Achterzijde en voorzijde

De mens is zodanig ingesteld, dat hij altijd vooruitkijkt naar zijn toekomstige groei en vooruitgang. Zijn weg lijkt hem als een stijging ‘van beneden naar boven’. Voor de toekomst hoopt hij dat alles groter en beter is dan de huidige situatie.

Indien hij echter geconfronteerd wordt een minder fraaie situatie (minder geld, gezondheid of eer), dan voelt dit voor hem als een soort dood. De mens is zo geschapen, dat hij ten allen tijde naar zijn volgende situatie toewerkt in de verwachting dat deze beter is ten opzichte van de voorafgaande toestand.

Omdat de mens geschapen is als iemand die op de toekomst gericht is, kan hij zich niet bewust zijn van de toestand die aan zijn fysieke geboorte voorafgaat. Hij is ook niet in staat om te beseffen op welke wijze een of andere wens in hem opkomt. Hij kan zich ook niet voorstellen waar vandaan datgene komt, dat zijn ‘Ik’ vormt.

De trap die de mens voortbracht, dus zijn voorgaande geestelijke toestand wordt ‘vaderen’, ‘oervaderen’ of ‘vader en moeder’ genoemd. De hoogste trap legt in de mens bepaalde eigenschappen.

Maar hoe kan een mens zich met deze trap in verbinding stellen? Waar vandaan ontvangt hij al zijn wensen, ofwel waar bevindt zijn toekomst zich? Opeens komt een wens op om iets te bereiken.

De mens heeft plotseling het gevoel dat hij iets zou moeten ontvangen, weten of bevatten. Deze gedachte is het gevolg van een in de mens neerdalende wens. Deze van boven neerdalende wens doet in de mens een gedachte ontstaan over de noodzakelijkheid om een of andere handeling te verrichten of iets te bereiken.

Een mens maakt zich dan zelf wijs dat er redenen voor zijn als: ‘ik zal het beter hebben, indien ik dit zal bereiken of verkrijgen’. Deze nieuwe argumenten zijn slechts het gevolg van een wens die bewust wordt, van een wens die in feite al eerder van boven was neergedaald.

Deze wens ontstaat in een lagere, dus in de mens, uit een gedachte en een wens van een hogere om zo’n wens voort te brengen. Dit voornemen van een hogere gaat aan het verschijnen van een wens en aan de gedachte in de mens vooraf.

Dit voornemen bij de hogere wordt door de mens niet waargenomen, aangezien dit tot een volkomen andere, voorgaande hogere partsoef, zijn geestelijke ouders behoort. Daarom lijkt de mens op een boek waarin de eerste pagina’s ontbreken.

Door zichzelf ‘te lezen’, door zichzelf met behulp van zijn niet-gecorrigeerde ‘aardse’ eigenschappen te bestuderen, is het onmogelijk om maar iets over zichzelf te begrijpen. Dat geldt niet alleen voor zijn verleden, maar ook voor zijn toekomst, hoewel het de mens toeschijnt dat hij alles wel begrijpt.

Het voordeel voor degenen, die van een geestelijk perspectief uitgaan, is dat zij de toekomst zien, maar ook zij bevatten hun verleden niet. Zij hebben wel een mogelijkheid om hun oorzakelijkheid te bevatten: datgene wat hen dwingt om zich te ontwikkelen en hun tegenwoordige ‘ik’ bepaalt.

Door zijn geestelijke ouders te bevatten, beseft de mens volkomen waar hij op zijn huidige trap staat en kan zichzelf als het ware van buitenaf beoordelen. Hij wordt objectief.

Het grote voordeel van hen die geestelijk begrijpen, dus de kabbalisten, is dat zij hun ontstaan uit de Enige Scheppende kracht in onze wereld zien, omdat zij langs dezelfde ladder weer opstijgen, als waarop het neerdalen van hun zielen plaatsvond.

Kabbalisten beginnen hun ‘vorige ik’ waar te nemen en vooruit te zien. Indien de mens zijn geestelijke wortel doorgrondt, dan ziet hij zichzelf daadwerkelijk, evenals datgene wat vóór hem ligt. Zonder dit te doorgronden ziet hij zelfs datgene niet, dat vóór hem is.

In een mens veranderen wensen continu, omdat zijn geestelijke wortel, die hem tot het doel doet voortgaan, voortdurend vernieuwd wordt. Een groei van de mens bestaat uit een groei van zijn scherm, dus uit het vermogen om tegen zijn ‘gezonde verstand’ in te gaan, door ogen te sluiten en door het GELOOF BOVEN KENNIS.

Een wens tot geestelijke groei is een wens om zelf uit eigen keuze die weg te gaan en niet vanwege een opgelegde noodzakelijkheid.

Maar, indien het zo verkieselijk is om met het geloof door het leven te gaan, waar is het dan voor nodig om zijn geestelijke oorsprong te bevatten? Men dient alleen achteruit te kijken met als doel zijn vorige toestand te bevatten, om te weten hoe verder voort te gaan.

Achteruit kijken is niet bedoeld om niets doen te rechtvaardigen, maar om de kennis te verwerven en vervolgens verder om vervolgens ondanks deze kennis door te gaan. In de Thora is geschreven, dat de vrouw van Lot achterom keek.

Zij streefde naar haar vorige toestand, naar de oer-reden van haar bestaan. Elke toekomstige toestand is meer gecorrigeerd en dichter bij de Enige Scheppende kracht en wij bereiken dit door de weg van de Thora of door de weg van het lijden.

Een mens bevat alles in zich wat door de Enige Scheppende kracht is geschapen: werelden, sfirot, engelen en ook onze wereld bestaat in zijn geheel binnen de mens. Maar het lijkt voor de mens alsof hij alles ervaart alsof het buiten hem is.

In werkelijkheid echter bestaat buiten de mens niets, dan alleen de Enige Scheppende kracht. Wij voelen hem niet, maar ervaren slechts Zijn verschillende uitwerkingen op ons, zodat wij onszelf steeds dieper en dieper kunnen bevatten.

Deze stadia van het bevatten van onszelf heten sfirot, partsoefiem, werelden en zij bevinden zich binnen ons. Datgene, wat buiten ons lijkt te bestaan is een illusie, maar zodanige illusie , dat het onmogelijk is om zich iets omgekeerds, het tegenovergestelde voor te stellen. Dat komt omdat onze zintuigen ons een omgekeerd beeld geven.

Alles dat zich in werkelijkheid binnen onszelf bevindt lijkt ons als iets, dat zich buiten ons heen bevindt, terwijl buiten ons Zich alleen de Enige Scheppende kracht bevindt. Hoe wordt in de mens een waarneming opgebouwd, dat er zich om hem heen een wereld bevindt?

Een mens bevindt zich als het ware binnen een ballon van zijn waarnemingen. Van buiten ‘drukt’ de Enige Scheppende kracht op de ballon. De mens, die zich binnen zijn sfeer ofwel een ballon bevindt, neemt dit waar door de druk van buiten in evenwicht te brengen; hij reageert op Hem met zijn zintuigen. En naar aanleiding van deze ‘druk’ op Zijn uitwerkingen van buiten, wordt in de mens een voorstelling gevormd, een beeld dat ‘wereld’ heet.

Dat beeld wordt door hem gezien, als datgene wat zich buiten bevindt, maar in werkelijkheid bestaat het binnen de mens. Alle meetgereedschappen zijn op hetzelfde principe gebaseerd: zij meten niet een uitwerking zelf, maar hun tegenwerking erop.

Wij kunnen de buitenwereld niet bevatten, omdat zij niet bestaat. Alles wat wij weten is datgene wat wij van de Enige Scheppende kracht waarnemen. Maar ondanks het feit, dat de mens alleen zichzelf ervaart en het totale plaatje alleen in zichzelf heeft opgebouwd, geeft het hem voldoende zicht op dat beeld zelf.

Dat wat wij ervaren is de meest geschikte en noodzakelijke beleving voor ons ten behoeve van onze ontwikkeling. Er is geen reden voor de vraag ‘Op welke manier kan men zich in onze wereld geestelijk het beste ontwikkelen?’.

Dat fragment van de Enige Scheppende kracht, dat een mens waarneemt en zijn wereld noemt, juist dat is hetgeen hij op het gegeven moment dient waar te nemen. Hij dient juist in deze ‘zijn wereld’ te handelen.

Datgene, wat wij op elk moment waarnemen is het allerbeste ten behoeve van onze geestelijke ontwikkeling, wat het ook zijn kan! Via zijn subjectieve waarneming ervaart de mens echter al het hem omringende als een vorm die noodzakelijk is voor het bestaan.

Hij neemt anderen waar en begrijpt andermans voornemens, hetgeen hem een mogelijkheid geeft, om in een omgeving van op zichzelf gelijkenden te coëxisteren. Maar hij begrijpt hen alleen, zoals in het ons bekende voorbeeld van een radio-ontvanger, wanneer hij op hetzelfde niveau staat als zij.

Dan begrijpt hij vanuit zichzelf hun gedachten. Hij moet in zichzelf eigenschappen van de gehele wereld ervaren en pas dan zal hij zijn omgeving kunnen bevatten. Als hij nooit een of andere waarneming ondervond (hoofdpijn bijvoorbeeld), zou hij zich nooit kunnen voorstellen, wat dat betekent.

Daarom onderscheidt de mens zich van de levenloze, vegetatieve en dierlijke werelden door het niveau van zijn innerlijke ontwikkeling. Om zijn omgeving tot aan de Enige Scheppende kracht te bevatten, dient men zijn eigen eigenschappen te bestuderen, zoals gezegd wordt: ‘Vanuit mijzelf zal ik mijn Enige Scheppende kracht bevatten’.

De mens is opzettelijk zo opgebouwd dat hij alles buiten zichzelf kan bevatten, anders zou hij niet in staat zijn om met behulp van zichzelf ‘de gehele wereld’ te corrigeren. Wat de mens niet kan bevatten, zijn eigen oorsprong en alles wat geweest was vóórdat hij zich van zichzelf bewust werd, is op welke wijze een gedachte bij hem ontstond en waaruit daalde deze wens in hem neer.

Wij beschikken niet over een taal, om uit te drukken, wat de oorzaak geweest is van onze ‘Ik’. Het neerdalen van de werelden van boven naar beneden, het daaruit verwijderen van het licht van de Enige Scheppende kracht en zijn verzwakking, werd verricht om een mens te kunnen scheppen, die in volle vervreemding van de Enige Scheppende kracht zou beginnen en vervolgens een volle samenvloeiing met Hem zou bereiken.

De gehele voorbereiding voor het verschijnen van de mens heet de ‘achterkant’. De mens ervaart deze voorbereiding helemaal niet, omdat dit zijn hoge traptreden van het neerdalen van het licht van de Enige Scheppende kracht naar onze wereld, de laagste trap, betreft.

Deze traptreden van het neerdalen worden alleen door kabbalisten begrepen, die daarlangs van beneden naar boven opstijgen en ze in hun boeken opschrijven. Zij die opstijgen bevatten hun oorsprong en daarom bevatten zij steeds meer hun Bron en zichzelf. Zij bevatten hun toekomst.



Deze website kabbalah.info wordt onderhouden door de
Nederlandse afdeling van
"Bnei Baruch"

Copyright ©1996. Bnei Baruch. All rights reserved.