De mens en de Schepper

 

Er wordt gezegd, dat de Schepper hult zich in de mens – ha-Sjem mietlabesj be adam. Zelf hij, die de hoge krachten nog niet begon te gewaarworden, [hij] die door zijn innerlijk gezichtsvermogen het licht niet ziet, kan zich voorstellen dat er een hoge bestaat. Met welke naam wij hem ook noemen, in die naam zal zich onze waarneming van Hem afspiegelen, en niet Hij zelf. Bijvoorbeeld, de hoge ten opzichte van ons – dat is de Schepper, omdat Hij schiep ons. Deze hoge vertegenwoordigt een homogeen veld, gelijk een krachtveld.

 

In zichzelf scheidde deze hoge een plaats af, waar die hoge zich op geen manier manifesteert. Daarom heet deze plaats leeg. Daarin schiep de hoge kracht de mens: iets dat zichzelf gewaarwordt. De mens is in staat om tevens de hem omringende Schepper te gewaarworden, maar alleen in de mate van gelijkenis van beiden naar eigenschappen. In zijn aanvankelijke staat gewaarwordt de mens alleen zichzelf, en de vervormde waarneming van de Schepper gewaarwordt hij als de wereld rondom hem, die daarom “onze wereld” heet.

 

Ten opzichte van de Schepper bestaan wij in een absolute samenvloeiing en overeenstemming met Hem, en Hij bestuurt ons volledig, waarbij Hij ons en de gehele ruimte doordringt en vult. Het verbergen van de Schepper bestaat alleen ten opzichte van ons.

 

De taak van de mens is om vanaf zijn oorspronkelijk geestelijk niveau, waarin hij geboren is en [waarin hij] alleen zichzelf en via zijn subjectieve waarneming gewaarwordt, zijn wereld – d.i. datgene, wat door hem rondom hem gewaarword wordt, tot het bevatten van de Schepper in zijn gewaarwordingen in een volle mate te komen. Dan zal de wens om te genieten op geen manier hem in de weg staan om met de Schepper samen te vloeien, zoals het was vóór het zich inhullen van de ziel in een egoïstisch, geestelijk en materieel omhulsel.

 

Het verbergen is het gevolg van het door de Schepper in de mens geschapen egoïstische eigenschappen. Indien, ondanks het voorhanden zijn in de mens van deze eigenschappen, hij terugkeert in de toestand van een volledige gewaarwording van de Schepper, dan vloeit hij met Hem samen in een 620 maal grotere mate, dan in de oorspronkelijke toestand van het bestaan in de Schepper vóór het beginnen van het verbergen.

 

Het proces van een geleidelijke openbaring, een gewaarwording van de Schepper door de mens, lijkt op het binnenkomen in het lichaam van de mens van een krachtveld, geestelijke veld, dat het lichaam van de mens van binnen vult, zoals het binnendringen in hem van boven naar beneden van een zekere wolk, welke aan de mens eigenschappen en een gewaarwording van het verheven, zuivere, tijdeloze, hoge, goede geeft. De mens gewaarwordt een noodzaak om in overeenkomst met datgene, wat hij gewaarwordt te handelen, hoewel hij daarbij begrijpt, dat zijn daden zijn het gevolg van het inbedden in hem van het hoge. Met andere woorden:

 

1. De gehele essentie van de mens – dat zijn zijn gewaarwordingen. Neemt u gewaarwordingen van zichzelf en van de u omringende wereld weg, dan bent u niemand en niets. Alleen onze subjectieve gewaarwordingen van onszelf en de ons omringende objecten vormen het beeld, dat wij “onze wereld” noemen. Dit beeld hangt volledig van onze zintuigen af, alsmede van een gewaarwording, en niet van datgene, hoe deze uiterlijke werkelijkheid in feite is. Hoe deze werkelijkheid op zichzelf genomen is, weten wij niet. De wereld is zo, als wij haar naar onze gewaarwordingen voorstellen, hoe wij haar waarnemen.

 

Bijvoorbeeld: twee [mensen] zien in de hemel een onbekend vliegend toestel. De één beweert, dat zijn lengte is 10 meter, terwijl de tweede – 20 meter. Wie heeft gelijk? Beide. Aangezien er is niets waarmee valt het te vergelijken. En indien er nog een derde is, die hetzelfde voorwerp ziet van een ander perspectief, of door andere zintuigen, en hij heeft gelijk, door te beweren, dat het voorwerp helemaal niet zo is, als het aan de eerste twee waarnemers wordt voorgesteld.

 

Hoe ziet de wereld in werkelijkheid uit? Deze vraag heeft geen zin, daar in verschillende zintuigen ziet die anders uit. Daarom is het ontvangen beeld van de wereld altijd absoluut subjectief. En dat komt, omdat aan ons zijn ware zintuigen ontzegd. Anders zouden wij zien, dat er berhaupt niet bestaat behalve de Schepper, en de mate van het van Hem ontvangen licht tekent ons het beeld, dan door ons als “onze wereld” wordt genoemd.

 

Naar mate zijn geestelijke ontwikkeling, d.i. naar mate het uitbreiden van zijn waarneming van het heelal, begint de mens de subjectiviteit van zijn voorstellingen de gewaarwordingen te voelen, zoals in een wetenschappelijke, als in persoonlijke bevattingen, maar nooit kan hij het ware beeld van het heelal bevatten, d.i. alle werelden in hun ware vorm, omdat zij alleen ten opzichte van de mens bestaan, alleen in onze gewaarwordingen. In feite echter, bestaat alleen de Schepper, en juist de trappen van zijn verbergen van ons vertegenwoordigen in onze zintuigen datgene, wat wij geestelijke werelden noemen.

 

2. Het bevatten van de mens van zichzelf, zijn doel, zijn lot, zijn voorbestemming in het heelal, zowel van de kant van de natuur zelf, als van de kant van hemzelf is: indien men in de volmaaktheid van de Schepper gelooft, en vandaar in de volmaaktheid van de schepping, dan zou geen enkele tegenspraak zijn tussen het doel, daden van een afzonderlijke mens in elk moment van zijn leven en het doel van het gehele heelal: elke beweging, elke wens, elk ogenblik in het leven van een mens en elk object in het heelal dient het doelgerichte bestuur van de Schepper alleen omwille van Zijn doel te vervullen. Niets doelloos kan bestaan, indien de Schepper volmaakt is.

 

Daarom, indien een mens het doel van de Schepper niet begrijpt en niet in overeenkomst ermee leeft, dan betekent dit, dat hij vervult de wens van de Schepper niet – allen vervullen bewust of onbewust Zijn wensen. Het verschil is alleen in het bewuste óf het onbewuste bestaan: in het wensen om bewust te voelen aan zichzelf hoe de Schepper verandert de mens en leidt hem tot Zijn doel – het samenvloeien met Hem.

 

Hierin is het doel besloten: het onthullen van de Schepper voor de scheppingen, opdat in elke van zijn geestelijke, emotionele, fysieke beweging de mens zal zich verblijden, door te voelen, hoe de Schepper, na zich in hem te zijn ingehuld, hem bestuurt.

 

Maar in elk geval, alles doet de Schepper in het verborgen, indien de mens nog niet voorbereidt is om met Zijn wil in te stemmen, of evident, indien hij wenst met zijn heel wezen om aan zichzelf alleen maar blind te voelen het doorlopen via hem van Zijn hoog bestuur. In een zulk geval, d.w.z., [in geval van] een volle instemming met wensen van de Schepper, geeft de Schepper het gewaarworden van zichzelf in elke wens en handeling van de mens.

 

Het doel van de Schepper is dat Zijn handelingen voor allen die onze wereld bewonen volledig bekend worden. Dat is mogelijk alleen bij een volledige correctie van de natuur van de mens, zodat zij aan de natuur van de Schepper – het absolute altruïsme - gelijk zal worden.

 

3. De mens zelf – dat zijn zijn wensen.

Juist zij bepalen zijn handelingen, zijn gedachten, dwingen zijn verstand om wegen te vinden voor het bevredigen van de wensen. De hersenen spelen alleen secundaire functies, op welke manier het bevredigen van wensen te bereiken.

 

De mens leeft alleen maar daarmee, wat hij op het gegeven moment wenst. Dat bepaalt zijn houding ten opzichte van het leven, tot de gehele omgeving; in overeenkomst met zijn wensen, hij evalueert alles rondom hem en kiest hoe te handelen.

 

De wensen zijn primair in de mens, d.i. zij bepalen al zijn wensen en handelingen. De wensen zijn geen product van onze wereld, zij ontstaan in de mens niet uit zichzelf of onder “toevallige” invloed van omstandigheden. De mens ontvangt zijn wensen van buiten, van boven. De geestelijke reinheid van de in de mens ontstane wensen wordt bepaald door de mate van het verborgen of geopenbaard te zijn aan de mens van de Schepper.

 

Wensen zijn het gevolg van het uitstralen op de mens van het licht van de Schepper, of, anders [gezegd], door de mate waarin de mens de Schepper gewaarwordt, de mate van het onthullen van de Schepper aan de mens in de mens. Indien als een verborgen – dan vervult de mens de wensen van de Schepper onbewust, waarbij hij ze als zijn eigen beschouwt, zoals praktisch de gehele bevolking van onze planeet.

 

Of als evident, wanneer de Schepper schijnt aan de mens met het omringende licht, dat de mens tot het geestelijke aantrekt, of, indien de mens reeds door het inwendige licht is voorbereid, dan begint de Schepper zich geleidelijk in het oog lopend in hem in te hullen, het licht komt in de mens voelbaar. Maar in elk geval, alleen de mate van een ontvangen straling van het licht, evidente (omringende of reeds inwendige) of nog steeds verborgen, bepaalt de wensen van de mens en hun geestelijke zuiverheid.

 

4. De positie van de mens op de ladder van materiële en geestelijke waarden binnen het kader van egoïstische wensen van onze wereld of wanneer de mens reeds van de gewaarwordingen van alleen onze wereld uitkwam en stijgt in gewaarwording van de Schepper op de ladder van de geestelijke werelden op, is (zijn positie ten opzichte van de Schepper) het gevolg van invloed van de Schepper op de mens, het gevolg van invloed van die of die hoeveelheid licht, welke hoeveelheid in de mens als inwendig licht binnenkomt of welke [hoeveelheid] hen van buiten als het omringende licht schijnt.

 

Er is niets behalve de Schepper, en deze waarheid dient de mens te bevatten. Het enige, wat door de Schepper is geschapen – dat is de wens om van Hem zelf te genieten. Daarom alleen de grootte van de wens om te genieten bepaalt dus zowel de geestelijke, als fysieke eigenschappen van een elk object. Alleen door de grootte van deze wens onderscheiden alle scheppingen zich van elkaar, en door de grootte van deze wens te veranderen, veranderen zij zichzelf.

 

Daarom alleen door de uitwerking van het geestelijke licht op een object naar hoeveelheid, intensiteit of naar zijn vorm (chassadiem of chochma) te veranderen – waardoor de schepping gevuld wordt, of door het van buiten te schijnen – bestuurt de Schepper ons volkomen, waardoor Hij in ons die of die wens voor het licht schept, welk licht ons op dat moment schijnt.

 

Door een deeltje van dit licht in verschillende objecten van onze wereld te plaatsen, roept de Schepper daarmee in ons het streven naar die objecten. Dat is ruim voldoende, om eenieder van ons volledig te besturen, ons te dwingen om datgene te wensen – en daarom te handelen – wat Hij wenst.

 

Door ner dakiek, een luttele portie licht in bepaalde voorwerpen, objecten van onze wereld te plaatsen, roept de Schepper in de mens het streven naar hen, de wens om ze te bereiken, te ontvangen, een bepaalde hoeveelheid inspanningen te leveren. En na het bereiken van het gewenste, [laat de Schepper de mens] genieten of zich teleurstellen, om een ervaring op te doen, hoewel die niets waard is, omdat de mens niet in staat is om van vorige ervaring te leren, ondanks het feit, dat ervan een herinnering, resjiemo overblijft.

 

Maar indien opnieuw het aantrekkende licht schijnt, dan is een mens niet in staat om zijn aantrekkingskracht aan te kunnen, en hij vliegt wederom, als een vlinder naar het vuur, zelfs als hij tevoren weet, dat hij opgebrand zou raken. Maar een ervaring – er wordt het vergaren van een bepaalde hoeveelheid en kwaliteit van een klie bedoeld, het streven en het lijden, welke buiten een mens om worden opgehoopt, en welke zich vervolgens op één moment manifesteren – en dan kan een mens van deze ervaring gebruikmaken voor het ontvangen van een kwalitatief nieuwe informatie en gewaarwording.

 

Daarom de beste wens van een mens is, dat de Schepper zich in hem inhult en via hem Zijn eigenschappen toont, zodat een mens een slaaf, een robot, een doorvoerder van de wil van de Schepper wordt, naar eigen, allergrootste streven van de mens zelf.

 

En een mens geniet al van tevoren, nog bij een kleine straling buiten het licht van de Schepper om, het inbedden in hem van dit licht, hoe het in hem van boven binnenkomt: van boven naar beneden, zelfs fysiek neemt hij dat waar als het binnenkomen in hem van boven van een cilinder licht, dat zijn egoïstische eigenschappen terstond in tegengestelde [eigenschappen] verandert.

 

Deze gewaarwording van zijn afhankelijkheid van het licht is de meest aangename en betrouwbare, aangezien een mens begint direct te beseffen, dat niet hij, maar de Schepper alles schept en alles bestuurt. En daarom, terwijl hij al begrijpt, dat hij niet in staat is om te veranderen of zichzelf zelfs een beetje te corrigeren, is een mens tevreden, dat een beslissing en de kracht van de correctie zich bij de Schepper bevinden, aangezien nog daarvoor besefte hij, dat hij noch over de krachten, noch over de wensen beschikt – alles is het gevolg van het licht van de Schepper.

 

Alle geestelijke werelden bestaan alleen in de mens. Behalve de mens is alles hem omringende – het zich manifesteren van de Schepper. De geestelijke werelden – dat is de innerlijke wereld van de mens. Behalve de innerlijke gewaarwording van de mens bestaat in het heelal niets. De innerlijke gewaarwordingen van de mens gaan van onze bron – de Schepper – uit. De maten van gewaarwordingen van de Schepper heten werelden.

 

Er is geen enkele behoefte in een fysieke beweging, om de geestelijke wereld in plaats van onze wereld te gewaarworden: alles hangt van de innerlijke voorbereiding van de mens af. Het verschil van onze huidige toestand van de allerhoogste geestelijke is alleen in onze innerlijke gewaarwordingen: ons fysieke lichaam blijft op zijn plaats, en ons geestelijke lichaam reist in zijn gewaarwordingen. Indien de mens de Schepper niet gewaarwordt, dan wordt het geacht, dat hij zich in de toestand bevindt, welke “onze wereld” heet.

 

Indien hij de Schepper begon te gewaarworden, dan wordt het geacht, dat hij “opsteeg” van onze wereld in de geestelijke wereld: indien hij gewaarwordt, dat van de Schepper alles uitgaat: én het slechte, én het goede – dat bevindt hij zich in de werelden Asieja, Jetsiera en Brieja. Indien hij gewaarwordt, dat de Schepper absoluut goed is, dat wordt het geacht, dat hij in de wereld Atsieloet is “opgestegen”.

 

Alle opstijgingen of afdalingen bestaan alleen in de innerlijke gewaarwordingen van de mens. Bovendien, datgene, wat de mens in het heden gewaarwordt, heet deze, onze wereld (olam ha-ze). Datgene, wat de mens in een volgende toestand zal gewaarworden, een volgende gewaarwording van de mens, heet de toekomstige wereld (haolam ha-ba).

 

De Schepper wenst, dat de mens Hem absoluut gewaarwordt, als vóór het neerdalen van “ik” van de mens, zijn ziel in gewaarwordingen, die “onze wereld” heten. Om ondanks de storende hindernissen van het egoïsme de Schepper opnieuw – zoals vóór het afscheiden van de ziel van de Schepper - te gewaarworden. De gehele Tora is gegeven alleen voor het voortbewegen van de mens in zijn gewaarwordingen van de allerlaagste toestand van onze wereld tot de allerhoogste toestand – de volledige samenvloeiing met de Schepper.

 

Alles, wat wij over het heelal en over de Schepper weten – dat is datgene, wat de grote persoonlijkheden ons in hun gesprekken en boeken doorgeven. Deze individuen konden:

- na geestelijk te zijn opgestegen, van de perken van het gewaarworden van alleen onze wereld uitgaan;

- de geestelijke wereld gewaarworden, voelen, dat er een hoge kracht bestaat;

- tot deze hoge kracht toenaderen en gewaarworden, dat zij ons schiep, en daarom noemden zij deze hoge kracht de Schepper, dat van Hem een genieting uitgaat;

- hieruit trokken zij een conclusie, dat de hoge kracht schiep ons voor het genieten.

 

Dat is alles, wat wij weten over de hoge kracht: datgene, wat de grote individuen bevatten, datgene, wat de mens berhaupt kan bevatten – deze kracht schiep ons om te vergenoegen.

Deze grote individuen heten kabbalisten, omdat zij, na tot de Schepper te zijn opgestegen, al deze genieting ontvingen, welke de Schepper wenst te geven (de Kabbala – van het woord “ontvangen”). Zij gaven ons door de kennis over datgene, hoe zij tot een zulke toestand konden opstijgen, en verklaarden in hun boeken, op welke manier wij allemaal eveneens tot de bron van de genieting kunnen opstijgen.

 

Deze kennis heet de Kabbala (het ontvangen), omdat zij leert de mens datgene te ontvangen, wat hem volgens het scheppingsplan voorbereid is om te ontvangen. De Kabbalisten, door langs de geestelijke trappen op te stijgen, beschrijven hun gewaarwordingen, om degenen, die achter hen aan komen, te helpen.

 

Dat lijkt op het beschrijven van een opnieuw ontdekt land. Indien bij de lezer een correcte voorstelling ontstaan, al dergelijke gewaarwordingen, dan ontvangt hij een duidelijke voorstelling van datgene, wat beschrijven wordt. Daarom worden de boeken over de Kabbala voor degenen, die reeds binnengekomen zijn, geschreven, al was het maar op de eerste geestelijke trap “de malchoet de asieja”.

 

Er bestaan enkele talen voor het weergeven van geestelijke informatie: de taal van TaNa”Ch, de taal van Halacha (wetten), de taal van Vertellingen (Allegorieën) en de taal van de Kabbala (sfirot en partsoefiem). Allemaal spreken zij over de wetten van geestelijke werelden en geen woord over onze wereld, naar het principe “De gehele Tora – dat zijn de namen van de Schepper”. De naam aan de Schepper geeft de Hem bevattende zelf naar zijn [eigen] gewaarwordingen.

 

Daarom, indien de mens wenst om de Tora als een middel voor het bereiken van het doel van de schepping te gebruiken, voor de zelfcorrectie (“Ik schiep het kwaad en Ik gaf de Tora voor zijn correctie”), dan is de meest werkzame taal van de Tora zal voor hem de taal van de Kabbala zijn, aangezien deze taal direct over de geestelijke verrichtingen spreekt, en ze niet allegorisch, of historisch, beschrijft.

 

Voor een mens, die de geestelijke objecten en handelingen nog niet begon te gewaarworden, is het uiterst moeilijk om zich van de uiterlijke vorm van de tekst af te houden en zich op gedachten te concentreren over datgene, wat over de geestelijke werelden alsmede over de Schepper verteld wordt, zelfs daar, waar het over dieren, slechte en zinnelijke daden, de Farao, e.d. gaat.

 

Maar indien deze taal alleen voor degene begrijpelijk is, die reeds een zekere voorstelling over geestelijke gewaarwordingen heeft, waarmee kan hij dan aan een beginner helpen, welke beginner geen analogie kan voorstellen tussen de woorden van de kabbalistische teksten en die geestelijke objecten en handelingen, welke zij beschrijven?

 

Het antwoord vinden wij in de p. 155 van het “Voorwoord bij de Talmoed Esser ha-Sfirot” van rabbi J. Ashlag: in eenieder van ons is er een geestelijk vat (klie), welk vat een ziel heet, welke ziel dient zich met de Schepper (het licht) gevuld worden. Dit licht omringt de ziel, om die te vullen, zodra de mens zich uitgecorrigeerd heeft.

 

Maar indien hij bestudeert de geestelijke objecten en handelingen - voorlopig zelfs puur mechanisch, waarbij hij niet begrijpt, natuurlijk, nog niet gewaarwordt, spreekt hun benamingen uit, streeft ernaar om ze te bevatten – naar mate van deze wens schijnt aan zijn ziel dit omringende licht, nog zonder gewaarwording voor die mens, waarbij zijn ziel wordt geleidelijk voorbereid ook voor het innerlijke ontvangen van dit licht.

 

Juist dit omringende licht geeft aan de mens het besef van zijn natuur, het “besef van het kwaad” (hakarat ra), aangezien, door hem uiterlijk te gewaarworden, begint de mens het verschil tussen zijn wensen en de geestelijke wensen te gewaarworden, en te begrijpen, dat zijn wensen – dat is kwaad voor hemzelf, daar zij staan hem niet toe om de volmaaktheid en onsterfelijkheid te gewaarworden.

 

Aangezien alles, wat de mens bevat, bevat hij alleen in zijn gewaarwordingen, kan hij een object buiten zijn gewaarwordingen, objectief, niet bevatten, d.w.z., het object zelf kan hij niet beoordelen, maar hij kan alleen die gewaarwordingen beoordelen, welke dit object in hem oproept.

 

Daarom kunnen wij meer dan datgene, wat wij van de Schepper ontvangen, niet van Hem weten: wie Hij op zichzelf is. Alleen aan datgene, hoe Hij zich ten opzichte van ons vertoont, vormen wij een voorstelling over Hem. Alleen naar het bevatten van het licht geeft een klie namen aan het licht – de Schepper.

 

De Kabbala baseert zich alleen op datgene, wat een mens juist in zijn gewaarwordingen bevatte, want alleen dat is geloofwaardig, als feit voor ons. Tegelijkertijd beseffen wij de beperktheid van onze kennis volgens onze enkele zintuigen en zijn subjectiviteit (een beoordeling over een uitwendig object volgens onze gewaarwordingen ervan), maar deze beperktheid van het bevatten kunnen wij niet te boven gaan, aangezien dat van de natuur van onze schepping – te zijn ontvangende – uitgaat: wij vertegenwoordigen een object, dat alleen datgene met zijn gevoelens gewaarwordt, wat in hem binnenkomt.

 

Maar het kan niets buiten zichzelf gewaarworden, en bovendien, het gewaarwordt niet de in hem aankomende uitwerkingen, doch zijn reacties erop: wij gewaarworden niet het voorwerp zelf, maar de manier hoe wij hem gewaarworden. Zo is de beperktheid van ons bevatten zowel in onze wereld, als in de geestelijke wereld, maar door de grenzen van onze waarneming te beseffen, kunnen wij én zichzelf, én de Schepper onderzoeken.

 

De Schepper zelf is buiten het verband met de scheppingen, Hij kan door geen term worden aangegeven, omdat elk woord spreekt over een eigenschap van een object, maar over de Schepper weten wij niets. In een zulk geval heet Hij ook geen Schepper, aangezien het over Hem gaat. Maar aangezien er geen woord is om Hem te noemen, noemen wij Hem, afgesproken, zelfs wanneer wij over Hem zelf spreken, de Schepper.

 

Het enige, wat ons over de Schepper is bekend – dat is Zijn wens om: a) te scheppen; b) om de scheppingen te vergenoegen. Dat werd ons bekend dankzij de kabbalisten, de individuen, welke tot deze allerhoogste trap van het bevatten opstegen en voelden aan zichzelf, dat van de Schepper zelf, Die zij niet kunnen bevatten, de absolute genieting uitgaat.

 

Waarom bij de Schepper een gedachte is opgekomen over de schepping, en [waarom Hij] ons als zodanig schiep, dat zijn de vragen die tot de toestand behoren van vóór de schepping. En daar wij alleen vanaf het begin van de schepping en verder bevatten, kunnen op deze vragen geen antwoorden worden gegeven. Wij hebben het verstand om erover te vragen, maar niet om erop te antwoorden. Al onze antwoorden – dat is het resultaat van ons onderzoek van de natuur, materiële of geestelijke, van het gewaarworden aan onszelf van de uitwerking van het licht van de Schepper.

 

Het hart van de mens is een klie (vat) van ontvangst van al zijn gewaarwordingen (van alle zintuigen), eveneens als de malchoet van alle haar voorgaande stadia ontvangt. Het verstand, hersenen van de mens – dat is slechts een hulpgereedschap voor het zoeken naar een mogelijkheid voor het bereiken van die wensen, welke de mens in zijn hart gewaarwordt.

 

Zijn wensen ontvangt de mens van boven en is niet in staat om ze te veranderen. Maar door het bestuderen van het Doel der Schepping, kan hij beginnen te beseffen, dat zijn wensen zijn schadelijk voor hem. Dan ontstaat er in zijn hart het besef van het kwaad voor hem in zijn wensen, en de mens neemt automatisch afstand van hen.

 

Delen van de malchoet Ejn Sof vertegenwoordigen 5 partsoefiem, elke waarvan bestaat uit werelden. Delen uit de malchoet Ejn Sof – dat zijn de bewoners van de werelden. Het deel “onze wereld” en zijn bewoners zijn: levenloze, vegetatieve, levende en de laatste, egoïstisch het meest laagste deel is de bchiena 4 – dat is de mens, de laatste trap waarvan is – “Israël”.

 

Daarom, door zichzelf te corrigeren, stijgt de mens van onze wereld in de toestand van een volle samenvloeiing met de Schepper op en bereikt de volle ontvangst van het licht or chochma, zoals de Schepper dat wenst, eveneens als in de malchoet Ejn Sof vóór de Ts”A. En door dit licht omwille van de Schepper te ontvangen, geniet hij tevens van de samenvloeiing met de Schepper zelf – van het or chassadiem.

 

Als gevolg van zijn achtereenvolgende verruwing door het neerdalen langs de trappen van de toestand “olam Ejn Sof” naar beneden, bereikt een klie een zulke toestand, dat hij qua zijn natuur volledig aan de Schepper tegengesteld wordt: hij wenst alleen maar te ontvangen en begrijpt zelfs de mogelijkheid niet om weg te geven. En daarom wordt deze toestand als wenselijk geacht voor het begin van de correctie en verheffing. In deze toestand bevinden wij ons allemaal, en hij heet “onze wereld” ofwel de wereld van handeling.

 

Onze wensen om een genieting te ontvangen leggen ons onze handelingen op. De handelingen kunnen zijn – het ontvangen of het weggeven, maar zij gaan van de wens om te ontvangen uit en daarom heten zij het ontvangen [van een genieting] omwille van het ontvangen of het weggeven [van een genieting] omwille van het ontvangen [van een genieting]. Iets anders kunnen wij niet alleen niet wensen, maar zijn ook niet in staat om te begrijpen!

 

Het materieel heet in de Kabbala niet het fysieke materiaal van onze wereld, maar de toestand van een absoluut egoïstische wens van een klie zonder een of andere wens om weg te geven. Een klie, welke zich in een zulke toestand bevindt, gewaarwordt datgene, wat wij gewaarworden, wij zijn juist deze keliem. Ook de onreine werelden BaJ”A heten materieel gezien het ontbreken in hen van de wens om weg te geven.

 

Indien een mens, die zich eveneens als wij in zijn fysiek lichaam bevindt, een wens heeft om voor zichzelf te genieten, dan heet deze wens een materiële handeling, hij wordt geacht zich in onze wereld te bevinden en zich als zodanig gewaarwordt. Indien zijn wens is echter om weg te geven, dan heet een zulke wens een geestelijke handeling, en het wordt geacht dat hij zich in een of andere werelden BaJ”A bevindt en gewaarwordt, in die wereld, welke hij gewaarwordt in overeenkomst met de grootte van zijn masach - weggevende klie.

 

En de gehele fysieke natuur van ons heelal – levenloze, vegetatieve en levende, behalve de mens, heeft geen enkele geestelijke betekenis en alleen in de mate van het bijdragen aan de mens in zijn geestelijke verheffing stijgt zij samen met hem op, terwijl bij de geestelijke afdaling van de mens, daalt zij samen met hem af.

 

In geen geval mag men zich mechanische verplaatsingen voorstellen: alle geestelijke bewegingen zijn innerlijke, in de mens, maar van buiten verandert niets. De auteur van het boek Zohar rabbi Sjimon zat met zijn leerlingen in de spelonk in Galilea en verklaarde hen de opbouw van geestelijke werelden, daaruit is het boek Zohar ontstaan. Datgene, wat in het boek wordt gezegd, hoe zij uit Ramla naar Lod gingen of een of andere handelingen verrichtten, in al dat worden geestelijke handelingen bedoeld, en niet fysieke.

 

Een verwarring ontstaat alleen als gevolg van het feit, dat de Kabbala in de taal van aftakkingen is geschreven: omdat wij niet weten, hoe geestelijke objecten en hun verrichtingen te beschrijven in een begrijpelijke voor degenen, die niet gewaarworden, vorm, beschrijven de kabbalisten met woorden van onze wereld, maar naar de analogie van objecten van de geestelijke wereld.

 

Bij het lezen van kabbalistische teksten dient men dat onophoudelijk te onthouden, anders zal de lezer beginnen zich de geestelijke werelden en hun handelingen voor te stellen gelijk de aftakkingen van deze objecten in onze wereld en zal die definitief verdinglijken, het geestelijke zal materialiseren, het feit, dat voor hem een onoverkomelijke hindernis zal worden om ooit nog iets te bevatten.

 

En hierin is een grote fout te vinden in vele instituten en “kabbalistische” groepen, die aan hun bezoekers het geestelijke voorschotelen, de geestelijke krachten, die zich zogenaamd in het menselijke lichaam zijn ingehuld. Als gevolg daarvan verkrijgt elke fysieke (!) beweging van de mens een geestelijke essentie en wordt geestelijk, dat in de grond foutief is. Juist dat was de voornaamste reden van het verbergen van de Kabbala van massa’s in het verleden, aangezien de kabbalisten wisten, dat massa’s niet in staat zouden zijn om het abstracte, van het fysieke beeld afgetrokken, te begrijpen.

 

Maar in de laatste eeuwen en met name in de laatste jaren nadert de mensheid toe tot een mogelijkheid voor een puur geestelijke waarneming van krachten en objecten en is innerlijk gereed om zich van fysieke beelden te abstraheren, van fysieke beelden die trouwens zo populair zijn in alle andere religiën. Naar mate innerlijke voorbereiding van de wereld, kan de Kabbala steeds breder in het bestuderen door massa’s haar intrede doen.

 

In het algemeen, alleen hij in staat is om de correcte verhouding tussen het geestelijke en het materiële te beseffen, die boven onze wereld is opgestegen. In het geestelijke niets verdwijnt, alles blijft [op zijn plaats], alleen op een voorgaande vorm wordt een nieuw beeld opgelegd.

 

Dat is vergelijkbaar met datgene, wat sommige zeggen, die in parallelle werelden vertoefden: een mens door opeens een stap opzij te maken, gewaarwordde zich in de vorige eeuw. Bovendien is rondom hem alles, zoals het in die tijd was: het leven verloopt alleen parallel onze tijd, onze realiteit.

 

Terwijl wij de materiële beelden niet aanraken, kunnen wij echter ons daaruit de eeuwigheid van geestelijke objecten en handelingen voorstellen: er is geen begrip tijd, alles wat het was, en ten opzichte van de scheppingen geopenbaard werd, dat bestaat voortdurend. Elke toestand duurt voort te bestaan en is als het ware op een filmband vastgelegd, en te toeschouwer, door zich langs een filmband voort te bewegen, ziet het in tijd verlopende beeld van de wereld.

 

Maar dat is alleen ten opzichte van hem! In feite echter is er geen beweging, geen tijd: wij kunnen van onze gewaarwording uitgaan en de vorige eeuw als in de film gewaarworden, en in hem even verblijven, wij kunnen in tijd zoals wij willen reizen – alles hangt ervan af, in welke positie wij ons zullen verplaatsen.

 

Zo nu, volgens dit voorbeeld kunnen wij begrijpen, hoe de mens in staat is, om door zich van plaats tot plaats te verplaatsen, in de geestelijke werelden te reizen: alles hangt ervan af, welk beeld de Schepper doen voor hem open.

 

Het licht beïnvloedt de mens via die of die bepaalde sfira en geeft daarmee aan de mens bepaalde geestelijke eigenschappen, in overeenstemming waarmee kan de mens het overeenkomstige geestelijke beeld “zien”.

 

Daarom wordt het ook gezegd, dat er geen enkele plaats bestaat, er is geen hiernamaalse wereld, “olam ha-ba” is hier met ons, alleen hij kan haar gewaarworden, bij wie overeenkomstige keliem aanwezig zijn, en deze keliem kan men alleen van die geestelijke trap ontvangen, waarop de mens zich bevindt.

 

Nu kunnen wij begrijpen, wat betekent de wil van de Schepper te vervullen: aangezien het licht zelf – dat is de Schepper, dan is naar mate van zijn schijnen aan de mens, wordt hij de uitvoerder van de wensen van het licht. En dat betekent de Voorschriften van de Schepper te vervullen, aan zichzelf te gewaarworden, welke wensen van de mens worden al dezelfde als die van de Schepper, en welke [wensen] treden nog zelfstandig, op eigen gezag op, omdat in hen is er nog geen bepaalde straling, die ze zou corrigeren en ze zodanig veranderen, dat deze wensen aan die van de Schepper gelijk zouden worden.

 

En deze gelijkenis zo ver dient te gaan, dat “sje kol atsmotav tomarna”, dat alle wensen, het gehele lichaam van de mens wordt de klie van de Schepper, wordt volledig een doorvoerder van de wensen van de Schepper. En de mens gewaarwordt aan zichzelf, hoe al zijn organen, elk cel van zijn lichaam met de wens van de Schepper in harmonie samenvloeit, en deze resonans is juist de meest schitterende gewaarwording van de samenvloeiing van de mens met de Schepper.

 

Dan heeft het zin om de mietsvot te vervullen: om dezelfde te wensen, wat ook de Schepper wenst, aangezien een uitvoering in het geestelijke – dat is een wens en niet een fysieke handeling. En in de aan de Schepper gelijkende wensen ontvangt de mens het licht van het samenvloeien met de Schepper, die de Tora heet. Hieruit is ons reeds duidelijk, wat “l’kajem Tora oe Mietsvot”– de Tora en de Voorschriften te vervullen - betekent.

 

De mens is altijd het gevolg van het uitstralen op hem van het licht uit een bepaalde geestelijke trap: indien dit licht microscopisch klein is, dan gewaarwordt de mens hem in het geheel niet, hij gewaarwordt de bron van het licht niet, het voorhanden zijn van de Schepper in zijn [eigen] wereld. Indien het licht schijnt meer, dan begint de mens tot iets te verlangen, wat hij nog niet beseft, maar gewaarwordt een dorst naar iets.

 

Indien het licht nog groter is, dan kan de mens al ongeveer zeggen, dat hij naar het geestelijke verlangt, doch wat het geestelijke is beseft hij nog niet, maar het feit, dat de bron van zijn aantrekking zich in het geestelijke bevindt, dat begrijpt hij al.

 

Het licht geeft hem dit begrijpen, zijn intensiteit. En zo voorts, tot aan het moment, waarop de mens begint te begrijpen, dat al zijn essentie, zijn “ik” is het gevolg van een ontvangen hoeveelheid licht, dat alleen van de hoeveelheid ontvangen licht hangen zijn wensen af, zijn daden, zijn toekomst, zijn “ik”, en daarom pas dan begint hij te verzoeken, zonder woorden, doch met zijn innerlijke wens, om het licht, de Schepper, om hem te helpen te veranderen, hem, zijn wensen, te veranderen. En dat verzoek is dan ook het gebed.

D.w.z., een gebed is eveneens het gevolg van een vorige invloed van het licht. Maar hoe dient dan de mens te handelen, welke een zulke portie licht nog niet ontving, dat hem boven nietige wensen omhoog zou brengen en nieuwe, geestelijke [wensen] zou geven?

 

Daarvoor juist schreven de kabbalisten boeken over de Kabbala zelfs voor degenen, die de geestelijke werelden nog niet bereikten, opdat bij het lezen ervan en zelfs niet begrijpend wat zij lezen, de mens daardoor een uiterlijke uitwerking van het licht op zich zou opwekken, het zogenaamde or makief.

 

En dit uiterlijke schijnen zou zijn wensen een beetje zuiveren, tot die mate, dat hij van hem ook gewaarwordingen in zijn wensen naar binnen zou beginnen te ontvangen, d.i. hij zou de uitwerking van dit or makief zelf voelen, hoewel nog niet precies begrijpend, wat voor een geestelijke bezieling en krachten hij ontvangt en later wordt het hem steeds duidelijker.

 

Door het licht nu te ontvangen, dan weer te gewaarworden, hoe hij zonder hem direct geestelijk in zijn wensen valt, beseft de mens, in hoeverre hij van de uitwerking van het licht op hem afhankelijk is, dat alleen de Schepper hem uit de nietige ijdelheid van het leven redden kan.

 

En dat geeft hem al het besef van:

1) het voorhanden zijn van de Schepper;

2) afhankelijkheid van de Schepper-het licht;

3) gewaarwording van het verschil in wensen, toestanden, zijn trap van die van het licht (als gevolg van opstijgingen en vallen), die juist noodzakelijke en afdoende voorwaarden voor het gebed zijn.

 

Wij hebben reeds eerder gesproken, dat elke klie uit het skelet bestaat – de HaVaJ”A van de vierletterige naam van de Schepper en het licht, hem vullende, waarbij het skelet van de allerlaagste geestelijke klie hetzelfde blijft, als dat van de allerhoogste klie van de allerhoogste wereld, en het verschil is alleen in het hem gevulde licht, alleen daarin is het gehele verschil tussen keliem, tussen geestelijke toestanden van de mens.

 

Zo zien wij, dat in eenieder van ons een HaVaJ”A is – het skelet van onze geestelijke klie en dat alleen van het licht, hem vullende, hangt, op welk geestelijk niveau wij ons zullen bevinden, en elke onze geestelijke opstijging is het gevolg van het schijnen van het licht uit de hogere trap.

 

Daarom “kol ha-gadol mie chavejro, ietsro gadol miemejno” (hoe groter is een mens, des te grotere wensen zijn bij hem”). Met een grote klie worden grotere wensen bedoeld met de aan die wensen tegenwerkende krachten (masach), maar eerst dienen wensen te verschijnen, en pas dan een masach op hen. Daarom maakt een kabbalist op weg van het toenaderen tot het geestelijke een echt vagevuur door: wensen die opeens verschijnen gooien hem van één uiteinde van het streven in het andere.

 

Nu wenst hij alleen geestelijke verheffingen, dan weer alleen zinnelijk genot, dan eerbetoon of macht, en dan wenst hij om een rechtvaardige te zijn en in het afzien van alles te leven, behalve het meest noodzakelijke.

 

Zoals meer dan eens is gezegd, een genieting bestaat niet buiten een klie, en alleen de grootte van een klie bepaalt de grootte van een genieting, zoals bijvoorbeeld, een honger bepaalt de grootte van een genieting van het eten.

 

Daarom, zodra men van boven begint de klie van de mens te vergroten, begint hij zulke verscholen genietingen te gewaarworden in vorige, reeds hun aantrekkingskracht verloren objecten van onze wereld, dat hij aan zichzelf verwondert, hoe kan dat opeens, immers hij was in hen al teleurgesteld, en nu schijnen hem opnieuw van deze objecten ongekende genietingen.

 

En dat allemaal alleen uit het vergroten van zijn klie. Daarom kan een kabbalist niet in de geestelijke wereld uitgaan, voordat hij alle wensen van onze wereld zal doormaken, aan zichzelf doorvoelen om ze allemaal in zich op te laten stijgen en te corrigeren door middel van het insluiten in zijn wensen (hietkolleloet).

 

Indien een mens aan een koe, een steak waarvan hij met veel plezier opeet, zou vragen of een koe een genieting uit haar eigen vlees, zoals hij, voelt, immers zij bestaat uit een legio van zulke steaks, zou zij niet begrijpen waar het over gaat, omdat alles van een klie afhangt. Een mens geniet van een koe met zijn eigen klie, en een kalf, door haar melk in te zuigen, door zijn klie.

 

Het gehele verschil tussen onze toestand (wereld) en geestelijke toestanden (werelden) bestaat daarin, dat objecten van onze wereld en de mens zich onder de heerschappij van een wens om een genieting te ontvangen bevinden. Dat is onze natuur en daarom gewaarworden wij de geestelijke krachten, werelden, de Schepper niet.

 

Maar objecten van geestelijke werelden of de mens, die de geestelijke natuur bevatten, wensen in die of andere mate weg te geven, een genieting te verschaffen, en de mate van hun wens om weg te geven bepaalt hun positie op de trappen van de geestelijke ladder, de mate van een gewaarwording van de Schepper, waar het nulpunt – dat is onze wereld, en de allerhoogste trap is de Schepper, Zijn eigenschappen.

 

Vanaf de wereld A”K en tot onze wereld neemt de wens om weg te geven (lehasjpieja) of de masach (de kracht van het weerstand aan het egoïsme, aan het genieten voor zichzelf) geleidelijk af: van zijn maximale [grootte] 4 in de Galgalta (kan de wens om te genieten omwille van de Schepper, omwille van het weggeven, gebruiken) tot [de grootte] 0 in de wereld Asieja (kan de wens om te genieten al niet omwille van het weggeven gebruiken, maar kan weggeven zonder ontvangen).

 

In de geestelijke werelden heeft een klie eigenschappen (krachten) om:

 

1. te ontvangen voor het weggeven (lekabbel al mnat lehasjpieja), kan zelfs genietingen ontvangen, genieten, omdat hij daarmee een genieting aan de Schepper verstrekt. Een zulke toestand een klie heeft met een masach van de aviejoet 4, 3, 2, 1.

 

2. weg te geven voor het weggeven (lehasjpieja al mnat lehasjpieja) – al niet [meer] in staat is om een genieting omwille van de Schepper te ontvangen, maar om een genieting niet te ontvangen, doch te wensen om de Schepper een genieting te verstrekken, eveneens als Hij een klie – dat is een klie nog wel in staat te doen. Een zulke toestand een klie heeft met een masach 0.

 

In onze wereld heerst het stadium 4, de wens om voor zichzelf te genieten, welk stadium het lichaam van de mens heet (de Kabbala houdt zich bezig met een behandeling van wensen = klie en daarom spreekt, natuurlijk, niet over ons fysiologisch lichaam). Een klie heeft [hier] geen masach en daarom heeft alleen egoïstische eigenschappen: om weg te geven omwille van het ontvangen (lehasjpieja al mnat lekabbel) – een fatsoenlijke vorm van het egoïsme; om te ontvangen omwille van het ontvangen (lekabbel al mnat lekabbel) – dat is een directe vorm van het egoïsme.

 

Daarom acht men een klie in onze wereld, daar hij een voltooide egoïstische vorm heeft, geschikt voor het beginnen van een geestelijke verheffing. Een zulke klie wenst datgene, waarin hij een genieting ziet, automatisch, direct, en verwijdert zich van het lijden. Het licht in een zulke egoïstische klie is dermate klein, dat het alleen het licht van het leven heet, dat ons fysiologisch lichaam doet opleven.

 

Dit licht is dermate verwijderd van zijn bron, dat de mens gewaarwordt de Schepper niet en alleen kan beloven, dat de Schepper bestaat en dat Hij hem schiep. En daarom heet een zulke toestand van een klie zelfstandig, daar hij alleen zichzelf voelt. En alleen indien hij begint te geloven, dat de Schepper bestaat en dat er een verband tussen de Bron en de mens bestaat, dan kan hij een zoektocht voor het verband met de Schepper beginnen.

 

In de mens zijn er twee krachten: het ontvangen en weggeven. Op elke daarvan zijn 2 intenties mogelijk: om zijn wensen te vullen of andermans wensen te vullen. Vandaar ontvangen wij 4 mogelijke combinaties tussen wensen en intenties:

 

1. om te ontvangen voor zichzelf (lekabbel al mnat lekabbel).

2. om te ontvangen omwille van het vergenoegen (lekabbel al mnat lehasjpieja). In de Tora wordt een voorbeeld gegeven: een vrouw wordt een echtgenote door het ontvangen van een geschenk van een bruidegom. En indien zij hem ontvangt, wordt zij aan de bruidegom toegewijd. Maar indien een bruidegom een respectabele persoonlijkheid is, dan, zegt de Tora, indien een bruid hem een geschenk geeft, en hij dat ontvangt, wordt dat geacht, of hij haar daarmee gaf en zij wordt hem tot een echtgenote.

 

Aangezien door een geschenk van haar te ontvangen, indien hij een grote persoon is, ontvangt hij als het ware niet, maar geeft haar daarmee een grote genieting, en deze genieting staat gelijk aan het ontvangen van een geschenk van hem. Wij zien, dat hoewel in werkelijkheid hij ontvangt, maar omdat de intentie was om daarmee zijn bruid een genieting te geven, dankzij dat wordt een bruidegom tot een gever, en niet tot een ontvanger. De intentie veranderde de richting van de handeling.

 

3. om weg te geven omwille van het vergenoegen (masjpieja al mnat lehasjpieja)

4. om weg te geven omwille van het genieten voor zichzelf (lehasjpieja al mnat lekabbel), om weg te geven [met een intentie om] het gewenste te ontvangen. Uit hetzelfde voorbeeld kunnen wij zien, dat ondanks het feit, dat een bruid aan een bruidegom geeft, daar haar wens is om in plaats daarvan een status van een echtgenote te ontvangen, wordt haar handeling niet als het weggeven geacht, doch als het ontvangen, omdat alles wordt door een intentie gemeten, en niet door een fysieke handeling – een verschijnsel. Alles wordt dus door een intentie in een genieting gemeten.

 

Hieruit kan men de naam openlijke en geheime (verborgen) Tora begrijpen: een handeling heet open, omdat het ons duidelijk is en daarom de open Tora leert het uitvoeren van handelingen. De verborgen of geheime Tora leert een correcte intentie en heet verborgen, aangezien de mens kan de intenties van een uitvoerder niet weten. Immers een mens kan weggeven, waarbij zijn intenties zijn om daarvoor eerbetoon te ontvangen en omgekeerd, hij kan ontvangen met een intentie om daarmee een hulp of een vriendelijkheid te bewijzen. Daarom is een intentie altijd heimelijk en de intenties leert de Kabbala.

 

Het licht in de mens van onze wereld heet nefesj, omdat een klie, dat hem uit het algemene licht onthult, geen eigen beweging heeft. Daarom heet een klie levenloos, naar voorbeeld van de levenloze natuur, die geen eigen beweging heeft, doch slechts door een kracht van buiten in beweging gebracht kan worden, daar de mens in zijn oorspronkelijke geestelijke toestand geen eigen geestelijke beweging heeft en alleen onder invloed van buiten kan beginnen te bewegen.

 

Daarom zodra onder invloed van het omringende licht - dat aan degene, die de Kabbala bestudeert, in het verborgen schijnt – het egoïsme begint te beseffen, dat de wens om te genieten hem het lijden bezorgt, beperkt hij zich direct van het ontvangen van een genieting, en dat heet het beseffen van het kwaad, het besef, dat het egoïsme is kwaad! Een klie in onze wereld wordt als compleet beschouwd, omdat geen klie vóór hem een definitieve vervreemding van de Schepper had, maar onder Zijn invloed was.

 

In geen klie vanaf de partsoef Galgalta en tot de laatste klie van de malchoet van de wereld Asieja, werd een regel gehandhaafd van “het verspreiden van het licht en zijn verdwijning maakt een klie voor zijn rol geschikt”, omdat vóór onze wereld een klie bevindt zich in het verband met het licht: zelfs indien het licht van een klie uitgaat, gewaarwordt een klie hem van buiten, d.i. gewaarwordt een verband met hem, aangezien een klie niet wenst om voor zichzelf te ontvangen, heeft hij een gelijkenis van eigenschappen en bevindt zich daarom in verband met het licht.

 

Het or pniemi, na een klie te hebben gevuld, gaf hem samen met een genieting ook zijn eigenschappen door, waardoor het een klie dwong om het licht van zichzelf uit te storten en de Ts”A te maken. En wanneer een klie besloot om alleen omwille van de Schepper te ontvangen, begon het or makief de masach van elke partsoef één voor één te verdunnen, enz. Via de sjviera bracht het licht een klie tot een toestand, wanneer hij helemaal geen masach meer heeft, en bovendien zich in een toestand bevindt, wanneer hij berhaupt geen licht – de Schepper – gewaarwordt, geen enkel verband met het licht heeft.

 

Maar als gevolg van een voorgaand verband tussen het licht en een klie, bleven er in een klie netsoetsiem-resjiemot over, alsmede met een klie overeenkomstig or makief, en met behulp daarvan begint een klie uit “onze wereld”, d.w.z., van de meest verwijderde toestand, de Schepper tegemoet op te stijgen.

 

Alle voorgaande aan deze toestanden van een klie, de gehele weg van zijn neerdalen van boven naar beneden, waren fasen in zijn (prenatale) ontwikkeling, en pas na de toestand van de volledige vervreemding van het licht – de Schepper – te hebben bereikt, bereikt een klie de noodzakelijke voorwaarde om een klie te heten, aangezien hij volkomen tegengesteld en vervreemd is, gewaarwordt de Schepper niet. Hij begrijpt niet en is niet in staat om te begrijpen, dat een absoluut altruïsme kan zijn, een wens voor het onbaatzuchtige weggeven, hij kan een ander objectief niet gewaarworden, zijn pijn en gevoelens.

 

Hij gewaarwordt alleen zichzelf en kan alleen over het bestaan van een andere natuur en de Schepper horen, maar is niet in staat om het altruïsme te begrijpen, alsmede een behoefte in hem voor zijn eigen welzijn.

De gehele natuur van een egoïstische klie is – “wat van mij is – is van mij, en wat van je is – is van mij”, en alleen de angst en de zwakheid dwingt hem in te stemmen met een handeling “wat van mij is – is van mij, en wat van je is – is van je”. Zijn elke fysieke of innerlijke beweging is een zulke klie alleen dan in staat te doen, indien hij er zeker van, dat een nieuwe toestand hem een of ander voordeel op zal leveren, anders is er geen energie voor een kleinste gedachte of een fysieke beweging.

 

Zo is de geestelijke aard van een klie en daarom is ook zo zijn fysieke natuur op al zijn niveaus: levenloos, vegetatief, levend en menselijk – al deze niveaus zijn in de mens. Een zulke toestand van een klie heet “de mens in onze wereld”. En al ons omringend materieel heelal is een deel van de mens en samen met hem stijgt het op tot het doel van de Schepping.

 

Maar indien de mens van onze wereld de wens van de ziel om zich geestelijk te verheffen niet gewaarwordt, dan brengt hij zijn heel leven in het zoeken naar een vulling van zijn kleine egoïstische klie, en zijn verstand is dan een hulpgereedschap in zijn zoektocht naar bronnen van een genieting op het levenloze, vegetatieve, dierlijke en menselijke niveaus. En hij gelijkt op een kind, dat met een speelgoed speelt, en dat tevreden is met de vervlogen tijd, in vergetelheid over de tijdelijkheid van zijn bestaan en in de zoektocht naar het doel van het leven en de reden van zijn lijden.

 

Maar er is een mogelijkheid in een zulke klie om zich juist uit zijn uiterst verwijderde toestand beginnen te verheffen, indien hij zal beginnen te leren om juist met zijn nietige wensen altruïstische daden te doen, en indien het niet vandaag lukt, dan kan hij morgen wederom proberen; terwijl met het huidige licht kan men zo niet omgaan, indien een klie niet in staat is om het licht omwille van de Schepper te ontvangen, dan verliest hij zijn masach, dan vindt het breken van keliem plaats.

 

Daarom juist in genietingen van onze wereld kan de mens veilig leren om altruïstisch te handelen, en wanneer hij al in staat is om zo te handelen, dan ontvangt hij in plaats van genietingen van onze wereld het echte geestelijke licht. maar vóór deze toestand is het geestelijke licht, d.i. geestelijke genietingen van ons verborgen, anders zouden wij voor altijd slaven van deze genieting worden en zouden hem nooit voor niet eigen genieting kunnen ontvangen.

 

Alle trappen van onze geestelijke groei bereidde de Schepper voor ons tevoren, waarbij Hij het neerdalen van een klie van boven naar beneden verrichtte: de ziel van de mens, door het licht van deze trappen te ontvangen, stijgt langs hen achtereenvolgend op tot het samenvloeien met de Schepper. Na deze trappen te hebben geschapen, wijst de Schepper ons als het ware aan, waar dient de mens aan te lijken, hoe hij dient te handelen, om een steeds hoger geestelijk niveau in te nemen.

 

Indien de mens in staat is om op een bepaald niveau zijn egoïsme in naam van het altruïsme te overwinnen, dan ontvangt hij direct een nog groter egoïsme en dient opnieuw op hem een masach op te bouwen. Daarom is het gezegd, dat bij een grotere mens is ook het egoïsme groter (maar juist daarom, omdat hij hem in staat is te overwinnen). En daarom kabbalisten, die het overwinnen van alle trappen van de geestelijke verheffing aan zichzelf gewaarworden, maken alle laagste wensen door, welke wensen zich ooit in een klie zou kunnen vertonen. Maar zo vreselijk zijn hun vallen, zo groot zijn ook hun verheffingen!

Het feit, dat een mens niet in staat is om zich met respect – zoals anderen - te gedragen, en zich met respect te bejegenen en anderen met rust te laten - dat komt, omdat de Schepper opzettelijk geen mogelijkheid geeft om zich zo te gedragen, zodat hij noch zichzelf, noch anderen bedriegen, maar door dit zijn gedrag als een kwaad voor zichzelf te gaan zien, zal hij de Schepper verzoeken, om hem van boven te corrigeren, aangezien hij ziet, dat hij niet in staat is om zichzelf te veranderen, en hij beseft al, dat alleen de Schepper hem kan veranderen, daar alleen door zich van binnen te veranderen zal hij ook zijn uiterlijk gedrag kunnen veranderen.

 

Maar het feit, dat de mens niet in staat is zich goed te gedragen, jaagt hem aan om sneller tot de gieloej paniem te komen, aangezien hij niet in staat is om in zijn gedrag alsof te doen en goed te zijn. Hij lijdt van het feit, dat hij zich niet waardig kan gedragen, en daarom geeft het lijden hem een duw om de Schepper te verzoeken hem zo gauw mogelijk te veranderen, hem geestelijk vol te maken.

 

Aangezien de gehele schepping zich na de Ts”A bevindt, d.i. verplicht is om hem na te leven, stelt een klie niet alleen een grote wens voor, maar ook (plus) een masach. Daarom zodra de mens begint zijn eerste geestelijke bewegingen te maken, schijnt hem opeens alles rondom hem, in alles gewaarwordt hij ongekende doorlopende straling.

 

Zo duurt het enige tijd (waarvoor – dat zal de mens pas na het uitgaan in de geestelijke wereld te weten komen). Vervolgens, na enige tijd, alles rondom hem wordt absoluut onaantrekkelijk, dermate onaantrekkelijk, dat de wereld voor hem ellendig voelt. Op die manier worden aan de mens tegengestelde gewaarwordingen gegeven van het voorhanden zijn en het ontbreken van het licht. En daarna volgt al een langdurige periode van het vormen van de eerste geestelijke klie: aan de mens worden zulke hartstochten en wensen gegeven, het bestaan waarvan in hemzelf kon hij niet vermoeden, zo lage verlangens zij blijken te zijn.

 

Maar dat zijn niet zijn wensen, zoals berhaupt alle wensen van de mens in hem van boven ontstaan, alle wensen – dat is juist het enige, wat de Schepper schiep. Bovendien, de mens dient niet te schrikken van deze afgrond van eigen ondeugden, die door hem ontdekt worden, zij zullen hem in de toekomst allemaal van pas komen voor het voortbewegen en niets overbodigs is in de mens geschapen, maar al zijn trekken en talenten, zowel fysieke als verstandelijke, zijn alleen daarvoor in hem primair geschapen opdat hij het doel van zijn creatie kon bereiken.

 

Men hoeft daarom niet kwaad zijn op zijn eigen karakter en zich met zelfkastijding bezig te houden, doch met de correctie. Degene, wie in ons al deze eigenschappen schiep, alleen hij kan ze ook corrigeren, en Hij zal het als zodanig doen, zodra wij Hem er om zullen verzoeken, d.i. indien wij zeer sterk zullen gaan wensen.

 

Één van de aanvankelijke trappen van het bevatten is om er achter te komen, wat in de mens zijn persoonlijke is, en wat is door het leren en opvoeding ingebracht. Van datgene, wat verkregen werd, dient men afstand te nemen, maar niet hij zelf; en als gevolg van zijn innerlijke ontwikkeling zal hij zien, dat hij tot zijn oorspronkelijke karaktertrekken, zijn natuur terugkeert.

 

Lager – hoger betekent het grotere of kleinere verbergen van het licht. Het materiaal is de wens om te genieten, welk juist de schepping is, blijft zonder verandering. Verandert alleen de vorm van dit materiaal van de egoïstische in de altruïstische, van de intentie om voor zichzelf te genieten in de intentie om omwille van de Schepper te genieten. Het werk van de mens bestaat in het overgaan van het egoïstische materiaal in het altruïstische.

 

Het gebeurt dikwijls, dat tijdens het voortbewegen naar het doel ondervindt de mens opeens het gevoel van zijn eigen nietigheid en krachteloosheid, dat hij noch kennis van de Tora heeft, noch enige niet-egoïstische handelingen kan verrichten, en dat al zijn gedachten alleen om het welslagen in deze wereld draaien.

 

En dan wordt de mens depressief, waarbij hij zegt tegen zichzelf, dat het toenaderen tot de Schepper alleen aan bijzondere personen weggelegd, bij wie van hun geboorte speciale krachten, eigenschappen aanwezig zijn, en hun gedachten en wensen met dit doel overeenkomen, en hun hart naar de Tora en het werk aan zichzelf streeft.

 

Maar soms, tijdens zulke toestanden, komt bij hem een gevoel op, dat eenieder een plaats naast de Schepper is weggelegd, en dat geleidelijk allen, dus ook met inbegrip van hemzelf, geestelijke genietingen waardig bevonden zullen worden, welke genietingen uit het samenvloeien met de Schepper voortkomen, en dat men hoeft niet te wanhopen, doch te geloven in datgene, dat de Schepper alles kan en de weg van eenieder plant, en verhoort en voelt alles, wat eenieder van ons voelt, en leidt ons, en wacht op onze tegenverzoeken om een toenadering.

 

Maar dan zegt hij tegen zichzelf opnieuw, dat hij dat al meer dan eens tegen zichzelf placht te zeggen en toch niets was veranderd. En uiteindelijk blijft hij in zijn gedachten ingezonken over de nietigheid, van zijn eigen zwakheid en in depressie. Maar indien een gedachte bij hem opkomt, dat deze toestand wordt hem door de Schepper speciaal toegezonden voor zijn overwinning en door de wilskracht begint hij aan zichzelf te werken, dan ontvangt hij opeens een bezieling en krachten voor een toekomstige toestand, waarnaar hij streeft.

 

Dat betekent, dat het licht van zijn toekomstige toestand schijnt hem uit de verte, omdat het nog niet binnen hemzelf kan schijnen, daar zijn wensen voorlopig egoïstisch zijn, en het licht kan niet binnenkomen en in zulke wensen schijnen. Maar wat de mens niet kan doen, doet de tijd en inspanningen, in de meeste gevallen onbewuste…



Deze website kabbalah.info wordt onderhouden door de
Nederlandse afdeling van
"Bnei Baruch"

Copyright ©1996. Bnei Baruch. All rights reserved.