1. INLEIDING TOT
DE KABBALA
1. In
de Zohar (Vaikra,
Tazria, blz. 40) is gezegd: “Alle hogere en lagere werelden zijn in de mens
besloten; alles, wat geschapen is en zich in alle werelden bevindt – is voor de
mens geschapen”. Maar zou de mens niet genoeg hebben aan onze wereld en heeft
hij nog hogere werelden nodig?
2.
Het doel van de Schepping is om de schepping maximaal te vergenoegen. Zodra bij
de Schepper een gedachte is opgekomen om zielen te scheppen, veranderde deze
gedachte direct in een voltooide handeling, daar voor een handeling is slechts
een gedachte van de Schepper afdoende. Waarom beperkte de Schepper zich dan, om
al deze werelden tot aan de onze, de allerlaagste wereld te scheppen, en
plaatste de ziel van de mens in een lichamelijk omhulsel?
3.
Het antwoord komt er op neer, dat de wens van de Schepper was om de schepping
met Zijn onthulling van Zijn
Volmaaktheid te vergenoegen. Maar hoe uit de Volmaakte als Hij is konden
dermate onvolmaakten voortkomen, dat zij door overeenkomstige handelingen
zichzelf in onze wereld dienen te corrigeren?
De ziel van de mens
bestaat uit twee componenten – een licht en een vat, waarbij een vat – dat is
de essentie van de ziel, en het licht, dat een vat vult, is juist een door de
Schepper voorbereide (beschikkende – vert.) genieting. En aangezien het doel is
in het vergenoegen van de zielen, d.w.z. in het bevredigen van hun wensen,
bestaat de gehele geaardheid en de essentie van de ziel alleen in de wens om
van het licht van de Schepper te genieten.
4. De schepping – dat is het
verschijnen van een object, welk object in generlei vorm voorheen bestond, uit
het niet-zijn. Maar hoe kan men veronderstellen, dat verscheen iets wat niet
bestond in de Schepper?
Het nieuwe, dat de
Schepper schiep, bestaat in het scheppen van een vat – een ziel, d.i. de wens
om te genieten. Zulke eigenschap is er niet in de Schepper, aangezien Zijn
volmaaktheid sluit het voorhanden zijn in Hem van een of ander gebrek (wens)
uit.
5.
Een toenadering (samenvloeiing, vereniging) alsmede een verwijdering
(scheiding), welke in de geestelijke wereld actief zijn, worden door een
overeenkomst van eigenschappen van geestelijke objecten bepaald. Bij het
samenvallen van eigenschappen vloeien twee geestelijke objecten dermate in één
samen, dat het onmogelijk is om zij van elkaar te onderscheiden. Het verschil
in eigenschappen van objecten geeft een omvang van hun wederzijdse verwijdering
tot aan het tegenovergesteld zijn aan elkaar in geval van tegengestelde
eigenschappen.
6. Aangezien de Schepper – de bron van een genieting
is, en de zielen – de ontvangers van deze genieting zijn, dan verblijven de
zielen noodgedwongen in een geestelijke verwijdering van de Schepper. De wens
van de Schepper is om te geven, en de wens van de ziel is – om alleen te
ontvangen. D.w.z., de aard, de essentie, het karakter van de Schepper en de
ziel zijn tegengesteld, en daarom is de ziel vanaf de geboorte maximaal van de
Schepper verwijderd.
7. De
reden voor het scheppen van alle werelden bestaat daarin, dat de gehele
Schepping met behulp daarvan tot de volmaaktheid kan komen, welke volmaaktheid
de Schepper zelf is. Indien de zielen van de Schepper verwijderd zouden
blijven, hoe zou men Hem dan volmaakt kunnen noemen?
En daarom creëerde de Schepper door achtereenvolgende
beperkingen van zijn licht alle werelden – tot aan onze wereld toe, en plaatste
de ziel – een kleine portie van licht, in een lichaam – een omhulsel uit onze
wereld. Door het naleven van de wetten van de Tora bereikt de ziel de
samenvloeiing met de Schepper en ontvangt een absolute genieting.
8. Maar de bijzonderheid van de Tora, welke de ziel
in staat stelt om met de Schepper samen te vloeien, is werkzaam alleen in het
geval, indien de mens bevat de Tora niet omwille van een beloning, maar omwille
van het verstrekken van vreugde aan de Schepper.
Pas dan bereikt de ziel, door geleidelijk langs de
geestelijke trappen op te gaan, welke trappen werelden heten, de Schepper zelf.
Het opgaan bestaat in een geleidelijke verkrijging van een nieuwe geestelijke
eigenschap – het altruïsme (in tegenstelling tot aan de ziel eigen egoïsme).
Door het opstijgen langs de trappen van sfirot en werelden, d.i. naar mate een
toenadering tot de Schepper, ontvangt de ziel een voor haar bestemde genieting
van het licht, en bovendien, [een genieting] van het samenvloeien met de Bron.
9. Hieruit wordt duidelijk de betekenis van een
uitspraak uit het boek Zohar, dat alle werelden zijn alleen omwille van de mens
zijn geschapen. Oorspronkelijk werden de werelden door middel van
achtereenvolgende beperkingen van het licht geschapen – tot aan onze wereld
toe, om de ziel in een lichaam te plaatsen, welk lichaam alleen genietingen
wenst.
Door de wetten van de Tora te vervullen, bevat de mens
geleidelijk de eigenschap van de Schepper – het altruïsme, [hij] gaat langs
dezelfde trappen geestelijk op, waarop de ziel in onze wereld was neergedaald.
De geestelijke trappen – sfirot, werelden – dat zijn
grootheden, maten van het verworven altruïsme. De mens stijgt geleidelijk op,
totdat hij de eigenschap van een volmaakt altruïsme bereikt, zonder enige wens
voor het verschaffen van een genieting aan zichzelf, en pas dan vloeit de ziel
absoluut met de Schepper samen. Voor een zulke toestand is de mens dan ook
geschapen. En daarom zijn alle werelden alleen omwille van hem geschapen.
10. Alle werelden, welke door een achtereenvolgende
beperking zijn geschapen, d.i. een verzwakking van het licht, zijn absoluut
geestelijk, hoewel wij ten behoeve van hun beschrijving juist zulke materiële
termen gebruiken, als het opstijgen, afdalen, verschuiving, copulatie.
Door dat te weten, kan men zonder angst met het bestuderen
van de Kabbala aanvangen, aangezien een belangrijkste vergissing van degenen,
die de Kabbala beginnen te leren bestaat in de verdinglijking, een
materialisatie van geestelijke objecten.
11. Uit het voorgaande wordt het duidelijk, dat alle
trappen van het verzwakken van het licht bestaan alleen ten opzichte van zijn
verbruikers – de zielen. En hoewel het licht van de Schepper de gehele
Schepping gelijkmatig vult, toch is de ziel in staat om een of andere portie
licht te ontvangen alleen afhankelijk van de geestelijke nabijheid tot de
Schepper.
Eveneens als een achter het gordijn schuilende mens met
zichzelf achterblijft, hoewel hij tevens gedeeltelijk of volledig van anderen
verborgen is, zo ook het licht, dat van de Schepper uitgaat – overal één en
hetzelfde is, maar allerlei omhulsels, welke wij sfirot noemen, verbergen hem
van ons. Sfirot – dat zijn tien verzwakkende schermen, waarachter het hoogste
licht (de Schepper zelf) verbergt zich van de zielen. En de zielen kunnen hem
bevatten, d.i. het licht ontvangen, alleen in een hoeveelheid, welke door deze
schermen - filters afgemeten worden.
Deze schermen - filters bestaan alleen in de werelden
Brieja, Jetsiera, Asieja – daar, waar ook zielen bestaan. In [nog] hogere
werelden – de A”K en de Atsieloet manifesteert het licht zich zonder een of
andere omhulsels.
12. De werelden A”K en de Atsieloet bestaan als een
noodzakelijke schakel voor het scheppen van de werelden BaJ”A. Deze werelden
bevinden zich in de samenvloeiing met de Schepper, en met name van hen zal de
ziel het licht ontvangen in de gmar tiekoen – in de toestand van de
eindcorrectie.
13. Het is dus duidelijk, dat filters - sfirot, welke
het licht van de Schepper verbergen, geen invloed op het licht zelf uitoefenen,
doch slechts verzwakken hem ten opzichte van de zielen.
14. Daarom overal en altijd kan men drie categorieën
onderscheiden: het licht van de Schepper, de ziel, het licht dat de ziel vult.
In de ziel (vat) zijn er twee tegenovergestelde eigenschappen – het verbergen
en het onthullen. Aanvankelijk loopt de ziel een fase van het volledige
verbergen van het licht. Maar indien de ziel waardig bevonden wordt, dan
verandert de eigenschap van het verborgen te zijn in zijn tegenpool: hoe grover
is aanvankelijk de ziel, des te meer licht zij bij de correctie van haar van de
Schepper verwijderde eigenschappen kan ontvangen.
2. GEESTELIJKE KRACHTEN
VAN DE MENS
- Alles,
wat ons bekend is over de Schepping , kan men in de volgenden tabellen
onderbrengen:
|
SFIROT
|
WERELDEN
|
LICHT
|
TANTA
|
|
kether
|
A”K
|
jechieda
|
|
|
chochma
|
Аtsieloet
|
chaja
|
taamiem
|
|
biena
|
Brija
|
nesjama
|
nekoedot
|
|
Z”A
|
Jetsiera
|
roeach
|
tagien
|
|
malchoet
|
Asieja
|
nefesj
|
otiejot
|
|
LICHAAM
|
LEVOESJIEM
|
BASES
|
MILIEU
|
KLEDIJ
|
|
merg
|
wortel
|
|
|
|
|
botten
|
ziel
|
vuur
|
woning
|
hemd
|
|
pezen
|
lichaam
|
lucht
|
hof
|
broek
|
|
vlees
|
kledij
|
water
|
veld
|
band
|
|
huid
|
huis
|
aarde
|
woestijn
|
gordel
|
Het gemeenschappelijke bij al deze categorieën is, dat elke
[categorie] wordt in vier onderafdelingen verdeeld, en de hoogste – de vijfde
categorie – dat is het punt in HaVaJ”A, kether, A”K, or jechieda, vormt een
verband met de Schepper. Er zijn tevens allerlei subcategorieën – tussencategorieën,
welke de bovengenoemde categorieën verbinden.
De uitgangscategorie is de oorspronkelijke Schepping –
HaVaJ”A, uit het punt waarvan alle ktariem (mv. van kether – vert.) uitgaan;
uit de letter joed – [waaruit] alle chochmot; uit de letter hej – alle bienot, enz.
D.w.z., elke uit de bovengenoemde categorieën, op haar
beurt, wordt in dergelijke subcategorieën onderverdeeld, welke subcategorieën,
op hun beurt, tot oneindigheid [worden onderverdeeld] en welke, waarlijk, de
Boom des Levens vormen, die uit Eén wortel voortspruiten, d.i. uit het punt –
uit het embryo (de oerschepsel – vert.) – uit
de oorspronkelijke toestand in het licht, welk licht uit de Schepper
uitgaat.
2. Als
gevolg van de Ts”B (tweede beperking) zijn de keliem kether, chochma en biena
(G”R) gescheiden van keliem Z”A en Malchoet (ACha”P):
|
in de Ts”A:
|
in de Ts”B:
|
|
kether
|
kether
|
|
chochma
|
chochma
|
|
biena
|
biena
|
|
Z “A
|
Z”A
|
|
malchoet
|
malchoet
|
waar G”A
(kether, chochma en Ga”R de biena – vert.) – dat zijn inwendige keliem,
aangezien men kan ze gebruiken voor het ontvangen van het licht, en ACha”P –
dat zijn uitwendige keliem, aangezien zij kunnen geen licht ontvangen, wegens
het ontbreken van geschikte krachten in de masach. Dienovereenkomstig
schijnt in deze keliem van verte het licht, dat als het ware omringt ze, doch
kan het niet binnenkomen.
Als gevolg van deze indeling in de geestelijke wereld, zijn
de overeenkomstige categorieën G”A en ACha”P tevens in onze wereld onderling
ingedeeld: d.w.z. het lichaam, ziel en haar wortel zijn gescheiden van kleding
en woning van de mens.
|
kether
|
wortel
|
|
chochma
|
ziel
|
|
biena
|
lichaam
|
|
Z”A
|
kledij
|
|
malchoet
|
huis
|
Tussen het lichaam en de kleding van een geestelijke
partsoef en de wereld bevindt zich de plaats van kliepot, en daarom heet deze plaats
donder, aangezien daar noch inwendige licht, welk G”A vult, noch het uitwendige
licht, welk licht ACha”P omringt. Ten opzichte van de partsoef Z”A van de
wereld Atsieloet dient tot een kleding de talliet, en tot een woning –
hemelgewelf.
|

|
|
De geestelijke toestanden door middel van verhoudingen van
materiële objecten van onze wereld of grafische uitbeeldingen van eenvoudige
lijnen en cirkels (direct en omringend licht) uit te drukken – zulke taak
zagen voor zich vele oude kabbalisten.
|
3. Elke
partsoef bestaat uit tien sfirot. Na de Ts”B, indien in een partsoef de
aviejoet 0 aanwezig is, kan hij geen licht ontvangen, doch hij bevindt zich
slechts in zee van licht – een genieting, welke tot hem van een hogere partsoef
aankomt, waarbij hij niets ontvangt
In een zulk geval
zegt men, dat een partsoef zich in de toestand embryo (oebar) bevindt, en een
hogere partsoef – in een toestand van zwangerschap (ieboer). Dat komt, omdat
een lagere partsoef in het geheel geen zelfstandige handelingen (het ontvangen
van licht) verricht, behalve dat hij weigert om het licht binnen zichzelf te
ontvangen, omdat hij weet, dat hij de verleiding om te gaan genieten niet
aankan, daar deze de kracht van zijn scherm te boven gaat.
Daarom bevindt hij zich als het ware binnen een hogere
partsoef en maakt alleen gebruik van zijn keliem netsach, hod en jessod. Het in
hen passief ontvangende licht heet or nefesj, en keliem netsach, hod en jessod
heten kaved (lever). Door invloed van het vullende licht groeien deze keliem
geestelijk op. D.w.z., door van het licht geleidelijk zijn geaardheid te
ontvangen, vergroten de keliem hun masach, totdat zij de aviejoet 1 bereiken.
Door over de masach op de aviejoet 1 te beschikken, kan een
klie al het licht ontvangen, doch een weinig [licht] – slechts or roeach. En
aangezien een hogere partsoef, waarin zich een oebar bevindt, met sterker licht
is gevuld, dan om een oebar van een geweldige ontvangst van het licht af te
schermen (wanneer een genieting drukt, dwingt om hem te ontvangen, en een klie
niet in staat is om zich ervan af te houden) alsmede van het breken (sjviera),
houdt een hogere partsoef op om een lagere te voeden, d.i. om hem het licht door
te geven. Daarmee “stoot” hij hem van zich uit – er vindt een geboorte (lieda)
plaats van een zelfstandige, d.w.z. reeds over zijn eigen scherm beschikkend
lichaam (wens). Een op die manier geboren partsoef kan al het licht in keliem
chessed, gvoera en tieferet ontvangen, in aanvulling van het ontvangen van het
licht in keliem netsach, hod en jessod. De keliem chessed, gvoera en tieferet –
ChaGa”T heten lev (hart).
Vervolgens breekt een periode van voeden (jenieka) met melk
(chalav), waar or chassadiem – chalav, welke van een hogere partsoef uitgaat,
brengt geleidelijk groot – geeft aan een masach van een lagere partsoef kracht,
totdat hij de kracht op de aviejoet 2 bereikt. En dan zal hij, als een
volwassene, zelf een soort voedsel uit kunnen zoeken, d.i. zelfstandig zal
kunnen uitkiezen en het aanvoerende licht beperken.
Een zulke toestand heet mogien (verstand) – met het
verschijnen van de keliem chochma, biena en daat – ChaBa”D – moach (merg) met
dienovereenkomstige licht or nesjama. Bovendien, deze drie toestanden van een
partsoef bekleden elkaar, aangezien bij het verschijnen van een nieuwe toestand
wordt een vorige [toestand] altijd behouden.
4. Op die manier zien wij, dat in een partsoef, welke
zich onder de Ts”B bevindt, ontbreken de keliem kether en chochma, aangezien de
kracht van een masach op de meest grove keliem ontbreekt, welke keliem zich in
de sof van een partsoef bevinden. En vandaar verschijnt bij kliepot een
mogelijkheid om voor zichzelf het licht te grijpen.
Daarom is een bijzondere correctie nodig (tiekoen), om aan
kliepot geen mogelijkheid te geven het licht uit een partsoef weg te rukken.
Deze tiekoen heet miela – een besnijdenis, het afhakken op het einde van een
partsoef van een deel van huid, daar de huid overeenkomt met de sfira malchoet.
In onze materiële wereld overeenkomt dit met het afhakken
van de voorhuid. Het afhakken van de klie malchoet - de huid van een partsoef, kan een partsoef voortbrengen, welke
[partsoef] het or chochma ontving – pas dan zal hij zien, wat tot een kliepa,
en wat tot de kdoesja behoort, en hij hakt af, d.w.z. besluit om geen onreine
keliem te gebruiken.
Maar dat is niet genoeg, want een kliepa kan het licht ook
van andere keliem weggrijpen.
En daarom is het nodig:
Tegen de kliepa Roeach Seara (stormende winde) – [dient men]
de voorhuid af te hakken; (Het blootgestelde deel van het vlees – de Z”A, heet
“chasjmal”).
Tegen de kliepa Anan Gadol (grote wolk) – [dient men] de
huid van de voorhuid op te rollen;
Tegen de kliepa Esj Mietlakachat (opbrandend vuur) - [dient
men] een portie bloed uit te persen.
En pas dan zal de siejoem van een partsoef niet in de
malchoet zijn, maar in de jessod – de klie bassar (vlees), welke klie chasjmal
heet, en de op hem overgebleven huid heet kliepa Noga (schittering), welke
kliepa een partsoef dient nog te corrigeren.
De belangrijkste bende van kliepot, d.i. onreine, van de
kdoesja afbrengende krachten, is bij de jessod van een partsoef (kinderen
voortbrengend orgaan) geconcentreerd. Vandaar, dat in onze wereld de
aantrekkende kracht, een genieting van het gebruik van overeenkomstige keliem –
de meest grote van alle genietingen, de basis van alle genietingen. En,
trouwens, naar mate de mens geestelijker groeit, des te met grotere kracht
kliepot verleiden hem.
Zoals de Talmoed vertelt, na de vernietiging van de Tweede
Tempel een echte smaak naar een copulatie is alleen bij die happy few in onze
wereld overgebleven, die de geestelijke krachten van de hogere werelden
beginnen te bevatten. Aangezien hoe hoger een trap men bevat, d.i. hoe meer
licht in de ziel binnenkomt, des te groter is de verleiding voor de kliepot,
d.w.z., voor de “ik” van de mens om hem voor zichzelf te ontvangen en zichzelf
genoegen te verstrekken.
Maar bij degenen, die een dierlijk leven leiden zijn zowel
genietingen, als het lijden van het dierlijke niveau, omdat de wensen, d.i.
keliem, welke door hen bevat worden, bevinden zich op het laagste niveau van
het gehele heelal.
De drie onreine kliepot, t.w. Roeach Seara, Anan Gadol en
Esj Mietlakachat heten in de Tora “Elokiem Acheriem” – “Andere Godden” – ofwel
de Slang.
5. De kliepa Noga bestaat uit twee delen – een
geschikte voor het gebruik, d.i. waarop men een masach kan verkrijgen, en een
ongeschikte – waarop het onmogelijk is een masach vóór de gmar tiekoen te
maken.
Daarom heet de kliepa Noga de Boom van Goed en Kwaad –
afhankelijk van aan wat, aan welke klie deze kliepa zich aansluit: indien tot
keliem met een scherm, d.w.z. tot de keliem van kdoesja, dan wordt zij de Boom
van het Goed, maar indien zij zich tot de keliem aansluit, welke keliem niet
over een masach beschikken, d.i. tot de drie onreine kliepot, dan verandert zij
in de Boom van het Kwaad.
6. De Schepper doet alle kliepot opleven, aangezien
zij allemaal ook in eenieder van ons bestaan opdat wij, door hun verleidingen
te boven te gaan, onze masach zouden kunnen grootbrengen, te laten toenemen, en
daardoor langs de trappen der werelden tot aan de Schepper zelf [zouden kunnen]
opgaan, waarbij wij een genieting van de toenadering tot Hem [zouden kunnen]
ontvangen.
Parallel met de
werelden ABaJ”A van kdoesja bevinden zich de werelden ABaJ”A van toem’a (van
kliepot, van onreine krachten). Alleen door een bijbehorende kracht van trappen
der kliepa te overwinnen, neemt de mens een plaats tegenover de kliepa op de
trap van de kdoesja in.
Voorbeelden van de
kliepa Noga zijn: Batja – de dochter van Farao, Liliet – de vrouw van Adam,
enz. Zij allemaal (duivels, heksen) heersen ’s nachts (een toestand, wanneer
het or chochma niet binnen een klie kan schijnen, wegens het ontbreken van een
masach, d.i. het or chassadiem).
Wij zien, dat onze enige mogelijkheid bestaat in het
aansluiten van Noga tot de klie kadosj - bassar óf tot drie onreine kliepot.
Alleen daarin is onze vrijheid van de wil – in de keuze van RaPa”Ch netsoetsiem
uit de kliepot Noga en hun overbrenging in de kdoesja. De reine (kasjer) dieren
– dat zijn degenen, die tot de kliepat Noga behoren – [die zijn] geslacht,
gereedgemaakt en op een bijbehorende wijze voorbereid en zo worden zij als het
ware in de kdoesja overgezet.
Ook het volk Israël verenigt zich met de kliepat Noga. De
volkeren van de wereld, alsmede de onreine dieren behoren tot de drie onreine
kliepot, welke tot lev ha-even behoren, die men niet vóór de gmar tiekoen kan
corrigeren. Een treffend voorbeeld van de kliepat Noga is para adoema – de rode
koe, een as waarvan werd in de Tempel voor de geestelijke reiniging gebruikt.
7. Zoals wij reeds eerder hebben geleerd, in keliem
van de sof van de Galgalta ontbreekt een masach, en daarom kunnen zij geen
licht omwille van de Schepper ontvangen. De bij hen aanwezige masach stoot een
genieting alleen weg.
Om aan deze masach een aanvullende kracht te geven, daalden
nekoedot de Sa”G onder de taboer van de Galgalta. Nekoedot de Sa”G bestaan,
zoals werd aangegeven, uit de Ga”R – die niets wensen, en de Za”T – die wensen
om te ontvangen ten behoeve van de Z”A. Daarom daar, waar zich Ga”R nekoedot de
Sa”G verspreidde – alleen daar verschenen de keliem, welke keliem geschikt zijn
voor het ontvangen van het licht – vanaf de taboer tot chaze (parsa) van
nekoedot de Sa”G.
Om in een deel van de malchoet, welk deel zich onder de
parsa bevindt, de eigenschap van de biena – te geven, in te brengen, is een
sjviera voor nodig, aangezien alleen door een ontploffing kan men dermate
tegengestelde egoïstische en altruïstische eigenschappen verenigen.
Uit Ga”R van de Nekoediem werden de keliem Ga”R van de
Atsieloet gevormd, t.w. de Atiek, de A”A en de Av”I. Als gevolg van het breken
(sjviera) vermengden zich de keliem G”A en ACha”P van de wereld Nekoediem.
Het scheiden van keliem G”A en de biena van de Z”A en de
malchoet in de wereld Brieja – heet miela – besnijdenis. Het opstijgen van G”A
en de biena in de Atsieloet laat toe om in de Atsieloet in aanvulling van de
aldaar aanwezige lichten nefesj en roeach tevens het or nesjama te ontvangen.
De in de wereld Brieja overgebleven keliem Z”A en malchoet vertegenwoordigen de
kliepa Roeach Seara.
Het scheiden van keliem G”A en de biena uit de Z”A en de
malchoet in de wereld Jetsiera heet prieja – het oprollen van de huid na de
besnijdenis. Het opstijgen van deze keliem in de Atsieloet roept in de wereld
Atsieloet het verschijnen van het aanvullende licht or chaja, en de overgebleven
keliem Z”A en malchoet vertegenwoordigen de kliepa Anan Gadol.
Het scheiden van keliem en de biena in de wereld Asieja heet
akiezat dam – het uitscheiden van bloed. Het opstijgen van deze keliem in de
Atsieloet voegt aan de wereld Atsieloet het or jechieda toe, en de overgebleven
keliem Z”A en malchoet heten de kliepa Esj Miklachat.
Deze tiekoeniem – dat is de correctie van de ziel van de
mens. Een dier, indien het kosjer is, wordt gecorrigeerd, aangezien kliepot
worden door een bepaalde, correcte doding en het kosjer maken (het zouten)
weggenomen – d.i. door het uitscheiden, om precies te zijn, het stoppen van het
bewegen van bloed. De vruchten van bomen, d.i. het vegetatieve niveau van de
Schepping – worden gecorrigeerd door het uitscheiden van de kliepa gedurende de
eerste drie jaren (orla) bij een voorwaarde van het hun verbouwen in het Land
Israël.
Dezelfde tiekoeniem vinden plaats ook bij de correctie van
het dierlijke en het vegetatieve niveau van de menselijke ziel.
8. De niet-gecorrigeerde delen van keliem – kliepot
heten ook “joed – alef siemanej ktoret” – elf soorten van reukstoffen. Hun
bestaan verplichtte het doen opgaan van ktoret (11 reukstoffen) in de Tempel
(zie siedoer “Tfielat kol pe”, blz. 21, en 98).
9. Adam
bestaat uit or en klie, waar de ziel – dat is het van de Zo”N de Atsieloet
ontvangende licht – NaRa”N, en klie – dat is het geestelijke lichaam – het
ontstaat uit de klie chasjmal van de Z”A de Atsieloet. Deze klie chasjmal heet
tevens kledij (koetonet – hemd, levoesj, waarover menig maal in de Tora wordt
gesproken).
Na de correctie van
de zonde bleven alleen nagels in het lichaam van Adam over, welke met de
kliepat Noga verbonden zijn en daarom op hen wordt havdala (scheiding) gedaan
tussen kodesj (sjabbat) en chol (weekdagen) aan het einde van een sjabbat bij
het vuurlicht – het licht chochma, zoals ons reeds bekend is, is in staat om
een klie chasjmal uit kliepa in kdoesja over te laten gaan.
Aangezien deze een
vierde klie is, dan – wanneer or chochma in de kether binnenkomt - verschuift
in de Z”A uit de biena or nefesj en op die manier de Z”A – bassar – chasjmal,
wordt een klie kadosj – een zuivere klie.
En wanneer Adam
zondigde, voelde hij een behoefte in een kleding – chasjmal en de Z”A de
Atsieloet. De Schepper creëerde voor Hem een nieuwe kledij, maar nu al uit de
chasjmal van Gan Eden Arets – uit de aardse paradijselijke hof – uit de
malchoet de Asieja, en de bovenkleding van de ziel – uit de kliepa Noga. En
daarom stamt de geestelijke kleding, d.i. de klie van de ziel van alle mensen,
uit de kliepa Noga – een mengsel van het goed en kwaad.
Door middel van de
Tora en de Voorschriften is de mens in staat, om na te hebben beseft, wát het goed en wát kwaad is, ze te scheiden en
het goed – d.w.z. het geschikte deel van de klie – in de Atsieloet op te
heffen. En zo keer op keer, totdat hij de gehele Noga uitscheidt en haar goed
deel in de Atsieloet overbrengt – en daarmee zal hij zijn aardse taak voltooien
– en dat is de taak van eenieder van ons, totdat wij allen samen de komst van
de Masjiejach zullen oproepen.
10. Het materiële lichaam van de mens stamt echter
niet uit de Noga, maar uit een geheel ander materiaal, en de mens gewaarwordt
deze twee categorieën – indien hij waardig bevonden wordt - al binnen het
materiële lichaam. De één is zuiver – [die is] uit de chasjmal, en de tweede –
[die is] uit een mengsel van het goed en het kwaad, welke Jetser Tov heet – het
goede [beginsel] en Jetser Ra – het slechte beginsel, neiging, welke stamt uit
de kliepat Noga, die ook “dierlijke ziel” genoemd wordt.
11. Met behulp van een bepaalde motivatie corrigeert
de mens de levoesj - kledij voor het licht nesjama. Door het bestuderen van de
Tora brengt de mens de Noga uit de Jetsiera in een levoesj voor het or roeach,
en door het vervullen van Voorschriften brengt hij de Noga uit de Asieja in een
levoesj [voor het] or nefesj – en op die manier herstellen wij opnieuw allen in
totaal de levoesjiem, welke vóór de zondeval van Adam waren geweest – en
eenieder heeft zijn aandeel in dit werk, en in overeenkomst daarmee worden aan
eenieder de dagen van zijn leven toebedeeld.
1) Kdoesja
(heiligheid)
2)
Noga – buitenbedekking van de Slang (neutraliteit).
3) Drie
kliepot – de essentie van de Slang (onreinheid).
4) Olam
ha-Ze (buiten het geestelijke).
12. In
de Kabbala worden geestelijke objecten bestudeerd, die wortels van onze wereld zijn. Daarom acht ik het noodzakelijk om nog
eens de lezer te waarschuwen over het niet steekhoudend zijn van het toepassen
van de verkregen kennis alsmede hun simpele koppeling aan objecten van onze
wereld. Ik zal als voorbeeld een fragment nemen uit het boek van AR”I “Ets
Chaim” (deel 2, sjaar 42):
“Laten wij nu de
essentie van onze wereld (olam ha-Ze) bekijken. Dus de hemelgewelven, welke wij
zien (wie zie! – not. van de auteur) in de vorm van tien ons omringende sferen,
zijn tien sferen (sfirot) van de malchoet de Asieja, en in hun centrum bevindt
zich de partsoef malchoet de Asieja – d.w.z., in de plaats van de
Paradijselijke Hof der Aarde. En de malchoet de Asieja zelf heet “Jerusalem”.
“Ets Chaim” (deel
2, sjaar 43): “Laten wij uiteenzetten, wat is de Paradijselijke Hof: dat is het
centrale punt van de equator ten zuiden van het land Israël, tegenover de biena
bij de malchoet de Asieja. En deze Paradijselijke Hof is voor de rechtvaardigen
in de toekomstige wereld bereid, en daar
ontbreken alle kliepot”.
Alles, waarover in
de Kabbala en in de Tora gesproken wordt, wordt niet voor onze kennis gezegd,
maar als een leidraad tot het handelen. En naar mate van een geestelijke groei
van de mens, indien bij zijn handeling een of andere bij hem ontbrekende kennis
over de geheimen van de wereld nodig is – dan ontvangt hij die [kennis] van
boven. Indien hij wenst om deze kennis niet voor de geestelijke verheffing te
verkrijgen – dan zal de verwervingen ervan hem alleen maar schaden zowel
fysiek, als geestelijk.
Hoe de geestelijke wortels, door binnen het materiaal -
omhulsel van onze wereld actief te zijn, ons een zichtbaar en voelbaar beeld
van deze wereld geven, in beweging, tijd en ruimte, hoe deze geestelijke
krachten de jaartijden, kleuren, gebeurtenissen bepalen – kortom, op welke
manier de sjchiena de materië bekleedt – dat lukt alleen degene, die waardig
bevonden wordt.
13. De Z”A in de wereld Atsieloet wordt in twee delen
ingedeeld: boven de chaze en onder de chaze. Boven de chaze heet zijn deel
Israël en de [hem] bijbehorende noekva heet Lea. Onder de chaze heet zijn deel
Jaakov en de bijbehorende noekva heet Rachel.
Aangezien de partsoef Adam over twee noekva’s beschikt:
boden de chaze – Liliet, en vanaf de chaze tot de siejoem – Chava. De Z”A heet
eveneens Adam. Wij hebben reeds geleerd, dat de noekva van de Z”A ontstond van
hem, en zoals in de Tora wordt verteld, hield Jaakov, [die] ook wel het onderste
deel van de partsoef Z”A is, van Rachel, en niet van Lea, daar alleen zij hem
als noekva geschikt was.
En wanneer hij van Jaakov Israël is geworden, d.w.z., van de
Schepper de tweede naam ontving – en een nieuwe naam betekent een nieuw niveau
– werd hij in volle hoogte als de Z”A en kon toen begrijpen, dat Lea is groter,
dan Rachel, hoger dan zij. Maar zolang hij Jaakov was kon hij met Lea niet in
zievoeg binnenkomen, daar zijn scherm niet afdoende kracht had om haar te
vullen. En daarom diende hij 7 jaar (7 sfirot vanaf de kether tot de tieferet)
wachten, voordat hij de noekva Rachel ontving.
Daarom, wanneer Jaakov Lea verkreeg, was hij in de toestand
als nacht, aangezien het licht chochma aanwezig was zonder het licht chassadiem
(d.i. zonder scherm) en na de Ts”A is het or chozer, zoals bekend, - de
noodzakelijke voorwaarde voor het ontvangen van het or chochma.
14. De partsoef Lea in onze wereld wordt met de
hoofdtfillien (in het Heb. tfillien sjel rosj – vert.) geassocieerd. Het
werd Mosje gezegd, dat hij op de berg Sinai alleen de nek van de Schepper te
zien zal krijgen, aangezien hij slechts op het niveau van de biena bij de
partsoef Lea was opgestegen, welke [partsoef] een vorm van de letter dalet
heeft – de knoop van de hoofdtfillien, welke zich achter de Z”A bevinden.
De partsoef Rachel overeenkomt met de handtfillien. En
natuurlijk, is de tfillien van huid gemaakt, daar de tfillien met de malchoet
overeenkomt – met de noekva’s Rachel en Lea.
15. Zoals bekend, in de Ts”B wordt de tieferet (biena
in goef partsoef) in twee delen verdeeld, want haar bovenste deel tot de biena
behoort, tot de keliem Ga”R, terwijl de onderste [deel] – tot de Za”T, tot de
Z”A – daar de biena het licht omwille van hem, voor hem ontvangt.
Hier echter, in de wereld Atsieloet, verdeelde de tieferet
de Z”A zich in drie delen – het bovenste deel behoort tot Lea, het onderste –
tot Rachel.
Het middelste deel van de tieferet [van] de Z”A heet in de
Tora terafiem – idolen, welke Rachel van haar vader Lavan stal en gaf zij niet
aan Lea te gebruiken, aangezien met behulp van het middelste deel van de
tieferet, welk deel tot Lea is aaneengesloten, een wens ontstaat om het gehele
or chochma te ontvangen, en niet zijn klein deel, dat voor de Z”A nodig is.
En het gehele or chochma kan men niet vóór de gmar tiekoen
voor zichzelf ontvangen – daarom heet een zulke handeling “avoda zara” –
idolen, andere goden aanbidden. Lavan vertegenwoordigt echter de bron van het
or chochma – Abba in de wereld Atsieloet.
Uit het gegeven voorbeeld kan men nog eens zien, in hoeverre
bijzonder zijn afgodendienaars en zondaars, welke in de Tora worden beschreven
– hoe is hun geestelijk niveau. Zoals in de Tora wordt gezegd, Mosje, na [in de
lucht] te hebben gesprongen, reikte met veel moeite met zijn staf tot de scheen
van Og – de koning van het land Basjan. Zo is het verschil in hun trappen –
niveaus in de geestelijke wereld!
Het verschil bestaat, natuurlijk, nog in datgene, van welke
kant – d.i. de Kdoesja of de Toem’a – de mens zich bevindt. Immers de Farao
belichaamt de gehele malchoet – zoals in de Sjier ha-Sjieriem (Het Lied der
liederen 1; 9) wordt gezegd: “Aan een merrie in de wagen van de Farao stelde ik
je gelijk, mijn geliefde”, - zo richt zich de Schepper aan de Sjchiena, de zielen
van rechtvaardigen. Zij, deze zielen, zijn slechts een merrie in de wagen van
de Farao. Alleen na zijn ogen te hebben geopend, na de Hoge Werelden te hebben
aanschouwd, kan men begrijpen, wie zijn de zondaars van de Tora.
16. Het middelste deel van de tieferet de Z”A – dat
is de plaats van de opening, het stralen van het or chochma. En daarom heet het
de Boom van het Bevatten – Ets Daat. En juist in het feit, dat dit deel van de
Z”A wordt gebruikt, is het verschil besloten tussen de Kdoesja en de Toem’a.
Biel’am, bijvoorbeeld, ging in Ararej Kedem tot Aza en Azaël
om bij hen in leer te gaan, hoe men deze deel van de Z”A te gebruiken. Het
niveau van Biel’am – [is] op het niveau van het uitgaan van het or chochma uit
de malchoet van Lea, en daarom heet hij Biel’am, daar hij wenste dit licht
livlom (verzwelgen).
Lavan was echter de grootvader van Biel’am, en de ziel van
Lavan keerde zich in Biel’am terug, waardoor in hem de wens werd opgewekt om
met behulp van terafiem, eveneens als zijn grootvader, het or chochma te
ontvangen. Maar zonder terafiem was hij als een blinde, en daarom wist hij
niet, dat Jaakov met zijn vrouwen en kinderen van hem vluchtte (de Tora.
Beresjiet. Vajetse, 39; 22). Trouwens, Aza en Azaël –
dat zijn die twee engelen, welke de Schepper trachtten te overreden om de mens
niet te creëren (zie 4 categorieën: barmhartigheid, waarheid, gerechtigheid en
vrede).
17. Ook de chet van Ets Daat – de zondeval van Adam –
vond plaats vanwege het gebruik van het middelste deel van de tieferet der Z”A.
De bedwelmende wijn – het licht chochma, welke van de sof [van] Lea uitgaat
(akvaim, van het woord ekev – hiel, gematria 172), brachten Adam in een roes
(anaviem – druiven, gematria is eveneens 172) en brachten tot de wens om het
middelste deel van de tieferet de Z”A – Ets Daat te gebruiken, wat vóór de gmar
tiekoen verboden is.
Maar had Adam tot de sjabbat [ermee] gewacht – tot de
toestand, welke met het opstijgen van de werelden tot het niveau van de gmar
tiekoen overeenkomt, dan zou hij ook de vrucht van de Ets Daat – de Boom van
het Bevatten kunnen nuttigen. Maar als gevolg van het gebruik van het licht
chochma voor zichzelf (daar het scherm op dit licht nog afwezig was), viel hij
van zijn geestelijk niveau, en al zijn 9 sfirot, behalve de kether, vielen in
de kliepot, aangezien hij ging wensen, eveneens als Aza en Azaël, het licht,
welk licht aan de zielen alleen in de gmar tiekoen schijnt.
18. Na de eerste zondeval ging Adam door te zondigen
– en er werden hem, op die manier, sjejdiem, roechiem, lilien (verscheidenheden
van onreine krachten, welke het licht chochma voor zichzelf wensen) – d.i.
heksen, vandalen (vernielzuchtige wezens), enz. Hun ontstaan kwam direct van
Adam voort zonder medewerking van Chava – door middel van het uitstorten van zaad,
d.w.z. het ontvangen van het licht chochma zonder noekva – masach, dat in de
Tora als zonde geldt.
Direct daarna, kwam hij bij Chava, en zij werd zwanger met
Kaïn – d.w.z. Adam maakte van een scherm gebruik en wenste het licht chochma in
de toestand van kdoesja, niet voor zichzelf, te ontvangen.
Maar aangezien hij zich nog onder de heerschappij van zijn
vorige daden bevond, werd Kaïn met slechte, egoïstische neigingen geboren. En
van hem stamde al die generatie, die tot de zondvloed leidde.
En alleen uit de tweede zievoeg van Adam met Chava werd
Hevel geboren – de partsoef kdoesja. Vervolgens Adam verliet zijn vrouw
wederom, waarbij hij zijn zaad bleef uitstorten – d.i. hij ontving het licht
chochma zonder noekva – masach, totdat hij tot Chava opnieuw terugkeerde en
verwekte Sjeth.
19. Kaïn naar zijn aard wenst het licht chochma
zonder het licht chassadiem. Hevel, daar hij al in de kdoesja is geboren,
d.w.z. door middel van een scherm, wenst voor alles het or chassadiem.
Aangezien Kaïn ouder is, wat betekent dat hij qua niveau hoger, dan Hevel is,
ontvangt Hevel via hem het licht.
En gezien het feit, dat Kaïn niet wenst om met behulp van
een masach het licht te ontvangen – en zonder masach kan men geen licht aan
Hevel doorgeven, staat dat gelijk aan het vermoorden van Hevel, daar het or
chochma – dat is or chaim, het licht van het leven. En op de vraag van G-d waar
is Hevel, antwoordde hij: “Ben ik soms de hoeder mijns broeders? (de Tora. Beresjiet. 5; 9) – d.w.z., waarom in vredesnaam ben
ik verplicht om hem te bevoorraden, over hem te zorgen, hem or chochma te
geven ?
20. De zielen [die ontstaan] uit het uitstorten van
zaad, d.i. uit het uitgaan van het licht van de hemel (zachar), maar die niet
de aarde (nekejva, noekva) hebben bereikt, d.i. een masach – bevinden zich als
het waren in de lucht hangende. En pas later het water, het or chassadiem, kan
ze corrigeren.
De zondvloed, eveneens als andere bestraffing van de Tora –
dat is geen bestraffing, maar slechts een tiekoen – correctie. Aangezien deze
zielen geen geschikte klie – goef ontvingen, heten alle deze heksen, vandalen,
enz., zonder lichaam. Na de zondvloed echter kunnen deze zielen geleidelijk in
onze wereld neerdalen, waarbij zij zich in lichamen van geestelijk nieuwgeboren
[schepselen] inhullen, en op die manier beweegt de Schepping zich tot de gmar
tiekoen voort.
De zondvloed zelf – dat is een tiekoen, om de kliepot af te
scheiden, zodat geen nare gedachten in ons zouden heersen en zodat wij
verleidingen om aan zichzelf genietingen te verschaffen te boven zouden kunnen
gaan. Ook de 10 Haroegej Malchoet is een tiekoen, de correctie van die 10
druppels zaad, welke bij Josef onder invloed van de vrouw van Potifara waren
uitgescheiden (de Tora. Beresjiet, Vajesjev, 39).
21. Men dient op te merken, dat juist de zielen,
welke uit uitstorting van zaad geboren zijn, zijn hoger, dat degenen, die met
behulp van de noekva – masach zijn geboren, aangezien de eersten zijn niet door
een masach beperkt zijn en zijn slechts met de wens van de Zachar (het
mannelijke beginsel, een invloed, het altruïsme, de Z”A) om het licht zonder
inkleding van dit licht in een hem beperkend omhulsel uit het or chassadiem,
verbonden zijn. Maar er bestaat een sterke invloed van kliepot - verleidingen
op dergelijke hoge zielen.
22. Adam
bevat in zich alle zielen en alle werelden BaJ”A. Na de zondeval verbrokkelde
zijn ziel zich in scherven, welke scherven in de kliepot vielen, welke kliepot
in 70 delen – volkeren zijn ingedeeld. De betekenis van de galoeten (verbanningen)
uit Israël (Atsieloet) naar een vreemd land bestaat daarin, om de joden
(altruïstische keliem) met de 70 volkeren van de wereld te vermengen, om uit
die volkeren zuivere zielen uit te laten zoeken, welke zielen vanwege de
zondeval in de kliepot vielen.
Zoals in de Midrasj
Rabba is gezegd, het doel van de verbanning en het leven van Israël onder de
goïm bestaat daarin, om de geriem – tot het Jodendom bekeerden – zich tot hem
te laten aansluiten.
De grootste kliepa
heet Mietsraïm (Egypte) – van woorden miets (jetser, wens), raïm (mv. van het
woord ra – de slechte neiging van de mens, het egoïsme). Daarom maakte Josef
aan de nieuwe bekeerden een besnijdenis, hij stootte de 3 kliepot van de klie
kdoesja weg.
Zijn wens was hoofdzakelijk om die sjediem, roegiem (heksen,
duivels) te corrigeren, welke van het uitstorten van zaad van Adam zijn geboren
– omdat dat zijn juist de meest hoge
zielen, welke zielen is het in principe mogelijk om te corrigeren alleen door vele
zielstransmissies.
Daarom verscheen het joodse volk (jehoedie – van het woord
“jechoed” – vereniging, samenvloeiing met de Schepper – alsmede van het woord
“m’joechad” – bijzondere, omdat het vrij is van eigenliefde, en alleen zulke
[schepselen] kan men “jehoedie” noemen) alleen met de generatie van Jaakov.
Dat is het volk, welk uit zielen bestaat, die de correctie
zijn doorgelopen in zielstransmissies – gielgoeliem vanaf de Adam tot Jaakov.
En vanaf Jaakov begon de correctie van de zielen, welke zielen baniem (zonen)
heten, t.o.v. de zielen van Avraham, Itschak en Jaakov, welke avot (vaderen)
heten.
In Egypte allen waren Egyptenaren. Maar door middel van werk
aan zichzelf scheidde zich van de algemene massa [mensen] een deel – “goj mie
kerev goj” – en werd tot een afzonderlijk volk. D.w.z., de netsoetsiem (het
deel van Israël), welk in de kliepot (het deel Mietsraïm) viel, corrigeerden –
zochten uit en brachten omhoog in de Atsieloet – een deel van de kliepot, en zo
ontstond het volk Israël.
23. Maar vóór de zondvloed juist deze hoge zielen
negeerden de Schepper – hoofdzakelijk, zoals de Tora verteld, door het
uitstorten van het zaad op de grond. En zij werden gedeeltelijk door de
zondvloed gecorrigeerd, door de uitwerking van lichten chassadiem - maim, door
water, welk water op een klie zijn eigenschappen overbrengt.
De tweede zielstransmissie van deze zielen vond plaats in de
“dor haflaga” – de generatie van het scheiden van mensen in volkeren. De derde
zielstransmissie vond plaats in de bewoners van S’dom.
24. In de mens zijn er drie zielen:
1.
nefesj kdoesja – de heilige ziel, welke geen correctie nodig heeft, daar zij
alleen uit het goede bestaat;
2. nefesj Noga – deze bestaat voor de helft uit het
goed en voor de helft uit het kwaad, d.w.z.
het hangt van de keuze door ons van onze daden. Indien zij zullen aan
onze correctie bijdragen (in een zulk geval heet een daad “Voorschrift”), dan
sluit de Noga zich tot de nefesj kdoesja. Indien echter onze daad egoïstisch
(in een zulk geval heet een daad “zonde”), dan zal de Noga zich aan de derde
ziel van de mens aansluiten – nefesj van drie kliepot;
3. nefesj van drie kliepot – een deel van de ziel,
welke men niet kan corrigeren. Maar geleidelijk, door de tweede ziel (Noga) tot
de nefesj kdoesja aan te sluiten, isoleren wij op die manier de derde ziel van
het licht, en zij sterft af.
Adam was geschapen zonder de drie kliepot. De kliepa Noga
was in hem dus onophoudelijk met de nefesj kdoesja verenigd. Daarom diende hij
ook te zondigen, zodat een vermenging van alle kliepot zouden plaatsvinden, en
vervolgens, door het kiezen voor het goed, het scheiden van het goed uit het
kwaad, het kwaad te vernietigen.
De mens is neutraal. Hij gewaarwordt alleen de op hem
werkende krachten, en aangezien op ons allen vanaf de geboorte een [zekere] kracht
(engel) invloed uitoefent, welke engel jetser ra (het slechte beginsel, het
egoïsme) heet, beschouwen wij het in ons opgewekte egoïsme als onze
persoonlijke natuurlijke beginsel, de eigenschap van het lichaam.
Indien de mens stelt zich voor, dat al zijn wensen – die
zijn niet van hem, maar die worden aan hem toegezonden, op hem van buiten
opgelegd – zal het hem veel
gemakkelijker zijn om aan zijn wensen tegenstand te bieden.
Stelt u voor, dat u zich al “boven de aarde” bevindt, in de
geestelijke werelden, in u kijkt naar zichzelf en naar uw lichaam van buiten –
ziet u, hoe legt het u voortdurend zijn wensen op, welke wensen u streeft
direct te bevredigen, en zo gedurende uw heel leven. En uiteindelijk blijft het
lichaam in de aarde achter. En u – uw “ik”, d.i. uw ziel – kijkt toe en
verwondert u over hoe kan een mens toch zijn geheel leven zich met een zulk
nutteloos werk bezighouden – datgene te vertroetelen, wat gedoemd is om te
sterven!?
25. De
wereld A”K vulde met
het licht de plaats vanaf het begin van de ontwikkeling der werelden tot de
taboer van de A”K. De olam Nekoediem vulde de plaats vanaf de taboer tot de
parsa. De Atsieloet vult de plaats vanaf de parsa en tot het einde, tot het
punt van onze wereld, door op verzoek van rechtvaardigen de keliem van de
werelden BaJ”A tot zich, boven de parsa op te laten stijgen, en daar vult zij
met licht. Dat vervult de partsoef Z”A alsmede de partsoef Malchoet van de
wereld Atsieloet.
Daarom begint de
Tora juist van hen, daar hij vertelt alleen over datgene, wat op ons betrekking
heeft: “In den beginne schiep G-d de hemel (de Z”A) en de aarde (de Malchoet).
De Malchoet – dat is de som van alle zielen en datgene, wat de Malchoet
ontvangt afhankelijk van het niveau, waar zij zich bevindt, terstond ontvangen
ook de zielen, die deze haar toestand opwekten.
Elke partsoef – dat
is, in het algemeen, de verhouding tussen de Z”A en de Malchoet, waar de Z”A –
dat zijn 9 sfirot van het directe licht, en de Malchoet – dat is een masach,
welke ze weerkaatst. De malchoet kan gebruikmaken van keliem hasjpaa (kether,
chochma en biena), en een zulke toestand van de Malchoet heet katnoet; óf [zij
kan gebruiken] alle keliem, met inbegrip van keliem kabbala (vanaf chessed tot
de jessod) – en een zulke toestand van de Malchoet heet gadloet. In de katnoet
ontvangt de Malchoet alleen het licht chassadiem; in de gadloet ontvangt zij
ook nog het or chochma.
26. In de wereld Ejn Sof is er geen verschil tussen
or en klie. In de Galgalta vult or kether de klie kether. Maar in de A”B reeds
or chochma is in de klie kether, en in de Sa”G – is het or biena in de klie
kether. Op die manier verschijnt een gewaarwording van het tekort aan licht in
de klie en er wordt steeds verdere verwijdering van de klie van het licht
opgetekend, zodat aan het einde van de ontwikkeling van de werelden verschijnt
de Malchoet zonder licht, d.i. het lichaam zonder ziel. En van dit punt af
begint het werk van de mens om de oorspronkelijke toestand te bereiken.
27.
“Ramchal. Adier ba Marom”, blz. 25: “De sjvierat keliem in de olam Nekoediem
legde de grondslag voor het ontstaan van de werelden BaJ”A, als gevolg waarvan
onze wereld verscheen, en de mens werd geschapen, d.w.z. er werd een basis
gelegd voor de gehele Schepping, welke tot
aftakkingen van de olam Nekoediem wordt.
En het scheppen van
de mens in de toestand van vrijheid van de wil, de vrijheid van keuze van zijn
daden, welke mens een beloning of een bestraffing ontvangt afhankelijk ervan,
zo was het door de Schepper gepland, zodat uiteindelijk de mens van de Schepper
alle voor hem voorbestemde genieting zonder schaamte zou hoeven te ontvangen.
En om de
voorwaarden voor de vrijheid van handeling te scheppen, is het nodig dat in hem
slechte neigingen voorhanden zouden zijn, zodat nu en dan ze over de mens
zouden heersen, en soms de mens ze zou besturen en ze zou ondermijnen, en opdat
de gevolgen van deze zijn handelingen hun weerklank in de Hoge Werelden zouden
vinden. En op die manier verschijnen
verschillende naar niveau slechte en goede tijden.
En bovendien, er is een mogelijkheid voor een berouw na een
slechte daad, en dat betekent, dat er een mogelijkheid bestaat om terug in tijd
te keren en een of andere handeling te corrigeren. Ook hieruit stamt de basis
af van het belonen en bestraffen, en dat allemaal is het gevolg van de sjviera
en de tiekoen keliem”.
28. Het gehele bestuur van onze wereld gaat van de
partsoef Z”A de Atsieloet uit, waarin wij 5 mogelijke toestanden vinden:
a) ieboer (verwekken) – gedurende de eerste 2000
jaren, en in het bijzonder in de egyptische ballingschap, wanneer de Schepper
zich volledig van onze wereld verbergt, alsof Hij onze wereld verliet en let
niet meer op de handelingen van de mensen;
b) jenieka
(het grootbrengen met voer) – zoals onze huidige tijd, wanneer onder ons geen
profeten en wonderen zijn, evenmin als de aanwezigheid van de Schepper, behalve
enige kennis over Zijn grootsheid;
c) gadloet
1 (de eerste periode van het volwassen worden) – wanneer de Schepper neemt
duidelijk de macht over de wereld (daarvóór werd onze wereld door Hem bestuurd
onzichtbaar voor ons, en daarom werd het door ons als een toevallig, natuurlijk
verschijnsel gewaarword) in de ogen van Israël en de goïm. Dat was de tijd van
de Eerste en de Tweede Tempels. Maar dat is geen volledige openbaring van de
Schepper aan volkeren, daar zij middels wonderen wordt verwezenlijkt.
d)
gadloet 2 (de tweede periode van het volwassen worden) – wanneer de Schepper
openbaart zich voor de ogen (gevoelens) van alle schepselen, Zijn bestuur wordt
bevat, en wonderen en het geloof worden onnodig, en in plaats daarvan komt de
Kennis, de gewaarwording van de Schepper in de voor allen helderen vorm.
e)
het opstijgen van de Z”A – een geleidelijke absolute bevatting, samenvloeiing
van allen met de Schepper (Ramchal. Daat tvoenot, blz. 140 – 146).
29. De
tijden van alle gebeurtenissen, welke in onze wereld plaatsvinden, zijn in de
Malchoet de Atsieloet bepaald.
a)
in de Z”A bevindt zich de bron van alle toekomstige gebeurtenissen, en in de
Malchoet – de tijd, waarin elke ervan zich in onze wereld dient te
manifesteren;
b)
in de Malchoet wordt de tijd bepaald van het neerdalen en de tijd van het
terugkeren van elke ziel. De bijzonderheid van de ziel wordt door de tijd van
haar geboorte bepaald.
c)
de ziel (nefesj) bevindt zich in de Malchoet in overeenkomst met het niveau van
or roeach in de Z”A;
d) de
roeach van eenieder is in de eerste 6 dagen van de schepping gevormd, en de
nefesj van eenieder wordt op elk willekeurig tijdstip gedurende 6000 jaren
gevormd, en de eigenschappen van de ziel hangen af van de tijd van haar
vorming;
e) indien
de ziel van de mens manifesteert zich in deze wereld op dezelfde geestelijke
tijd, wanneer de Malchoet overeenkomt met dat niveau van de Z”A, waar zich de
roeach van de mens bevindt – wordt een succesvol mens geboren;
f) de
nefesj ten opzichte van de met haar overeenkomende roeach heet de vrouw van de
mens;
g) het
leven, succes – hangt van de ziel af. Indien de roeach in de wereld uitgaat,
wanneer de nefesj zich daar bevindt – alles wordt makkelijk aan een zulke mens,
zelfs indien hij geen rechtvaardige is. Zo niet – dan is zijn leven zwaar,
zelfs indien hij rechtvaardige is. Daarom wordt gezegd, dat alles hangt van het
geluk – de mazal (het niveau van de roeach van de echtgenoot van de ziel);
i) er
is geen mens, bij wie gedurende de 6000 jaren niet zijn “uur” zou zijn, maar de
mens gaat niet altijd in de wereld uit in overeenstemming met “zijn uur”;
j) alle
zielstransmissies (reïncarnaties) van het leven van de mens zijn daarvoor
bedoeld, opdat zijn ziel met “het uur” zou samenvallen en op die manier tot de
correctie zou komen;
k) eenieder,
die “andermans uur” grijpt, zal hem uiteindelijk aan de ware eigenaar afstaan;
l) alle
correcties, welke door de Torastudie en het vervullen van Voorschriften worden
bereikt – zijn slechts daarvoor, om het “uur” te corrigeren. De mens dient een
elk uur van zijn leven te corrigeren (Bieoerej Hagra).
30. In
geen geval dient men te denken, dat van onze goede daden ontvangt de Schepper
een genot, en van onze slechte [daden] – droefenis. Alleen maar, omdat Zijn
enige wens is om ons te geven, geven wij Hem door Hem de mogelijkheid te geven
om ons te vergenoegen, als het ware, een genieting. Het is duidelijk, dat dat
is slechts voor het oren stelende woord.
De Schepper is boven onze wensen.
Door Zijn wil te
vervullen, creëren wij in ons een vat, welk vat in staat is om een genieting te
ontvangen; door die niet te vervullen – brengen wij schade alleen aan onszelf.
En dat was Zijn wil – om een bestuur te scheppen, dat van onze handelingen
afhangt.
Een angst voor de
Schepper, een dank, verzoeken tot Hem – dat zijn in feite het scheppen in ons
van een klie voor het ontvangen van een genot. Hij is echter boven alle
reacties op onze handelingen. De van ons vereiste voorwaarde is het vervullen
van Voorschriften “omwille van Hem” (lie sjma) – is niets anders, dan het
scheppen van het or chozer – de voorwaarde voor het ontvangen van een
genieting, het licht chochma.
Er wordt verteld,
dat de Ziener uit Lublin aan het einde van Jom Kiepoer antwoordde aan eenieder
op de vraag met het antwoord, welk hij direct van de hemel ontving. En wanneer
één van zijn chassidiem zei, dat zijn verzoek is om alles alleen omwille van de
Schepper te doen, kreeg hij een antwoord: “Zonder het bewijzen van dient!”. En
daarom dient men te onthouden – [dat] de weg van de Tora, de Kabbala, het
altruïsme – is alleen voor ons welzijn.
31. Tfiela – een gebed, een verzoek om datgene, wat
een klie, een mens werkelijk ontbreekt. Maar wat als wij niet weten, wat wij
eigenlijk nodig hebben, en verzoeken om datgene, wat wij in feite, helemaal
niet nodig hebben? Zoals, bijvoorbeeld, ik heb brood nodig, maar ik neem per
vergissing in de winkel welk. Indien de verkoper een helderziend is, d.w.z.,
die begrijpt, wat ik in werkelijkheid nodig heb – dan, zal hij mij, natuurlijk,
datgene geven, wat ik nodig heb, en niet waar ik per vergissing om vraag.
Daarom is het belangrijkste – te verzoeken, maar wat aan
eenieder van ons te geven – dat beslist
de Schepper. En daarin is ons geluk, anders zouden wij én onszelf, én de
anderen schade berokkenen. En op elk
verzoek, dat tot de Schepper is gericht, is er een antwoord.
32. In
de mens zijn er drie wensen:
a) eigen
wens – wensen van het lichaam: eten, drinken e.d., welke dient men te vervullen
voor het behouden van een normaal bestaan van het lichaam;
b)
andermans wensen – dat zijn wensen, die van buiten worden opgelegd, welke
wensen door het gevoel van schaamte worden opgewekt alsmede door het eisen van
eerbetoon, respect, status van [de kant van] zichzelf gelijken.
In deze beide
wensen zijn [de aspecten van] beloning en bestraffing evident, en daarom
bestaat er voortdurend het streven om het gewenste te vervullen.
c) wens
van boven – de wens van de Schepper, dat een mens het geestelijke boven het
materiële verkiest. [De aspecten van] beloning en bestraffing zijn niet
evident, als in de eerste twee – en daarom zijn er geen krachten en het
bijzondere streven om deze wens te vervullen. Om de mens toch te dwingen
onbewust datgene te vervullen, wat voor Hem nodig is, plaatst de Schepper in
bepaalde objecten van onze wereld genietingen of het lijden, en, op die manier,
bestuurt Hij de mens onderbewust via de eerste twee wensen.
33.
Men kan het leven weer tot leven brengen alleen door de engel van dood te
doden. En dat bedoelt de Tora, wanneer zij over vier vormen van het beroven van
het leven spreekt:
a) vierendelen
– het verdelen in delen, d.i. het scheiden van kliepot (de Malchoet van de
Ts”A) van de kdoesja door middel van het opstijgen van de malchoet in de biena;
b) het
verbranden – het ontvangen in de malchoet van eigenschappen van de biena;
c) het
doden met een zwaard – met behulp van een zievoeg op de middellijn (kav
emtsai);
d) het
verstikken – als gevolg van het afwezig zijn van adem der kdoesja door middel
van het vormen van een zievoeg van de Zo”N de Atsieloet.
Pas na alle vier
vormen van de vernietiging van de kliepa verdwijnt zij uit de wereld.
34.
In de gmar tiekoen zullen wij zien, dat datgene, wat ons vroeger als een
vervolging van de kant van goïm leek, zal zich openbaren en het zal geheel
tegenovergestelde geopenbaard worden – dat alle volkeren daarmee alleen de
aanwijzingen van de Schepper vervulden om ons tot het absolute geloof te
brengen.
En datgene, wat
door ons als de klappen van het lot werd gezien, zal zich in het tegengestelde
onthullen – dat daarmee sloegen de goïm zichzelf, want juist door deze
vervolgingen versnelden zij ons voortschrijden tot de volmaaktheid, en [zij]
zichzelf – tot de ondergang. (Dat gaat op zowel in het kader van geestelijke,
religieuze vervolgingen, als ook ten opzichte van onze innerlijke goïm –
gedachten en wensen, welke ons van de Tora wegstoten). (Zohar, d. 1, blz. 165).
35.
Alle werelden, alle schepselen bevinden zich binnen eenieder van ons. In ons
zijn er vele tegenstrijdige beginselen, welke men kan noemen als de Schepper,
Adam, Chava, Avraham, Itschak, Jaakov, Mosje, Josef, David, Farao, goïm, joden,
dieren, Tempel e.d. – d.w.z., alles, wat bestaat en zelfs wat nog niet in onze
wereld verscheen, zelfs sterren, landen en steden. En de mens zelf – dat is ons
innerlijk punt, welk punt onze “ik” gewaarwordt.
Bijvoorbeeld, het
gewaarworden door ons van het geestelijke uitzichtloosheid heet galoet –
verbanning, ofwel duisternis, ofwel woestijn – afhankelijk van datgene, waar
het over gaat – op welk niveau de mens zich bevindt. De mens kan zichzelf een
schepsel noemen, wanneer hij voelt, dat hij door de Schepper is geschapen. Het
goed – dat is het samenvallen met de Schepper. Het kwaad – elke verwijdering
van Hem.
In deze taal (trant – vert.) is de gehele Tora geschreven:
zij spreekt over de enige schepsel – de mens, waarbinnen zich alles bevindt: én
de paradijselijke hof, én bomen, én de slang, en de zondvloed, en de gehele
mensheid, in hem worden oorlogen gevoerd, en alles loopt naar het beoogde einde
– wanneer deze mens met de Schepper zal samenvloeien.
De mens – dat is een kleine wereld. De aanvoerders van deze
wereld – dat zijn zijn voornaamste wensen. Rechtvaardigen in de mens – dat zijn
zijn gedachten over de toenadering tot de Schepper. Zondaars – dat zijn [zijn]
egoïstische gedachten. Zo dient men alles waar te nemen wat in de boeken van de
Tora beschreven wordt.
36. De gehele geestelijke structuur wordt in drie
delen ingedeeld:
a) rechtstreeks de Schepper Zelf;
b) het
van de Schepper uitgaande licht;
c)
keliem, zielen, welke dit licht ontvangen.
De Schepper Zelf is ons verstand niet in staat te bevatten,
en daarom noch naam, noch eigenschappen welke dan ook kunnen wij Hem
toeschrijven. In keliem zijn er twee karakteristieke tegenpolen – het verbergen
en het onthullen. Aanvankelijk verbergen ze de Schepper.
Zoals, bijvoorbeeld, een mens, welke zich van de blik van
een ander sluit. Het verbergen bestaat uit 10 schermen, welke sfirot heten. Hoe
lager is een klie, sfira, des te meer licht zij verbergt. Maar wanneer de ziel
van de mens, dankzij het uitvoeren door hem van bepaalde voorwaarden - voorschriften,
begint deze keliem te beheersen, dan veranderen de eigenschappen van het
verbergen, verzwakken van het licht in het tegengestelde, waarbij, zo groot als
vroeger het verbergen was, zo groot manifesteert zich nu het onthullen van het
licht aan deze klie.
En, op die manier, hoewel de Schepper Zelf is absoluut
ondoorgrondelijk, openbaart Hij zich aan ons door middel van het vullen van
keliem (vaten) van onze zielen met het van Hem uitgaande licht, en in die mate
is Hij bevattelijk.
Nu wordt het ons geheel duidelijk, dat al die namen en
handelingen, welke aan de Schepper in de Tora, in al haar boeken, worden
toegeschreven, worden in onze aarde taal beschreven, en in geen geval de
Schepper Zelf beschrijven, maar slechts over een mate van een reactie van een
klie op het door de Schepper uitstralende licht, om precies te zijn, het
opwekken van de ziel wegens het vullen met een bepaald licht.
37. De trappen van geestelijke verheffing:
het ontvangen – om zichzelf een genieting te geven
het weggeven – om zichzelf een genieting te geven
het weggeven – om te vergenoegen, om een genieting te geven
het ontvangen - om te vergenoegen, om een genieting te
geven.
Alleen een handeling is in onze macht, maar geen gedachte,
welke met die handeling gepaard gaat. Een motivatie – deze kan alleen de
Schepper Zelf van boven veranderen, in overeenkomst met ons verzoek. De mens is
niet in staat om zijn aard te veranderen, hij hoeft het ook niet. Wat van hem
wordt verlangt is alleen, dat hij dat zou gaan wensen en de Schepper erom
verzocht. En daarom heet het werk aan zichzelf “avodat haSjem” – “het werk van
de Schepper”, want de mens alleen verzoekt, maar de Schepper doet (het boek
“Jesjer dievrej emet”, blz. 13).
38. Elke
ziel bestaat uit 10 sfirot, het or pniemi en het or makief.
Het or pniemi bevindt zich in de klie pniemi – in de 10
sfirot, en het or makief bevindt zich gewoonlijk in de klie makief. Maar Adam
en Chava hadden deze klie makief ofwel [klie] chietson niet. In de Tora wordt
verteld, dat zij waren naakt en schaamden zich niet, d.w.z. zij misten een
gewaarwording van het tekort aan deze klie.
En het gewaarworden van een gebrek – dat is altijd de eerste
reden voor het opvullen, de correctie van dit gebrek (zoals bij een zieke, die
niet voelt dat hij ziek is – hoewel hij toch bereid zou zijn om geneesmiddelen
te gaan gebruiken, maar hij voelt er geen behoefte aan).
Het gewaarworden van gebrek, een schaamte – daar de klie
chietson een deel van de klie, van de ziel is, welk deel niet met het inwendige
licht, or pniemi gevuld is – dwingt de mens daarom om vooruit te gaan, d.w.z.,
om een masach op te bouwen en zijn ziel met het licht te vullen.
En aangezien bij Adam en Chava deze klie ontbrak, waren zij
niet bereid tot het uitvoeren van de rol, waar zij voor geschapen waren. En
daarom was het voor hen tevoren voorbestemd om via de zondeval door te lopen
ter verkrijging van een klie chietson.
39. In ons bestaan er twee typen van analyse van
omstandigheden: het eerste is – het analyse van het goed en het kwaad; het
tweede is – het analyse van waarheid en leugen.
Om te dwingen in de nodige richting tot het doel van de
Schepping zich te ontwikkelen en te handelen, sloot de Schepper in de natuur
van de schepping een lichamelijke kracht van de analyse in op basis van het
gevoel “bitter” óf “zoet”.
Bij deze analyse haat de lichamelijke kracht en stoot alles
wat bitter is af, aangezien zij zich [erdoor] slecht voelt, en houdt van zoet,
trekt alles wat zoet is naar zich toe.
En deze lichamelijke kracht is volkomen afdoende voor een
doelgerichte ontwikkeling van de levenloze, vegetatieve en dierlijke natuur en
het voeren ervan naar de vereiste volmaaktheid, d.i. naar het door de Schepper
gekozen doel.
Alleen de mens is gedwongen om naar het doel te gaan in
weerwil van de wensen van het lichaam, waarbij hij geen keuze maakt tussen twee
mogelijke toestanden – zoet óf bitter, maar in weerwil ervan, [dient te kiezen]
uit de toestanden: waarheid – leugen.
40. Zoals ik reeds meermaals herhaalde, vormt de mens
het doel van de Schepping, d.w.z., alles is omwille van de mens geschapen –
alles wat wij leren over de achtereenvolgende ontwikkeling van de werelden was
alleen ten behoeve daarvan, dat hun bewoner - mens (Adam) zou verschijnen in
een kant-en-klare plaats van zijn werk aan zichzelf door middel van een vrije
keuze uit het voor hem zich onthullende beeld van het heelal. En alle hogere
werelden, en ons heelal bestaan alleen maar als een voorziening in het
volbrengen van deze taak – het scheppen voor de mens van condities voor zijn
geestelijke verheffing tot het niveau van de Schepper.
Op het moment van het scheppen van de mens uit de Malchoet
de Atsieloet, welke Malchoet ook de werelden BaJ”A creëerde, stemde haar
geestelijke toestand, de geestelijke klie – goef met deze werelden overeen.
D.w.z., de geestelijke bevatting van een gewaarwording, het besef was bij Adam
binnen de grenzen van alle werelden BaJ”A, terwijl wij nu beseffen slechts een
nietig deel van onze wereld, en de werelden BaJ”A gewaarworden wij in het geheel
niet.
En het heeft, natuurlijk, niets met de toestand van ons
materieel lichaam te maken – van vlees en botten, dit [lichaam] is ons metgezel
voor een bepaalde tijd, buiten elk verband met de grenzen van geestelijke
gewaarwordingen. (Zoals rav Baruch Ashlag schrijft over zijn vader in het
voorwoord bij het boek “Prie chacham” - zie op onze site – schreef hij alleen
datgene, wat hij zelf bevatte. En zoals wij zien uit zijn werken, zijn
beschrijving van het systeem der Schepping begint met de Oneindige wereld).
De mens is als het ware een gesloten doos, die alles van
buiten ontvangt – d.i. de vitale hem doen oplevende kracht en invloeden, welke
alle gewaarwordingen in hem oproepen.
De Schepper weet van tevoren, welke gewaarwordingen zullen
Zijn uitwerkingen bij de mens oproepen. Van ons hangt alleen de wens af om ons
op de ontvangst van steeds fijnere gewaarwordingen in te stemmen – en dan
zullen wij ze ontvangen, d.w.z., de krachten zullen gaan voelen, welke krachten
achter de door ons zichtbaar omhulsel van onze wereld actief zijn.
Door geestelijk in de wereld Atsieloet, bijvoorbeeld, te
zijn opgestegen, hoewel het materiële lichaam zich in onze wereld bevindt,
gewaarwordt de mens twee werelden tegelijkertijd – én de wereld Atsieloet, én
onze, materiële wereld.
41. Het gehele werk van de mens, welke mens het
geestelijke obstakel die onze wereld van geestelijke werelden scheidt, reeds
doorliep, zijn wisselwerking met het Hoogste Licht, is op het principe van drie
lijnen (giemel kaviem) opgebouwd:
a) tot
de geestelijke klie van de mens (wens + masach) komt het licht van boven – een
genieting. Deze aanvoer van licht heet “kav jamien” (rechte lijn);
b) een
masach – een wilskracht van de mens, zijn onwil om voor zichzelf te genieten,
zijn voorkeur voor de geestelijke nabijheid tot de Hoge boven het persoonlijke
egoïsme – stoot dit aankomend licht - genieting terug. Deze weerkaatsing van
het licht heet “kav smol” (linke lijn);
c) door
in duisternis zonder licht te zijn gebleven, besluit de mens om een deel van
het licht uit liefde voor de Hoge te ontvangen. Deze ontvangst van een weinige
portie (Va”K) van het licht - genieting heet “kav emtsai” (de middellijn). Het
geestelijke systeem, dat in de modus van drie lijnen werkt, heet mietkala
(weegschaal).
De middellijn, die
twee uiterste in evenwicht houdt, heet lasjon ha-kodesj (de heilige taal) naar
het voorbeeld van een meettong van een weegschaal. Daarom juist wordt gezegd,
dat de Tora in de lasjon kodesj is geschreven, daar haar te begrijpen kan alleen
hij, die het werk van de ziel in de kav emtsai beheerst. De
geestelijke toestanden door middel van verhoudingen van materiële objecten van
onze wereld of grafische uitbeeldingen van eenvoudige lijnen en cirkels (direct
en omringend licht) uit te drukken – zulke taak zagen voor zich vele oude
kabbalisten.
3. DE MENS EN DE WERELD
GOED EN KWAAD. Elke ding in onze wereld – goed of slecht, of zelfs
het meest slechte, heeft recht op het bestaan. En men mag hem niet vernietigen
of uit de wereld te verwijderen, maar het is op ons opgelegd om hem het
corrigeren en nuttig te maken. Immers zelfs een oppervlakkige overpeinzing over
het heelal wekt bij ons het gevoel van grandeur en volmaaktheid op.
Het is bekend, dat
de Schepper maakte de schepping niet af. En dat nemen wij waar en gewaarworden
onophoudelijk – én in het algemeen, én in bijzonderheden. Alles bevindt zich
onder invloed van wetten van geleidelijke ontwikkeling – vanaf het ontstaan en
tot het bereiken van de definitieve vorm.
En door dat te
beseffen, waarbij wij een of ander element der schepping in een
onverkwikkelijke toestand observeren (een bittere vrucht, een slechte mens, een
maatschappij die zich met haat voedt), beoordelen wij hem niet naar zijn
tijdelijke toestand, aangezien wij al weten, dat de reden voor een dergelijke
toestand is – de ontwikkeling. D.w.z., op het gegeven moment ontwikkelde het
zich nog niet tot zijn eindtoestand – de volmaaktheid.
Indien een element
van de schepping als een slecht naar zijn eigenschappen wordt gezien – kan dat
niet als bewijs dienen van zijn uiteindelijke eigenschap, want het bevindt zich
nog in overgangstoestanden van het ontwikkelingsproces. En wij kunnen niet
beweren, dat het slecht zal zijn, zoals het aan ons nu wordt vertoond (zoals
een zoete appel is bitter in het rijpingsproces).
Uit het
bovengenoemde kan men een conclusie trekken: elk ding dient te zijn geëvalueerd
niet naar zijn tijdelijke vorm, maar naar zijn uiteindelijke, ontwikkelde,
volmaakte toestand.
En nu kan men
begrijpen het ongefundeerd zijn van de “wereldverbeteraars”, die in onze tijd
zijn verschenen, welke alles om zich heen als onvolmaakt zien en daarom als een
behoefte in de correctie hebbende – d.w.z., in het uithalen van de
“niet-gecorrigeerde” delen en in het vervangen ervan door “gecorrigeerde”.
Maar aangezien de
Schepper laat niet toe om iets in de wereld te vernietigen, doch slechts het
omvormen van het kwaad in het goed – tevergeefs zijn alle pogingen van
“verbeteraars” om iets kunstmatig te veranderen – het kwaad blijft. En het
kwaad, zijn grootte, bepaalt de hoeveelheid van trappen der ontwikkeling, welke
alle elementen van de schepping zijn verplicht door te lopen voor het bereiken
door hen van de echte volmaaktheid.
En dan zullen slechte, schadelijke elementen, hun eigenschappen,
zelf in goede en nuttige zullen veranderen, zoals juist door de Schepper
gepland werd. En pas dan zal de ware betekenis van een dergelijke trapsgewijze
ontwikkeling geopenbaard worden.
Het is nodig om te weten, dat hoewel de boven aangegeven wet
van ontwikkeling van de natuur, welke [wet] alles wat slecht is in het goed en
nuttig verandert, is werkzaam van boven. D.i. zonder onze wens gaf de Schepper
aan de mens verstand en macht, opdat hij deze wet van ontwikkeling onder zijn
controle zou nemen – om het ontwikkelingsproces naar onze wens, naar onze vrije
keuze en onafhankelijk van de tijdsverloop zal versnellen.
Op die manier, zijn er twee leiders, twee krachten, welke de
wegen der ontwikkeling bepalen: “De Hemelse”, die waarborgt, dat al het kwaad
tot het goed en schadelijk – tot nuttig zal worden gebracht, maar [welke weg]
werkt langzaam en pijnlijk. Zodat indien het zich ontwikkelende element van de
schepping levend is, [d.w.z.], over de zintuigen beschikt, dan wordt pijn
gevoeld en hij leed van de meedogenloze hem vooruitduwende ontwikkelende
kracht.
En er is een “Aardse” macht – de afzonderlijke
persoonlijkheden, welke [persoonlijkheden] de Wet der ontwikkeling onder hun
controle namen, en daarom zij de kracht hebben om zich absoluut van de factor
tijd vrij te maken, en daardoor het einde – de hoogste trap van hun
ontwikkeling – dichterbij te brengen.
Deze voorwaarde is in de Talmoed weergegeven (Sanhedrin,
98): “Anie – haSjem bieto hachiesjeno”, d.i. de mensheid kan zelf langs de weg
van ontwikkeling gaan, maar indien niet – dan zal zij alle trappen langzaam en
in leed noodgedwongen doorlopen.
Immers, aangezien sprake is van gevoelselementen in de
schepping, dan juist bittere ondervindingen duwen de mensheid tot het overgaan
van de meest lage tot de meest hoge trap der ontwikkeling, waarbij zij “laten
niet toe” om te stoppen, daar een vertraging een groter leed oproept, dan een
beweging - en daarom zijn zij gedwongen
om zich te ontwikkelen. De vrijwillige weg van ontwikkeling hangt niet van de
tijd af, maar alleen van de grootte van de wens om het nodige resultaat zo gauw
mogelijk te bereiken.
En nu laten wij de kwestie van de correctie van het kwaad in
de mens uiteenzetten. Maar eerst dienen wij afspreken over de betekenissen van deze
categorieën – “Goed” en “Kwaad” –
alsmede hun evaluatie. D.w.z., wij dienen duidelijk te bepalen, wat wij onder
deze woorden “goed” en “kwaad” bedoelen, alsook ten opzichte van wie wordt hun
evaluatie verricht.
Om dat te begrijpen dienen wij eerst een verband en
betrekkingen te evalueren tussen de mens en de maatschappij, waarin hij leeft
en waarvan hij zich voedt, zowel materieel, als ook geestelijk. De
werkelijkheid zegt ons, dat er geen mogelijkheid is voor het bestaan van een
afzonderlijke, van de maatschappij geïsoleerde persoonlijkheid.
D.w.z., de mens is geschapen als een eenheid, als een deel
van de maatschappij. Al haar leden vormen het integrale mechanisme – op die
manier, dat er geen vrije beweging van eenieder is, en eenieder beweegt zich in
overeenkomst met de gemeenschappelijke beweging in een bepaalde richting, welke
richting is bepaald door de noodzaak voor het succesvolle werk van het
mechanisme in het geheel.
En indien een storing in één detail van dit mechanisme zal
plaatsvinden, dan wordt het niet beoordeeld als alleen een mankement van deze
bewuste eenheid, maar de grootte van de mankement wordt bepaald in overeenkomst
met zijn invloed op het functioneren van het gezamenlijke werk van het
mechanisme in het geheel.
En naar hetzelfde principe tevens in onze analyse – de
grootte van nuttigheid of schadelijkheid van een elke eenheid van de
maatschappij dient geëvalueerd te worden niet naar haar persoonlijke
eigenschappen, maar naar haar nuttigheid of schadelijkheid voor de maatschappij.
Er is niet meer in de maatschappij, dan [wat er is] in
eenieder van individuen [haar uitmakende], en de nuttigheid van de maatschappij
bestaat in de bruikbaarheid van eenieder. En wie de maatschappij schade
toebrengt, beschadigt uiteindelijk zichzelf, en wie de maatschappij verrijkt –
verrijkt daarmee én zichzelf, daar eenheden – delen van de geheel zijn, en de
som van eenheden vormt een maatschappij.
De vrijheid van een maatschappij en de vrijheid van een
individu zijn identiek. Op die manier, slechte, goede, schadelijke en nuttige
kwaliteiten en handelingen worden alleen ten opzichte van de maatschappij
beoordeeld.
Alles wat hierboven gezegd is heeft betrekking op ideale
maatschappij, alle leden waarvan hun verplichtingen ten opzichte van haar
vervullen: zij ontvangen niet meer dan wat het hoort [te ontvangen], d.w.z.,
zij eigenen zich niet toe wat aan andere toebehoort. Maar indien deze regel
niet nageleefd wordt, dan brengen de overtreders schade niet alleen aan de
maatschappij in het geheel, maar tevens aan zichzelf persoonlijk. Zoals bekend
– dat is het verschijnsel, dat de meeste pijn doet en de correctie nodig
heeft.
De genezing is besloten in het beseffen van eenieder, dat
zijn welzijn en het welzijn van de maatschappij – dat is één en hetzelfde, en
alleen op die manier zal de wereld tot haar correctie komen.
WAARHEID, BARMHARTIGHEID, GERECHTIGHEID EN VREDE.
Deze vier categorieën bevinden zich tot onze beschikking voor het bereiken van
het doel – het goed en het geluk. En deze categorieën (begrippen, krachten)
gebruikt het Hoge bestuur voor een geleidelijke ontwikkeling der mensheid tot
de nodige, aan de Schepper wenselijke toestand.
Zoals reeds is gezegd, het behoort tot onze mogelijkheden -
indien wij dat zou wensen - de wet van onze ontwikkeling in onze handen te
nemen, onder ons bestuur en daardoor onszelf van vele ziekelijke momenten – die
ons anders nog staan te wachten - te bevrijden. En daarom analyseren wij deze
vier categorieën - wat gaven zij ons in
het verleden, en wat kan men van hen in de toekomst verwachten.
WAARHEID. De beste van deze vier categorieën. Wij
hebben al gezegd, dat het evenwicht tussen een individu en de maatschappij
wordt gehandhaafd in het geval, wanneer een individu geeft, d.i. zijn
rol ten opzichte van de maatschappij vervult, alsmede zijn deel van de
maatschappij ontvangt, volgens een rechtvaardige verdeling van het
gemeenschappelijke product.
Het gebrek echter van deze categorie is, dat in de praktijk
wordt in haar een of ander mankement vertoond, waardoor zij door de
maatschappij niet óverkomt. Wat is dan de reden voor? En bovendien, bij een wat
strakkere analyse van de categorie “Waarheid”, met name van haar praktische
uitwerking, vinden wij, dat zij in dermate vaag en ingewikkeld, dat de mensheid
niet in staat is om haar te volgen.
De “Waarheid” verplicht ons om alle leden van de
maatschappij over één kam te scheren, opdat zij in overeenkomt met het
verrichte arbeid zouden ontvangen, niet meer en niet minder. En dat is de enige
rechtvaardige basis. Maar eenieder wenst van het werk van andere leden van de
maatschappij te genieten.
Hoe kan men de Waarheid omvormen, zodat zij door de gehele
maatschappij aanvaard zou worden? – Door alle leden van de gemeenschap te
verplichten om dezelfde tijd in het werk te steken? Maar er is toch een
verschil in de productiviteit van mensen, al was het maar vanwege het verschil
in de fysieke kracht tussen hen.
Bovendien, is er een psychologisch probleem: bijvoorbeeld,
van nature trage mens dient aanzienlijk meer inspanningen te leveren, dan een
vlijtige, en volgens de Waarheid is het duidelijk, dat men kan één mens niet
verplichten om meer te werken dan een ander. Daarom maken de handige en sterke
[mensen] in de maatschappij gebruik van vruchten van andermans arbeid,
aangezien zij minder dan trage en zwakke werken (verbruiken minder
inspanningen).
Bovendien, indien wij de wet van de natuur in acht zullen
nemen, dat “de meerderheid bepaalt de vorm en de wet”, of anders gezegd – “de
wet om achter de meerderheid te gaan” (de meerderheid volgen – vert.), en in de
basis de hoeveelheid werkuren zullen leggen – dan zullen wij volgens de
Waarheid een zulke wet niet kunnen aannemen. Immers luie en zwakke vormen de
meerderheid, en zij zullen zich niet prijsgeven aan sterken en ondernemenden om
door hen geëxploiteerd te worden.
Daarom is de enige echte rechtvaardige basis – dat is de
hoeveelheid arbeid, welke een individu afgeeft, met als voorwaarde een
waarheidsgetrouw benadering. En daarmee is de meerderheid in akkoord. Maar dat
is in het geheel niet praktisch, aangezien het onmogelijk is om de grootte van
een inspanning te meten en, bovendien, te controleren.
Het is immers onmogelijk te bepalen in hoeverre moeilijk het
voor een zwakke is om iets te doen, hoeveel arbeid zal eenieder leveren in
overeenstemming met zijn stemming, gezondheid en karakter. D.w.z., wij zouden
genoodzaakt zijn om de wilsinspanningen van de mens te gaan meten – in hoeverre
zwaar is het voor hem om te werken – wat in principe onmogelijk is vanwege de
individualiteit, het ontbreken van een wetenschappelijke basis en de
complexiteit.
De eis van gelijke inspanning van leden van de maatschappij
is onmogelijk ook daarom, dat elke mens voelt zichzelf als de enige in de
wereld en hij bekijkt de gehele wereld, de gehele hem omringende gemeenschap
als te zijn in het leven geroepen om hem te bedienen – bovendien [hij voelt
het] in die mate, dat hij acht zichzelf niet verplicht aan de maatschappij.
Kortom, de natuurlijke eigenschap van elke mens is – om de
gehele wereld voor zijn eigen nut te gebruiken, en alles, wat hij aan een ander
geeft – dat is alleen uit noodzaak (en ook in dit geval is er sprake van het
gebruik van een ander, maar verborgen, indirect – zodanig, dat het niet door
een ander gevoeld wordt).
De reden daarvoor is, dat een tak (of aftakking) is gelijk
aan de wortel, de bron, is dicht bij hem van nature. En daar de ziel van de
Schepper uitgaat, welke Eén en Enige is – en allen zijn van Hem, dan voelt ook
de mens, de zoon van G-d, dat de gehele wereld, alle wezens in de wereld onder
zijn macht zich dienen te bevinden en bestaan voor zijn welzijn.
En het gehele verschil tussen de mensen is alleen in het
doel van het gebruik van de wereld: de een kiest de weg om anderen voor zijn
welzijn te gebruiken – voor het ontvangen van dierlijke genietingen, de ander –
voor het bereiken van macht, de derde – voor eerbetoon, roem. En indien het ook
mogelijk was, dan zou eenieder met voldoening de gehele wereld voor het
bevredigen van al zijn behoeften tegelijkertijd gebruiken – én voor de rijkdom,
én voor de macht, én voor de roem.
Maar vanwege moeilijkheden, wordt voor één van de
mogelijkheden gekozen. En deze “Wet van Uniek te zijn” – is in het hart van
elke mens ingeprent, en geen van ons is vrij van zijn invloed, en eenieder
kiest een deel ervan, in overeenstemming met zijn mogelijkheden en zijn
streven. En deze wet is noch goed, noch slecht – dat is de werkelijkheid en
onze natuur, en men kan hem niet omzeilen of zelfs een beetje verfraaien en verzachten.
Deze wet is juist de Absolute Waarheid.
Hoe kunnen wij nu dan zelfs proberen om aan een lid van een
gemeenschap de gelijkheid met andere leden aanbieden – immers er is niets wat
meer tegengesteld is aan de natuur van de individu! Immers het streven van een
individu is – om zich boven de gehele maatschappij te verheffen.
Op die manier hebben wij ons duidelijk gemaakt, dat met de
Waarheid is het onmogelijk om het leven van een gemeenschap te besturen (alleen
in de “gmar tiekoen” zal elke lid van de gemeenschap zijn absolute instemming
met het bestuur van de categorie Waarheid over zijn leven geven).
BARMHARTIGHEID, GERECHTIGHEID, VREDE. Die waren niet
met het scheppen van de wereld geschapen, doch ontstonden alleen ter
gedeeltelijke vervanging van en hulp aan de categorie Waarheid, waarmee is het
onmogelijk, zoals wij ons vergewisten, om onze wereld te besturen.
Zo is nu gegaan in
de geschiedenis, dat hoewel theoretisch wel geacht was, dat de Waarheid de
gemeenschap bestuurt, maar in de praktijk vervingen men haar met een geheel
tegengestelde, en de meest leugenachtigen van haar naam gebruikmaken. En daarom
vonden de zwakke en luie [schepselen]
uit en ontwikkelde de categorieën Barmhartigheid en Gerechtigheid, door hen in
de wet van het maatschappelijke leven in te sluiten.
De grondslagen van
de maatschappij verplichten de sterken en geslaagden om zwakken te helpen,
opdat die het bestaan van de gemeenschap niet in gevaar zouden brengen.
En daarom bracht men in praktijk de Barmhartigheid (medelijden,
aalmoes, hulp). Maar de natuur van de gemeenschap is zodanig, dat met het
ontstaan van de categorie Barmhartigheid de hoeveelheid zwakken en behoeftigen
dermate toeneemt, dat zij hun stempel op de sterke drukken – en dat leidde tot
het verschijnen van de categorie Vrede. Waarbij alle deze categorieën – Barmhartigheid, Gerechtigheid en Vrede –
ontstonden en ontwikkelden zich alleen vanwege de zwakheid van de categorie
Waarheid.
En dat leidde tot de verdeling van de maatschappij in
klassen, groepen. Een bepaald deel ervan nam zich als basis de categorie
Barmhartigheid, d.i. een tegemoetkoming, een opoffering van een deel van zijn
aandeel aan anderen. Uit hen ontstonden vervolgens ook degenen, die de
categorie Waarheid aannamen, d.i. het principe – “wat van mij is – is van mij,
en wat van je is – is van je”.
Deze groepen, kan men eenvoudigweg in “bouwers” en
“vernietigers” verdelen, waar de “bouwers” – dat zijn degenen, die over het
welzijn van de gemeenschap zorgen en zijn bereid omwille ervan om hun bezit te
delen, en de “vernietigers” – dat zijn degenen, die verkiezen om hun bezit te
behouden en zijn niet bereid voor welke offers dan ook omwille van anderen,
zelfs indien dat aan het bestaan van de gemeenschap gevaar oplevert.
VREDE. Wanneer uitwendige omstandigheden brachten
deze twee groepen tot hun tegenstand, en ontstond een gevaar voor hun bestaan,
ontving haar ontwikkeling de categorie “Vrede”, de zin waarvan is, dat beide
partijen houden met het conflict op en nemen als een “waarheidsgetrouw” basis
van het bestaan – de coëxistentie.
De aanhangers van deze aanpak zijn, in de regel, uit het
aantal van “vernietigers”, de aanhangers van Waarheid (“wat van mij is – is van
mij, wat van je is – is van je”). Daar zij sterk en ondernemend zijn, zijn zij
bereid om risico’s te nemen, zelfs [risico’s voor hun leven] omwille van de
zelfbevestiging.
Terwijl de “bouwers”, de aanhangers van medelijden en
barmhartigheid, voor wie het belangrijkst is – het eigen leven en het leven van
de gemeenschap, zijn niet bereid om risico’s te nemen omwille van het
zelfbevestiging van hun standpunt, en daarom blijven zij altijd een zwakke kant
van de gemeenschap. En daarom, natuurlijk, dat de “vernietigers” leiden naar de
Vrede.
Maar aangezien de Vrede is een compromis, daar er geen een
basis is voor het invoeren van de categorie Waarheid, zijn zijn weinige, maar
sterke aanhangers niet tevreden met het bestaande en, voortdurend hervormen de
categorie “Vrede”, d.i. veranderen de gemeenschap.
De vrede van een gemeenschap en de mensheid en zelfs een
afzonderlijke individu zijn onderling met elkaar verbonden, en, zijn in het
algemeen verenigd. Door de gehele opbouw als een gesloten systeem te
beschouwen, komen wij tot een conclusie, dat dat berhaupt hetzelfde is.
Bovendien, indien in vorige generaties het leven en het
welzijn van de mens waren afhankelijk van en beperkt door de grenzen van zijn
gezin, vervolgens door zijn stad, is zijn welzijn nu afhankelijk van het
welzijn van een staat en geleidelijk wordt het afhankelijk van het welzijn van
de gehele wereld.
En deze afhankelijkheid van het welzijn van staten onderling
en eenieder van ons van de gehele wereld zal in de toekomst nog toenemen. En
hoewel dit al duidelijk is, kwam het nog niet tot het bewustzijn van de gehele
bevolking van het planeet, aangezien het vindt plaats volgens het principe:
“Een handeling gaat vooraf aan het bewust-worden van een verschijnsel”. En
alleen de werkelijkheid duwt de mensheid, zoals altijd, vooruit.
Maar behalve deze problemen is er nog één: vier categorieën,
welke in eenieder van ons werkzaam zijn – Barmhartigheid, Gerechtigheid,
Waarheid en Vrede – die zich onophoudelijk in tegenstelling bevinden.
Bijvoorbeeld, Barmhartigheid (“wat van je is – is van mij en wat van mij is –
is van je”) spreekt de Waarheid en Gerechtigheid (“wat van mij is – is van mij,
wat van je is – is van je”) tegen. Immers het is volkomen onjuist van het
standpunt van Waarheid om omwille van anderen te werken, dat bederft de mensen,
waarbij het leert hen aan om vruchten van andermans arbeid te gebruiken.
En daarom beweert de Waarheid, dat de mens is verplicht om
te bewaren en te vergaren, opdat hij niet gedwongen zou zijn om als last op
andermans schouders in moeilijke tijden te vallen. Hij dient een materieel
basis aan zijn nakomelingschap op te bouwen, waarbij hij de taak van hun
voorziening niet op de schouders van de gemeenschap legt.
De categorieën Vrede en Gerechtigheid spreken eveneens
elkaar tegen. Immers om een vrede te hebben – dienen bij sterken en energieke
[mensen] de voorwaarden aanwezig zijn om zich volgens hun inbreng, inspanningen
te verrijken. Maar bij onpraktische en luie [mensen] zal een neergang in hun
onderhoud plaatsvinden – tot hun verarming, volgens hun inbreng.
Maar aan de andere kant, hoe kan men een mens ervan
beschuldigen, dat hij als niet-energieke of incapabel is geboren? Zodat Vrede
en Gerechtigheid blijven in tegenspraak.
Indien men echter het bezit naar Gerechtigheid verdeeld,
bijvoorbeeld, naar de hoeveelheid monden in het gezin, dan zou dat van de kant
van sterken en ondernemenden ontevredenheid oproepen, tot aan een oorlog toe.
Zo zien wij, dat er geen enkele hoop op vrede in een
maatschappij is.
HET EGOÏSME – VERNIETIGER. Nu, wanneer ons duidelijk
is, hoe tegenstrijdig in ons de vier opgesomde categorieën zijn, ontstaat er
een vraag, maar kan een mens berhaupt tot een heldere conclusie komen, tot de
enige oplossing van het vraagstuk over de opbouw van een gelukkige
gemeenschap?
De basis van alle tegenstrijdigheden – dat is “het uniek
zijn”, dat in eenieder van ons spreekt. En hoewel deze eigenschap ons
rechtstreeks van de Schepper is gegeven – de Enige, de wortel van al het
bestaande, roept deze eigenschap, wanneer zij zich met ons egoïsme verenigt,
een vernietiging op en in de bron van alle ellende van de wereld verandert.
En er bestaat geen mens in de wereld, die van deze
eigenschap vrij is – van een gewaarwording van het uniek zijn. En alle
verschillen tussen de mensen zijn alleen in manifestaties van deze eigenschap –
in het verwennen van zijn ondeugden, in het bereiken van rijkdom, macht of
eerbetoon.
Het gemeenschappelijke tussen ons is, dat eenieder streeft
onophoudelijk, vaak zelfs onbewust, om alle anderen voor eigen voordeel te
gebruiken. En het doet er niet toe, welke rechtvaardigingsgronden hij zich
bedenkt: immers de wens bestuurt een gedachte, en niet de gedachte – een wens.
En nog dat, het gaat erom, dat in hoeverre een mens groter, “bijzonderder” is –
in dezelfde mate is bij hem het gevoel van zijn “uniek zijn” groter.
HET GEBRUIKMAKEN VAN “HET UNIEK ZIJN” ALS EEN MIDDEL VOOR
EEN BEPAALDE ONTWIKKELING VAN EEN INDIVIDU. Het gevoel van zijn “uniek
zijn” in het hart van eenieder roept een wens op om alles en allen voor
zichzelf op te slokken. De bron ervoor – dat is de Enig zijn van onze Schepper.
Zijn eigenschap riep in ons een overeenkomstig gevoel op. Maar waarom dit
gevoel uit zich in ons in een zulke verdorven vorm, dermate, dat het een basis
van alle vernietigingen wordt, hoewel het van de Bron uitgaat, Die al het
levende voortbrengt?
Het gaat erom, dat er twee kanten zijn in de eigenschap “het
uniek zijn”. Indien men van het standpunt van de Schepper kijkt, d.w.z., van de
kant van het samenvloeien met Hem, zet de eigenschap van “het uniek zijn” tot
het altruïsme aan – de eigenschap van de Schepper zelf.
Daarom dient de van Hem uitgaande eigenschap van “het uniek
zijn” eveneens in ons altruïstisch te worden gerealiseerd, en niet egoïstisch.
Indien wij echter bekijken, hoe praktisch deze eigenschap in
ons werkt, dat zien wij, dat deze eigenschap werkt volkomen tegengesteld –
alleen als het egoïsme – de wens om de rijkste te zijn, de sterkste te zijn, de
beroemdste te zijn – uniek in de wereld. En deze twee kanten van het zich tonen
van “het uniek zijn” staan diametraal tegenover elkaar.
Zo is het bedacht door de Schepper, dat wij zelf het gebruik
van deze eigenschap veranderen, en, na met het egoïstische “uniek zijn” te zijn
begonnen zich te ontwikkelen, tot het altruïstische “uniek zijn” aankomen –
eenieder en allen samen. En dat zal de voorwaarde van het leven van de laatste
generaties zijn – om de gewaarwording van het “uniek zijn” van zijn “Ik” voor
de doeleinden van het dienen aan de
gehele mensheid te gebruiken. En hieruit kan men volgende conclusies trekken:
Het bereiken van het geluk kan men alleen beseffen door het
feit, dat de vrede van de maatschappij, staat en mensheid zijn onderling met
elkaar verbonden. Zolang de wetten van de maatschappij de meerderheid
bevredigen, wordt de minderheid, die onbevredigd is, alleen gedwongen om de
wetten en de vorm van de maatschappij ge accepteren, maar streeft voortdurend naar haar verandering.
En indien dat niet door een rechte weg ontvangen wordt, dan
maar indirect – door oorlogen tussen staten op te roepen, met de bedoeling, dat
als gevolg van oorlogen een aantal ontevredenen zal groeien, en op die manier
een meerderheid zal ontstaan voor een verandering van een machtsvorm.
En indien wij die minderheid nemen, voor wie een oorlog –
een bron van inkomsten, van het ontvangen van onderscheidingen en promoties, en
tot hen ontevredenen met een vorm van een maatschappij zullen toevoegen, dan
zullen wij zien, dat binnen een maatschappij een grote hoeveelheid van haar
leden aanwezig zijn, die oorlogen en bloed wensen.
De leden van een maatschappij, die met een bestaande
toestand echter tevreden zijn verblijven in de toestand van ongerustheid over
de eigen veiligheid en kunnen over de vrede alleen maar dromen. Daarom is vrede
van een individu – de basis en de bron van vrede van een staat.
HET LIJDEN EN GENIETINGEN IN HET EGOÏSME. Indien wij
het door de Schepper ons aangeboden plan van handelingen proberen te beseffen,
dan komen tot een ontdekking, dat het steen des aanstoots zich in het veranderen
van onze natuur bevindt van het egoïsme in het altruïsme.
En hoewel van het eerste gezicht het plan lijkt ons
onrealistisch, zelfs fantastisch, boven onze krachten, maar na hem te hebben
beseft, zullen wij begrijpen, dat alle tegenstrijdigheden tussen het egoïsme
en het altruïsme zijn niet meer dan psychologisch! Immers in werkelijkheid
worden al onze verworvenheden in het leven door één woord bepaald –
“genieting”. Alleen dat wensen wij en dat verwachten wij van onze
verworvenheden.
En indien wij alle genietingen samen bij elkaar zullen
brengen, welke genietingen de mens in zijn 70 jaren ontvangt, en al het leed,
door hem ondervonden, en de totalen bij elkaar zullen optellen – dan is het
verkieslijker om niet geboren te worden. En indien het zo staat, wat wint de
mens in de vrede, waarbij hij zijn egoïsme gebruikt?
In de Tora vinden wij een grote bevestiging van het feit,
dat vrede – dat is de meest grote zegen: “De Schepper zul de kracht aan zijn
volk geven en hem met vrede (sjalom) zegenen” – dat is de zegen, welke
beëindigt de Babylonische Talmoed. Het is zwaar op het hart van de mens, en
zijn natuur trekt hem naar beneden. En er is alle kracht van de Tora nodig, om
ons egoïsme te overwinnen.
Het is aanvankelijk moeilijk om er mee eens te zijn, dat
alle daden, zelfs de meest naar het schijnt altruïstische, zijn bij gewone
mensen, die de machsom van de Ts”A niet hebben overgestoken, door het egoïsme
worden geleid.
Toen ik nog als kind ziek werd, verboden de artsen mij te
eten, en ik wilde juist zeer veel eten. En zie, mijn oma bracht mij in bed,
stiekem van de ouders, nu een biscuitje, dan weer een stukje gebak – hielde zij
van mij dan meer, dan mijn pa en ma? – Zij leden aan het feit, dat ik wil eten,
en aan hem is het verboden om mij een schadelijk voedsel te geven, om precies
te zijn, zij leden aan het feit, dat zij hun eigen wens om het kind te voeden
niet konden bevredigen, en oma kon zich niet dwingen om te lijden en stelde
zich gerust door mij het voedsel te brengen. Wie van hen hield dan toch meer
van mij en minder van zichzelf?
Maar de kracht van de Tora onthult zich alleen in haar
diepte. En hier bestaat een groot probleem daarin, dat er zijn vier
diepteniveaus in het uiteenzetten in de Tora – psjat (eenvoudige), remez
(toespeling), droesj (allegorie) en sod (geheim). Bovendien, men begint de Tora
met sod te bevatten – omdat de gehele Tora is voor hem [die begint] een geheim
is, vervolgens droesj e.d. – totdat men tot psjat- eenvoudige aankomt, d.i. tot
het absolute begrijpen en het gewaarworden van het gehele heelal (en niet
alleen zijn donker punt – onze wereld).
Bovendien, dit laatste, vierde niveau dient het
verplichtende en uiteindelijke doel van elke beginner – want juist voor deze,
laatste bevatting – het samenvloeien met de Schepper – is de Tora gegeven.
Deze vier bevattingsniveaus zijn in alle boeken van de Tora
[te vinden] – van de eerste en tot die, welke in de tijd van rabbi Ashlag
geschreven (vervolgens, vanwege het vallen van generaties, waren niet alle
auteurs onderlegd op alle niveaus van de Tora).
En deze vier niveaus van het verbergen van de geheimen van
de Tora zijn werkzaam, d.w.z., zijn bevinden zich in elk letter en in elk
geschreven woord. Er ontstaat een vraag – indien het leven en het doel van de
schepping hangen van de lessen in de Tora af als het voornaamste gereedschap
van onze correctie van het egoïsme in het altruïsme, waarom is zij, en sterker
nog, haar belangrijkste, het meest effectieve deel – de Kabbala – zo diep is
verborgen?
Zoals ik al schreef, nog Aristoteles waarschuwde zijn
leerlingen en collega’s om niet toelaten tot de wetenschap van eenieder die dat
wenst, daar de grote massa’s zijn egoïsten en, door een eigen voordeel te
wensen te behalen, zullen zij de wetenschappelijke kennis en verworvenheden
doorverkopen in nadeel van de mensheid.
Daarom eist de Kabbala, welke in zich alle wetenschappen
insluit en [welke] de geheimen van het gehele heelal onthult, het afzien van
persoonlijke genietingen (genietingen voor zichzelf – vert.), opdat haar machtige
en fijne geestelijke krachten niet in nadeel van het doel der mensheid zouden
worden aangewend.
Maar in het boek Zohar wordt gezegd, dat aan het einde der
generaties zal de Kabbala aan allen geopenbaard worden, en eenieder zich ermee
bezig zal kunnen houden, en het zal niet [meer] no