Samenvatting p. 23:

Indien hij door het bestuderen van de open Tora van niet minder dan gedurende 3 jaren het doel niet bereikte, dan is de reden alleen in het ontbreken van de nodige intentie tijdens het leren, en niet in het ontbreken van een of andere bijzondere vermogen. Daarom dient hij tot de bestuderen van de Kabbala over te gaan, omdat juist het bestuderen daarvan vormt in de mens de nodige intentie.

24) En dat is zeer eenvoudig: hier wordt geen woord gesproken over het bestuderen van de open Tora in alles, wat nodig is om te weten voor haar praktische uitvoering, want: “Niet een onwetende is vroom, maar een fout in het leren wordt gelijkgesteld met kwaadwilligheid, en één zondaar zal veel goeds vernietigen”. Daarom dient hij de wetten beslist herhalen, in hoeverre het voor hem nodig is, om een mislukking in daad niet te ondervinden.

En hier wordt het alleen over de open Tora gesproken: om moeilijke vragen op te lossen, die bij een eenvoudige uiteenzetting van de Halacha ontstaan, zoals rav Chaim Vital zelf zegt; d.w.z., over dat deel in het bestuderen van de Tora, welk bij een praktische uitvoering niet nodig is. En hier kan men het leren vergemakkelijken, waarbij men de leerstof uit beknopte uiteenzettingen leert, en niet uit bronnen. Maar ook hier een verduidelijken nodig is, want degene, die de wet uit de bron weet, onderscheidt zich van hem, die deze wet uit een beknopte beschrijving weet. En om zich daarin niet te vergissen, zegt rav Chaim Vital aan het begin, dat een ziel zich met een lichaam alleen dan verbindt, indien het volmaakt en door Voorschriften van de Tora, de 613 Voorschriften, gecorrigeerd is.

Samenvatting p. 24:

Na het overgaan tot het bestuderen van de Kabbala dient hij het open deel van de Tora blijven bestuderen voor het kennen van het uitvoeren van dagelijkse Voorschriften. Met het vervangen van het bestuderen van het open deel van de Tora in het bestuderen van de Kabbala wordt bedoeld, om allen datgene te vervangen, wat de mens niet voor het kennen van het dagelijkse uitvoering van Voorschriften bestudeerde, maar voor de correctie van zichzelf met behulp van de Tora.

25) Nu zal je zien, dat alle moeilijke vragen, welke wij aan het begin van dit Voorwoord hebben aangegeven, zijn ijdelheid der ijdelheden. Zij zijn niets anders, dan valstrikken, die het kwade beginsel uitzet, terwijl het op jaagt is om argeloze zielen, opdat zij deze wereld zouden verlaten, net zoals zij erin kwamen.

Laten wij een kijkje nemen op de eerste vraag, wanneer men zich bekwaam acht om de hele Tora en zonder kennis van de wetenschap Kabbala te vervullen. Ik zeg tegen hen: goed, indien jullie het bestuderen van de Tora en het handhaven van de Voorschriften naar behoren liesjma zullen kunnen vervullen, d.w.z., om uitsluitend de Schepper (gezegend is Hij) genoegen te geven - dan hebt u inderdaad geen studie van de Kabbala nodig. Want dan is het over jullie gezegd: “Een ziel van de mens zal hem leren”. Want dan alle geheimen van de Tora openbaren zich aan jullie, gelijk een in kracht steeds toenemende bron, zoals rabbi Meir in Misjna “Avot” zei, en jullie hebben geen hulp van boeken nodig.

Indien jullie staan voorlopig in het stadium van het leren lo-liesjma, echter een hoop koestert om door middel ervan liesjma waardig bevonden te worden, dan moet ik jullie vragen: hoeveel jaren bent u ermee bezig? Indien jullie vijf jaren volgens de Tana Kama of volgens rabbi Josie niet beëindigd hadden, dan dienen jullie nog te wachten en te hopen.

Maar indien jullie bezigheid met de Tora in lo-liesjma duurde meer dan drie jaren volgend rabbi Josie, of vijf jaren volgens Tana Kama - dan waarschuwt de “Brajta” jullie, dat jullie het goed teken op deze weg, welke jullie begaan, niet meer zullen zien! En waar hebben jullie het voor nodig, om jullie zielen met vergeefse hoop geruststellen, terwijl bij jullie een zulk naastgelegen en betrouwbaar middel bestaat, als het bestuderen van de wetenschap Kabbala, daar zoals ik hierboven beargumenteerde, het behandelen van vragen door deze wetenschap is hetzelfde, als de Schepper Zelf?

Samenvatting p. 25:

De auteur richt zich tot de lezer: indien je de open Tora minder dan 3 jaren bestudeert, dan kan je nog op een succes rekenen. Maar indien meer - dan weet al zeker, dat je geen doel zal bereiken en dan dien je tot het bestuderen van de Kabbala over te gaan.

26) Laten wij nu de tweede vraag bekijken: immers het is geschreven, dat men dient eerst “zijn buik met Talmoed en wetten te vullen”. Dat is inderdaad zo, naar de algemene bewering. Echter, natuurlijk, dat het allemaal gezegd is voor dat geval, indien jullie het leren liesjma al waardig bevonden zijn, of zelfs lo-liesjma - indien jullie drie of vijf jaren niet volbracht hadden. Aan de andere kant, na het verlopen van deze periode, zoals de “Brajta” zelf jullie waarschuwt, zullen jullie een goed teken nooit meer zien. En daarom zijn jullie verplicht om geluk bij het bestuderen van de Kabbala te proberen.

Samenvatting p. 26:

Men kan de Talmoed bestuderen in twee gevallen: indien je minder dan 3 jaren leert; indien je het doel reeds bereikte, en de hele Tora werd voor je een openbaring van de Schepper.

27) En men dient nog te weten, dat er twee delen in de ware wijsheid bestaan:

- het eerste deel, dat “de geheimen van de Tora” heet, is verboden om te onthullen anders dan door een toespeling via mond van een wijze-kabbalist aan degene, die zelf begrijpt, door zijn eigen verstand. En “Maase-Merkava” (heb. “Verrichting van het Systeem”), alsmede “Maase-Beresjiet” (heb. “Oorspronkelijke verrichting”), behoren eveneens tot dit deel. En de wijzen van Zohar noemen dit deel met een naam van “de eerste 3 sfirot” - “kether, chochma en biena”. En dat wordt ook “het hoofd van een partsoef” genoemd.

- het tweede deel, dat “smaken van de Tora” heet, mag men onthullen, en bovendien, het onthullen ervan is een groot voorschrift. En dat wordt in Zohar “de 7 onderste sfirot van een partsoef” genoemd. En dat heet tevens “lichaam van een partsoef”.

Want in elke van partsoefen der Heiligheid zijn tien sfirot, welke kether, chochma, biena, chessed, gvoera, tieferet, netsach, hod, jessod en malchoet heten. Uit hun zijn drie eerste sfirot “hoofd van een partsoef” heten. En zeven onderste sfirot heten “lichaam van een partsoef”. En zelfs in de ziel van de laagste mens zijn eveneens categorieën van deze tien sfirot met de bovenvermelde benamingen te vinden zijn. En zo ook in elke categorie: zowel in hogeren, als in lageren.

En de betekenis ervan, dat de zeven onderste sfirot, die het lichaam van een partsoef zijn, “smaken van de Tora” heten, bestaat daarin, dat het gezegd is: “Het verhemelte zal het voedsel smaken…”. Omdat lichten, die onder drie eerste sfirot onthuld worden, welke sfirot het hoofd van een partsoef zijn, worden “smaken” genoemd, en malchoet van het hoofd wordt “verhemelte” genoemd. En daarom heten zij “smaken van de Tora” - d.w.z., zij worden van het “verhemelte”, dat in “het hoofd” is, onthuld, welk verhemelte de bron van alle smaken is, en dat de “malchoet van het hoofd” voorstelt. Daaruit en eronder is geen verbod voor het onthullen ervan. En nog sterker: een beloning voor degene, die ze onthult is onmetelijk groot.

Deze drie eerste en zeven onderste sfirot - of dat in de algemene opbouw, of in elk van alle afzonderlijke details, in welke details men deze dan ook indeelt - worden zodanig opgesteld, dat zelfs drie eerste sfirot van de malchoet, die aan het einde van de wereld Asieja, tot het gedeelte van “de geheimen van de Tora” thuishoort, en het is verboden om ze te onthullen; en de zeven onderste sfirot, welke zich in de kether van het hoofd van de wereld Atsieloet bevinden, behoren tot het gedeelte van “smaken van de Tora”, welk men mag onthullen. En deze vragen worden in boeken van de Kabbala belicht.

Samenvatting p. 27:

Er zijn twee delen in de Kabbala: het geheime en het evidente. Het geheime deel dient een kabbalist nog meer te verbergen, maar het evidente deel is hij verplicht om te openbaren, populariseren, omdat juist van diens onthulling door allen hangt de correctie van de wereld en de komst van de hele mensheid tot het volmaakte bestaan.

28) En de bron ervan zal je in het traktaat “Pesachiem” (blz. 119) vinden: “Het is gezegd [Jesjajahoe, 23]: “En zijn handel zal aan de Heren toegewijd zijn; zij zullen niet verzameld en bewaard worden, want voor degenen, die vóór de Heren leven zal zijn handel voor hem zijn, om tot verzadiging te eten en de Antieke [“Atiek”, ook wel “Afgezonderde”] te verbergen.

Wat betekent “de Antieke te verbergen”? Dat is hem, die dingen verbergt, welke de Antieke “(“Atiek-Jomien”) verborg. En wat is dat? - De geheimen van de Tora. En er zijn degenen, die beweren: “Dat is hem, die dingen onthult, welke de Antieke verborg”. Wat is dat? - De smaken van de Tora.

En Rasjbam [rabbejnoe Sjmoeël ben-Meir] verklaarde: “de Antieke” (“Atiek-Jomien”) - dat is de Schepper, zoals gezegd is: “En de Antieke zetelt zich”. De geheimen van de Tora - dat is “Maase-Merkava” (heb. “Verrichting van het Systeem”) en “Maase-Beresjiet” (heb. “Oorspronkelijke verrichting”). En “de naam” - zoals in het geschrevene: “Dat is Mijn naam voor de wereld”. “Bedekkende” - d.w.z., die niet aan een elke mens ze doorgeeft, maar slechts aan degene, wiens hart onrustig is. “Deze, die dingen onthult, welke de Antieke verborg” - betekent: het verbergen van geheimen van de Tora, welke oorspronkelijk verborgen waren, maar de Antieke onthulde ze en gaf het recht om ze te onthullen. En degene, die ze onthult, wordt datgene waardig geacht, wat daarover in deze uitspraak gezegd is.

Samenvatting p. 28:

Er zijn twee delen in de Kabbala: het geheime en het evidente. Het geheime deel dient een kabbalist nog meer te verbergen, maar het evidente deel is hij verplicht om te openbaren, populariseren, omdat juist van diens onthulling door allen hangt de correctie van de wereld en de komst van de hele mensheid tot het volmaakte bestaan.

29) Hieruit is het gigantische verschil duidelijk tussen de geheimen van de Tora - degene, die ze bevat, neemt al deze gigantische beloning daarvoor op, omdat hij ze verbergt en ze niet onthult - en daartegenover de smaken van de Tora - degene, die ze neemt al deze gigantische beloning daarvoor op, omdat hij ze aan anderen onthult.

En het is gezegd: men vecht deze oorspronkelijke mening niet aan, maar slechts de betekenis ertussen onderzoekt. Dan trekt men een conclusie, terwijl men het einde van de eerste uitspraak: “degene, die de Antieke verbergt” onderzoekt, over het ontvangen van een grote beloning door degenen, die de geheimen van de Tora verbergen. En er zijn zulken, die de uitspraak: “En hij zal tot verzadiging eten” onderzoeken, - wat betekent smaken van de Tora, en dat is het geheim van het geschrevene: “En het verhemelte zal het voedsel smaken”, want het licht “teamiem” (heb. “smaken”) heet voedsel. En hieruit concludeert men het ontvangen van een grote beloning, waarover sprake is in de uitspraak over degene, die de smaken van de Tora onthult. (Tussen hen is er geen tegenspraak, gewoon de ene spreekt over de geheimen van de Tora, en de andere spreekt over smaken van de Tora). Maar zowel die, als de anderen veronderstellen, dat de geheimen van de Tora dient men te verbergen, maar de smaken van de Tora - te onthullen.

Samenvatting p. 29:

Er zijn twee delen in de Kabbala: het geheime en het evidente. Het geheime deel dient een kabbalist nog meer te verbergen, maar het evidente deel is hij verplicht om te openbaren, populariseren, omdat juist van diens onthulling door allen hangt de correctie van de wereld en de komst van de hele mensheid tot het volmaakte bestaan.

30) Hier heb je een duidelijk antwoord op de vierde en de vijfde vragen, die aan het begin van “het Voorwoord” aangegeven zijn: datgene, wat je in de uitspraken van de wijzen zal vinden, alsmede in heilige boeken over datgene, dat men de Tora alleen aan hen overbrengt, wiens hart onrustig is - dan betreft het alleen dat deel, welk “geheimen van de Tora” betreft, d.w.z., de drie eerste sfirot en “het hoofd”, dat men slechts aan bescheiden personen doorgeeft en dan nog onder bekende voorwaarden; en in alle geschreven en gedrukte boeken over de Kabbala vindt je zelfs een vermelding erover, want dat zijn dingen, die de Antieke verborg, zoals in de Gmara gezegd is.

En omgekeerd: zeg, kan men dan in al deze heilige en bekende rechtvaardigen gaan twijfelen - de grootste der natie, de uitverkorenen van de uitverkorenen, zulken als de auteurs van boeken “het Boek van Jetsiera”, “het Boek van Zohar”, “Brajta” van rabbi Jisjmaël en rav Chai Gaon, en rabbi Chamai Gaon en rabbi uit Garmieza, en anderen Eersten (“Riesjoniem”) tot Ramban en Baal-haToeriem, en Baal-Sjoelchan-Aroech - tot de Vilna Gaon en Gaon uit Ljada, en andere rechtvaardigen, moge de herinnering aan hen allen gezegend zijn - van wie voor ons de hele open Tora uitgaat, uit de uitspraken waarvan wij leven en over verrichtingen te weten komen, welke verrichtingen men dient te verrichten, om genade in de ogen van de Schepper te vinden - immers allemaal schreven zij en drukte zij boeken over de wetenschap Kabbala.

En er is geen groter onthullen, dan de geschreven boeken; immers degene, die het schrijft, weet niet, wie zijn boek bestudeert - en misschien, G-d verhoede, de uitgesproken boosdoeners erin inzake doen, en indien het zo is, dan is er geen groter onthullen dan de geheimen van de Tora.

Maar hoe kan men zelfs eraan denken, dat deze heilige en zuivere wijzen zelfs de meeste kleinigheid ervan zullen overtreden, waarover in de Misjna en de Gmara uitvoerig geschreven is, dat men mag ze niet onthullen, zoals in het traktaat “Chagiega” en in “Ein dorsjien” gezegd is.

Hieruit is het duidelijk, dat alle geschreven en gedrukte boeken zijn ongetwijfeld smaken van de Tora, welke “de Antieke” (partsoef Atiek van de wereld Atsieloet) van het begin verborg, en vervolgens onthulde, zoals gezegd is: “Het verhemelte zal het voedsel smaken”. En er bestaat niet alleen geen verbod om deze geheimen te onthullen, maar integendeel, ze te onthullen is een groot Voorschrift, zoals in het traktaat “Pesachiem” (p. 119) gezegd is. En een beloning van degene, die weet ze te onthullen en onthult ze - is zeer groot. Want van het onthullen van dit licht aan velen - en met name aan velen - hangt de komst van de rechtvaardige bevrijder zo spoedig mogelijk en in onze dagen. Amen.

Samenvatting p. 30:

In alle boeken over de Kabbala wordt alleen over dat deel gesproken, dat “smaken van de Tora” heet, welk men kan en een verplichting heeft om aan allen te openbaren, van het openbaren waarvan de correctie en de bevrijding van de hele mensheid afhangt.

31) De argumentatie van het feit, dat de bevrijding van de hele mensheid van het verspreiden van het bestuderen van de Kabbala in massa’s afhangt, is in het boek Zohar beschreven (Tiekoenej Zohar, 30) - de vertaling vanuit het Aramees luidt: Tijdens het neerdalen van de Schepper in de toestand van verborgenheid, een gewaarwording van Hem, bezoekt alleen degenen, die zich met de Tora bezighoudt, omdat de Schepper bevindt zich onder hen.

Allen als dieren verslinden alles zonder onderscheid, en al hun als goed lijkende daden zijn alleen voor zichzelf , voor hun eigen voordeel. En zelfs degenen, die de Tora bestudeert, al het goed wat zij doen, dat is allemaal alleen omwille van zichzelf. In een zulke tijd verwijdert de Schepper zich en keert niet terug.

En de reden daarvoor is, dat degenen, uit de Tora een droge leer maken en wensen de Kabbala niet te leren - juist zij roepen het verdwijnen van de hoge wijsheid op. Het belangrijkste is liefde en ontzag, in het goed en in het kwaad, liefde niet omwille van een beloning.

Samenvatting p. 31:

Een bevrijding van de mens en de mensheid van leed hangt van het onthullen van het licht van de Tora af, wat alleen door het massale bestuderen van de Kabbala mogelijk is.

32) Een mens vervult de Voorschriften en bestudeert de Tora, omdat hij hoopt daarvoor een beloning te ontvangen. In een zulk geval heet zijn studie dienstmeid, omdat deze bezigheid geen ware bezigheid is, die vereist is. Immers hij vervult ze omwille van het ontvangen van een beloning, zoals ook voor elk werk in onze wereld. Maar anders kan hij toch niet doen, omdat hij bevindt zich nog in een niet-gecorrigeerde toestand. Waarom heet zijn bezigheid dan “dienstmeid”?

Samenvatting p. 32:

Het bestuderen van de Tora begint met de intentie om een beloning te ontvangen. Maar hoe kan de mens het bestuderen met een andere intentie beginnen? Immers juist om zijn intentie te corrigeren bestudeert hij de Tora?

33) Omdat het toegestaan is om zich met de Tora in de toestand “lo liesjma” bezig te houden, wanneer hij zijn voordeel beoogt alleen daarom, omdat van “lo liesjma” kan men tot “liesjma” overgaan, want het licht van de Tora corrigeert de mens tot een gelijkenis aan de Schepper.

Daarom heet de studie “lo liesjma” dienstmeid, welke zich met een voorafgaand werk bezighoudt ter zuivering van een mens van het egoďsme voor haar meesteres, d.i. een gewaarwording van de Schepper, welke gewaarwording de mens zal gaan voelen, wanneer hij tot “liesjma” zal komen.

Dan zal ook de dienstmeid, zijn bezigheid in “loe liesjma”, als meesteres geacht zal worden, omdat deze bezigheid hoewel ook met egoďstische intenties was, hem tot “liesjma” bracht, en deze voorafgaande fase van de correctie heet de wereld Asieja.

Maar indien hij nog geen vol geloof verkreeg, de Tora leert en Voorschriften alleen daarom vervult, omdat de Schepper hem verplicht - van een zulke studie en het vervullen van Voorschriften zal het corrigerende licht van de Tora tot een mens niet komen, omdat zijn ogen zijn bedorven, en zij veranderen het licht in duisternis.

Een zulke toestand van de mens heet onreine dienstmeid, omdat met haar hulp hij nooit “liesjma” zal bereiken, al zijn inspanningen gaan tot haar weg, voor zijn egoďstische doeleinden.

Er is een groot verschil tussen degenen, die tot de Schepper wensen toenaderen, terwijl zij de aan Hem gelijken eigenschappen verkrijgen, en degenen, die de Tora bestuderen en Voorschriften punctueel vervullen alleen in handeling, en over de intentie zeggen zij, dat het is toch gezegd (tr. Psachiem 50:2): “Altijd dient de mens zich met de Tora en Voorschriften ook “lo liesjma” bezig te houden, omdat van “lo liesjma” zal hij tot “liesjma” komen.

Daarom schenken zij geen aandacht op de intentie “liesjma”, maar achten, dat die uit zichzelf zal komen. En alle krachten besteden zij alleen aan het vervullen in handeling, bovendien met grote aanvullingen en verbiedende beperkingen, dan de overigen. Hun houding tot de intentie is gelijk aan alle overigen, die wachten, dat de correctie “liesjma” zal tot hen uit zichzelf komen.

Zulke mensen denken, dat in hen een groot geloof is, dermate, dat zij dat met andere kunnen delen, waarbij door het ontvangen door hen van hun begrippen van het geloof, zullen zij even volmaakt en gelukkig zullen worden als zij. Degenen echter, die, terwijl zij de Tora en Voorschriften vervullen, alleen één ding wenst te bereiken, de enige wens opdat die bij hen de enige zal zijn - om alles alleen omwille van de Schepper te doen, en niet voor hun eigen egoďsme. Zij verifiëren zich onophoudelijk, of zij zich volledig aan de Schepper weg kunnen geven, en dan ontdekken zij het ontbreken van het geloof in die mate.

En hoewel zij voortdurend vooruitgaan, terwijl zij hun geloof vergroten, ontdekken zij een aanhoudend tekort aan krachten en het geloof om al hun gedachten en wensen aan de Schepper weg te geven. Daarom verzoeken alleen degenen, die de waarheid zoeken, om het geloof.

Samenvatting p. 33:

Indien hij noodgedwongen een beloning wenst, maar het doel van het bestuderen is om de onbaatzuchtige dienst te bereiken, dan heet de dienstmeid rein, dit naar de meesteres leidt - een gewaarwording van de Schepper. En alleen daarom stonden de wijzen toe om de Tora als middel voor de correctie te bestuderen, in plaats van leed en beperkingen. Maar indien hij alleen daarom de Tora bestudeert, omdat een zulk Voorschrift van de Schepper is, dan wordt hij steeds verder van het doel verwijderd.

34) Er bestaat een voorwaarde voor het neerdalen van het licht van de wijsheid (or chochma): vóór alles dient men van boven het licht van barmhartigheid (or chassadiem) aan te trekken. Dat kan met doen met behulp van altruďstische inspanningen in de Tora, waarbij men bestudeert en vervult zonder persoonlijk voordeel, “liesjma”. En na door zijn altruďstische inspanningen het licht van barmhartigheid te hebben opgeroepen, ontvangt een mens het licht van de wijsheid (or chochma), dat zich in het licht van barmhartigheid inkleedt, en dit licht heet Bevrijder (Masjiejach).

D.w.z., alles hangt van inspanningen in de Tora “liesjma”, die het licht van barmhartigheid verwekt, na het inkleden waarin daalt het licht van de wijsheid neer.

Samenvatting p. 34:

Het onthullen van de Schepper (het licht van de wijsheid, or chochma) vindt alleen in gecorrigeerde gewaarwordingen plaats (het licht van barmhartigheid, or chassadiem). Daarom dient men vóór alles altruďstische eigenschappen, de gelijkenis aan de Schepper, te bereiken.

35) Indien in de toestand van het niet-gewaarworden van het geestelijke (verbanning), wanneer een mens zich met de Tora en Voorschriften “lo liesjma” bezighoudt, een mogelijkheid bestaat om “liesjma” te bereiken, dan bevindt de gewaarwording van de Schepper (meesteres, sjchiena) zich onvoelbaar rondom hem. Onvoelbaar - omdat hij “liesjma” nog niet bereikte, maar in de toekomst zal die ongetwijfeld duidelijk verschijnen, de aanwezigheid, de gewaarwording van de Schepper, zal uit de ballingschap uitkomen.

Maar voorlopig zuivert het licht van de Bevrijder, het licht van de Masjiejach, een mens geleidelijk van het egoďsme, terwijl het hem omringt en aanspoort om tot “liesjma” te komen, zoals is gezegd: “Het licht keert tot zijn Bron terug”.

Maar indien in de mens het geloof ontbreekt, dan is er geen verborgen licht van de Tora in zulke bezigheid, die tot “liesjma” leidt, dan daalt op de mens het licht van de Bevrijder niet, omdat de onreine dienstmeid ontneemt alle vruchten van zijn inspanningen voor zichzelf en daarmee de ware meesteres beërft.

Maar hoewel degenen, die de open Tora bestuderen niet gedijen, omdat geen licht van de bevrijding erin aanwezig is (niet omdat in de open Tora geen licht is, maar omdat gezien de zwakheid van de mens is hij niet in staat om dit licht uit de open Tora uit te halen), omdat zij niet in staat zijn “liesjma” te bereiken als gevolg van de beperktheid van hun verstand (zie p. 16).

Wij hadden met behulp van de Kabbala gevorderd kunnen zijn, omdat het licht, dat zich in haar bevindt, rechtstreeks in handelingen van de Schepper ingekleed is, in de namen van geestelijke objecten (zie p. 155). Wij zouden gemakkelijk tot een zulke “lo liesjma” kunnen overgaan, waaruit men tot “liesjma” komt, wanneer het licht van de Bevrijder op hen neerdaalt, zoals is gezegd: “Het licht doet tot zijn Bron terugkeren”. Zij wensen dat in geen geval, zij streven niet naar het bestuderen van de Kabbala, weigeren dat te doen onder allerlei voorwendselen, en daarom verdwijnt het licht van de Bevrijder voor altijd.

Met andere woorden, op degenen, die zich met de Tora bezighouden in de toestand van een volledige “lo liesjma” en denkt er niet aan, dat “lo liesjma” dient hen tot “liesjma” te brengen, daalt geen licht van de Bevrijder neer, dat opwekt om tot “liesjma” te komen.

Samenvatting p. 35:

Maar indien een mens doorgaat om zich met de open Tora meer dan 3 jaren bezig te houden, hoewel hij het doel niet bereikte, dan verliest hij het voornaamste, waar de Tora voor gegeven werd.

36) Uit het boek Zohar volgt, dat degenen, die de Tora bestuderen, zullen een uitwerking van het verborgen licht op zich niet opwekken, - het licht van barmhartigheid en liefde - totdat de intenties van studerenden een eigen voordeel najagen en hun intentie in “omwille van de Schepper” veranderen.

Daarom zijn al ons leed, zowel persoonlijk, als algemeen menselijk, dat ons bestaan vult, zal alleen tot dat moment duren, wanneer wij de Tora “liesjma” waardig bevonden zullen worden. en zodra wij een zulke toestand zullen bereiken, terstond zal ons het licht van liefde en barmhartigheid zal verschijnen, in wiens kracht is om ons tot de bevrijding te brengen.

Maar het is onmogelijk, om tot een zulk niveau van zuivering voor massa’s te komen zonder het bestuderen van de Kabbala, omdat dit het meest eenvoudige en betrouwbare middel van de correctie, zelfs voor de meest achtergebleven, immers de Kabbala - de meest dicht voor de Schepper is, en daarom is eenieder in de wereld in staat om haar met behulp van de Schepper te bevatten, terwijl het bestuderen van het open deel van de Tora, kan als middel van de correctie alleen voor bijzonder bekwamen zijn en dan nog bij bijzondere inspanningen, maar in geen geval voor massa’s.

Enfin, de nietigheid van tegenspraak in p. 1 tegen het bestuderen van de Kabbala kwam nu aan het licht, alsmede dat de Kabbala helemaal geen engelen in de hemel bestudeert, maar integendeel, het bestuderen van de Kabbala is in het geheel niet een afgetrokken en niet een abstracte bezigheid, als het bestuderen, dat niet bij het vervullen van Voorschriften van open delen van de Tora thuishoort, maar door het bestuderen van de Kabbala bevat de mens het doel van de schepping, omdat door haar te bestuderen roept hij op zich het neerdalen van het licht van de Schepper op, het licht van de Masjiejach-de bevrijder, dat trekt de mens van onze wereld uit, van het egoďsme, in de geestelijke, altruďstische werelden, welk licht hem zuivert, hem tot de Bron terug doet keren, dat hem door een steeds groter wordende gelijkenis naar eigenschappen met de Schepper doet naderen, en welk licht de mens geleidelijk tot volmaaktheid brengt.

Samenvatting p. 36:

Massa’s kunnen van een geestelijke verbanning alleen dan uitkomen, wanneer zij de Kabbala bestuderen.

37) Uit het verleden zijn enkele gevallen bekend, wanneer de bezigheid met de Kabbala brachten een mens tot ongeloof. Daar zijn twee reden voor:

a) zij schonden de aanwijzingen van de wijzen over de toelaatbare grenzen van het onthullen, zij onthulden ontoelaatbare, d.i. de geheimen van de Tora.

b) zij begrepen datgene, wat in de Kabbala bestudeerd wordt in de vorm van verdinglijke, materiële beelden van onze wereld, waardoor zij het verbod schonden van “Gij zult u geen afgod maken”, d.i. zij stelden zich afgetrokken geestelijke objecten voor in de vorm van objecten van onze wereld.

Als gevolg daarvan vreesden de mensen en wilden geen Kabbala te leren, en daarom ontstond er een onbreekbare muur rondom de Kabbala bijna gedurende 20 eeuwen. En dat komt, omdat boeken van de Kabbala vol van materiële termen waren, en men vreesden, dat een beginner zich het geestelijke in de vorm van het materiële zou gaan voorstellen, waardoor hij het verbod “Gij zult u geen afgod maken” zou overtreden, waarmee hij het correcte begrijpen van het geestelijke volkomen zou vertekenen.

En dat is als gevolg van het aanduiden van geestelijke objecten met benamingen uit onze wereld, zulke als gezicht, rug, coďtus, omhelzing, kus, e.d., maar die niet in hun ware geestelijke betekenis verklaard zouden worden. Daarom stelde rabbi Ashlag in zijn commentaar bij het boek Zohar en boeken van AR”I voor, om alle inspanningen te doen voor het scheiden in voorstellingen van een studerende van geestelijke objecten van materiële, om te helpen een correcte voorstelling over de geestelijke wereld bij een studerende te vormen, welke voorstelling afgetrokken is van begrippen plaats, tijd, omvang en beweging.

Samenvatting p. 37:

Indien de mens de Kabbala voor de correctie van zijn natuur bestudeert, dan verbeeld hij zich geestelijke objecten en de werelden niet als iets, dat in een zekere ruimte bestaat, hij materialiseert het geestelijke niet, maar bestudeert alles, als datgene, wat zich binnen hemzelf bevindt.

38) De ware intentie van de mens in al zijn verrichtingen dient omwille van de Schepper te zijn, in een zulk geval heet die “liesjmo” (heb. let. “omwille van Hem - vert.). Waarom heet de correcte intentie bij het bestuderen van de Tora “liesjma” (heb. let. “omwille van haar” - vert.), d.i. omwille van de Tora, en niet “liesjmo”, omwille van de Schepper? Waarom is de intentie omwille van de Schepper niet voldoende, en dient ook nog die van “omwille van de Tora” te zijn?

Samenvatting p. 38:

Waarom dient de mens de Tora “liesjma” te bestuderen, d.w.z., het leren dient omwille van de Tora te zijn, en niet omwille van de Schepper?

39) De Tora heet leven, omdat degene, die de Tora vindt, vindt het leven (Misjlej 4, 22; Dvariem 32, 47). Indien een mens daarom in de Tora het leven, het geluk, de volmaaktheid vindt, dan heet zijn Tora “liesjma”.

Indien een mens van plan is om van de Tora het geestelijke leven, geluk, de volmaaktheid te ontvangen, maar hij leert dat voor aardse voordelen, dan brengt zijn bezigheid met de Tora hem het tegenovergestelde van het geestelijke, omdat hij zich met de Tora “loe liesjma” bezig, zoals is gezegd (tr. Taaniet 7:1): “Hij, die zich met de Tora “lo liesjma” bezighoudt, wordt zij tot een dodelijk gif; en voor hem, die zich met de Tora “liesjma” bezighoudt, wordt zij tot een levenselixer”.

Maar hoe kan de Tora van de Schepper een dodelijk gif zijn? Indien een mens zich met de Tora bezighoudt zonder het eisen, als gevolg van zijn bezigheid ermee, van het geestelijke verheffen, van een gewaarwording van de Schepper, d.i. de correctie van zijn natuurlijk egoďsme, d.w.z., dat hij van de Tora niet datgene eist, waarvoor zij aan de mens in onze wereld is overhandigd, dan verandert de Tora voor hem in het dodelijke gif.

Samenvatting p. 39:

Aangezien de Tora het leven heet, en degene, die haar bestudeert, dient tot zijn doel te stellen om de hoogste geestelijke genieting, kracht en vreugde het vinden. En indien hij dat niet bereikt, wordt de Tora voor hem tot een dodelijk gif.

40) De wijzen plachten te zeggen (tr. Megiela 6,2): “Hij streef en vond - geloof; hij streef niet en vond - geloof niet”. Dat is logisch. Maar waarom is het gezegd “vond”? Immers, degene, die inspanningen levert om een bepaald resultaat te bereiken, verdient dat door zijn inspanningen en niet vindt.

Het woord “vindt” wordt gebruikt, wanneer een mens onverwachts datgene ontvangt, wat hij helemaal niet verwachtte, wanneer er generlei verband is tussen zijn bezigheid en datgene, wat hij verwachtte te ontvangen. Zelfs in onze wereld dient een mens inspanningen te leveren om het gewenste te ontvangen.

Maar waarom schiep de Schepper de schepping zodanig, dat zonder inspanningen men niets kan bereiken? Omdat de Schepper wenst een geweldig geschenk aan de mens te geven, Hij zorgt ervoor, dat de mens dit geschenk waardeert en bewaart. Een mens bewaart alleen datgene, wat voor hem belangrijk is, waar hij een behoefte aan heeft!

Om van alle genietingen in een traktatie te merken, dient een mens een grote wens, een grote trek te hebben, dient ’t leed door het ontbreken van het gewenste te gewaarworden. Zoals men in het eten kruiden erbij toevoegt, maar niemand zal verontwaardigd zijn waarom men ’t leed bij de wens voor het eten vergroot, omdat hier gewaarwordt hij terstond - juist dankzij ’t leed - een genieting van het zich vullen met dit leed.

Daarom is tevens een voorafgaande periode van het lijden, van het streven, van wensen nodig. Deze wensen ontstaat alleen als gevolg van inspanningen. En in die mate, waarin een mens streeft om de Schepper in de toestand van verborgenheid te gewaarworden, gewaarwordt hij de behoefte in de Schepper en in Zijn hulp.

En zodra zijn wens een vereiste grootte zal bereiken, zal de Schepper hem direct helpen, omdat die mens zal reeds in staat zijn om het geschenk van de Schepper te bewaren en te waarderen. Daarom is het gezegd, dat een genieting alleen volgens een grootte van ’t leed door zijn ontbreken onthuld wordt, want ’t leed is juist die plek, waar een mens vervolgens een genieting zal ontvangen.

(Maar indien het gezegd is: “Hij streef niet en vond - geloof niet”, waarom bestaat dan een zulk begrip als verzoek, gebed? Kan een mens soms verzoeken, in plaats van nodige inspanningen te doen? Indien een mens in zijn hart aan de Schepper zal kunnen beloven, om Hem een vereiste hoeveelheid inspanningen te leveren na het onthullen van de Schepper aan hem, dan ontvangt hij hulp in de vorm van het onthullen van de Schepper).

Samenvatting p. 40:

Het is gezegd: “moeite deed en vond”, hij deed moeite in het bestuderen van de Tora met de intentie om de correctie te bereiken en vond…Waarom vond, en niet ontving, verdiende? Immers men zegt “vond” wanneer iemand zonder inspanningen te leveren opeens, onverwacht iets verkrijgt.

41) Waar kan men de Schepper vinden? - het boek Zohar antwoordt, dat men kan de Schepper alleen in de Tora vinden, omdat alleen in de Tora verbergt Hij zich. Maar het dient toch anders te zijn: in alle objecten van onze wereld verbergt de Schepper zich, en juist in de Tora onthult Hij zich aan degenen, die Hem zoeken? Hoe kan men Hem alleen daar vinden, waar Hij zich verbergt?

De Schepper verbergt zich achter alle objecten en handelingen van onze wereld, maar alleen in de Tora verbergt Hij zich zodanig, dat degenen, die wensen, kunnen Hem vinden, kunnen beginnen Hem te gewaarworden. En de verborgenheid van de Schepper in de Tora betekent, dat een mens, door de Tora te bestuderen, een wens ontvangt om de Schepper te vinden, en dan onthult Hij zich in zijn gewaarwordingen. Zoals is gezegd: “Degene, die Mij zoekt, zal Mij vinden”.

Hoe kan het zijn, dat een mens, terwijl hij begrijpt, dat er niets volmaakter en meer waardevol is, dan het toenaderen tot de Schepper, lui is om alle nodige inspanningen daarvoor te leveren? Het gaat erom, dat hij alle inspanningen wenst te leveren, maar hij is bang voor een oorlog met onreine krachten, met zijn egoďsme, welke krachten terstond in opstand komen, zodra een mens inspanningen in de nodige richting begint te leveren.

Maar wie kan dan zijn egoďsme, zijn natuur, overwinnen, terwijl hij over generlei andere krachten beschikt, behalve egoďstische? De enige redding van de mens bestaat daarin, om zich te herinneren: “Er is niemand, behalve Hem”, er is niemand, behalve de Schepper, er is geen andere kracht en wil in de wereld, alles wordt alleen door de Schepper zelf gedaan!

Maar zodra hij dat zich herinnert, ontstaat er in hem een twijfel of hij op de juiste weg is. Dan herinnert hij zich, dat “De ziel van de mens leidt hem” en hij zal later begrijpen, dan hij op de juiste weg is.

Er ontstaat een volgende twijfel: want het is gezegd: “Niet eenieder die de Schepper wenst kan Hem bereiken” e.d. D.w.z., indien een mens in zijn ziel geen toenadering tot de Schepper wenst te maken, zal hij in zichzelf duizenden allerlei rechtvaardigingen ervoor vinden.

Maar degene, die de hele hoeveelheid en kwaliteit van de vereiste inspanningen wenst te geven, treedt anders op: hij overtuigt zichzelf, dat vele het doel van de schepping bereikten, dat er een nut bestaat van inspanningen, omdat in het geestelijke niets verdwijnt, e.d. En juist hij bereikt het doel, en alle overigen verlaten de wereld zoals zij ook erin kwamen!

 Vorige pagina | Volgende pagina



Deze website kabbalah.info wordt onderhouden door de
Nederlandse afdeling van
"Bnei Baruch"

Copyright ©1996. Bnei Baruch. All rights reserved.