|
|
|
|
|
|
Samenvatting p. 7: Daarom bestaat de weg van de mens uit twee delen: aanvankelijk “de Weg van de Tora” - zich in het lijden van wensen weg te rukken om van deze wereld te genieten. Vervolgens “het Ontvangen van de Tora” - na van zijn egoïstische wensen om te genieten te hebben weggerukt, alleen met een intentie te denken om de Schepper te verblijden. Daardoor ontvangt de mens een gigantische geestelijke (altruïstische) genieting, wat ook het doel van de schepping is. 8) En hier komt een duidelijk verschil aan het licht tussen de wetenschap Tora en de overige wetenschappen van de wereld: want het bevatten van overige wetenschappen van de wereld verbetert het leven in deze wereld helemaal niet, omdat zelfs een gewoon onderhoud voor zijn kwellingen en leed zal hem niet gegeven worden, welke kwellingen hij gedurende dagen van zijn leven duldt. Daarom dient hij zijn lichaam niet te corrigeren, maar slechts zijn arbeid is voor hem afdoende, welke arbeid hij daarvoor doet. Zulke zijn alle verworvenheden van deze wereld, welke met behulp van inspanningen en werk gekocht worden, welke inspanningen daarin geleverd zijn. Echter met de bezigheid van de Tora en Voorschriften staat er niet zo voor, want de taak daarvan is om een mens voor te bereiden, opdat hij al het goed waardig bevonden zal worden te ontvangen, welk goed in het scheppingsplan besloten werd om “aan Zijn schepselen het goed te brengen”. Daarom dient hij zijn lichaam, natuurlijk, zuiveren, opdat hij dit Goddelijk goed waardig en de moeite waard bevonden zal kunnen worden. Samenvatting p. 8: Het verschil tussen aardse wetenschappen en de Tora bestaat daarin, dat hun doel is in het bevatten van deze wereld en daarom eisen zij van de mens de correctie zelf niet. 9) En tevens komt datgene duidelijk aan het licht, waarover de Misjna zegt: “Indien je zo zal doen - gelukkig ben je in deze wereld”. Aangezien precies dat bedoelden zij [wijzen]: om aan te wijzen, dat een gelukkig leven in deze wereld is alleen voor degene voorbeschikt, wie de weg van de Tor voltooide. Terwijl de beperkingen in het eten, drinken, slaap en het leven in het lijden, welke hier genoemd worden, vinden plaats alleen tijdens zijn verblijven onder weg van de Tora. En dat precies wat zij bedoelden, zeggende: “Zo is de weg van de Tora”. Wanneer hij deze weg van “lo-liesjma” echter voltooide, terwijl hij in het lijden en beperkingen leefde, dan sluit de Misjna af met woorden: “Gelukkig ben je in deze wereld”, omdat je dat geluk en het goed waardig bevonden zal worden, welke in het scheppingsplan besloten waren; en de hele wereld zal voor je zin verkrijgen. D.w.z., zelfs deze wereld. En des te meer de toekomstige wereld. Samenvatting p. 9: Het doel van de schepping is - dat de mens, terwijl hij zich in deze wereld bevindt, de Weg van de Tora beëindigt, zich van het egoïsme bevrijdt, de Schepper onbaatzuchtig dient, Hem met zijn verrichtingen verblijdt. 10) En daarover is in het boek Zohar gezegd (Beresjiet, 31, blz. 2) over de woorden: “En de Almachtige zei: “Zij het licht!”, en het werd licht”; “Zij het licht” - voor deze wereld, “en het werd licht” - voor de toekomstige wereld”. De zin ervan is, dat bij een oorspronkelijke verrichting in zijn gestalte waren zij geschapen en in al hun hoogte waren zij geschapen, d.i. in al hun volmaaktheid en pracht. Een dienovereenkomstig, kwam het licht, dat op de eerste dag van de schepping geschapen werd in al zijn volmaaktheid, ook met inbegrip van het leven in onze wereld in al zijn verfijning en pracht - in de mate, die in woorden uitgedrukt is: “Zij het licht”. Maar om een plaats voor een keuze en werk voor te bereiden, stopte Hij en verborg hem voor rechtvaardigen voor de toekomst, zoals de wijzen zeiden. Daarom zeiden zij in hun zuivere taal: “Het zal licht zijn voor deze wereld”. Maar het bleef niet zo, en [er werd toegevoegd]: “En er ontstond licht voor de toekomstige wereld”. D.w.z., degenen, die zich met de Tora en Voorschriften “liesjma” bezighouden, worden hem alleen in de toekomst waardig geacht, wat betekent: wanneer de tijd in toekomst zal komen, na het beëindigen van het zuiveren van hun lichaam op de weg van de Tora, waarbij zij dan dat groter licht ook in deze wereld waardig bevonden worden, zoals de wijzen zeiden: “Uw wereld zult gij tijdens uw leven zien”. Samenvatting p. 10: Alleen na het zich bevrijden van het egoïsme, na de correctie van zijn lichaam (wensen) om voor zichzelf te genieten, wordt de mens het licht van de Tora - een gewaarwording van de Schepper waardig geacht en kan hij zich met de Tora zelf bezighouden - met altruïstische handelingen tot de Schepper naderen, terwijl hij Hem steeds meer verblijdt. 11) Echter wij vinden en zien in datgene, wat door de wijzen van de Talmoed gezegd is, dat men ons de weg van de Tora lichter maakten, dan de wijzen van de Misjna, omdat hij zeiden: “Altijd zal de mens zich met de Tora en Voorschriften zelfs lo-liesjma bezighouden, en van lo-liesjma zal hij tot liesjma komen, omdat het licht, dat daarin is, zal hem tot de Bron terugbrengen”. En daarmee gaven zij ons een nieuw middel in plaats van beperkingen, die in de bovengenoemde Misjna (“Avot”) aangegeven waren - een middel, dat licht in de Tora heet”, waarin voldoende kracht is, om de mens tot de Bron terug te brengen en hem tot de bezigheid met de Tora en Voorschriften liesjma te brengen. Immers zij noemden hier geen beperkingen, maar wezen slecht aan, dat bij enkel bezig zijn met de Tora en Voorschriften zal hem dat licht voldoende zijn, welk licht hem tot de Bron terug zal brengen, opdat hij zich met de Tora en Voorschriften omwille van het geven van een genieting aan zijn Schepper bezighouden, en helemaal niet voor zijn eigen genieting - dat heet juist “liesjma”. Samenvatting p. 11: Aangezien de Weg van de Tora, van een volledige zelfbeperking buitengewoon moeilijk is, verrichtten de wijzen van de Talmoed al 16 eeuwen geleden een bijzondere geestelijke correctie in de werelden, en vanaf die tijd kan men het zuiveren van het egoïsme niet door het zich ontzeggen van genoegens verrichten, doch door het bestuderen van de Tora met het doel van een zelfcorrectie, omdat in de Tora is licht verborgen, dat bij een correcte intentie en het geloof in de mens in deze kracht, in staat is om hem te corrigeren zonder het opleggen op zichzelf van kwellingen en beperkingen. Het doorlopen van de weg van de Tora door het geloof - dat is een mogelijkheid om de weg van de Tora gemakkelijker en sneller door te lopen, dan door aan het leed en beperkingen tot het volledige verdwijnen van het egoïsme aan te wennen. Maar er dient het geloof in de Schepper, in de Tora te zijn, als de kracht, die in staat is om hem tot het doel te brengen, het geloof, dat alles, wat zich voordoet, van de Schepper uitgaat en wordt aan de mens alleen voor zijn vrije keuze gegeven: om egoïstische gedachten die elke seconden bij hem opkomen af te stoten en van alle gedachten allen één aan te nemen - de wens om met zichzelf de Schepper te verblijden. En hoe groter het geloof is, in weerwil van het leed, des te meer zijn inspanningen zijn om te geloven, des te meer het licht van de Tora helpt hem. 12) Maar, op het eerste gezicht, dient men over deze hun woorden na te denken: hebben wij soms enige leerlingen niet gevonden, voor wie de bezigheid met de Tora van nut was, om door middel van het licht, dat in haar is, tot liesjma te komen? Echter de bezigheid met de Tora en Voorschriften lo-liesjma betekent, dat de mens in de Schepper, in de Tora, in een beloning en in een bestraffing gelooft, en houdt zich met de Tora daarom bezig, omdat de Schepper beval om zich ermee bezig te houden; maar hij combineert het genieten voor zichzelf met een genieting van zijn Schepper. En indien na al zijn zorgen in de Tora en Voorschriften aan hem duidelijk zal worden, dat door middel van deze bezigheid en deze grote onrust hij generlei persoonlijk voordeel ontving - dan betreurt hij over al zijn inspanningen, welke hij leverde, omdat hij kwelde zich van het begin af aan, daar hij meende, dat hij tevens een genieting zal ontvangen als gevolg van zijn zorgen; en in een zulk geval is er sprake van lo-liesjma. En ondanks dat, besloten de wijzen om te beginnen zich met de Tora en Voorschriften bezig te houden tevens lo-liesjma, omdat van lo-liesjma komt hij tot liesjma. Echter, indien degene, die zich met de Tora bezighoudt, voorlopig nog geen geloof in de Schepper en Zijn Tora waardig geacht werd, maar, G-d verhoede, in twijfels verblijft, dan, ongetwijfeld, niet over hem zeiden de wijzen, dat “van lo-liesjma komt hij tot liesjma”. En niet over hem zeiden zij: “Dankzij het feit, dat men zich met de Tora bezighoudt, doet het licht dat in haar is tot de Bron terugkeren”. Want het licht, dat in de Tora is, schijnt alleen aan hem, die over het geloof beschikt. En bovendien: een grootte van dit licht overeenkomt met de kracht van zijn geloof. En degenen, die het geloof niet hebben, ontvangen van de Tora omgekeerd een duisternis, en verduistert in hun ogen. Samenvatting p. 12: Voor het doorlopen van de weg van de Tora door het geloof dient men eerst het geloof te verkrijgen. Degenen, die niet over het geloof beschikken, wie de beoefening van de Tora niet volgens hun enige bestemming gebruiken - het verkrijgen van het geloof in de Schepper, in Zijn bestuur, zich bevrijden van het egoïsme - worden nog verder van de Schepper verwijderd, worden trotse mannen, die eerbetoon en rangen voor hun kennis eisen. 13) En de wijzen gaven een fraaie gelijkenis bij deze vraag over het fragment: “Wee u, die naar de dag des Heren dorst! Waar hebt u de dag des Heren voor nodig? Dat is duisternis, en niet licht!” [Amos, 5:18]. Een gelijkenis over een haan en een vleermuis, die het licht verwachtte. En de haan zei tegen de vleermuis: “Ik verwacht het licht, omdat het licht - het is van mij. Maar waar heb je het licht voor nodig?” [tr. Sanhedrin, 98, blz. 2]. En het is volkomen duidelijk, dat indien leerlingen zijn niet waardig bevonden om van lo-liesjma tot liesjma te komen - dat komt, omdat zij geen geloof hebben (G-d verhoede), en daarom ontvingen zij generlei licht van de Tora en daarom zullen zij in de duisternis lopen en zullen niet in wijsheid doodgaan. Echter aan degenen, die het volmaakte geloof waardig bevonden zijn is door de wijzen beloofd, dat zelfs indien zij met de Tora lo-liesjma bezighouden, doet het licht, dat in haar is, hen tot de Bron terugkeren. En zij zullen waardig geacht worden - zelfs zonder voorafgaande kwellingen en het leven door leed - de Tora liesjma, die tot het leven in geluk en voorspoed leidt zowel in deze wereld, als in de toekomstige wereld. En over hen is het gezegd: “Dan zult gij in uw Heer genieten, en Ik zal u op de hoogten der aarde op laten stijgen” [Jesjajahoe, 58:14]. Samenvatting p. 13: Wie echter een toenadering tot de Schepper naar eigenschappen zoekt, in Hem en Zijn bestuur gelooft, in zichzelf de Schepper wenst te gaan voelen, zodat de wensen van de Schepper al zijn daden zouden bepalen - voor hem helpt de bezigheid met de Tora om tot het gewenste te komen. 14) En gelijkelijk met de bovenbeschreven vraag zette ik weleens uiteen de uitspraak van de wijzen: “Hij, voor wie de Tora zijn beroep is”. In het zich bezighouden met de Tora komt de maat van zijn geloof aan het licht, daar het woord “zijn beroep” (heb. “oemanoeto”) uit dezelfde letters bestaat, als ook “zijn geloof” (heb. “emoenato”). Dat is te vergelijken met datgene, hoe een mens, die zijn kameraad gelooft, leent hem geld. Het is mogelijk, dat hij hem alleen voor één euro zal geloven, en indien hij om twee euro zal verzoeken, zal hij hem dat weigeren. En het kan zijn, dat hij hem voor honderd euro zal geloven, maar niet meer dan dat. En het kan zijn, dat hij hem voor tot de helft van zijn bezit zal geloven, maar niet de hele bezit ineens. En het is ook mogelijk, dat hij hem zo gelooft, dat hij hem alles, wat hij heeft, zonder ook maar de minste spoor van angst zal toevertrouwen - en dat is de laatste vorm van het geloof, dat als het volmaakte geloof wordt beschouwd. En voor het gedeeltelijke geloof doet er niet toe, of het meer dan minder is. Zo besteedt één mens, uitgaande van de grootte van zijn geloof in de Schepper, alleen één uur per dag aan het leren van de Tora en het geestelijke werk. Een ander - twee uur, volgens de maat van zijn geloof in de Schepper. En een derde verzuimt geen enkel ogenblik van zijn vrije tijd om zich met de Tora en het geestelijke werk bezig te houden. En het wordt gezegd, dat alleen het geloof van de laatste is volmaakt, daar hij de Schepper in de omvang van al zijn bezit gelooft. Terwijl het geloof van de eerste en de tweede voorlopig nog in het geheel niet volmaakt is. Samenvatting p. 14: Van datgene, hoeveel van zijn vrije tijd de mens voor het zoeken in de Tora naar krachten voor zijn zelfcorrectie en het verkrijgen van het geloof besteedt, is zichtbaar, in hoeverre hij in de kracht van de Schepper gelooft om hem te redden. Indien hij zijn vrije tijd en krachten eraan weggeeft, dan betekent dat, dat zijn geloof in de Tora volmaakt is. 15) Op die manier komt duidelijk aan het licht, dat een mens hoeft niet te verwachten, dat de bezigheid met de Tora en Voorschriften lo-liesjma hem tot liesjma zal brengen, voordat hij in zijn ziel niet te weten zal komen, dat hij het geloof in de Schepper en Zijn Tora naar behoren waardig bevonden werd. Omdat dan zal het licht van de Tora hem tot de Bron terug doen keren, en hij zal de dag van de Schepper, die één en al licht, waardig bevonden zal worden. Omdat de heiligheid van het geloof zuivert de ogen van de mens opdat zij van Zijn licht zullen genieten - tot aan het moment, wanneer het licht van de Tora hem tot de Bron terugbrengt. Echter degenen, die geen geloof hebben, aan vleermuizen gelijken, welke vleermuizen niet in het licht van de dag zullen kunnen zien, daar het licht van de dag verandert zich voor hen in duisternis die verschrikkelijker is, dan een nacht, omdat zij zich alleen van een nachtelijke duisternis voeden. Zo ook zij, die geen geloof hebben - hun ogen verblinden bij het licht van de Schepper. En daarom verandert het licht zich voor hen in duisternis, en het levenselixer verandert voor hen in een dodelijk gif. En over hen spreekt datgene, wat geschreven is: “Wee u, die naar de dag des Heren dorst! Waar hebt u de dag des Heren voor nodig? Dat is duisternis, en niet licht!”. Daarom is het nodig om zich eerst met een volmaakt geloof te vervolmaken. Samenvatting p. 15: De mens bereikt zijn doel als gevolg van het leren alleen, indien hij in de kracht van de Tora, in het bestuur van de Schepper gelooft, in datgene, dat alles wat met hem gebeurt zendt de Schepper hem als een mogelijkheid om de Schepper te ontdekken, Hem te gewaarworden. 16) En in het licht van datgene, wat gezegd is, wordt het probleem uit “Tosfot” (tr. Taaniet, 7) opgelost: “Eenieder, die zich met de Tora liesjma bezighoudt - de Tora wordt voor hem het levenselixer. En eenieder, die zich met de Tora lo-liesjma bezighoudt - de Tora wordt voor hem een dodelijk gif. En zij vroegen: “Is het soms niet gezegd, dat “altijd laat de mens zich met de Tora bezighouden, zelfs lo-liesjma, omdat van lo-liesjma zal hij tot liesjma komen?”. En volgens datgene, wat uiteengezet is, dient men een eenvoudige verdeling te maken:
Samenvatting p. 16: Alleen onder een voorwaarde, dat de mens gelooft, stonden de wijzen van de Talmoed toe de Tora te bestuderen, alleen onder deze voorwaarde is de door hen in de geestelijke werelden verrichtte bijzondere correctie werkzaam, een correctie, die in staat stelt om de kracht van de Tora in plaats van beperkingen en kwellingen te gebruiken ter bevrijding van het egoïsme. 17) En dienovereenkomstig, dient een studerende vóórdat hij met het leren aanvangt, zich in het geloof in de Schepper en in Zijn bestuur door beloning in bestraffing te versterken, zoals door de wijzen gezegd is: “Hij is te vertrouwen, voor Wie gij werkt, om u een beloning te geven voor uw werk” [“Pierkej-Avot” - “Spreuken der vaderen”, 6, p. 5]. En hij zal zijn inspanningen erop richten, opdat zij omwille van Voorschriften van de Tora zullen zijn. En op die weg zal hij het licht dat in haar is dermate waardig bevonden worden, dat ook zijn geloof zal versterkt worden en om een wonderlijke manier door dit licht zal toenemen. Zoals gezegd is: “Tot genezing zal het voor uw lichaam worden en tot het opfrissen voor uw beenderen” [Miesjlej, 3:8]. En dan zal het hart ongetwijfeld klaar zijn, omdat van lo-liesjma zal hij tot liesjma komen. Zodanig, dat zelfs bij hem, die zelf weet, dat hij het geloof nog niet waardig is geworden, een hoop bestaat om dat met behulp van de Tora te bereiken. Want indien hij zijn hart en zijn verstand op datgene richt, om met haar hulp het geloof in de Schepper waardig bevonden te worden - dan wordt het geen groter Voorschrift voor u, dan dit; zoals de wijzen zeiden: “Kwam Habbakoek en plaatste Voorschriften in één: een rechtvaardige zal door zijn geloof leven” [Makot, 24]. En bovendien: er is geen andere raad, behalve deze, zoals gezegd is [tr.“Baba-Batra”, 16:1]: “Rabba zei: “Verzocht Jov [in vertalingen uit het heb. - Job - vert.] om de hele wereld van de categorie “streng oordeel” te bevrijden. Hij zei vóór Hem: “Heerser van de wereld, U schiep rechtvaardigen, U schiep zondaars, wie kan zich tegen u dan verzetten!?”. Rashi verklaart: “U schiep rechtvaardigen met een goed beginsel, U schiep zondaars met een kwaad beginsel, daarom zal niemand zich van Uw hand redden, want wie kan zich tegen u dan verzetten? De zondaars zondigen noodgedwongen!”. En wat hebben de kameraden van Jov geantwoord? (Jov, 15:4): “Bovendien vernietig je het ontzag voor G-d en het gebed tot G-d verander je in niets”. “Schiep de Schepper een kwaad beginsel, en schiep de Tora als specerij erbij, als tegenwerking eraan”. Rashi commenteert: “Schiep Hij de Tora - een specerij, welke “misdadige overwegingen” afschaft. Zoals gezegd is (tr. “Kiedoesjien”, 30): “Indien deze zondaar bracht je schade toe, sleep hem in beit-midrasj [het leerhuis - vert.]…Zij zijn niet onderworpen, want zij kunnen zich bevrijden”. Samenvatting p. 17: Degene, die het bestuderen van de Tora aanvangt, dient tot doel te hebben om het geloof in de Schepper, in Zijn bestuur te verkrijgen, zodat het een beloning zal zijn voor zijn inspanningen, en niet in het verkrijgen van kennis en rangen. 18) En het is duidelijk, dat zij zich niet van het strenge oordeel kunnen bevrijden, indien zij zullen zeggen, dat zij deze specerij innamen, want zij hebben nog steeds misdadige overwegingen. Immers het is duidelijk, dat de Schepper, gezegend is Hij, die het kwade beginsel schiep en die hem kracht geeft, wist ook hoe een betrouwbaar geneesmiddel en specerij te scheppen, om de krachten van dit kwaad beginsel uit te putten en hem in het geheel te vernietigen. En indien iemand zich met de Tora bezighield en het kwade beginsel van zich niet kon verwijderen, dan is dat alleen daarom, omdat hij hetzij vanwege slordigheid geen inspanningen en werk erbij leverde, die voor de bezigheid met de Tora noodzakelijk zijn (zoals gezegd: “geloof niet aan hem, die zegt: “Ik werkte niet en vond”); hetzij, mogelijkerwijs, vergaarden zij de nodige “hoeveelheid van inspanningen, maar die slordig qua “kwaliteit” waren. D.w.z., zij richtten hun verstand en hun hart gedurende hun bezigheid met de Tora niet om datgene waardig te worden, dat zij het licht, dat in de Tora is, naar zich toe konden trekken, welk licht het geloof in het hart van de mens met zich meebrengt, doch hielden zij zich ermee bezig, terwijl zij hun aandacht van het belangrijkste afleidden, wat van de Tora vereist is - het licht, dat tot het geloof brengt. En hoewel zij van het begin hem beoogden - leidden zij hun aandacht tijdens hun leren ervan af. Maar hoe dan ook, men mag zich niet van het strenge oordeel vrijwaren onder een voorwendsel van het gedwongen te zijn, omdat de wijzen verplichten ons door een bewering: “Ik schiep het kwade beginsel - Ik schiep voor hem de Tora als specerij”. Want indien hier een of andere uitzondering geweest zou zijn, dan zou de vraag van Jov van kracht zou blijven. Samenvatting p. 18: De mens kan zijn daden niet daarmee rechtvaardigen, dat de Schepper hem een zulke slechte schiep, omdat hij de Tora ontving als het middel voor zijn correctie. Indien hij het doel van het bestuderen van de Tora - een genieting van een gewaarwording van de Schepper niet bereikte, betekent dat, dat hij lui was om de daarvoor nodige inspanningen in kwaliteit en kwantiteit te geven. 19) En daarmee allemaal, wat tot nu toe aan het licht kwam, verwijderde ik een gigantische aanspraak, welke in verband met datgene gemaakt wordt, wat door rabbi Chaim Vital geschreven is in zijn voorwoord bij het boek “Sjaar hakdamot” (“Poorten van voorwoorden”), alsmede in het voorwoord bij het boek “Ets chaim” (“De Boom des levens”): “Laat de mens niet zeggen: “Ik zal gaan en mij met de Kabbala bezig zal houden”, voordat hij zich met de Tora, Misjna en Talmoed een tijdje bezighield. Omdat onze wijzen reeds gezegd hadden: de mens zal in de hof (“pardes”) niet binnenkomen, voordat hij zijn buik met vlees en wijn zal vullen. Omdat het lijkt om een ziel zonder lichaam, voor welke ziel is geen beloning, daad en berekening, totdat zij [ziel] zich met het lichaam zal verbinden, waarbij zij één geheel zullen worden, dat door Voorschriften van de Tora, de 613 Voorschriften gecorrigeerd worden. En ook omgekeerd: indien hij zich met de wijsheid van de Misjna en de Babylonische Talmoed bezighoudt en geen tijd aan het bestuderen van geheimen van de Tora en haar verborgen deel besteedt - dan lijkt het om een lichaam, dat zich in duisternis zonder menselijke ziel bevindt, d.i.. de kaars van de Schepper, die in hem schijnt. In dan droogt het lichaam op, waarbij het van de bron des levens niet inademt. Daarom dient een leerling van de Wijze, die zich met de Tora liesjma bezighoudt, eerst zich met de wijsheid van de Tora, Misjna en Talmoed bezighouden, zoveel als zijn verstand dat zal kunnen verdragen, en vervolgens zal zich met het bevatten van zijn Heerser bezighouden door het bestuderen van de Ware wijsheid. Zoals de koning David aan zijn zoon Sjlomo opgedroeg: “Bevat de G-d van uw vader en dien Hem” [Schriften, Divrej ha-Jamiem, 28:9]. Maar indien voor deze mens zwaar en moeilijk zal zijn bij het bestuderen van de Talmoed, dan is het beter voor hem om die opzij te leggen, nadat hij probeerde in hem zijn geluk te vinden, en zich met de Ware wijsheid bezig te gaan houden. En dat is datgene, waarover is gezegd: “En daarom zal studerende, die een goed teken in zijn leren gedurende 5 jaren niet zag, zal het niet meer zien” (tr. Choelien, blz. 24). Maar eenieder, voor wie deze studie makkelijk gegeven wordt, dient zich 1 of 2 uur per dag met het bestuderen van de Halacha bezig te houden en inspanningen te leveren in het oplossen van moeilijke vragen, die in een eenvoudig begrijpen (“psjat”) van de Halacha ontstaan”. Samenvatting p. 19: Het bestuderen van de Kabbala is verkieselijker dan het bestuderen van de open Tora (psjat), omdat de Kabbala direct over het doel van de schepping spreekt, over het bestuur, over de correctie van de mens, en tijdens het leren is het gemakkelijker om zijn aandacht juist bij dat doel vast te houden, waar de Tora voor gegeven werd. Bovendien, door haar te bestuderen roept de mens op zich het uitwerken van het omringende licht (p. 155) op. Indien de mens de open Tora 3 jaren bestudeert en het doel niet bereikt, dient hij tot het bestuderen van de Kabbala over te gaan, omdat door het voortzetten met het leren van de open Tora, zal hij het doel al niet meer bereiken. 20) En op het eerste gezicht zijn deze woorden zeer vreemd, omdat hij zegt, dat vóórdat een leerling in het bestuderen van het open gedeelte zal slagen, laat hem gaan en met de Ware wijsheid bezighouden, wat aan hem zelf - aan datgene, wat hij boven gezegd had - daarin tegenspreekt, dat de wetenschap Kabbala zonder het open gedeelte van de Tora - als ziel zonder lichaam, voor welke ziel geen beloning, daad en berekening is. En het argument, welk hij naar voren brengt - over een leerling, die geen goed teken zag - is nog vreemder. Hebben de wijzen dat soms gezegd, opdat hij daardoor het bestuderen van de Tora opzij zou leggen? Natuurlijk, zeiden zij dan met het doel om hem te waarschuwen, dat hij zijn weg zou overzien en zou proberen om bij een andere Rav te leren of in een ander traktaat; maar, het spreekt voor zich dat hij in geen geval de Tora zou verlaten, zelfs haar open gedeelte. Samenvatting p. 20: 21) Ook zijn de uitspraken van Chaim Vital en Gmara (= Aramees voor “Talmoed” - vert.) moeilijk te begrijpen, waaruit volgt, dat voor de mens een zekere voorbereiding en een bijzonder onderscheid nodig is, om de wijsheid van de Tora waardig bevonden te worden. Hebben de wijzen dan niet gezegd (“Midrasj-Rabba”, “Ve-zot ha-bracha”): “De Schepper zei tot Israël: “Uw leven, al uw wijsheid en de hele Tora - dat zijn eenvoudige dingen. Eenieder, wie voor Mij ontzag heeft en datgene, wat in de Tora gezegd is, vervult - de hele Tora en de hele wijsheid - in zijn hart zijn”. Hieruit volgt, dat er generlei voorafgaande voorbereiding nodig is, maar alleen door de wonderlijke kracht van het ontzag voor de Schepper en het vervullen van Voorschriften wordt men de hele wijsheid van de Tora waardig bevonden. Samenvatting p. 21: Elke mens in de wereld kan (en dient) het doel van de schepping bereiken en daarvoor hoeft hij over generlei bijzondere gaven te beschikken, maar alleen het ontzag voor de Schepper te verkrijgen en Zijn aanwijzingen te vervullen. 22) Inderdaad, indien wij aandacht zullen schenken aan zijn woorden, dan zullen zij voor ons als een heldere dag duidelijk zijn. Omdat datgene, wat gezegd is: “Het beter voor hem om die opzij te leggen, nadat hij zijn geluk in de open wijsheid probeerde te vinden”, veronderstelt niet het geluk in de scherpte van het verstand en kennis, maar datgene, wat al boven uiteengezet werd naar aanleiding van wat gezegd werd: “Ik schiep het kwade beginsel - Ik schiep de Tora als specerij ervoor”. D.w.z., hij werkte hard en leverde inspanningen in de open Tora, maar het kwade beginsel bleef nog steeds in zijn kracht en in het geheel niet verdween, omdat hij redde zich nog niet van misdadige twijfels, zoals Rasji boven gezegd had: “Ik schiep voor hem de Tora als specerij”. En daarom raadt hij hem om het opzij te leggen en zich met de Ware wijsheid bezig te gaan houden, omdat het makkelijker is het licht, dat in de Tora is, aan te trekken door bezigheid en inspanningen in de Ware wijsheid, dan door inspanningen in de open Tora. En de reden ervoor is heel eenvoudig: de wijsheid van de open Tora is in uitwendige materiële bekledingen ingehuld, zulke als de wetten over “diefstal”, over “berovingen”, over “schade”, e.d.; en daarom is het zeer zwaar en moeilijk aan elke mens om zijn verstand en zijn hart tijdens het leren op de Schepper in te stellen, om het licht, dat in de Tora is, aan te trekken. En des te meer, indien het bestuderen van de Talmoed voor een mens zwaar en moeilijk gegeven wordt - hoe zal hij tijdens het leren aan de Schepper kunnen denken? Immers, aangezien er sprake is van materiële dingen - zal hij die tegelijkertijd met een intentie aan de Schepper gericht kunnen combineren? En daarom raadt hij hem aan om zich met de wijsheid van de Kabbala bezig te houden, want deze wijsheid is één en al in de namen van de Schepper ingehuld; en dan zal hij natuurlijk, zonder moeite zijn verstand en zijn hart tijdens het leren op de Schepper instellen, zelfs indien hij moeilijk te onderwijzen persoon is. Want het bekijken van vraagstukken door deze wetenschap en de Schepper zijn in essentie hetzelfde zijn. En dat is heel eenvoudig. Samenvatting p. 22: Indien hij minder dan 3 jaren zich met de Tora bezighoudt, kan hij zijn bezigheid voortzetten, maar indien hij meer dan 3 jaren leert en “liesjma” niet bereikte - dan dient hij tot het bestuderen van de Kabbala over te gaan, maar een deel van zijn tijd aan het bestuderen van het vervullen van dagelijkse voorschriften te wijden. 23) En vandaar, dat hij een fraaie getuigenis uit de Gmara aanhaalt: “En daarom zal studerende, die een goed teken in zijn leren gedurende 5 jaren niet zag, zal het niet meer zien”. Want waarom zag hij een goed teken in zijn leren gedurende 5 jaren niet? Natuurlijk, alleen vanwege een gebrek aan een intentie van het hart, en niet vanwege een tekort in het vermogen ervoor; want de wijsheid van de Tora heeft generlei vermogen nodig. En zoals boven gezegd is: “De Schepper zei tegen Israël: “Uw leven, al de wijsheid en de hele Tora - dat zijn eenvoudige dingen. Eenieder, wie voor Mij ontzag heeft en datgene, wat in de Tora gezegd is, vervult - de hele Tora en de hele wijsheid - in zijn hart zijn”. Echter, er is natuurlijk tijd voor nodig, om aan het licht, dat in de Tora en Voorschriften is, te wennen. En ik weet niet, hoelang. En een mens kan dat al zijn 70 jaren van zijn leven erop wachten. Daarom waarschuwt ons de “Brajta” (tr. “Choelien”, 24), dat men niet langer dan vijf jaar dient ermee te wachten. En rabbi Josie zegt: ook drie jaar is helemaal afdoende, om de wijsheid van de Tora waardig bevonden te worden. Indien hij echter een goed teken gedurende deze tijd niet zag, laat hem zich niet bedriegen door vergeefse hoop en leugenachtige excuses, maar laat hij weten, dat hij nooit meer een goed teken zal zien. En daarom laat hij terstond een noodzakelijkheid zien om een goed truckje zich te vinden, om met behulp ervan tot liesjma te komen en de wijsheid van de Tora waardig bevonden te worden. Echter de “Brajta” preciseert niet, wat voor een truckje is dat, maar waarschuwt alleen maar, dat hij niet in dezelfde toestand zou blijven zitten en dat hij niet langer zou wachten. En daarover spreekt de Rav: het meest geslaagde en betrouwbare truckje voor hem is - de bezigheid met de wetenschap Kabbala. En laat hem de bezigheid met de open Tora geheel en al opzij te leggen - immers hij probeerde al daarin zijn geluk en slaagde er niet in. En laat hem al zijn tijd aan de wetenschap Kabbala te geven - het ware middel voor zijn succes.
|
|
| |
|
|
|
|
"Bnei Baruch" Copyright ©1996. Bnei Baruch. All rights reserved. | |
|
| |