Samenvatting p. 81:

Een hele beloning komt de mens alleen toe uit zijn inspanningen in een toestand van een verborgenheid van de Schepper om in de Schepper te geloven en Zijn wensen te vervullen. En een grootte van een beloning is gelijk aan een grootte van inspanningen en is gelijk aan een grootte van het leed in het vervullen van Voorschriften in een toestand van een verborgenheid.

82) Daarom dient eenieder de overgangstoestand van het vervullen van de Tora en Voorschriften in een verborgenheid van het gezicht van de Schepper door te lopen. En wanneer hij de hele hoeveelheid van de voor hem voorbeschikte inspanningen beëindigt, bereikt hij het bevatten van het open bestuur, van het opengaan van het gezicht van de Schepper.

Maar vóórdat hij het opengaan van het gezicht van de Schepper bereikt, d.w.z., een gewaarwording van het van de Schepper uitgaande goed, hoewel hij ook de rug van de Schepper ziet, d.i. gewaarwordt leed, maar de Schepper niet gewaarwordt, maar gelooft, dat de Schepper de wereld met het goede bestuur bestuurt, kan hij zich toch soms vergrijpen om overtredingen te doen, omdat eveneens als hij niet altijd in staat om door zijn inspanningen zijn twijfels te overwinnen, en, terwijl elke gewaarwording van de Schepper ontbreekt, terwijl hij leed gewaarwordt, kan hij niet altijd zeggen, dat de Schepper hem ook nu met goede bedoelingen bestuurt.

En niet alleen is hij niet in staat om alle 613 Voorschriften te vervullen, want men kan niet dwingen om lief te hebben, maar, terwijl hij de rug van de Schepper ziet, d.w.z., terwijl hij genietingen in de Tora en Voorschriften niet ziet, is hij gedwongen om ook de overige 612 Voorschriften te vervullen, omdat zijn angst is niet aanhoudend.

Daarom is de gematria (getalwaarde van letters) van het woord “Tora” - 611, omdat hij 612 Voorschriften niet in staat is te vervullen. Maar “een ruzie is in niet eeuwig”, niet eeuwig verbergt de Schepper zich van de mens, niet eeuwig zullen bij de mens pretenties en klachten tot de Schepper zijn, maar een moment zal aanbreken en hij zal de genade van zijn Schepper waardig zijn.

Samenvatting p. 82:

Vóór het onthullen van de Schepper is de mens niet in staat om Voorschriften uit liefde en angst te vervullen en hij vervult maximaal 611 Voorschriften.

83) De eerste trap van het opengaan van het gezicht van de Schepper - het bevatten van het bestuur door beloning en bestraffing - komt bij de mens alleen als gevolg van de hulp van de kant van de Schepper zelf, wanneer zijn ogen opengaan (innerlijk geestelijk gezichtsvermogen),en hij gewaarwordt geestelijke krachten en verbanden, “En hij wordt als oon onstuimige bron” (Avot 86), en na elk, door een inspanning vervuld Voorschrift, ziet hij een aan hem in de toekomstige wereld behorende beloning, en tevens een groot verlies van een overtreding.

Samenvatting p. 83:

Het onthullen van de Schepper komt tot de mens van boven, en hij ziet een beloning voor zijn inspanningen, die hem in de toekomstige wereld te wachten staan, alsook verliezen door overtredingen.

84) Maar hoewel hij nog niets ontvangt, maar een beloning alleen ziet, omdat in deze wereld is het onmogelijk is om hem te ontvangen, is dat voor hem afdoende, om vanaf dit moment een gigantische genieting van het vervullen van Voorschriften te gewaarworden. Dat is te vergelijken met een handelaar, die een groot som geld verdiende: hoewel hij het verdiende nog niet ontving, maar indien hij van het ontvangen ervan zeker is, dan verblijdt hij zich, alsof zijn winst al in zijn handen is.

Samenvatting p. 84:

Hoewel hij een beloning in deze wereld niet ontvangt, maar terwijl hij ziet, dat men ontvangt voor het vervullen van Voorschriften in de toekomstige wereld, gewaarwordt hij een gigantische genieting reeds nu bij het vervullen van Voorschriften.

85) Het bevatten van het evident bestuur garandeert, dat vanaf dit moment de mens met heel zijn hart tot de Tora aangetrokken zal worden, en hij zal niet meer zondigen, omdat hij het leed van het zondigen gewaarwordt, terwijl hij ervan wegrent, als van een groot gevaar, zoals een mens van een brand wegrent: hoewel het vuur hem niet bereikt, verwijdert hij zich van tevoren uit angst om zich te verbranden.

Maar hoewel hij nog geen volmaakte rechtvaardige is, omdat hij zijn terugkeer uit liefde niet bereikte, helpt een groot verband met de Tora en goede daden hem om geleidelijk ook het terugkeren uit liefde te bereiken, d.i. de tweede trap van het opengaan van het gezicht - dan vervult hij al alle 613 Voorschriften en wordt een volmaakte rechtvaardige.

Samenvatting p. 85:

Het open bestuur garandeert het vervullen van Voorschriften en het mijden van het zondigen. Het brengt tot het terugkeren uit liefde en een benoeming tot een volmaakte rechtvaardige.

86) In p. 78 wordt een eed aangehaald, welke de ziel van de mens vóór haar inbedden in een lichaam en het neerdalen in onze wereld aflegt (tr. Nieda 39:2): “Zelfs indien de hele wereld je zal zeggen, dat je rechtvaardige bent, zie jezelf in je eigen ogen als zondaar”.

Maar waarom verplicht hij zich om de hele wereld niet te geloven en zich als zondaar te zien? Waarom is het niet gezegd: “zelfs indien je weet, dat je rechtvaardige bent, houd jezelf voor zondaar”, immers de mens weet toch beter, dan de hele wereld wie hij is?

Er bestaat een aanwijzing (tr. Brachot 61): “De mens dient te weten in zijn ziel, wie hij is, rechtvaardige of zondaar”. Maar waar dient dan een eed van de ziel voor, dat hij zich altijd als zondaar zal zien, indien hij zelf dient te bepalen, wie hij is?

Samenvatting p. 86:

Door alle Voorschriften behalve angst en liefde te vervullen, welke alleen door hem gewaargeworden worden, lijkt een mens aan al zijn omgeving als een volmaakte rechtvaardige, maar hij dient dat in zijn bevatting te bereiken.

87) Het gaat erom, dat vóór het opengaan van ogen in de Tora (wanneer bestaat al geen noodzaak om te geloven, wanneer hij datgene, wat hem in de toekomst te wachten staat, een beloning, duidelijk ziet, hem met al zijn gevoelens gewaarwordt, wanneer hij het bestuur door beloning en bestraffing duidelijk begrijpt), natuurlijk, zal hij zich toch op generlei manier vergissen en zich voor rechtvaardige gaan houden, omdat hij voelt, dat hem aan twee de meest algemene Voorschriften van de Tora - liefde en ontzag - ontbreekt.

Immers, het duidelijke ontzag dermate te bereiken, dat de Schepper aan hem zou getuigen, dat de mens voortaan niet zou zondigen, uit een grote angst voor bestraffing voor een overtreding, kan alleen hij, die zich een beloning en bestraffing volledig voorstelt.

En daarvoor dient de mens de eerste trap van het opengaan van het gezicht van de Schepper waardig zijn, welke trap als gevolg van het opengaan van ogen in de Tora bevat wordt. En des te meer het bereiken van het gevoel van liefde, welk gevoel berhaupt niet van de mens afhangt, omdat generlei inspanningen en dwangmaatregelen zullen datgene, wat in het hart gewaargeworden wordt, veranderen.

Samenvatting p. 87:

Het open bestuur maakt de mens niet een volmaakte rechtvaardige, omdat hij vervult het nodige uit angst en voordeel.

88) Daarom is het gezegd in de eed: “Hoewel de hele wereld zegt…”. Immers het Voorschrift van liefde en ontzag zijn juist tot de mens zelf gericht, en niemand in de wereld, behalve de uitvoerder zelf, kan hun vervulling niet bepalen. Maar geen mens in de wereld kan weten, wat in het hart van een ander zich voordoet. Datgene, wat aan de buitenstaanders geopend is - dat zijn alleen uiterlijke handelingen van een mens: zijn goede daden, Voorschriften, de kennis van de Tora.

Maar het is ontoegankelijk voor een buitenstaander om de intenties van deze handelingen te weten: zijn zij door het ontzag voor de Schepper bepaald of door een liefde voor Hem. Immers de mens kan een beetje leren en vervullen, maar datgene, wat hij doet, gaat van zijn ontzag en liefde voor de Schepper uit.

En hij kan veel leren en vervullen voor zijn eigen heil. De omgeving ziet het vervullen door de mens van 611 Voorschriften en daarom beweert, dat hij, klaarblijkelijk, de Voorschriften uit liefde en ontzag vervult. En daar de mens geneigd is om aan de hele wereld te geloven, kan hij in een bittere fout vervallen - hij kan gaan geloven, dat hij al rechtvaardige is.

Wie tot de Schepper wenst toenaderen, dient zich een antwoord te geven: ben ik rechtvaardige of zondaar, een en ander na zich te hebben geverifieerd: bereikte hij al het ontzag en liefde voor de Schepper? Ziet hij nu de voor hem in de toekomstige wereld voorbeschikte beloning en bestraffing? In hoeverre hij dat gewaarwordt, in dezelfde mate kwam hij van de toestand zondaar uit.

Samenvatting p. 88:

Terwijl de omgeving ziet, dat de mens alles vervult, behalve angst en liefde, die zij niet kunnen zien, dan beschouwen zij hem als een volmaakte rechtvaardige, maar de mens dient dat niet te geloven en te verifiëren, wie hij is.

89) Nu is het duidelijk, dan het mogelijk is om liefde voor de Schepper te bereiken, hoewel de mens een beloning in deze wereld niet ontvangt en daarom is het aangewezen: “Je wereld (beloning) zal je tijdens je leven ziet, doch je zal hem in de toekomstige wereld ontvangen”. Maar hij dient nog in deze wereld, in dit leven de voor hem in de toekomstige wereld voorbeschikte te zien, omdat als gevolg daarvan bereikt hij op zijn minst een afhankelijke liefde, hij bereikt de 1e trap van het uitgaan van een verborgenheid van het gezicht van de Schepper en komt tot het onthullen van Zijn gezicht.

Dat is voor de mens nodig voor het voor hem vereiste vervulling van Voorschriften volgens de Wet van de Tora (lefie halacha), wat betekent het vervullen met een gewaarwording van een beloning en bestraffing, van een zulke vervulling van de Tora en Voorschriften, dat de Schepper zelf zal ervan getuigen, dat de mens al nooit zal zondigen, en Hij zal dat daarmee getuigen, dat Hij aan de mens een gewaarwording van een beloning (genieting) voor het vervullen van een Voorschrift zal geven, en een bestraffing (leed) voor het overtreden ervan.

In een zulk geval zal de mens noodgedwongen rechtvaardige worden en zich op het vermenigvuldigen van het vervullen van Voorschriften zal afstormen, zoals de hele wereld naar beloningen van onze wereld streeft.

Samenvatting p. 89:

Het zien van een toekomstige beloning is afdoende om de mens met een liefde voor de Schepper met een afhankelijke liefde vervuld te laten worden, terwijl hij uit een verborgenheid van de Schepper uitgaat.

90) En verder, terwijl hij de Tora en Voorschriften in de toestand van een afhankelijke liefde vervult, welke liefde kwam bij hem als gevolg van het beseffen van de hem in de toekomstige wereld verwachte beloning, maar welke beloning als nu ontvangende waargenomen wordt, gezien de absolute zekerheid van het ontvangen ervan in de toekomst, bereikt de mens geleidelijk ook de 2e trap van het opengaan van het gezicht van de Schepper - het bevatten van het ware en eeuwige bestuur van de Schepper, Zijn volkomen goede houding, zowel met rechtvaardigen, als ook met zondaars, tot al Zijn schepselen, waardoor de mens de toestand van de onafhankelijke liefde bereikt - de liefde voor de Schepper, zelfs als hij er niets voor terug ontvangt, waardoor zijn vorige opzettelijke overtredingen in goede daden veranderen en hij heet voortaan volmaakte rechtvaardige, omdat bij hem 613 Voorschriften zijn.

Samenvatting p. 90:

Door Voorschriften omwille van een beloning te vervullen, bevat de mens geleidelijk, dat het bestuur door de Schepper absoluut goed is en bereikt hij de onafhankelijke (van beloningen) liefde, zijn opzettelijke zonden veranderen in verdiensten en wordt hij een volmaakte rechtvaardige.

91) Nu is het duidelijk, waarom na de 3e trap van het bevatten van het bestuur te hebben bereikt, d.i. de trap van het bestuur door beloning en bestraffing, wanneer de Schepper hem getuigt, dat de mens voortaan zal niet meer zondigen, heet hij onvolmaakte rechtvaardige - immers het ontbreekt hem aan het Voorschrift van liefde. En daarom heet hij onvolmaakte, want hij dient het vervullen van alle 613 Voorschriften af te maken voor het bereiken van de volmaaktheid.

Samenvatting p. 91:

Na de 3e trap van het bevatten van het bestuur te hebben bereikt, het bestuur over een beloning en een bestraffing, ben je nog geen volmaakte rechtvaardige, omdat het vervullen van het Voorschrift van de liefde ontbreekt.

92) Hieruit wordt het duidelijk, waarom de Tora verplicht om het Voorschrift van liefde te vervullen, hoewel wij geen macht over het gevoel van ons hart hebben en daarover zeggen de wijzen: “Moeite gedaan, maar niet vond - geloof niet” (tr. Megiela 6: 2). D.w.z., indien de mens probeert, dan kan hij tot het vervullen van het Voorschrift van liefde komen. “De mens is verplicht om zich altijd met de Tora en Voorschriften bezig te houden, zelfs “lo liesjma”, omdat van “lo liesjma” zal hij tot “liesjma” komen (tr. Psjachiem 50), en “liesjma” betekent liefde voor de Schepper.

Samenvatting p. 92:

Een liefde is onmogelijk te vervullen, maar door inspanningen in de Tora te leveren, vindt de mens een onthulling van de Schepper en Zijn bestuur.

93) Daarom is het gezegd (tr. Megiela 6:2): “Indien een mens je zal zeggen, - ik had moeite gedaan, maar niet vond - geloof hem niet; - in had geen moeite gedaan, maar vond - geloof hem niet; - ik had moeite gedaan en vond - geloof hem”. Dat gaat op in de bezigheid met de Tora, en wat het overige betreft hangt alles alleen van de wens van de Schepper af. Immers, indien de mens moeite doet en inspanningen levert, dan weet hij wat hij wenst te bereiken en datgene, wat hij bereikt heet toch geen vondst?

Het gaat erom, dat het trachten behoort tot inspanningen in de Tora, en een vondst behoort tot het opengaan van het gezicht van de Schepper, zoals Zohar aanwijst, dat de Schepper zich alleen in de Tora bevindt. D.w.z., als gevolg van inspanningen in de Tora, wordt de mens het opengaan voor hem van het gezicht van de Schepper waardig. Daarom is het precies gezegd: “Degenen, die Mij zoeken, zullen Mij vinden”. Omdat als gevolg van zijn inspanningen verkrijgt een mens de Tora, maar vindt bovendien nog het gezicht van de Schepper.

De mens meent gewoonlijk, dat hij aan de Schepper een paar adviezen zou kunnen geven, op welke wijze de wereld te besturen, omdat hij enkele tekortkomingen in datgene vindt, wat de Schepper schiep en doet. Dat komt, omdat hij het leed gewaarwordt en meent, dat bij een verandering van de wereld hij zich ervan zou bevrijden. En daar hij het leed gewaarwordt, denkt hij, dat een zulk bestuur van de wereld past de Schepper van het hele heelal niet.

Maar wanneer de mens waardig wordt bevonden om het gezicht van de Schepper te vinden, dan zal hij zelf zien, hoe de hele wereld door de Schepper dermate met een absoluut goede intentie en een goed doel bestuurd wordt, dat er niets beters en goeds voor eenieder van ons kan zijn. En dan verdwijnen zijn twijfels in het goede bestuur, hij gewaarwordt de goede Schepper, wat ook het opengaan van het gezicht heet.

Samenvatting p. 93:

Een liefde is onmogelijk te vervullen, maar door inspanningen in de Tora te leveren, vindt de mens een onthulling van de Schepper en Zijn bestuur.

94) Hieruit wordt de reden begrepen van wat het gezegd is: “Hij werkte niet hard en vond - geloof niet”. Het is duidelijk, dat het onmogelijk is om de Tora zonder inspanningen te beheersen, maar indien het niet over de Tora, maar over de Schepper gesproken wordt, dan kan de mens denken, dat voor het gewaarworden van de Schepper hoeft men geen inspanningen te leveren. Daarom waarschuwen de wijzen ons, om degene niet te geloven, die beweert, dat hij “werkte niet hard en vond” - zonder inspanningen kan men de Schepper niet vinden.

Samenvatting p. 94:

Het is onmogelijk om een gewaarwording van de Schepper te bereiken, zonder een bepaalde hoeveelheid van inspanningen te leveren.

95) Nu zullen wij begrijpen, waarom de Tora leven heet, zoals is gezegd: “Hier geef Ik je vandaag leven…en kies voor het leven” (Tora. Dvariem 30:15), “Zij is het leven voor hen, die haar gevonden hebben” (Miesjlej 4:22). Dat komt van het gezegde: “In het licht van de Koning des levens” (Miesjlej 16). Wanneer de mens ziet en gewaarwordt, dat hij er geen beter bestuur kan zijn, dan het bestuur van de Schepper, dan betekent dat, dat hij het licht van de Koning des levens bereikte.

Daar de Schepper de bron van het leven en goed is, gaat het leven van Hem uit op alle aftakkingen, die met Hem verbonden zijn, met degenen, die als gevolg van hun inspanningen het licht van het gezicht van de Schepper in de Tora gevonden had, d.w.z., het opengaan van ogen in de Tora van grote bevattingen waardig bevonden werd, tot aan het opengaan van het gezicht van de Schepper, wat betekent het bevatten van het evidente ware bestuur, wanneer het begrijpelijk is, waarom de Schepper absoluut goed genoemd wordt, die alleen maar goed doet.

Samenvatting p. 95:

Het onthullen van de Schepper, een gewaarwording van Hem, geeft de mens de hoogste genieting en kracht, helpt hem zijn leven te verkrijgen. Daarom juist het bestuderen van de Tora dient voor het verkrijgen van het leven te zijn, in de naam van de Tora, d.i. “liesjma”.

96) En degenen, die het opengaan van het gezicht van de Schepper waardig geacht worden, zijn al niet in staat om van de ware (lefie halacha) vervulling van de Tora en Voorschriften afstand te nemen, zoals de mens geen afstand kan nemen van het ontvangen van een enorme genieting. En zoals van een enorm onheil rent men van het zondigen weg.

En over hen is het gezegd: “Jullie, die met jullie Schepper samenvloeiden, zijn in leven vandaag”, omdat de liefde voor de Schepper vloeit naar hen op een natuurlijke wijze, langs kanalen, die door de natuur voorbeschikt zijn, omdat de mens is nu als een tak, met zijn wortel verbonden, en het leven vloeit naar een tak met een brede stroom van de Bron zelf.

Daarom heet de Tora leven, immers, terwijl hij een genieting van de Schepper gewaarwordt, begint de mens Hem lief te hebben. Men kan de Schepper vinden, zijn gezicht onthullen, Hem gewaarworden, Zijn bestuur door beloning en bestraffing onthullen alleen door inspanningen van het zoeken naar Hem in de Tora: terwijl men bij een ware kabbalist leert, en met al zijn gedachten en verrichtingen in het leven en het leren alleen dit doel nastreeft.

Maar waarom dient men verplichtend zulke gigantische inspanningen in het zoeken naar de Schepper te leveren? Waarom kan men niet gewoon verzoeken en Hem terstond, zonder inspanningen vinden? Als antwoord op deze vraag is het namelijk gezegd: “Jullie, die zich met jullie Schepper samenvloeiden, zijn in leven vandaag” - hij, die met de Schepper samenvloeit, wordt het leven waardig geacht. Het samenvloeien betekent het samenvallen van een gelijkenis naar eigenschappen, wensen, kwaliteiten. D.w.z., bij beiden, bij de Schepper en de mens, dienen gelijke eigenschappen te zijn : zoals de Schepper alleen goed doet, zo ook de mens dient onbaatzuchtig alleen maar goed te doen, om met de Schepper samen te vloeien.

En daar komen alle inspanningen van de mens erop neer: om aan zichzelf te werken, opdat alle verrichtingen van de mens omwille van de Schepper zouden zijn, voor het voordeel van de Schepper. De inspanningen zijn nodig, omdat de natuur van de mens absoluut egoďstisch is, en hij is niet in staat om enige handeling omwille van een ander te doen.

Inspanningen van de mens in de Tora betekenen, dat de mens wenst om de Tora en Voorschriften omwille van de Schepper te vervullen, om daarmee de Schepper te verblijden. Daar hij tegen zijn natuur werkt, heten zijn verrichtingen inspanningen.

Onder een beloning wordt die genieting bedoeld, welke hij bij het richten van zijn intenties tot de Schepper gewaarwordt. D.w.z., zijn allergrootste genieting, grotere dan alle genietingen van de wereld, bestaat daarin, dat hij de Schepper een genieting kan geven. Het leed wordt echter gewaargeworden, als gevolg van het feit, dat de Schepper niet geniet.

Om zich van het egoďsme te bevrijden, om door zijn verrichtingen en gedachten onbaatzuchtig te streven om de Schepper te verblijden, opdat als een genieting zou gelden het tevreden stellen van de Schepper, dient de mens het opengaan van het gezicht van de Schepper te bereiken - het neerdalen op hem van het hoge licht, dat ZIEL heet.

Zoals de Zohar zegt: “Men helpt degene, die komt om zich te zuiveren daarmee, dat men hem een ZIEL geeft”. Het licht, dat van de Schepper uitgaat, dat de mens begint te gewaarworden bij het bereiken van het opengaan van het gezicht van de Schepper, heet ZIEL. Als gevolg daarvan worden alle intenties van de mens alleen omwille van de Schepper, wat “liesjma” heet. Zijn genieting is alleen daarvan, en in die mate, waarin hij door zijn handelingen een genieting aan de Schepper verstrekt. Zijn leed is alleen uit het feit, en in die mate, waarin hij de Schepper niet van dienst kan zijn.

En indien hij niet in staat is om de wil van de Schepper te vervullen, dan heet dat bij hem het zondigen (heb. avera). Omdat het is gezegd, dat degene, die een zulke toestand bereikt, niet in staat is de wil van de Schepper niet te vervullen, juist hij vervult Voorschriften “volgens Halacha” (heb. “halacha” stamt van het woord “haliecha” - een beweging naar de Schepper). Bovendien, zijn uitvoeren is natuurlijk, zoals een gewone mens niet in staat is om een enorme genieting te ontlopen, welke genieting opeens voor hem zich voordoet. En tevens rent hij van een zonde razendsnel zoals van een brand weg.

Een zulke mens kan al niet meer zondigen, omdat indien hij ophoudt zijn intenties omwille van de Schepper te richten, verliest hij terstond zijn ZIEL en keert op het niveau van een gewone mens terug. En alleen door de Schepper te dienen, gewaarwordt hij genietingen. Inspanningen in de Tora betekenen, dat met behulp van de Tora de mens het samenvloeien met de Schepper bereikt, dat hij zijn intenties voor het nut van de Schepper kan richten. En dan wordt hij het gezicht van de Schepper waardig geacht.

Samenvatting p. 96:

Door met de Schepper samen te vloeien wordt de mens met al zijn wensen tot uitvoerder van de wil van de Schepper.

97) Daarom waarschuwen de wijzen ons veelvuldig over de verplichte voorwaarde van het zich bezighouden met de Tora en Voorschriften “liesjma”, opdat hij het leven waardig zal zijn, omdat de Tora is alleen daarvoor gegeven, om in haar het leven te vinden, zoals is gezegd: “kies voor het leven”.

Daarom dient de mens tijdens zijn bezigheid met de Tora alle inspanningen van het verstand en hart aan te wenden, om het licht van de Schepper van het leven te vinden, d.w.z., het evidente bestuur te bevatten, welk het licht van het gezicht van de Schepper heet. En eenieder van de geschapen is daartoe in staat, zoals is gezegd: “Degenen, die Mij zoeken, zullen Mij vinden”, en “Deed moeite en niet vond - geloof niet”. Omdat in de mens alles daarvoor van zijn geboorte aanwezig is, alleen dient hij zijn inspanningen te leveren. En elke mens is in staat om een zulke toestand te bereiken.

En wat de mens ook zou zeggen, dat hij een zwakke gezondheid heeft, dat hij niet genoeg wijs is, dat hij met slechte neigingen geboren is, dat hij een slappeling is, dat hij zich in een ongeschikte omgeving bevindt, schulden en lasten van het bestaan laten hem niet toe om zich aan het echte doel van het leven over te geven.

Er bestaat alleen de enige kracht in de wereld - de Schepper en Zijn doel is om eenieder van ons tot het doel van de schepping te brengen, tot een samenvloeiing met Hem, en in zijn elke toestand (van gezondheid, in het gezin, in het materiële opzicht, e.d.) bevindt de mens zich in de meest optimale omstandigheden ten aanzien van de Schepper.

Daarom dient de mens nooit op een andere stemming, om betere omstandigheden, te wachten, maar daar, waar hij zich innerlijk en uitwendig bevindt, vanaf die toestand begint hij zijn geestelijke opstijging, omdat niet voor niets is het gezegd: “degene, die inspanningen levert, vindt”, en “geloof niet aan degene, die moeite deed en niet vond”.

Omdat bij een mens alles voorhanden is voor het bereiken van het doel van het leven, voor het bereiken van het doel van de schepping, behalve één - zijn trachten, zijn inspanningen, zoals is gezegd: “eenieder, die zich met de Tora “liesjma” bezighoudt, d.w.z., de qua eigenschappen aan de Schepper gelijk wenst te worden, neemt de Tora waar als de bron van het leven (tr. Taaniet 7:1), d.i. hij dient alleen maar zijn gedachten en wensen weg te geven, om het leven te ontvangen, wat juist “omwille van de Schepper” betekent.

Daarom is het gezegd: “Voor eenieder, die zich met de Tora “liesjma” bezighoudt, wordt zij levenselixer” (tr. Taaniet 7:1) - als hij maar zijn verstand en zijn hart op het bereiken van het leven richt, wat namelijk “liesjma” is (omdat “liesjma” betekent omwille van de Tora), d.i. zijn inspanningen, zodat zijn intenties in de Tora hem tot de toestand “liesjma”, tot het samenvloeien met de Schepper, zouden brengen.

Samenvatting p. 97:

Daarom, tijdens het leren van de Tora, dient de mens in haar het onthullen van de Schepper te zoeken en Zijn bestuur, en eenieder is in staat om dat te bereiken.

98) En nu zullen wij begrijpen, hoe kon de Tora de mens het Voorschrift van liefde voor de Schepper verplichten: hoewel men niet kan dwingen om lief te hebben, maar dat te bereiken is wel in krachten van de mens, omdat indien de mens zich met de Tora bezighoudt en het evidente bestuur van de Schepper vindt, dan natuurlijk komt bij hem de liefde voor de Schepper.

Wanneer hij het open bestuur bereikt, ziet hij, dat de Schepper hem allen goed wenst, dan gewaarwordt hij natuurlijk de liefde voor de Schepper: zoals de liefde van een moeder voor het kind natuurlijk is, en behoeft geen dwang - zo ook het geval, wanneer de mens de ware houding van de Schepper tot hem begint te zien, natuurlijk wordt hij van een geweldige liefde voor de Schepper vervult en hij hoeft al geen inspanningen te leveren bij zijn streven naar de Schepper, en doet alles natuurlijk, met een grote wederzijdse liefde.

En wie niet gelooft, dat hij dat met zijn eigen inspanningen kan bereiken, onafhankelijk om welke reden dan ook, betekent dat, dat hij niet gelooft in datgene, wat de wijzen zeiden, dat elke mens kan door zijn eigen inspanningen een gewaarwording van de Schepper bereiken: “Hij deed moeite en niet vond - geloof niet”, “Degenen, die zoeken, zullen Mij vinden”. Juist zij, die zoeken, onafhankelijk van datgene, wie zij zijn, maar als zij maar hun inspanningen leveren.

Samenvatting p. 98:

Men kan liefhebben niet verplichten, maar na nodige inspanningen te hebben geleverd, bereikt de mens het open bestuur van de Schepper en de liefde voor Hem.

99) Hieruit zullen wij het gezegde begrijpen: “Eenieder, die zich met de Tora “lo liesjma” bezighoudt, verandert de Tora in het dodelijke gif” (tr. Taaniet 7:1), “Juist in de Tora verbergt de Schepper zich”. Maar het is toch logisch, dat de Schepper zich in alle objecten van onze wereld verbergt, maar in de Tora Hij zich onthult? Waarom verbergt de Schepper zich, dat men naar Hem zou zoeken en vinden? Waarom is de Schepper oorspronkelijk verborgen van Zijn schepselen, waarom verschijnt Hij in hun gewaarwordingen niet evident?

Samenvatting p. 99:

Nu is het begrijpelijk, hoe de Tora een dodelijk gif kan zijn en hoe juist in haar de Schepper zich verborgen kan houden.

100) De verborgenheid van de Schepper, zowel eenvoudige, als dubbele, is door de Schepper daarom geschapen, opdat men naar Hem zou zoeken, Hem zou verzoeken zich te onthullen, Hem zou vinden, en niet omdat Hij wenst van mensen verborgen te blijven. De verborgenheid van de Schepper is noodzakelijk, omdat er geen andere weg bij mensen bestaat om het licht van het leven - het gezicht van de Schepper - te bereiken, indien Hij Zijn gezicht van het begin niet zou verbergen. En deze verborgenheid is niets anders, als een voorafgaande fase en een voorbereiding van de mens tot het opengaan van het gezicht van de Schepper.

Indien de mens iets van een ander ontvangt, dan ondervindt hij leed in de vorm van een schaamtegevoel. Maar indien datgene, wat wij van de Schepper in verborgenheid ontvangen, door ons als evident gezien zou worden, dan zouden wij niets kunnen ontvangen, wij zouden dan van schaamte “verbranden”, waarbij wij zouden gewaarworden, dat wij van Hem alles ontvangen en niets weggeven.

Opdat de schepselen geen schaamte zouden gewaarworden, verborg de Schepper zich en daarom kunnen allen ontvangen zonder schaamte en een gevoel van plicht. Een verborgenheid bestaat daarin, dat de mens niet gewaarwordt, dat de Schepper genietingen hem geeft, hem met het goed bestuurt.

En dat daarvoor, om de mens een mogelijkheid te geven zichzelf te corrigeren, zodat alle verrichtingen van de mens omwille van de Schepper zouden zijn, en in niet voor zichzelf: dan zullen alle genietingen, welke hij van de Schepper zal ontvangen, daarom zal ontvangen, omdat hij weet, dat de Schepper wenst, dat hij genietingen ontvangt, en daarom geniet de Schepper, wanneer de mens van Hem genietingen ontvangt. En wanneer de mens deze trap bereikt, gaan alle geestelijke genietingen voor hem open.

Daarom:

a) een verborgenheid van het gezicht is daarom geschapen, opdat de mens zich zou afvragen: “Waarom kan ik in deze wereld niet genieten?”

b) nadat hij zal zoeken - beseft hij, dat hij een genieting niet gewaarwordt, omdat hij de intenties van zijn handelingen niet omwille van de Schepper richt.

c) dan zal hij handelingen beginnen te doen met een intentie omwille van de Schepper.

d) dan zal de Schepper zich aan hem kunnen onthullen (en er zal geen schaamte zijn, hoewel hij ook ontvangt, zoals hij tevens in de verborgenheid van het gezicht ontving, hij ontvangt alles van de Schepper, omdat al zijn genieting zal zijn - vreugde van de Schepper).

Samenvatting p. 100:

De Schepper verbergt zich in de Tora, opdat men hem zou verzoeken zich juist uit de toestand van een verborgenheid te onthullen.

101) Daarom is het gezegd, dat de Schepper verbergt zich in de Tora: immers in de toestand van de verborgenheid van het gezicht van de Schepper, gelijkt het leed van degene, die zondigt en de Tora en Voorschriften weinig vervult niet op hem, die al zijn inspanningen daarvoor inzet.

Immers de eerste is meer in staat om de Schepper te rechtvaardigen, dan de tweede, terwijl hij terecht meent, dat het leed het gevolg is van zijn zondigen. Terwijl voor de tweede is het buitengewoon moeilijk om de Schepper te rechtvaardigen, omdat, volgens zijn daden, acht hij zich, dat hij zulk groot leed niet verdiende, des te meer, terwijl hij meer zondige mensen niet in leed ziet, maar in vreugde, geluk en gezondheid.

Hieruit zullen wij begrijpen, dat vóórdat de mens het opengaan van het gezicht van de Schepper niet bereikte, zal het zo zijn, dat hoe meer zijn inspanningen in de Tora en Voorschriften zijn, des te zwaarder gewaarwordt hij de verborgenheid van de Schepper, des te evidenter is het voor hem, dat de Schepper zich van hem verbergt. En daarom is het gezegd, dat de Schepper verbergt zich juist in de Tora. Terwijl, indien de mens de Tora leert en een nog grotere verborgenheid van de Schepper van hem niet gewaarwordt, betekent dat, dat het niet die Tora, welke tot “liesjma” leidt.

Zelfs indien de hele wereld hem als wijze en rechtvaardige acht, terwijl men zijn uiterlijke rechtvaardigheid en enorme bevattingen ziet. En juist deze steeds toenemende zwaarte van een gewaarwording van een verborgenheid van de Schepper is met name de oproep van de Schepper om de hoeveelheid en kwaliteit (intensiteit) van inspanningen te versnellen, die nodig zijn voor het opengaan van het gezicht van de Schepper.

Waarvoor dient de mens, die al zijn inspanningen in de bezigheid met de Tora inzet, meer leed te ondervinden, dan anderen? Zou dat het gevolg dient te zijn van zijn inspanningen in de Tora? Daarop volgt juist het antwoord: het leed dient hem aan te sporen om sneller tot een gewaarwording van de Schepper te komen.

Waarom verbergt de Schepper zich in de Tora meer, dat in al het overige in onze wereld? Wanneer de mens een genieting in de Tora gewaarwordt en bij hem het leed komt, rechtvaardigt hij de Schepper zeggende, dat de Schepper de wereld bestuurt, maar hij is niet waard om een genieting te gewaarworden, maar ontvangt een straf voor zijn zondigen.

Maar indien de mens zichzelf in het geheel voor de Tora inzet, dan gewaarwordt hij een nog grotere verborgenheid zeggende, dat hij niet ziet, dat de Schepper de wereld bestuurt, omdat indien de Schepper de wereld met Zijn eigenschap van het absolute goed zou besturen, dan zou hij het goed in de vorm van genietingen gewaarworden, maar zo heeft hij het nog erger, dan anderen. Waarom gewaarwordt hij toch geen opengaan van het gezicht van de Schepper? Hoe kan het zo zijn, dat degene, die de Tora minder leert, zich beter voelt? Die zich in een betere toestand bevindt, dan hij?

Degene, die meer inspanningen in de Tora doet, gewaarwordt speciaal grote moeilijkheden, opdat hij de krachten zou verzamelen en alle nodige inspanningen zou leveren in het africhten van zijn intenties omwille van de Schepper.

En dan zal hij het opengaan van het gezicht van de Schepper waardig zijn, d.i. van het evidente bestuur, van de wijze, waarop de Schepper de hele wereld met het absolute goed bestuurt. Daarom veroordeelt een gewone mens de Schepper niet, wanneer hij zegt, dat hij zelfs daarin schuldig is, dat hij het leed ontvangt.

Maar degene, die “zich volledig inzet” in zijn inspanningen, zegt in zijn hart, dat de Schepper van zijn leed schuldig is. Daarom juist hij een grote verborgenheid van de Schepper gewaarwordt. En dat opzettelijk, voor het versnellen van zijn komst tot de Schepper. Het is gezegd, dat de Schepper gelijkt op een hert, die zijn gezicht naar achteren omkeert, terwijl hij van de mens wegrent.

Juist tijdens de verborgenheid van de Schepper, wanneer de mens tracht Hem te vinden, en gewaarwordt, dat de Schepper van hem “wegrent”, begint hij geleidelijk het gezicht van de Schepper te zien, daar hij niet de rug van de Schepper ziet, maar het omkerende gezicht, dat hem aanbiedt om Hem te volgen.

Juist de zoektocht naar de Schepper en naar Zijn bestuur in datgene, wat zich met de mens voordoet, doet bij hem die gewaarwordingen van een verborgenheid ontstaan, waarin hij vervolgens de Schepper zal gewaarworden. D.w.z., in de toestand van een verborgenheid ziet de mens de rug van de Schepper niet, maar Zijn gezicht, alleen het is een “wegrennend” gezicht, dat hem oproept Hem in te halen.

 Vorige pagina | Volgende pagina



Deze website kabbalah.info wordt onderhouden door de
Nederlandse afdeling van
"Bnei Baruch"

Copyright ©1996. Bnei Baruch. All rights reserved.