beschermt hem van ziekten, van verschillende problemen, van nadelen en schadelijke elementen.

Vandaar, dat indien een lichaam zonder ziel overblijft, is het roerloos en kan niet bestaan. Zelfs indien de ziel gedeeltelijk van het lichaam uitgaat (de toestand van slaap), dan blijft het lichaam ook in een onbeweeglijke toestand. En indien de ziel hem volledig verlaat, dan wordt het lichaam als een dood materiaal geacht, zelfs niet als een vegetatief.

Daarom zijn alle tekens van leven van een lichaam – dat is het zich bevinden in hem van de Hoge god-delijke substantie, welke via hem werkzaam is, via hem haar karakter vertoont, haar kwaliteiten. Maar het lichaam zelf is niets, een puur dood object. Als een kleding. Trek je pak aan – zou je zeggen, dat een pak loopt, schoenen lopen. Maar wij begrijpen, dat het een mens loopt.

Wij onderscheiden, dat binnen een lichaam een ziel zich bevindt. Vandaar, dat wij zeggen, dat een lichaam leeft. In feite, zijn dat allemaal eigenschappen van de ziel. Alles, wat wij hebben nu uiteengezet, behoort tot de eerste dwaling van de mensheid in het perceptie van een ziel en een lichaam. Waarom een dwaling? Het lijkt ons zo verstandig. Daarom juist een dwaling.

Filosofen zijn verstandige mensen. In de Tora is geschreven: “In de wijsheid van goim dien je te geloven. Maar de Tora hebben zij onder hen niet”. Deze benadering wordt gehanteerd praktisch door de gehele mensheid: én goim, én religieuze joden.

De gehele mensheid ontkent de Schepper, de Hoogste kracht, alsmede het bestaan in een lichaam van een of andere geestelijke substantie, niet. Dat is allemaal een goddeloze benadering voor een verklaring van het feit, dat een lichaam en een ziel bestaan, dat een ziel via een lichaam haar wetten oplegt. Bovendien deze aanpakken zijn dermate globaal, dat het onmogelijk is eruit te komen.

Men kan zich reëel ervan losmaken alleen in die mate, waarin een mens van een filosoof een jehoedie wordt, uit een goi – een jood.

De tweede conceptie. Deze benadering bestaat daarin, dat een lichaam wordt als een volledig volmaakte schepping beschouwd, welke schepping zich zelfstandig kan voeden en onderhouden, heeft absoluut geen hulp van de kant van een of ander tijdelijk geestelijk object nodig, welk object om een of andere reden in hem geplaatst zou dienen te worden.

En het lichaam behoort in het geheel niet tot de essentie van de mens, welke essentie in zijn verstand is besloten. En deze essentie (dit verstand) is eigenlijk geestelijk, zoals in de eerste benadering, en het onderscheidt de mens van levenloze, vegetatieve en dierlijke delen van de natuur.

Het verschil tussen deze twee aanpakken is alleen in de kwestie van een lichaam. In het gegeven geval, kan een lichaam volkomen zelfstandig bestaan, zonder welke hulp van de kant van een god-delijke inmenging dan ook, zoals in de vorm van een ziel, die van boven neerdaalt. Een lichaam is zogenaamd een machine. En voor een ziel blijft in een lichaam geen plaats, er is er geen behoefte in. Behalve, indien het sprake is van het veredelen en het aangeven aan een lichaam van een of andere hogere eigenschappen. Beide concepties zijn erop opgebouwd, dat er een ziel en een lichaam bestaat. En het verschil is – in hoeverre een lichaam zonder ziel zelfstandig is.

De derde conceptie is de conceptie van weigeraars. Zij ontkennen in het geheel het bestaan van iets geestelijks en onderkennen het bestaan van een lichaam. Door het voorhanden zijn van een of ander geestelijk beginsel in de mens, hebben zij waarop te steunen. Al onze wetenschap binnen de grenzen van de materiële wereld bevestigt ons deze dingen heel goed in de mate, om voor ons lichaam te zorgen, hem te genezen en te bestuderen. Deze aardse benadering is alleszins voldoende en er hoeven geen aanvullende axiomen te zijn over het bestaan van de ziel.

De aanhangers van deze conceptie stellen een lichaam voor in de vorm van een elektromechanisch systeem, welk als computer werkt, alsmede datgene, wat wij met behulp van de technologische biologie. En dit lichaam werkt volledig zelfstandig onder uitwerking van lijdens of genietingen (negatieve of positieve impulsen). En alles wordt in werking gebracht met behulp van het zenuwgestel.

De inzicht is heel eenvoudig, aan allen begrijpelijk, verstandelijk, om zo te zeggen, binnen de grenzen van onze wereld. Praktisch alle vragen, welke bij de mens over het bestaan van het lichaam kunnen ontstaat, kunnen door deze benadering bevredigend beantwoord worden, tot aan het modelleren van biosystemen.

Er behoeft geen god-delijke inmenging. En alle praatjes over het bestaan in de mens van een verstandelijke benadering – dat zijn fantasieën, welke buiten de perken van het gewone dierlijke lichaam zijn. in ons lichaam zijn speciale systemen goed ontwikkeld, welke plaatjes de ons omringende wereld en hun combinaties voorstellen.

Ook in de Kabbala zeggen wij, dat indien wij [iets] niet zien, dan kunnen wij ons [dat] niet voorstellen. In principe is het onmogelijk om deze benadering tegen te spreken. En waarin dan het zich verheffen van de mens boven een dier is besloten? De mens onderscheidt zich van een dier daarmee, dat bij hem zijn hersenen meer ontwikkeld zijn. En dienovereenkomstig kan hij meer vooruitzien en approximeren, en daarom hij ook het verleden en de toekomst gewaarwordt, waarbij hij een voorraad van kennis uit vorige generaties gebruikt en, daar hij over een fantasie beschikt, gebruikt hij zijn ervaring vooraf.

Met name deze twee parameters onderscheiden de mens van een dier, waarbij zij hem tot het hoogste wezen maken alleen wegens zijn meer complexe berekeningssystemen in het organisme.

Er zijn tevens aanhangers van de tweede conceptie, welke volledig eens zijn met deze derde conceptie, terwijl zij zeggen, dat hoewel in de mens iets geestelijks bestaat, het is afdoende voor hem om ook zonder de ziel te bestaan. D.w.z., een lichaam bestaat afzonderlijk, en de ziel kan in hem [soms] inbedden, maar kan ook [soms] niet. Maar zij voegen toch eraan toe, dat er een eeuwige ziel bestaat, welke een lichaam bekleedt, zij is echter de kern van de mens, maar het lichaam is gewoon een uitvoerder, het mechanisme van deze ziel.

Daarop beëindigde Baal Soelam de beschrijving van 3 aanpakken, welke de mensheid uitwerkte op zulke begrippen als ziel en lichaam. En nu gaan wij bekijken, hoe benadert begrippen “lichaam en ziel” de heilige Tora. Wat betekent Tora? Dat is datgene, wat de wijzen ons hebben gegeven. Waar kwamen zij dat te weten? Omdat zij stegen in hoogste geestelijke categorieën op, zagen en vertelden ons hun gewaarwordingen door het gebruik van een of andere woorden.

De wetenschap Kabbala is eveneens op het onderzoek opgebouwd, maar het is niet theoretisch, op een of andere stellingen opgebouwd, voor welke men vervolgens naar een bevestiging in het leven wordt gezocht. Er wordt in de regel een experiment ter verificatie van deze stellingen gesteld. En op die manier de theorie wordt bevestigd, verworpen of blijft als een hypothese over.

Het verschil van deze aanpakken met de kabbalistische benadering bestaat daarin, dat de laatste volkomen praktisch is. Er is geen sprake van theoretische veronderstellingen, en vervolgens hun experimentele verificatie. De mens [verblijft] qua zijn natuur altijd in twijfels. Bij hem ontstaan voortdurend vragen, waarop hij antwoorden zoekt. Indien een antwoord hem niet bevredigt, dan zoekt hij naar een ander of verwerpt de vragen zelf. In plaats daarvan verschijnen meer complexe, diepere [vragen]. D.w.z., een antwoord verwerpt niet zichzelf, maar een gestelde vraag.

Daarom hebben alle drie aanpakken geen voortdurende oplossing, want zij zijn op filosofische menselijke beginselen opgebouwd, die niet op iets absoluuts zijn gebaseerd. En een absoluut antwoord kan pas dan worden ontvangen, wanneer de mens tot de wortel van het ontstaan van zijn ziel, lichaam, opstijgt, en daar bepaalt, wat is dat toch? Waarom wordt het voor onze ogen, in onze gewaarwordingen, in die of die vorm voorgesteld?

Het is onmogelijk te begrijpen, wat een lichaam en een ziel zijn, zonder zich boven onze wereld in de hogere werelden op te stijgen op het niveau van het verwekken van een lichaam en ziel. Indien een mens niet op al was het maar de allerlaagste geestelijke trap opgestegen was, kan hij niet verklaren, wat zijn essentie is, omdat in onze gewaarwordingen deze begrippen onbevattelijk zijn.

Wij kunnen ons het ware beeld van de wereld niet voorstellen. Het werd meer dan eens gesproken, dat niets verandert. Dat er één eenvoudig licht van de Schepper bestaat. En alle werelden bevinden zich binnen de mens zelf. Maar bestaat dan de mens zelf? Of evenmin als de werelden bestaan, zo bestaat ook de mens zelf niet?

Wat zijn dan wij en de ons omringende werkelijkheid? Indien alles binnen ons bestaat, dan is dat in onze waarneming, in onze gewaarwording. Kunnen wij door onze wereld waar te nemen, andere werelden gewaarworden? Indien alle werelden en wij zelf alleen in onze gewaarwording bestaan, is dan de vraag over ziel en lichaam op zijn plaats? Of is dat onze tijdelijke gewaarwording van de schepping? Wat betekent de schepping? Is dat datgene, wat de Schepper schiep? En daar behalve het licht van de Schepper niets bestaat, wat schiep dan de Schepper? Iets dat tegenovergesteld is aan het licht? D.w.z., het ontbreken van het licht?

Ja, het enige, wat Hij deed – dat is het inperken van het licht, zijn ontbreken. En een gewaarwording van het ontbreken van het licht heet schepping. En haar essentie zijn gradaties van een gewaarwording van het ontbreken van het licht. en aangezien wij in onze wereld de Schepper in het geheel niet gewaarworden, kunnen wij dan op een zulk laag niveau berhaupt onderzoeken, wat onze essentie is, d.i. door ons lichaam en onze ziel?

Praktisch is er geen lichaam en ziel. Vanuit het standpunt van de Kabbala bestaat een licht en een klie, een wens op van dit licht te genieten. Alleen verschillende gewaarwordingen van de wens om te genieten brengen verschillende vaten voort – de zintuigen voor het waarnemen van het licht, een perceptie van de Schepper. Deze verschillende maten, gradaties van een gewaarwording van het licht vormen een gewaarwording van zichzelf, een gewaarwording van zowel zijn lichaam, als zijn ziel.

In de kabbalistische terminologie betekent het begrip “lichaam” – de wens om te genieten, en “ziel” in de Kabbala – dat is het licht, welk een genieting met zich meebrengt. Gewoonlijk, wanneer wij over deze categorieën spreken – over lichaam en ziel in de geestelijke zin, dan onderstrepen wij voortdurend, dat het in het geheel niets met ons fysiek lichaam te maken heeft, omdat een lichaam in het geestelijke heeft een geheel andere wens, dan ons fysiologisch lichaam, maar het verschil is alleen in de wens.

Een geestelijk lichaam is van een scherm van een anti-egoïstische kracht voorzien, maar zijn essentie is dezelfde – de wens om te genieten. Dat schiep de Schepper, en dat is volkomen onveranderlijk. Kliepot – onreine krachten, wensen om van de Schepper te genieten.

Het verschil tussen kliepot en ons is, dat bij ons is de wens voor het genieten voor onszelf, d.i. ner dakiek, aanwezig. Wij en kliepot – het verschil is, om zo te zeggen, kwantitatief, en niet kwalitatief. Natuurlijk, bestaat er een enorm verschil tussen onze wensen en die van kliepot. Maar in principe is dat één soort. Dat is hetzelfde licht van de Schepper, die in kliepot en in ons binnenkomt, en al de materiële schepping doet opleven. Er is geen andere bron, geen andere oplevende kracht.

Wat is dan een fysiologisch lichaam en een ziel? Waarin is hun verschil van geestelijke lichaam en ziel? Het is onmogelijk om simpelweg te antwoorden, dat ons fysiologisch lichaam – dat is een klein deeltje van het egoïsme, [terwijl] kliepot – een groot deel van het egoïsme. Een geestelijk lichaam – dat is hetzelfde als kliepot, maar met een scherm, maar het licht, dat hen vult, gaat van één bron uit – de Schepper. En het verschil is alleen in de mate van dit licht, in zijn hoeveelheid en zelfs in kwaliteit. Dat is niet duidelijk antwoord.

Omdat al deze wensen, welke lichamen heten, puur geestelijke, of niet-puur geestelijke, of allerlei objecten in onze wereld – al deze wensen zijn door de Schepper als een verenigde wens zijn geschapen. Daarom, wanneer wij zeggen, dat in de mens zich alle werelden bevinden, dan hebben wij geen recht om de mens in een of andere componenten te verdelen, en te achten, dat ergens apart zich zijn geestelijk lichaam bevindt, maar hier zijn fysiek [lichaam], en daar – kliepot, welke trachten tot ons ergens vandaan door te kruipen en vechten tegen reine krachten, terwijl wij aan de zijkant blijven staan.

Nee, dat bestaat allemaal binnen onszelf en vormt een heel object, dat “mens”, schepping, heet. Adam – dat is het enige, wat is geschapen. Al het overige – dat zijn krachten binnen hem. Men dient het één van een ander te scheiden, laten wij proberen woorden voor het uitleg te vinden, maar niet met behulp van directe, doch indirecte verklaring. Laat het op zijn minst datgene begrijpelijk zijn, wat onjuist is. Maar dat, wat wel juist is, zal zich geleidelijk ophelderen. Dat hangt van een toestand van de mens. Nu wordt het hem meer begrijpelijk, dan weer minder. Niestar ve niegle.

Onze wetenschap kwam al tot de ware en absolute conclusie, dat er niets absoluuts in ons omringende werkelijkheid bestaat. Dat is de enige ware conclusie ervan. Maar onze wijzen kwamen al enkele duizenden jaren geleden tot dezelfde gevolgtrekking zonder wetenschappelijke vooruitgang.

Zelfs aan de eerste kabbalist, welke alles door zijn eigen ervaring zag en bevatte, was dat al bekend. Daarom dienen wij, wat de wetten van de Tora betreft, welke wetten door de wijzen op basis van hun geestelijke bevattingen waren beschreven, in geen geval een of andere van onze conclusies op basis van onze verstandelijke overwegingen te trekken. Zelfs zeer degelijke overwegingen “door het gezond verstand” – zoals de Oud-Griekse filosofie. Immers de filosofie was toen op het allerhoogste niveau.

Onze wijzen verdelen al onze voorstelling over de wereld in twee delen: het openlijke (niegle) en verborgen (niestar). Het eerste deel – dat is datgene, wat ons duidelijk is en wat zich vóór onze ogen bevindt. Ik sluit geen innerlijke verbanden tussen objecten in.

Dit openlijk gebied wordt voortdurend uitgebreid. Gisteren wisten wij niet, wat er stralen zijn. vandaag zijn wij met röntgen stralen bekend, met atomen en andere vertoningen van de wereld, d.w.z., geleidelijk wordt onze omvang van de onthulde natuur uitgebreid. En naar mate onze ontdekkingen kunnen wij terecht volgens ons verstand handelen. Omdat deze dingen zijn reeds in onze bevatting binnengekomen, zij zijn niet verborgen.

En het tweede deel, welk in onze gewaarwordingen niet binnenkomt of niet met behulp van meetapparatuur waargenomen wordt (welke apparatuur breidt weliswaar onze gewaarwordingen uit, doch voegt de nieuwe niet eraan toe), is van ons verborgen en heet niestar. En in deze gevallen, waar wij onze gewaarwordingen tekortkomen, waar wij duidelijke eigenschappen en heldere verbanden tussen dingen niet kunnen zien, beginnen wij ons verstand, onze logica erbij halen.

Indien wij met behulp van meetapparatuur datgene, wat zich voordoet duidelijk zien – dan is dat het openlijke deel van de natuur. Indien niet – dan is dat het gesloten deel van de natuur, de schepping. Alleen in deze twee delen kan men de gehele schepping, de gehele ons omringende werkelijkheid, met inbegrip van de Schepper, in onze gewaarwordingen indelen: in een door ons duidelijk bevatbaar [deel] en in dat [deel], welk voorlopig buiten de perken van onze gewaarwordingen, bevattingen uitsteekt.

Voor elke mens kan het anders zijn, voor een groep mensen kan het iets gemeenschappelijks zijn. Het doet er niet toe. Altijd kan men een indeling maken in niegle en niestar. Natuurlijk, ten opzichte van wie en wat. Hier spreken wij over het onderzoek van de werkelijkheid, welke zich om ons heen bevindt, over datgene, wat deze realiteit in ons oproept, over datgene, hoe wij zogenaamd buiten deze werkelijkheid kunnen fantaseren en een of andere beelden bedenken, zulke, als uitingen van muziek, kunst.

Dat is het voortbrengsel van de menselijke verbeelding en heeft niets met het bevatten door de mens van de hem omringende wereld te maken. Daardoor bevat hij meer zichzelf, op welke wijze kan hij zijn gevoelens uiteen. Maar een cultuur behoort niet tot de wetenschap.

Een cultuur – dat is alleen een taal, nog één taal van uitingen van een mens. Daarom behoort zij niet tot een bevatting, maar tot een uiting van datgene, wat niet met woorden overgebracht wordt. Het onderwerp van ons onderzoek – is een perceptie, terwijl “kunst” tot het uitdrukken van een perceptie behoort. De musicologie houdt zich niet bezig met een kwestie in hoeverre precies een gegeven muziek de waarheid van onze gevoelens weergeeft, en met name van wat, van welke perceptie, e.d.

Wat de mens gewaarwordt bij een of andere bepaalde uitwerking op hem van het licht en op welke manier hij dat weergeeft – dat behoort al tot de kabbalistische benadering. Ik zou zeggen, dat de muziek, literatuur, beeldende kunsten zijn het gebed van de mens, een wens van het hart voor die bron van een genieting, welke in hem ontstond.

Evenmin als wij de psychologie zelf en de psychiatrie niet binnen de wetenschappelijke grenzen kunnen insluiten, omdat zij tot de ziel van de mens behoren, tot zijn innerlijk deel. Daarom vormen zij de meest zwakke kanten van de geneeskunde. En met een gewone aanpak is het hier onmogelijk iets te doen.

In principe is er niets, behalve het licht van de Schepper, welk licht ons omringt, en zijn ontvanger – het egoïsme, een reactie, welke dit licht in hem oproept, van die gewaarwording, welke het egoïsme van het licht waarneemt. En alleen daarover kan men spreken. Daarom in alle willekeurige gevallen, op alle niveaus, kunnen wij het bevatten van een klie verdelen in die, welke in hem van het licht onthuld worden en die, welke hem wegens het niet bevatten door hem van het or makief nog ontoegankelijk zijn.

Gewaarwordingen, welke daarbij in een klie, een vat, de mens, onthuld worden, heten “tfiela” – een gebed, “man”. Die dienen niet in een of andere taal vertaald te worden. Datgene, wat je direct in je hart voelt, binnen hem, wanneer dat nog niet tot het hoofd doordringt, tot je bewustzijn – deze gewaarwording heet je waar gebed. Het is diep van de mens verborgen.

Dat is zijn echt gebed tot de Schepper zonder enige onze inmenging, welk [gebed] alleen van datgene afhankelijk is, wat wij ontvangen. Omdat het egoïsme zelf – is niets, het wordt zogenaamd in werking gebracht alleen onder invloed van het licht op hem. En juist deze innerlijke gewaarwording, wanneer de mens tracht hem steeds meer aan het licht te brengen, al zijn facetten, eigenschappen, nuances, uit zich op alle gebieden van de menselijke activiteit. Dat is muziek, literatuur, schilderkunsten, dans, e.d. zowel bij de oermens, als bij een moderne mens.

Een kunst – dat is een taal van de mens, alleen meer innerlijk. Bij de mens zijn er veel van zulke talen. En de meest innerlijke taal – dat is zijn uitwerking in het uiten van zichzelf, wanneer zij, die hem omringen, hem gewoon waarnemen, zonder enige duidelijke overbrenging van zijn gewaarwordingen. Een goede oog, slechte, hypnotische uitwerkingen – dat is allemaal een taal van de mens.

De mens gewaarwordt het licht in zichzelf in gradaties. Een of andere hoeveelheid gewaarwordt hij, en een of andere - niet. De hoeveelheid licht, welke hij gewaarwordt, tekent in hem een bepaald beperkt beeld van een volle werkelijkheid, die niegle heet – door hem onthuld [deel van de werkelijkheid].

En het licht, dat door hem nog niet gewaarword wordt, verbergt van hem een beeld van een of ander deel der werkelijkheid, dat niestar heet – het verborgen [deel van de werkelijkheid]. En dat is allemaal strikt subjectief ten opzichte van eenieder mens en afhankelijk van zijn geestelijke toestand verandert het.

Indien wij een vol beeld van de werkelijkheid zullen zien, dan zullen wij alleen het eenvoudige licht zien, dat de gehele schepping vult, niet meer. En dat is de waarheid. Alle andere beelden – dat is een tekening van ons egoïsme op de witte achtergrond, in het licht van de Schepper. Datgene, wat wij om ons heen, binnen onszelf, waarnemen, - dat is in principe hetzelfde, is met name een schaduw van onze egoïstische eigenschappen op een witte achtergrond. Je ziet een schaduw van datgene, wat je op de weg van het licht plaatste. Je plaatste, laten wij zeggen, je hand op de weg van een gelijkmatig licht, je zag een schaduw van je hand.

Wat betekent, ik zie je? Wat betekent, ik zie iets om mij heen? Ik zie mijn egoïstische eigenschappen, welke het licht van mij afschermen. En dat wordt in onze wereld als niegle geacht. Volkomen omgekeerd. En het licht zelf is voor ons niestar. En in die mate, waarin ik het licht zal beginnen te bevatten, zal ik hem in plaats van een of ander beeld van onze wereld zien. D.w.z., de schepping is zodanig geschapen, dat zij alleen in haar eigen eigenschappen kan zien.

Wij kunnen de Schepper niet direct gewaarworden, wij gewaarworden ons egoïsme, dat op een witte achtergrond staat, wij gewaarworden een uitwerking van het licht op ons. Net zoals in mijn voorbeeld met een zwarte doos, welke de mens juist is. Er komt licht op een of andere manier binnen, drukt van buiten, roept een of andere reacties op.

Juist deze reacties van het egoïsme op het licht heten voor ons niegle. En nog niet onthulde uitwerkingen van het licht op ons – niestar. Alles, waar wij het nu over hebben, behoort tot het voorhanden zijn van een scherm. En indien het er niet is, dan valt er nergens over te spreken. Door middel van een scherm ziet de mens, welke reacties bij hem op het licht ontstaan. En zonder een scherm kunnen wij niets weten, waarop en welke reacties bij ons ontstaan.

Daarom werkte de mensheid 3 aanpakken uit bij het bepalen van begrippen “ziel en lichaam”. De mensheid ziet geen waar beeld van datgene, wat beïnvloed haar en welke is reactie erop. Daarom ontstaan er allerlei dualiteiten in. Het staat ons nog voor de boeg om de vraag te beantwoorden: “Wat bestaat er toch in werkelijkheid?”.

Daarom maakten onze wijzen van tevoren een omheining om ons heen, door te zeggen, dat in het zien van de mens, in zijn recht, in zijn kracht, bestaan alleen zulke eigenschappen, kennis, welke hij ziet, duidelijk ontvangt, zonder enige inbreng daarin van zijn filosofie, zijn verbeelding, zijn theorieën, d.w.z. alleen niegle. Alleen daar hebben wij het recht om op te steunen.

Het onthulde deel van de werkelijkheid heet dat, wat in niemand twijfels oproept, dat de wetenschap wordt als een feit geacht, dat men door experimenten bevestigen kan, hetzelfde resultaat hebben zonder enige secundaire theorieën.

Er is een prachtige vers in de Tora: “Een rechter beschikt over niets anders, behalve datgene, wat zijn ogen zien”. Geen geloof. Geloof heet Chassadiem. Kennis heet Chochma. Ogen – het licht Chochma. Alles, wat je ziet – dat is het feit. Op het overige bestaat bij eenieder zijn eigen filosofie. Al het overige heeft in het geheel geen betrekking tot de werkelijkheid, maar tot onze gedachten, belevenissen behoort. Wij hebben geen recht om dat te gebruiken, maar, in weerwil van datgene, wat gezegd is, gebruiken wij dat en vergissen ons.

En daarin is onze tragedie. Wij brengen allerlei theorieën naar voren, eenieder volgens zijn egoïsme. Vandaag, wanneer wij de geestelijke sferen, de geestelijke werelden, beginnen te bestuderen, beginnen wij pas begrijpen, in hoeverre wij niets begrijpen. En hoe meer wij zullen leren, des te meer zullen wij ons vergewissen, dat onze natuur is volledig tegengesteld aan die van de geestelijke, dat onze kennis overeenkomt niet met de waarheid.

Kunt u u voorstellen, in hoeverre een mens zich vergist, die denkt, dat hij het gehele heelal bevatte, dat hij precies weet, hoe dat allemaal draait. Immers hij sluit alles in zijn hoofd in, waarbij hij het geestelijke in het geheel ontkent. Alleen daar, waar wij ons egoïsme wensen te gebruiken, beginnen wij onze theorieën bij te betrekken, wensen al het geestelijke voor ons op onze knieën te dwingen, te zeggen: “Kijk, op die manier bestaat het, zo werkt het”.

Wanneer de mens zo zegt, dan stelt hij zich boven de Schepper. Hij zegt niet: “dat is mij bekend”. Hij zegt, dat ik alles weet, alles is onder mij. Ik heers. Waarin bestaat zijn koninkrijk? In zijn wensen, in een mening van een dwaze – ik weet alles. Men mag geen theorieën betrekken.

Wat betekent: “Emoena lemala mie daat”? Indien er dat deel van de werkelijkheid bestaat, welk wij als de waarheid noemen, omdat het ons in een strikt wetenschappelijke vorm is onthuld, door degene, die bevat, en datgene, wat bevat wordt, dan juist op dat openlijke deel dienen wij volgens onze wijzen te steunen.

Het geloof boven kennis heet datgene, wat in weerwil van mijn kennis, die mij zegt, dat de wereld zus of zo is ingericht, treed ik zo op, als de wijzen zeiden. Ik maak een scherpe scheiding tussen het voor mij openlijke en verborgen delen van de schepping. Ik weet precies, bevat datgene, wat zich vóór deze grens bevindt, d.w.z., in het openlijke deel, en begrijp, dat het allemaal in tegenspraak is met het bestaan van de Schepper, Zijn goed bestuur, des te meer aan het bestuur ten opzichte van mij.

En, ondanks het feit, dat ik voor mijzelf niegle duidelijk heb onthuld, ga ik in weerwil ervan, treed zo op, als niestar – het verborgene – is ingericht. Ik maak gebruik van niegle, als een steunpilaar voor het uitkomen in niestar, als een bevestiging van het feit, dat ik ertegenaan ga, ga ik “lemala mie daat” – boven het verstand en kennis. Men dient nauwkeurig na te gaan, zich te verifiëren en over het verstand te beschikken, onophoudelijk te beseffen, dat hij de Schepper niet voelt, dat hij alleen het slechte waarneemt – en er boven te gaan.

Niet zeggen tegen zichzelf, dat alles goed is, ik ben met alles tevreden, de Schepper is goed, e.d. dat schakelt alleen maar uit de werkelijkheid uit, het wordt geen “boven het verstand”, boven niegle genoemd. Dat is gewoon een naakt klein fanatisme, wanneer je onder je verstand gaat. Je steunt niet op het verstand, als een basis, waaruit de weg omhoog loopt. Zij, die op alles hun ogen dichtdoen, schreeuwen, bidden, nemen alles aan, gaan met het geloof onder kennis.

Een zulke toestand geeft geen geestelijke vooruitgang en heet “domem de kdoesja” – een levenloze heilige. Hij gelooft in de Schepper op zijn klein niveau, alles vervult, dat zogenaamd de Schepper en de wijzen zeiden, dat in boeken staat opgeschreven.

Zo bleef het joodse volk 3000 jaar zeggen. Zo gaat de massa, en zij kan niet anders. Op die manier bestaat het levenloze, terwijl het op één plaats blijft steken. Het levende – het leeft omdat het groeit, ontkent een ontkenning (de wet van het ontkennen van een ontkenning), het verifieert zijn toestand, ontkent hem, acht een volgende toestand als een betere, streeft ernaar. Daarin bestaat juist de kracht van de gehele mensheid! Men dient zich nauwkeurig te kennen, zich voortdurend te controleren, zijn egoïsme in te sluiten en hem in het altruïsme te veranderen.

Dit werk heet Kabbala. Wat betekent Kabbala? – Het ontvangen van hogere trappen, galoet, elokoet, heilige namen. Daarvoor is het nodig om de mens anders op te voeden, opdat hij vooruit zou gaan. De massa’s kan je daarmee niet opvoeden, dat is alleen voor tientallen mensen in onze tijd weggelegd. Er was een tijd, wanneer er enkelingen eraan kwamen.

Daarom heet deze aanpak dan ook “in weerwil van het verstand, in weerwil van het zichtbare”. Maar daarvoor dient men duidelijk te beseffen, wat is zichtbaar. En waaruit bestaat het ons onbekende deel? Zij bestaat uit alle kennis – én die, waarover bij ons zelf het besef bestaat, dat zij – een bestaande waarheid is, én die, welke wij van mensen ontvangen, welke mensen wij vertrouwen.

Maar niet in die mate, dat wij tot hen kunnen toenaderen, dat op basis van een puur verstandelijke benadering verifiëren, duidelijk uiteenzetten en te gebruiken als werkelijkheid, welke zich binnen onze bereikbaarheid bevindt. Daarom heet dit deel onbereikbaar. Wij dienen hem zodanig waar te nemen, zoals onze wijzen ons hadden voorgeschreven: in de vorm van een eenvoudig geloof. En in geen geval dienen wij onderzoekingen, welke dan ook, te doen.

Wij dienen zeer duidelijk af te grenzen, datgene, wat wij wel kunnen begrijpen, en dat, wat onbevattelijk is. En datgene, wat wel bevattelijk is – uit te breiden en uit te diepen, doch in het onbevattelijke – alleen te geloven. Hem al een bewustgeworden werkelijkheid via organen van het geloof aan te nemen. Op die manier zal ik het bereik van het heelal, waarin ik leef, tot dat van een wijze uitbreiden, van een wijze aan wie ik met een eenvoudig geloof geloof.

Indien deze wijze in zijn boeken over datgene schrijft, wat hij bevatte, hoe van de Schepper een eenvoudig licht uitgaat, maakt alle werelden, daalt tot onze wereld af, hoe en waarvoor wordt het allemaal gedaan. En indien ik al deze met een eenvoudig geloof aanneem, dan leef ik in deze omvang, als in de werkelijkheid, en handel dienovereenkomstig.

Het eenvoudige geloof laat ons in elke toestand in een volle omvang van de schepping leven: alles, wat de Schepper schiep, bevindt zich binnen mijn gezichtsveld. Een deel van het beeld zie ik, neem waar, bevat en breid persoonlijk en met behulp van de omgeving uit. Maar dat, wat ik niet zie, wat van mij verborgen is, wat onbevattelijk is, vul ik met mijn gewoon geloof aan. Daarom niets hindert mij, niets een aanleiding geeft om mij te vergissen. En ik kan langs een volledig ware weg vooruitgaan.

Zo ook in onze wereld [het geval is]. Ik zal niet vallen, indien ik zie voor mij een weg (er wordt een reële zien bedoeld). En pas dan kan ik struikelen, wanneer ik iets niet zie. En dat partieel niet-zien roept mijn fouten op.

In ons begrijpen wordt het geloof als een zeer niet-serieus, onwetenschappelijk ding gezien, waar het onmogelijk is om de gehele werkelijkheid op te baseren – waar voor een verstandige mens niet de moeite waard is om erop te steunen. Maar een zulk geloof dient voor mij de realiteit te worden, eveneens als de mij omringende werkelijkheid, welke door onze egoïstische wensen waargenomen wordt, zakt in hen naar binnen.

Wij voelen door ons egoïsme, wat goed, correct is, zelfs indien dat ook niet zo is. Maar ik handel in overeenkomst met mijn egoïstische gewaarwordingen. En dat is mijn waarheid, hoe ik dat zie. Terwijl het onvoelbare deel wordt door mijn egoïsme verworpen. En ik kan hem, natuurlijk, niet aanvaarden.

En indien ik het egoïsme zal onderdrukken, in weerwil ervan zal gaan, dan in de mate waarin ik dat zal doen, zal ik met het eenvoudige geloof, het geloof boven kennis, zal kunnen geloven. En dit geloof is mijn strijd tegen mijn eigen egoïsme, tegen mijn essentie.

Alles sluit zich in één punt. Er is niets anders. In dezelfde schepping alles zich in één punt bevindt – in het egoïsme, welk door de Schepper geschapen is. Alles, wat ik gewaarword – dat is de waarheid, de werkelijkheid – niegle. Alles, wat ik niet gewaarword, is niestar. Een duidelijke scheiding van deze begrippen is de taak van hem, die vooruitgaat. En de taak komt erop neer, om het kwaad te beseffen.

Juist het kwaad hindert mij om het onbevattelijke deel niestar tot niegle toe te voegen. En ik kan in de correcte richting niet gaan. Ik kan langs de weg van het geloof boven kennis gaan. Mijn egoïsme hindert mij, het beseffen van mijn natuur als kwaad. Daarom blijft mij niet over, dan de Schepper om hulp te verzoeken.

Nu heb ik vele verschillende chaotische gedachten in mijn hoofd. Maar geleidelijk zullen ze zich allemaal in begrippen licht en vat verenigen. En uiteindelijk – in één enkel begrip – het licht van de Schepper. Dat behalve Hem niets bestaat.

Wanneer wij de Talmoed van 10 sfirot bestuderen, doen wij dan niet om te weten, maar om op ons een uitwerking van het omringende licht op te roepen, d.w.z., een uitwerking van het door ons onbevattelijk deel van de schepping. Het begint ons te schijnen, waarbij het een gewaarwording oproept, dat het onduidelijk bestaat. Dat heet met name niestar, datgene, wat wij in het algemeen vatten. Ik kan soms niestar gewaarworden, kan in een moeilijk te onderscheiden vorm weten, dat het om zo te zien bestaat, maar ik verlies mijn geloof in hem niet.

De mens, die zijn toestand niet wenst te controleren, zegt, ik wens niet te weten. Hoe minder ik zal weten en langs de weg van het geloof zal gaan, der te meer in – een heilige ben. Dat is het fanatisme. Het is nodig om niestar te bevatten. Men kan niet alleen met een blind geloof gaan. Dat is het op één plaats blijven steken, er is geen vooruitgang. Zulke mensen wensen ook niegle niet te bevatten. Niestar dient ons in de vorm van her or makief te schijnen, ons op te wekken hem te bevatten, met hem samen te vloeien, een wens te doen ontstaan.

Men mag niestar van niegle niet scheiden. Alleen voor het verborgene dient een gewaarwording te zijn, dat het onduidelijk bestaat. De mens dient zich ongeveer voor te stellen, wat en hoeveel hij van alles weet.

Bijvoorbeeld, uit 100 procent van de schepping, welke ik mij voorstel, weet ik 10 procent. Zo dient de mens zich voor te stellen. Ik weet, dat ik niets weet. Dat is een hoog niveau. Zoals Einstein placht te zeggen: “G-d bestaat, maar ik speel met steentjes op de oever van de zee”.

Door de Kabbala te bestuderen, streven wij om te bevatten, te weten, dit in het deel niegle in te brengen. Waarvoor? Wanneer de mens kennis in zichzelf inbrengt, wordt die een deel van hem, of hemzelf. Op die manier ontvangt hij zijn persoonlijk band, hoewel alleen maar met het onduidelijke. En nog leren wij daarvoor, om een mogelijkheid te hebben bij de Schepper te klagen over onszelf en over Hem: “Kijk, ik leer al vanaf ik 5 jaar oud was en ik bereikte niets!”.

De mens heeft recht om dat te zeggen, wanneer hij serieus en veel studeert en geen beloning in welke vorm dan ook ontvangt. En dat is zeer zwaar. En indien hij een beloning zou ontvangen, hoe zou hij bij de Schepper kunnen klagen?

Wij bestuderen 3 aanpakken bij de vraag over de essentie van een ziel en een lichaam:

De 1e aanpak – door het methode van het geloof. Wanneer er een ziel bestaat, welke een lichaam beweegt, en een lichaam wordt niet in aanmerking genomen.

De 2e aanpak. Er is een ziel en een lichaam. Een lichaam is absoluut zelfstandig, een ziel wordt in aanvulling ervan van boven neergedaald.

De 3e aanpak. Een lichaam zonder ziel, daar bestaat geen enkel behoefte voor.

Allemaal overeenkomen zij niet met de waarheid, zegt Baal Soelam. En om iets te gewaarworden, zegt hij in het vervolg, dienen wij te weten, dat alles voor ons wordt in niegle en niestar ingedeeld. Wij dienen alleen die verworvenheden van de wetenschap te gebruiken, welke in niegle binnengekomen zijn, en volledig van allerlei theorieën ontdaan, welke theorieën op gissingen zijn gebaseerd, omdat zij steeds aan het veranderen zijn. Wij dienen datgene te gebruiken, wat een bevestiging heeft, waar wij er zeker van zijn, als in onze handen.

Alleen op die manier kunnen wij ons leven, lichaam, en indien zij bestaat, dan ook de ziel, onderzoeken. Daarom kan men uit de 3 aanpakken praktisch alleen de derde gebruiken, welke aanpak het bestaan van de ziel ontkent, omdat in de eerste twee aanpakken is er sprake van dingen, welke niet geverifieerd kunnen worden, welke niet in het openlijke deel binnenkomen. En wij hebben geen recht om onze een of andere conclusie op basis van onze premisses te trekken.

De Tora zelf dwingt ons om alleen op basis van datgene te handelen, wat voor ons open is. En dat is alleen ons lichaam dat voor ons open is. Met het overige is ons verboden om ons ermee bezig te houden, omdat het met zich een gevaar kan brengen, dat wij ons volledig onjuiste verbanden, objecten, kunnen voorstellen, bedenken voor ons van een of andere wezens, krachten, wat door de Tora streng verboden is als een afgodendienst.

Maar de 3e aanpak, welke alles wat buiten de perken van datgene, wat reëel zichtbaar is, ontkent, wordt door de menselijke geest zeer gehaat. Hij stoot dermate af, dat niemand in de wereld kan zeggen, dat hij erin gelooft. Bij elke mens bestaat er een innerlijke zekerheid daarin, dat een lichaam niet zonder de oorspronkelijke reden of zonder enig gevolg na zijn leven kan bestaan.

De mens kan een zulke puur fysiologische aanpak tot zichzelf niet aanvaarden. Wij zien het aan het feit, dat de mensheid niet ermee akkoord gaat om de mens als een mechanisch werktuig te beschouwen. Geen gemeenschap is ermee eens, dat bij de mens geen beloning en boete bestaat voor die of andere daden, zelfs op het niveau van onze wereld.

Daarom aanvaardt de mensheid onderhuids een tweeslachtige theorie daarover, dat een lichaam bestaat en een of andere ziel, welke in een lichaam neerdaalt. D.w.z., een lichaam kan zelfstandig bestaan, daar heb je geen ziel voor nodig. Maar behalve dat, bestaat iets geestelijks op zichzelf. Dat is de 2e aanpak.

Dit geestelijk deel, welk in een lichaam zich huisvest, noemen wij met name – mens. En één mens onderscheidt zich van een ander door het verschil van zielen. Dat opent ons de weg naar de astrologie, naar voorspellingen, die zogenaamd betrekking tot het geestelijke hebben. Een zulke theorie blijft alleen theorie en is zeer zwaar voor ons begrijpen.

Wij kunnen ons niet voorstellen, dat het geestelijke, terwijl het in het materiële zich inhult, daalt van zijn geestelijk niveau tot het niveau van ons lichaam af. Het zich inhullen betekent hier gelijk qua eigenschappen te zijn. wij kunnen één [ding] in een andere niet met kracht binnen laten dringen, indien het niet tot één dimensie behoort. Hoe bestaat een verbinding tussen hen? Deze theorie kunnen wij niet aanvaarden.

En er blijft niet over, als via de aanpak te handelen, welke ons onze wijzen doorgaven: een mogelijkheid om alleen datgene te onderzoeken, wat zich binnen de grenzen van onze gewaarwordingen bevindt, d.w.z., alleen het openlijke deel en alleen ermee rekening te houden. En op basis van onze gewaarwordingen een beslissing te nemen over begrippen “ziel en lichaam”.

Het enige, wat de Schepper schiep – dat is de wens om te genieten. Dat is datgene, wat de mens in zichzelf gewaarwordt en met behulp waarvan hij zichzelf gewaarwordt. Deze de enige schepping – de wens om te genieten – wordt in de Kabbala een lichaam genoemd. Een object – de wens om een genieting te ontvangen, de wens om uiteindelijk de Schepper te ontvangen - te onderzoeken kunnen wij niet, daar onze essentie van ons gesloten is.

Wij kunnen alleen zijn uitingen in onszelf in tegenstelling met het licht – de Schepper – onderzoeken. En daarvoor is het noodzakelijk, om eerst de eigenschappen te verkrijgen, die aan onze wens tegengesteld zijn, om aan de kant van het licht komen te staan. En pas dan zullen wij kunnen bepalen, wat is een ziel en een lichaam.

Een ziel is een zulke toestand, welke de schepping in zichzelf als een deel van de Schepper gewaarwordt. Het is niets meer geschapen. Het is niet zo, dat onze wereld apart van onze lichamen, levenloze, vegetatieve, dierlijke, mens…is geschapen. Wij dienen een zeer heldere houding ten opzichte van de wereld te hebben.

“Wereld” is van het woord voor “verborgen”. En daarom kunnen wij alleen in dat deel actief zijn, welk ons geopenbaard is, en alleen op basis ervan. Door in het geestelijke voort te gaan, besluiten wij wat een lichaam en een ziel betekenen. Deze gewaarwordingen en oordelen zijn absoluut subjectief ten opzichte van eenieder die bevat.

Wanneer de mens zijn geestelijke bron begint te bevatten, wordt alles voor hem in twee delen verdeeld: de Bron en hij zelf. En in overeenkomst met de mate, waarin de mens de Bron van dichtbij voelt, kan hij begrijpen, wie hij zelf is.

Hij verdeelt de schepping dus in twee ware categorieën: de Schepper en zijn ik. Totdat hij tot de uiteindelijke gewaarwording van de Schepper en zichzelf in Malchoet van de wereld Atsieloet aankomt, waar Malchoet – dat is de gemeenschappelijke ziel, de ziel van Adam, en de Schepper – dat is Zeir Anpien.

Wanneer wij de Kabbala leren, dan begrijpen wij onder “lichaam” de wens om te ontvangen, en onder “ziel” – het licht, welk in een lichaam is. Het is ons alleen niet duidelijk, hoe dat met ons te verbinden. Waar eindigt dit geestelijke lichaam – masach en or chozer – en waar begint ons lichaam zonder masach? In de Kabbala bestuderen wij tevens egoïstische wensen ook zonder masach. De allerlaagste trap van deze wensen bevindt zich op een zulk niveau, wanneer zij geen geestelijk licht gewaarwordt, of, om preciezer te zijn, hem onduidelijk gewaarwordt in de vorm van allerlei inhullingen en wenst hem voor zichzelf.

In principe is er geen onderscheid tussen wensen, behalve een intentie. Het lijkt ons, dat het geestelijke niet tot de materie behoort, tot moleculen, atomen, het is ontastbaar. Hoe staat het dan met gassen? Een gas kan men in een vaste stof veranderen. En omgekeerd, door een metaal op te warmen, kan men hem dwingen te evaporeren. Wij kunnen zeggen, dat het in onze kracht is om een gasvormige substantie in een vaste stof te veranderen en vice versa.

Maar het is echter niet in onze kracht om het geestelijke in het materiële te veranderen. Wat betekent dan het geestelijke? Wij kunnen niet zien, wie wij zijn, zelfs niet in een omhulsel van een lichaam en erzonder. Dat bevindt zich buiten de perken van datgene, wat ons geopenbaard wordt. Daarom bevindt de steen des aanstoots zich in het overgangspunt - ik, mijn lichaam, het sterven van een lichaam, een ontbinding van een lichaam.

De aanpak dient te zijn als volgt: er bestaat niets, behalve de wens om te genieten op alle niveaus. En alleen hij kan erover oordelen, of een lichaam bestaat en of een ziel bestaat, d.i. degene, die in werkelijkheid de ziel als een deel van de Schepper gewaarwordt. Wanneer de mens het licht de facto begint te bevatten, dan ziet hij, dat niets bestaat, dat behalve de wens om de Schepper en het licht te gewaarworden.

En vervolgens, wanneer de mens de Schepper tegemoet gaat, begrijpt hij, dat hij zelf, zijn weg naar de Schepper en de Schepper zelf – dat is hetzelfde. En de werelden zijn gradaties van het bevatten van de Schepper. Levenloze gewaarwordingen van de Schepper – dat is onze wereld, wanneer de Bron absoluut onzichtbaar is.

Levende gewaarwording van de Schepper – dat zijn de geestelijke werelden. Hoe hoger is de wereld, des te duidelijker manifestatie van de Schepper is. Alle manifestaties zijn, natuurlijk, ten opzichte van de mens. De Schepper verandert niet. Een verandering van een gewaarwording van de Schepper hangt uitsluitend van onze eigenschappen af. Zodra mijn gewaarwordingen zullen fijner zijn, zal ik via mijn gevoelens meer licht vast kunnen houden, zal ik de grenzen van mijn bevatten kunnen uitbreiden. En wanneer ik tot de allerlaatste grens zal aankomen, zal ik zien, dat behalve mij bestaat alleen het eenvoudige licht, omdat ik mij qua eigenschappen ermee gelijk zal stellen.

Wat is dan het verschil tussen een ziel en een lichaam? – Er bestaat een lichaam, dat “ik”, mijn punt heet. En er bestaat een ziel – dat is datgene, wat mijn punt gewaarwordt. De bron van dwaling van alle geloven en religiën ligt in het ontbreken van een heldere manifestatie van de Schepper aan deze religieuze functionarissen. Men mag verschillende fysiologische vertoningen (een gevoel van het vooruitzien, bijvoorbeeld, Messing) met het geestelijke niet te verwarren.

Aan de ene kant roept de Tora ons op om alleen op basis van het openlijke te handelen, aan de andere [kant] is er een oproep om door het geloof boven het verstand te handelen. Indien je alleen op basis van datgene, wat je ogen openbaren, zal handelen, dan zal je al een dier optreden. Zo treedt de gehele mensheid op, m.i.v. degenen, die een religieuze opleiding, een geestelijke opvoeding ontvingen, welke bij hen in het openlijke deel binnen is gekomen.

Wij zeggen, dat er een weg bestaat, om boven zijn natuur op te steken. Een handeling alleen binnen de perken van zijn natuur, doet de mens echter stapsgewijs met behulp van een wetenschap voortbewegen, geeft een mogelijkheid om de je omringende wereld met haar mechanische onderlinge verbanden te bevatten. Het geestelijke kan je in een zulk geval niet gewaarworden, omdat al het bevatten op natuurlijke gevoelens plaatsvindt, waarmee je geschapen ben. Je kan alleen je zintuigen beter ontwikkelen.

De wetenschap kan buiten de perken van mijn aard, van mijn wereld, buiten mijn fysieke gewaarwordingen niet uitgaan. Om erboven op te stijgen, zijn al eigenschappen van de Schepper voor nodig. Er bestaat geen enkel verschil tussen de Kabbala en andere wetenschappen. De Kabbala – dat is de meest algemene wetenschap, welke al het overige in zich insluit. Onze Tora, onze wijzen zijn de meest ware realisten.

Het is meest gemakkelijk en correct om zich een beeld voor te stellen, waarover AR”I haKadosj zei: “Aanvankelijk bestond het eenvoudige licht. vervolgens scheidde het in zich een leegte, waarin het alle werelden in schiep”. Wat betekent “leegte”? Een eigenschap, die verschillend van de Schepper is – het egoïsme. In de leegte bestaat de Schepper niet, het egoïsme kan Hem niet gewaarworden, doch alleen zijn eigen “ik”.

In hoeverre het egoïsme zich corrigeert, in die mate begint hij de Schepper te voelen. Ons lichaam is een kleine egoïstische wens met al zijn 5 zintuigen, welke hem allerlei genietingen verschaffen. In het materiële handelen wij met ons oorspronkelijk egoïsme, in het geestelijke betrekken wij tot ons egoïsme een of ander deel van de Schepper bij, en op het overige egoïsme maken wij een beperking.

Maar het blijft over, en wij hem geleidelijk in het altruïsme veranderen. Zodra in ons een allerkleinste klie ontstaat – daarin bestaan modellen van alle werelden, alle sfirot. Met name in hem kunnen wij een microscopische gelijkenis aan het gehele heelal gewaarworden.



Deze website kabbalah.info wordt onderhouden door de
Nederlandse afdeling van
"Bnei Baruch"

Copyright ©1996. Bnei Baruch. All rights reserved.