Kabbalah.info - Kabbalah Education and Research Institute

Baal HaSulam - Shamati Artikelen

Shamati 1 ~ Er Is Geen Ander Dan Hij

 

Rav Yehuda Ashlag (Baal HaSulam)

(Shamati 1, p. 15)

Ik hoorde, Parashat Yitro 1, 6 februari 1944

Er staat geschreven: "Er is geen ander dan Hij”. Dit betekent, dat er geen andere kracht in de wereld is, die in staat is om iets tegen Hem te doen. En wanneer de mens ziet, dat er dingen in de wereld zijn die het Hoge Bestuur ontkennen, is de oorzaak ervan dat het Zijn Wil is.

Het volgende wordt beschouwd als een correctie, uitgedrukt in de woorden: "links verwerpt en rechts trekt naar zich toe", dit wil zeggen dat wat links verwerpt, beschouwd wordt als een correctie. Dit betekent dat er in de wereld dingen zijn, die er aanvankelijk op gericht zijn om de mens van de juiste weg af te leiden, waardoor hij door het Heilige afgewezen wordt.

Het nut van die afwijzingen bestaat eruit, dat de mens daardoor de behoefte voelt en een groot verlangen naar de Schepper, om door Hem geholpen te worden, want hij ziet dat hij anders verloren is. Het is niet alleen zo, dat hij niet verder komt in zijn werk, maar hij ziet dat hij meer en meer terugvalt, hij heeft namelijk geen kracht meer om de Torah en de Mitzvot te vervullen, zelfs niet in Lo Lishma (niet voor Haar Naam). Alleen door alle obstakels volledig te overwinnen, boven de rede, kan hij de Torah en de Mitzvot vervullen. Maar hij heeft niet altijd de kracht om boven de rede de moeilijkheden te overwinnen, en dan ontkomt hij er niet aan dat hij, God verhoede het, afwijkt van de weg van de Schepper, zelfs van Lo Lishma.

Hij voelt steeds dat het gebrokene groter is dan wat heel is, dit betekent dat er veel meer dalingen dan stijgingen zijn en hij ziet het einde niet van al deze staten van zijn. Hij zal altijd buiten het Heilige blijven, want hij ziet dat het moeilijk voor hem is om ook maar de kleinste spirituele handeling te vervullen, tenzij hij kan overwinnen boven de rede. Maar hij is niet altijd in staat om zo tot het overwinnen van de moeilijkheden te komen. En hoe zal dit alles aflopen?

Dan komt hij tot het besluit dat niemand anders hem kan helpen dan de Schepper Zelf. Dit brengt hem ertoe om vanuit het diepst van zijn hart aan de Schepper te vragen of Hij zijn ogen en zijn hart wil openen en hem werkelijk dichterbij de eeuwige gehechtheid aan Hem wil brengen. Hieruit volgt, dat alle afwijzingen die hij had ervaren, van de Schepper afkomstig waren.

Dit betekent dat het niet zijn fout was, dat hij niet in staat was om de moeilijkheden te overwinnen. Maar, aan die mensen die werkelijk dichterbij de Schepper willen komen en dus niet met weinig genoegen willen nemen, die namelijk niet op het niveau van naïeve kinderen willen blijven, wordt hulp van Boven gegeven, zodat men niet zal kunnen zeggen: godzijdank, ik heb de Torah en de Mitzvot en ik verricht goede daden, het ontbreekt mij aan niets.

Alleen als die mens een oprecht verlangen heeft, ontvangt hij hulp van Boven. Er wordt hem voortdurend getoond hoe slecht hij is in zijn huidige staat. Er worden hem namelijk gedachten en opvattingen gezonden, die tegen het werk ingaan. Dit is voor hem bedoeld om in te zien, dat hij niet één is met de Schepper. En hoeveel moeilijkheden hij ook overwint, hij ziet steeds dat hij zich verder van Heiligheid bevindt dan anderen, die voelen dat zij één zijn met de Schepper.

Hij heeft echter steeds klachten en eisen en hij kan het gedrag van de Schepper ten opzichte van hem niet rechtvaardigen. Dit doet hem pijn. Waarom is hij niet één met de Schepper? Ten slotte gaat hij voelen, dat hij totaal geen deel uitmaakt van Heiligheid.

Hoewel hij af en toe een ontwaken van Boven ontvangt, wat hem voor even doet opleven, valt hij weldra weer terug in zijn lage staat. Maar dit brengt hem tot het besef dat alleen de Schepper hem kan helpen en hem werkelijk dichterbij Hem kan brengen.

Een mens moet zich voortdurend inspannen om zich aan de Schepper te hechten, dit betekent dat al zijn gedachten over de Schepper moeten gaan. Dit wil zeggen dat - zelfs als hij zich in de meest slechte staat bevindt, waar vanuit hij niet dieper kan vallen - hij Zijn gebied niet moet verlaten. Hij moet namelijk niet denken dat er een andere autoriteit is, die hem ervan weerhoudt het Heilige binnen te gaan en die hem goed of kwaad kan doen.

Dat wil zeggen, dat men niet moet denken dat er een kracht van de Sitra Achra (Andere Zijde) bestaat, die een mens ervan weerhoudt om goed te doen en de wegen van de Schepper te volgen. Alles wordt door de Schepper gedaan.

De Baal Shem Tov heeft gezegd, dat degene die beweert dat er nog een andere kracht in de wereld is, namelijk die van de Klipot (schillen), zich in een staat bevindt van het "dienen van andere goden". Niet zozeer de gedachte aan afgoderij is de overtreding, maar men begaat een zonde als men denkt, dat er een andere autoriteit en kracht is, buiten de Schepper.

Bovendien, hij die zegt dat de mens over zijn eigen autoriteit beschikt - als hij namelijk zegt dat hij zelf gisteren de wegen van de Schepper niet wilde gaan - begaat eveneens de zonde van afgoderij. Hij gelooft namelijk niet dat alleen de Schepper de bestuurder van de wereld is.

Maar als hij een zonde heeft begaan moet hij dat natuurlijk betreuren en spijt hebben van het begaan van deze zonde. Maar ook hier moeten wij de pijn en het verdriet in het juiste perspectief plaatsen: waar plaatst hij de oorzaak van de zonde? Want dat is het punt dat hij moet betreuren.

Dan zou men berouwvol moeten zijn en zeggen: "Ik heb die zonde begaan, omdat de Schepper mij uit de Heiligheid verstootte naar een plaats van vuil, naar een plaats van drek, van viezigheid". Dat wil zeggen dat de Schepper de mens een verlangen en een hunkering heeft gegeven om zich daar te vermaken en de lucht in te ademen van een stinkende plek.

(En men kan zeggen dat er in boeken geschreven staat, dat een mens soms incarneert in het lichaam van een varken*. We moeten dit als volgt uitleggen: als een mens zegt dat hij een verlangen en een hunkering ontvangt om te genieten van dingen, die hij al bestempeld had als vuilnis, maar nu wil hij er weer door gevoed worden). [* Noot van de vertaler: in het Hebreeuws betekent het woord ‘varken’ eveneens ‘terug’, terugkeren naar zijn eigen fouten die men had bestempeld als weerzinwekkend’.]

Ook als een mens voelt dat hij zich nu in een staat van opgang bevindt en enige smaak vindt in het werk, moet hij niet zeggen: "Nu ben ik in een staat, waarin ik begrijp dat het de moeite waard is om de Schepper te eren”. In plaats daarvan moet hij begrijpen, dat hij nu genade heeft gevonden in de ogen van de Schepper, daarom bracht de Schepper hem dichterbij, en daarom vindt hij nu smaak in het werk. Hij moet er zorgvuldig op toezien nooit het gebied van het Heilige te verlaten en te zeggen dat er een ander is, die naast de Schepper handelt.

(Dit betekent echter, dat genade in de ogen van de Schepper vinden, of het omgekeerde ervan, niet van de mens zelf afhangt, maar alleen van de Schepper. En de mens, met zijn oppervlakkige verstand, kan niet begrijpen waarom de Schepper hem nu begunstigd heeft en het daarna niet deed.)

Evenzeer moet hij, als hij het betreurt, dat de Schepper hem niet nader tot Zich brengt - als hij zich van de Schepper verwijderd voelt - ervoor waken hierbij niet aan zijn eigenbelang te denken, daardoor wordt hij namelijk een ontvanger die gericht is op eigenbelang, en hij die voor zichzelf ontvangt is gescheiden van de Schepper. In plaats daarvan moet hij de ballingschap van de Shechina (de Goddelijke Aanwezigheid) betreuren, omdat hij pijn aan de Goddelijke Aanwezigheid toevoegt.

Wij kunnen het ons voorstellen als een klein orgaan van een mens, dat pijn doet. De pijn is voornamelijk voelbaar in zijn verstand en in zijn hart. Het hart en het verstand zijn namelijk karakteristiek voor de mens. Natuurlijk kan men het voelen van één enkel orgaan niet vergelijken met het voelen van de mens in zijn geheel, maar de pijn zal toch in het geheel gevoeld worden.

Dit geldt ook voor de pijn die een mens voelt als hij verwijderd is van de Schepper. Want de mens is slechts een enkel orgaan van de Heilige Shechina, want de Heilige Shechina is de algehele ziel van Israel. Dus het voelen van de pijn van één enkel orgaan kunnen we niet vergelijken met het voelen van de hele pijn. Dit betekent dat er droefenis is in de Shechina als haar organen van haar gescheiden zijn en zij niet al haar organen kan voeden.

(Wij moeten hier noemen, dat onze wijzen hierover hebben gezegd: "Als een mens berouw heeft, wat zegt de Shechina dan? 'Het is lichter dan mijn hoofd’). En als de mens zijn verdriet, omdat hij verwijderd is van de Schepper, niet vanuit een egoïstisch perspectief beschouwt, voorkomt hij dat hij terecht komt in de val van het verlangen om te ontvangen voor zichzelf, waardoor hij gescheiden wordt van Heiligheid.

Ditzelfde geldt als een mens zich wat nader voelt tot het Heilige, als hij vreugde voelt dat hij genade heeft gevonden in de ogen van de Schepper. Ook dan moet hij zeggen dat hij deze vreugde vooral voelt, omdat er nu Boven vreugde is, in de Heilige Shechina, omdat Zij in staat is om haar eigen orgaan dichterbij Zich te brengen en Zij het niet hoeft weg te zenden.

En dan verheugt de mens zich, omdat hij beloond werd met de mogelijkheid om de Shechina vreugde te bereiden. Dit is in overeenstemming met wat hierboven beschreven staat, dat de vreugde van de enkeling slechts een onderdeel van de vreugde van het geheel is. Door deze wijze van denken verliest men zijn individualiteit en voorkomt men het om in de val van de Sitra Achra terecht te komen, namelijk in de wil om voor zichzelf te ontvangen.

De wil om te ontvangen is echter noodzakelijk, want daaruit bestaat de hele mens, want alles wat in de mens aanwezig is buiten de wil om te ontvangen, behoort niet tot het schepsel, maar tot de Schepper. Het verlangen om genot te ontvangen moet echter gecorrigeerd worden tot het verlangen om te geven.

Dat wil zeggen, dat het genot en de vreugde, die door de wil om te ontvangen ervaren wordt, gericht moeten zijn op de intentie dat er Boven vreugde is als de schepselen genot ervaren, want dit was het doel van de schepping: om goed te doen aan Zijn schepselen. En dit wordt de vreugde van de Shechina Boven genoemd.

Daarom moet de mens op zoek gaan naar de wijze waarop hij Boven vreugde kan brengen. En als hij genot ontvangt, zal er Boven zeker vreugde over zijn. Daarom hunkert hij ernaar om altijd in het paleis van de Koning te zijn en de gelegenheid te hebben om te spelen met de schatten van de Koning. En dat zal Boven zeker vreugde geven. Hieruit volgt dat zijn hele verlangen alleen ten dienste van de Schepper moet zijn.

 

.

 

 

Shamati # 2 De Goddelijke Aanwezigheid In Ballingschap

Ik hoorde in 1942

De Heilige Zohar zegt: "Hij is Schochen (Inwoner) en Zij is Shechina (de Goddelijke Aanwezigheid)." Hiervoor moeten we de volgende woorden uitleggen: Het is bekend, dat er met betrekking tot het Hoge Licht wordt gezegd, dat er geen verandering in is, zoals er staat geschreven: "Ik, de Heer, verander niet." Alle namen en benamingen zijn er alleen met betrekking tot de Kelim (vaten), de wens om te ontvangen, zoals deze in Malchut - de wortel van de schepping - aanwezig is. Van daaruit daalt deze neer naar deze wereld, naar de schepselen.

Het geheel van al deze onderscheidingen, te beginnen bij Malchut, de wortel van de schepping van de werelden, door de schepselen heen, wordt Shechina genoemd. De algehele Tikkun (correctie) is dat het Hoge Licht in hen zal schijnen in de uiterste volkomenheid.

Het Licht dat in de Kelim schijnt wordt Shochen genoemd en de Kelim worden in het algemeen Shechina genoemd. Met andere woorden: het Licht woont in de Shechina. Dit betekent dat het Licht Shochen heet, omdat het in de Kelim woont, dat wil zeggen: het geheel van de Kelim heet Shechina.

Voordat het Licht in de uiterste volkomenheid in hen schijnt, noemen we die tijd: "Een Tijd van Correcties." Dit betekent dat we correcties uitvoeren, zodat het Licht in volledigheid in hen zal schijnen. Tot dan toe heet die staat van zijn: "De Goddelijke Aanwezigheid in Ballingschap."

Het betekent dat er nog geen perfectie is in de Hogere Werelden. Beneden, in deze wereld, zou er een staat moeten zijn, waarin het Hoge Licht zich in de wens om te ontvangen bevindt. Deze Tikkun heet: ontvangen om te geven.

Ondertussen is de wens om te ontvangen vol met onwaardige en dwaze dingen, die geen plaats vormen waar de glorie van de Hemel onthuld kan worden. Dit betekent dat waar het hart een Tabernakel zou moeten zijn voor het Licht van God, het hart een plaats wordt voor afval en vuil. In andere woorden, wat onwaardig is neemt het hele hart in beslag.

Dit heet: "Het Goddelijke in het stof". Het betekent dat het verlaagd is tot aan de grond toe en iedereen heeft een afkeer van de dingen van het Heilige en er is geen enkel verlangen om Het uit het stof op te heffen. In plaats daarvan kiest men voor verachtelijke dingen en als men in het hart geen plaats maakt, die een Tabernakel voor het Licht van God zal worden, veroorzaakt dit de droefenis van de Shechina.

 

Shamati # 78 De Thora, De Schepper En Israël Zijn Eén

Ik hoorde op Sivan, juni, 1943

"De Thora, de Schepper en Israel zijn Eén."

Daarom, wanneer men Thora studeert, moet men Lishma studeren.

Dit betekent dat hij studeert met de intentie dat de Thora hem zal onderwijzen, namelijk, zoals de naam van de Thora luidt, het betekent "instructie," En omdat "de Thora, Israel en de Schepper Eén zijn," onderwijst de Thora de mens de wegen van de Schepper, hoe hij in de Thora gekleed is.

Transcriptie les Rav Laitman van Shamati 78 (behalve vragen en antwoorden)

26-04-2010

Er wordt gezegd: "Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste".

Israel, Oreitah en Kutsha Brichu zijn Eén, wat betekent: de Thora, de Schepper en Israel zijn Eén.

Het betekent dat het geheel van de werkelijkheid Eén is.

Een mens ontdekt geleidelijk de constant bestaande realiteit, waarin hij zich bevindt.

Maar hij moet zijn kelim (vaten), zijn gevoelens, gedachten, mind en hart wakker maken om de echte realiteit te voelen.

Intussen werd hem een soort realiteit gegeven die buiten de echte realiteit is.

Het is dezelfde realiteit, het is Eén, maar hij voelt het in kelim die tegenovergesteld zijn aan de werkelijkheid. Dat hij zichzelf voelt, hij voelt dat wat plaatsvindt in zijn kli (vat).

Deze eerste 10 Sefirot, waarin hij de werkelijkheid niet waarneemt, maar alleen zijn punt.

En door de Natuur wordt men verplicht, door een innerlijke drang, namelijk dat zijn innerlijke verlangen hem aanspoort zichzelf te openen.

Of men opent zichzelf om te ontvangen, dan voelt hij zichzelf steeds leger.

En deze ontwikkeling, bij gebrek aan enige andere keuze, brengt hem ertoe zich te openen voor de wil om te geven.

Dan begint hij de echte werkelijkheid te ontdekken, waarin de kli en het Licht in Eenheid zijn.

Het proces is het leren kennen van de Eenheid, de Kracht die hem tot Eenheid brengt, tot de onthulling van de echte werkelijkheid, dit wordt Thora genoemd.

En dan worden hij en de Thora en de Gever van de Thora, de Schepper, het fundament van de werkelijkheid, allemaal onthuld als Eén.

Dit is de Regel waarin we bestaan en deze werkt voortdurend op ons in.

Het hangt allemaal af van de mate waarin we in staat zullen zijn om de Thora te gebruiken om Israel, de Schepper en de Thora te onthullen als Eén, in verbondenheid.

Waarom zijn er hierin drie delen?

Om ons vrij te laten, om onafhankelijkheid te ontdekken.

In werkelijkheid is het zo, dat het Licht en de kli verbonden zijn, ze zijn in een constante staat, onveranderlijk, maar er is een verhulling over de kli om de kli de gelegenheid te geven de eigenschappen van het Licht te bereiken, om zelf de staat te ontdekken waarin het Licht en de kli met elkaar verbonden zijn.

De Oreitah, de Thora, is dat instrument, het gereedschap, met die hulp bereikt de kli de graad van het Licht, en ontdekt op eigen kracht die heel echte werkelijkheid, maar als resultaat van werkelijk de realiteit op die manier te willen zien.

Uit alle keuzes stelt men vast, dat dit is hoe het zou moeten zijn en dit is het enige wat hij wil en dan gebruikt hij deze ene staat, waarin de kli en het Licht met elkaar verbonden zijn, om zichzelf ernaar toe te brengen. Het gebruik maken van de eenheid tussen Licht en kli - die verborgen is - en wat afhankelijk van iemands wens het te bereiken aangewend kan worden, wordt de Thora genoemd.

Het is zo, dat als het niet voor de Thora was, er geen behoefte, geen reden of nut zou zijn voor de schepping. Omdat het schepsel dan, zonder de Thora te gebruiken, dat wil zeggen: zonder gebruik te maken van de eenheid tussen Licht en kli niet zou hebben kunnen bestaan, niet onafhankelijk zou hebben kunnen zijn.

En de Schepper, Die wordt onthuld, de Kutsha Brichu, de Schepper wordt alleen onthuld in de mate waarin de kli Hem erkent. Er is geen Schepper zonder schepsel, dat betekent: alleen in de mate waarin het verlangen, genaamd Israel, de eigenschap van de Schepper verkrijgt, de Kutsha Brichu, door de Thora, door te verlangen naar die vorm van de Schepper, bestaat de Schepper.

Anderzijds, wanneer bestaat Israel?

Als de Schepper er is, Die Zich verbergt voor die kli, door de Thora.

Het is zo, dat ze niet zonder elkaar kunnen bestaan, maar ze zijn altijd Eén, waar elk op zich en alle samen verplicht zijn om op deze wijze te bestaan, zodat ze hierdoor de werkelijkheid bepalen, definiëren. Waarbij alleen deze drie factoren het zogenaamde schepsel de gelegenheid geven zichzelf te voelen als bestaand, als op weg zijnde dingen te bereiken en als niet één van de twee, die altijd tegen de twee andere in werkt, er zou zijn, zou de werkelijkheid niet hebben bestaan.

Daarom zeggen wij dat, allereerst, deze drie onderscheidingen naast elkaar bestaan, zonder het begrip tijd, plaats of veranderingen, maar zo bestaat het altijd.

Wij kunnen niet buiten de tijd om spreken, omdat wij niet de mogelijkheid hebben om daarover te denken, maar, los van deze term, die de term Israel, Oreitah en Kutsha Brichu, de Schepper, opheft, en ook onze situatie, onze staat van zijn, onze wereld, zou de geleidelijk ontstane vorm, waarin we zelfkennis kunnen verkrijgen, ook niet hebben bestaan.

Het is zo dat elke keer als we deze Eenheid van Israel, Oreitah en Kutsha Brichu bereiken, we er onbeperkt door verder kunnen komen, omdat we in deze drie onderscheidingen altijd kritiek en onthullingen hebben van de twee door de derde.

Door de Kutsha Brichu ontdek je Israel en de Oreitah, door Oreitah ontdek je Israel en Kutscha Brichu en door Israel ontdek je Kutsha Brichu en Oreitah en zo is het elke keer.

En later worden ze aan ons onthuld in de drie lijnen en ook in hoogte: Ibur, Yenika en Mochin.

En ook in tijden: verleden, heden en toekomst.

En meer en meer zulke onderscheidingen, waar de Schepper en het schepsel en de relatie tussen de twee deze drie parameters bepalen.

Zij geven het voelen, het waarnemen van realiteit.

 

Shamati # 7 Wat Betekent Het Dat Gewoonte Een Tweede Natuur Wordt In Het Werk

Ik hoorde in 1943

Door iets tot een gewoonte maken wordt dat iets een tweede natuur voor die persoon. Daarom is er niets waarvan men de werkelijkheid niet kan voelen. Dit betekent dat, hoewel men iets niet kan waarnemen, men toch zover komt het te voelen door gewend te raken aan dat iets.

We moeten weten dat er een verschil is tussen de Schepper en de schepselen wat waarnemingen betreft. Voor de schepselen is er de voeler en wat gevoeld wordt, degene die bereikt en wat bereikt wordt. Dit betekent dat we een voeler hebben die verbonden is met de een of andere werkelijkheid.

Echter, een werkelijkheid zonder een voeler is alleen de Schepper Zelf. In Hem "is er geen enkele gedachte en waarneming." Dit is niet zo met een mens, zijn hele bestaan is er alleen door het waarnemen van de werkelijkheid. Het waarheidsgehalte van de werkelijkheid wordt zelfs alleen maar beschouwd als geldig met betrekking tot degene, die de werkelijkheid voelt.

Met andere woorden, wat de voeler proeft is wat hij beschouwt als waarheid. Als men een bittere smaak proeft in de werkelijkheid, wat betekent dat men zich slecht voelt in de situatie waarin men zich bevindt en dat men lijdt vanwege die situatie, wordt die mens beschouwd als een dwaas in het werk. Dit is zo omdat hij de Schepper veroordeelt, omdat Hij immers 'Goedgunstig' genoemd wordt, omdat Hij alleen goedheid geeft aan de wereld. Met betrekking tot het gevoel van die persoon, voelt die mens echter dat hij het tegengestelde heeft ontvangen van de Schepper, namelijk: de situatie waarin hij zich bevindt is slecht.

Wij moeten daarom begrijpen wat onze wijzen schreven (Berachot 61): "De wereld werd alleen geschapen voor compleet dwazen of compleet rechtvaardigen". Het betekent het volgende: Of men proeft en voelt een goede smaak in de wereld en dan rechtvaardigt men de Schepper en zegt dat God alleen goedheid geeft aan de wereld, of men is een dwaas als men een bittere smaak voelt en proeft in de wereld. Dit is zo omdat men de Schepper veroordeelt.

Het blijkt dat alles wordt gemeten naar wat men waarneemt. Al deze waarnemingen hebben echter geen betrekking op de Schepper, zoals gezegd wordt in het 'Gedicht van Eenmaking': "Als zij, zo zal je altijd zijn, tekortkoming en teveel zal in jou niet zijn." Dus, alle werelden en alle veranderingen zijn er alleen met betrekking tot de ontvangers, als men ze bereikt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

# 8 Wat is het Verschil tussen een Schaduw van Kedusha en een Schaduw van Sitra Achra?

 

Wat is het Verschil tussen een Schaduw van Kedusha en een Schaduw van Sitra Achra?

Er staat geschreven (Hooglied 2) "Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden". We moeten begrijpen wat schaduwen in het werk zijn en wat twee schaduwen zijn. Het is zo dat als men niet Zijn Voorzienigheid voelt, men niet voelt dat Hij de wereld leidt zodat het "Goed dat goed doet" is, dan wordt het als een schaduw geacht die de zon verbergt.Met andere woorden, terwijl de lichamelijke schaduw de zon verbergt, verandert het niets aan de zon, en de zon schijnt op volle kracht, dus iemand die het bestaan van Zijn Voorzienigheid niet voelt, wekt geen verandering op bovenin. Daaruit volgt dat er geen verandering bovenin is, zoals er geschreven staat, "Ik de Schepper verander niet."In plaats daarvan vinden alle veranderingen in de ontvangers plaats. We moeten twee dingen onderscheiden in die schaduw, in die verhulling.1. Als iemand nog steeds de vaardigheid heeft om de duisternis en de verhullingen die men voelt te boven te komen, de Schepper te rechtvaardigen en te bidden tot de Schepper, dat de Schepper zijn ogen zal openen om te laten zien dat alle verhullingen die men voelt van de Schepper komen, en dat de Schepper iemand dat alles aandoet zodat men zijn gebed kan vinden en kan verlangen om aan Hem verbonden te zijn. Dat is omdat alleen door het leed dat men van Hem ontvangt, wensen om los te breken van de problemen en te vluchten van de verschrikkingen, men dan alles doet wat hij kan. Daardoor, bij het ontvangen van de verhullingen en de beproevingen, is men zeker het bekende geneesmiddel te maken, om veel te bidden dat de Schepper hem zal helpen en hem zal voortbrengen uit de toestand waarin hij zich bevind. In die toestand gelooft men nog steeds in Zijn Voorzienigheid.2. Als iemand tot een toestand komt waarin hij niet langer kan overwinnen en zegt dat al het leed en pijn die hij voelt tot hem komen omdat de Schepper hem het gezonden heeft als een reden om in graad te stijgen, komt hij in een ketterse toestand. Dat is omdat men niet kan geloven in Zijn Voorzienigheid, en begrijpelijkerwijs kan men niet bidden.Het blijkt dat er twee soorten schaduwen zijn, en dat is de betekenis van "en de schaduwen vlieden," hetgeen betekent dat de schaduwen weg zullen vluchten van de wereld.De schaduw van Klipa (let. Schil) wordt "Een andere god is steriel en draagt geen vrucht." genoemd. In Kedusha (let. Heiligheid), echter, wordt het genoemd: "Onder zijn schaduw genoot ik te zitten, en zijn vrucht was zoet op mijn gehemelte." Met andere woorden, men zegt dat alle verhullingen en de beproevingen die iemand voelt zo zijn omdat de Schepper hem die situaties gegeven heeft zodat men een plek zou hebben om te werken boven de rede.Als iemand de kracht heeft om dat te zeggen, dat de Schepper hem dat veroorzaakt, in zijn voordeel, wat wil zeggen dat iemand door die dingen kan komen, en kan werken om te geven, en niet voor zichzelf, dan bereikt diegene bewustzijn. Met andere woorden, hij gelooft dat de Schepper specifiek van zijn werk geniet, welk geheel boven de rede is gebouwd.Het blijkt dat iemand niet tot de Schepper bidt dat de schaduwen zullen vluchten van de wereld. Men zegt eerder: "Ik zie dat de Schepper van mij wil dat ik met Hem werk op zo'n manier, wat geheel boven de rede is. "Daarom, in alles wat men doet, zegt men, "Natuurlijk geniet de Schepper van dit werk, dus waarom zou het mij uitmaken of ik in een toestand van verhulling van het gezicht werk?"Omdat iemand wil werken omwille van het geven, wat wil zeggen dat de Schepper zal genieten, heeft hij geen degeneratie van dit werk, een gevoel dat de Schepper niet van het werk geniet, als men in een toestand van verhulling van gezicht is. In plaats daarvan, gaat men akkoord met het leiderschap van de Schepper, dat wil zeggen, hoe de Schepper hem ook het bestaan van de Schepper wil laten voelen, hij gaat met zijn hele hart akkoord. Dat is omdat men niet overweegt wat hem kan vergenoegen, maar overweegt wat de Schepper kan vergenoegen. Daarom brengt die schaduw hem leven.Dat wordt genoemd, "Onder zijn schaduw genoot ik," wat betekent dat men een toestand begeert waarin enige zege kan plaatsvinden boven de rede. Daarom, als men zich niet inspant in een toestand van verhulling, als er nog steeds ruimte is om te bidden dat de Schepper hem dichterbij brengt, en hij verwaarloost dat, op die manier wordt hem een verhulling gezonden waarin iemand niet eens kan bidden. Dat is vanwege de zonde van het niet inspannen met alle macht om tot de Schepper te bidden. Om die reden komt men tot een toestand van zulke laagheid. Echter, nadat iemand tot die toestand gekomen is, krijgt hij medelijden van boven, en wordt hem nog een keer een opwekking van boven gegeven. Hetzelfde patroon begint opnieuw totdat men uiteindelijk sterk wordt in gebed, de Schepper zijn gebed hoort, en de Schepper hem bij Hem brengt, en hem hervormt.

 

# 9 Drie Dingen die de Geest Verrijken tijdens het Werk

 

Drie dingen die de geest verrijken tijdens het werk

De heilige Zohar interpreteert wat door onze wijzen geschreven is: “Drie dingen verrijken de geest: een mooie vrouw, een mooie woning en mooie Keliem (vert. Vaten).” De Zohar verklaart: “ Een mooie vrouw, dat is de Heilige Goddelijkheid, een mooie woning, dat is het hart, mooie Keliem, dat zijn de organen.”

De Heilige Goddelijkheid kan echter niet in haar ware vorm, een toestand van schoonheid en genade, verschijnen. Dat kan alleen als er mooie Keliem zijn; organen die ontstaan zijn vanuit het hart. Dit houdt in dat het hart eerst gezuiverd moet worden opdat het een mooie woning kan zijn. Daarom moet de wens om te ontvangen geannuleerd worden, en moet men zichzelf aanleren om alle handelingen alleen omwille van het geven te verrichten.

Op deze manier zullen mooie Keliem, oftewel de wensen van een mens, verschoond zijn van het ontvangen voor zichzelf. In plaats daarvan zullen ze puur zijn, klaar voor het geven.

Echter, als de woning niet mooi is zegt de Schepper: “Hij en ik kunnen niet in dezelfde ruimte verblijven.” Er moet namelijk een gelijkenis naar vorm zijn tussen het Licht en de Klie (vert. Vat). Wanneer iemand vertrouwen in de zuiverheid heeft, wordt hij daarom beloond met een mooie vrouw, oftewel de Heilige Goddelijkheid die in haar volle genade en schoonheid aan hem verschijnt. En dit zal de geest verrijken.

Met andere woorden, dankzij het plezier en de blijdschap die men ervaart, verschijnt de Heilige Goddelijkheid binnen de organen, en vult daarmee de binnenste en buitenste Keliem op. Dat is wat “verrijken van de geest” genoemd wordt.

De manier om dit te bereiken is door afgunst, gevoel en eer, die een mens buiten de wereld zullen plaatsen. Afgunst wil zeggen het benijden van de Heilige Goddelijkheid. Dit wordt beschouwd als “ijver” in “De ijver van de Heer der Heerscharen zal dit teweeg brengen.” (Jesaja 9:6) Eer verwijst naar het feit dat iemand een snelle toename van de glorie van de hemel wenst, en begeerte bij wijze van “Gij hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord” (Psalm 9:6).

 

# 12 De Essentie van het Werk van de Mens

 

De Essentie van het Werk van de Mens.

De essentie van het werk van de mens moet zijn om smaak te verkrijgen in het geven van tevredenheid aan zijn Maker, aangezien alles wat men voor zichzelf doet afstand schept van de Schepper, als gevolg van verschil in eigenschappen. Hoe dan ook, als men een handeling uitvoert omwille van de Schepper, zelfs maar de kleinste handeling, dan wordt het gerekend als een Mitzva (let. Voorschrift/goede daad).

Vandaar, de voornaamste inspanning van de mens zou moeten zijn om een kracht te verwerven die smaak in het geven doet voelen, welke ontstaat door middel van het verminderen van de kracht die smaak verleent in zelf-ontvangst. In zo'n toestand verwerft men langzaam aan de smaak in het geven.

 

# 13 Een Granaatappel

 

Een granaatappel

Een granaatappel, zei hij, gaat over wat onze Wijzen gezegd hebben, "Zelfs de ijdelen onder jullie worden zo gevuld met Mitzvot als een granaatappel. " (Iruvin 19). Hij zei: Rimon (granaatappel) komt van het woord Romemut (Verhevenheid), wat boven de rede betekent. Dus de betekenis zal zijn dat "de ijdelen onder jullie worden gevuld met Mitzvot." De mate van de vulling is de mate waarin men boven de rede kan gaan, en dit wordt Romemut genoemd.

Er is alleen leegte op een plek waar geen bestaan is, zoals staat geschreven: "hangt de aarde op – boven het niets." Ziet u wat de mate is van de vulling, van de lege plek? Het antwoord is: de mate van iemands verheffing boven rede.

Dit betekent dat de leegte gevuld moet worden met verhevenheid, dat wil zeggen met "boven de rede", en met het vragen aan de Schepper om die kracht. Het betekent dan, dat alle leegte geschapen is, dat wil zeggen dat iemand er alleen toe wordt gebracht zich zo te voelen, dat hij leeg is, om die leegte te vullen met de Romemut (Verhevenheid) van de Schepper. Met andere woorden, men moet alles boven de rede opvatten.

En dit is de betekenis van "en God handelt zodanig, dat men vreze voor Zijn aangezicht." Het betekent dat deze gedachten van leegte tot iemand komen om hem de behoefte te geven om het geloof boven rede op zich te nemen. En daarvoor hebben we de hulp van God nodig. Daaruit volgt dat men op dat moment de Schepper moet vragen om de kracht van geloof boven rede.

Het blijkt dat hij precies dan de Schepper nodig heeft om hem te helpen, aangezien het naar buiten gerichte verstand hem het tegenovergestelde laat begrijpen. Daarom heeft men geen ander redmiddel dan de Schepper om hulp te vragen.

Daarover is gezegd: "Iemands verlangen overmeestert hem elke dag; en was het niet dankzij de Schepper, dan zou men niet slagen." Daarom is er alleen dan de toestand waarin men begrijpt dat er niemand is om hem te helpen behalve de Schepper. En dit is "en God handelt zo, opdat men vreze voor Zijn aangezicht." Die vrees wordt ervaren als geloof, en alleen dan heeft men Gods redding nodig.

 

# 14 Wat is de Grootsheid van de Schepper?

 

Wat is de Grootsheid van de Schepper?

De grootsheid van de Schepper betekend dat men moet vragen van de Schepper, de kracht om {met geloof} boven het verstand uit te stijgen. Het betekend dat er twee interpretaties zijn van de grootsheid van de Schepper

A. Om niet te worden opgevuld met kennis, welke een intellect is waarmee men zijn eigen vragen kan beantwoorden. Eerder, men wilt dat de Schepper zijn vragen beantwoord. Het wordt "Grootsheid" genoemd omdat alle wijsheid van boven komt en niet van de mens, waarmee bedoeld wordt dat men zijn eigen vragen kan beantwoorden.

Alles waar men mee kan antwoorden wordt gezien als het antwoorden van alles met het uiterlijke verstand. Dit betekend dat de wens om te ontvangen begrijpt dat het waard is om aan Thora en Mitzvot te houden. Hoe dan ook, als het geloof boven verstand aanzet om te werken, wordt het "tegen de mening van de wens om te ontvangen" genoemd.

B. De grootsheid van de Schepper betekend dat men behoeftig wordt van de Schepper om zijn wensen te vervullen. Derhalve:

1. Men moet {met geloof} boven het verstand uitgaan. Aldus ziet men dat hij leeg is, en wordt vanzelfsprekend behoeftig aan de Schepper

2. Alleen de Schepper kan de mens de kracht geven om boven het verstand uit te stijgen. Met andere woorden, wat de Schepper geeft wordt, "De grootsheid van de Schepper" genoemd.

 

# 18 Wat Is In Het Werk: "In Het Geheim Zal Mijn Ziel Wenen"?

Ik hoorde in 1940, Jeruzalem

Als verhulling hem overweldigt, en hij raakt in een staat waarin hij geen smaak vindt in het werk, en hij kan zich geen liefde en vrees meer voorstellen of voelen, en hij kan niets in heiligheid doen, dan kan hij alleen nog de Schepper smeken om mededogen, om het scherm over zijn ogen en over zijn hart weg te nemen.

De kwestie van het wenen is heel belangrijk. Zoals onze wijzen zeggen: "Alle poorten werden gesloten behalve de poort van de tranen." Daarover vraagt de wereld: wat is het nut dan van poorten, als de poort van de tranen niet dicht is? Hij zei, het is als iemand die aan zijn vriend iets vraagt wat hij nodig heeft. Dit voorwerp raakt zijn hart en hij vraagt erom langs alle mogelijke wegen van bidden en smeken. Maar zijn vriend slaat daar geen acht op. En als hij ziet dat bidden en smeken geen zin meer heeft, dan verheft hij zijn stem en weeklaagt.

Daarover is gezegd: "Alle poorten werden gesloten, behalve de poort van de tranen". Wanneer dan is de poort van de tranen niet gesloten? Juist wanneer alle andere poorten gesloten zijn. Dan is er plaats voor de poort van de tranen, en dan zien wij dat hij niet dicht is.

Wanneer de poort van het bidden open is, dan is de poort van het weeklagen niet van belang. Dan heet het dat de poort van de tranen gesloten is. Wanneer dan is de poort van de tranen niet gesloten? Juist wanneer alle andere poorten dicht zijn, dan is de poort van de tranen open. Want anders is er nog plaats voor bidden en smeken.

Dit is de betekenis van: "In het geheim zal mijn ziel wenen", dat  in een staat van verhulling "mijn ziel zal wenen", want dan is er geen andere uitweg. Dat is de betekenis van: "Wat uw hand met uw eigen kracht kan volbrengen, dat zult gij doen."

 

# 64 Vanuit Lo Lishma naar Lishma

 

Vanuit Lo Lishma naar Lishma

Vanuit Lo Lishma komt men tot Lishma. Als we goed opletten, kunnen we zien dat de periode van Lo Lishma de meest belangerijke periode is, aangezien het makkelijker is om de handeling met de Schepper te verbinden.

Dit komt omdat in Lishma men zegt dat hij deze goede daad deed omdat hij de Schepper in zijn totaliteit dient, en al zijn handelingen zijn voor de Schepper. Met als gevolg dat hij de eigenaar is van de handeling.

Hoe dan ook, wanneer men tot Lo Lishma komt, doet men de goede daad niet voor de Schepper. Het blijkt dus dat men niet tot Hem kan komen met een klacht dat hij een beloning verdient. Aldus, voor hem is het dat de Schepper tot hem niets verschuldigd is.

Maar zie, waarom deed hij die goede daad? Alleen omdat de Schepper hem een mogelijkheid gaf dat deze SAM hem zou overhalen en te doen dwingen het te doen.

Bijvoorbeeld, als mensen langs zijn huis komen, en men schaamt zich doelloos over te komen, pakt men een boek en studeert Thora. Aldus, voor wie studeert hij Thora? Het is niet omwille van de Mitzva van de Schepper, om begunstiging te vinden in de ogen van de Schepper, maar voor de gasten die binnen zijn terrein kwamen, om begunstiging te vinden in de ogen van de mens. Aldus, hoe kan men dan een beloning van de Schepper verwachten dankzij deze Thora waar hij zich mee ophield voor zijn gasten?

Met als gevolg voor hem werd de Schepper hem niets verschuldigd, en in plaats daarvan, kan hij zijn gasten de rekening sturen, opdat zij hem een beloning zouden geven, oftewel hem te eren voor het studeren van de Thora. Hoe dan ook, men kan de Schepper in geen enkel opzicht in debet doen staan.

Wanneer men zichzelf analyseerd, en uiteindelijk zegt, "Ik houd me nu op met Thora", de reden afklopt, waarmee de gasten bedoelt worden, en zegt dat hij nu voor de Schepper alleen werkt, moet men onmiddelijk zeggen dat alles van boven wordt geleidt. Het betekend dat de Schepper hem toewenste zich op te houden met Thora, en dat hij het niet waard is om een element van waarheid te verkrijgen, om berhaupt waarheid te krijgen, zie, de Schepper voorzag hem met een valse reden, en door deze reden houdt men zich op met Thora.

Het volgt, dat de Schepper en niet het individu de bestuurder is. Dan, des te meer, moet men de Schepper prijzen dat zelfs in zulks een toestand van laagheid waarin hij zich verkeerd, de Schepper hem niet verlaat en hem kracht geeft, waarmee de brandstof om zich op te willen houden met woorden van Thora bedoelt wordt.

Je ontdekt dat wanneer men aandacht aan deze handeling besteedt, dat men opmerkt dat de Schepper de bestuurder is, in de vorm van, "Alleen Hij doet en zal alle daden doen." Nog beter zelfs, men steekt geen enkele moeite in de goede daad. Alhoewel men die Mitzva uitvoerd, doet hij het niet voor een Mitzva, maar voor een ander doel, de mens, de handeling ontstond uit de afscheiding.

De waarheid is dat de Schepper het doel is en Hij de reden is dat hem doet handelen, maar de Schepper is van hem ontnomen in een andere kledij, niet in de kleding van een Mitzva, maar om een andere vrees of een andere liefde. Met als gevolg, dat tijdens de gehele Lo Lishma, het makkelijker is om de goede daad toe te wijzen en te zeggen dat de Schepper de oorzaak is van de goede daad, en niet de mens.

Dit is makkelijker, want men wilt het niet omwille van een Mitzva doen, maar om een andere reden. Hoe dan ook, in Lishma, weet men in zichzelf dat hij werkt omwille van de Mitzva.

Dit betekend dat hij zelf de oorzaak was, bedoelende omwille van een Mitzva, maar niet omdat de Schepper hem het idée gaf en het verlangen om de Mitzva uit te voeren in zijn hart, maar hij zelf koos het. De waarheid is dat het allemaal gedaan werd door de Schepper, derhalve kan zelfbeschikking door de mens niet bemachtigd worden dan vóór het bemachtigen van de kwestie "Beloning - Straf".

 

# 30 Het Voornaamste is om Alleen Maar te Willen Geven

 

Het voornaamste is om alleen maar te willen geven

Het voornaamste is om niks anders te willen dan te geven vanwege Zijn grootheid, omdat om het even welke ontvangst ontsierd is. Het is onmogelijk om het ontvangen te verlaten op een andere manier dan via het andere uiterste: het geven.

De drijfkracht, oftewel de groter makende kracht die dwingt om te werken is alleen Zijn grootheid. Men moet geloven dat het uiteindelijk onvermijdelijk is dat deze krachten en dit werk gegeven zijn, maar dat men door deze krachten wel enige mate van voordeel en behagen kan verkrijgen. Met andere woorden, men kan met kracht en inspanning een beperkt lichaam tevreden stellen – dit wordt beschouwd als een tijdelijke gast-, of een eeuwige, wat betekent dat de energie in het eeuwige verblijft.

Het is te vergelijken met een persoon die het vermogen heeft om een heel rijk op te bouwen, maar slechts een hut bouwt die uiteindelijk door een zware wind verwoest wordt. Alle krachten zijn verspild. Echter, indien iemand in Kedoesja (let. Heiligheid) verblijft, verblijven alle krachten ook in eeuwigheid. Het fundament zou alleen omwille van het doel ontvangen mogen worden, en alle andere fundamenten zijn ongeschikt.

De kracht van geloof is voldoende voor een mens om in de vorm van het geven te werken. Dit betekent dat hij gelooft dat de Schepper zijn werk ontvangt, hoewel het werk in zijn eigen ogen niet zo belangrijk is. Desalniettemin ontvangt de Schepper alles. Als men het werk aan Hem toekent, zal Hij al het werk verwelkomen en accepteren, ongeacht de aard ervan.

Daarom is geloof niet genoeg voor hem als hij het gebruikt bij wijze van ontvangen, wat betekent dat hij twijfels in het geloof ervaart. De reden daarvoor is, dat ontvangen niet de waarheid is en in feite heeft hij zelf niks aan het werk; alleen de Schepper zal er iets aan hebben.

Vandaar dat de twijfels die een mens heeft terecht zijn. Met andere woorden, de vreemde gedachten die bij hem opkomen zijn gegronde argumenten. Echter, als hij het geloof wil gebruiken om de weg van het altruïsme te bewandelen, zal hij in zijn geloof zeker geen twijfels ervaren. Indien een mens twijfels heeft, moet hij weten dat hij waarschijnlijk niet de weg van het geven bewandelt, want voor geven is geloof voldoende.

 

# 51 Wanneer u Deze Schurk Ontmoet

 

Wanneer u deze Schurk ontmoet

"Wanneer u deze schurk ontmoet, sleep hem dan naar het seminarium, enz. en zo niet, herinner hem dan aan de dag van het sterven." Het houdt in dat hij hem eraan zal herinneren dat het werk in de plaats zou moeten zijn waar hij niet  gevonden wordt, welke na zijn eigen huid komt. Dit wordt werken buiten zijn lichaam genoemd, dat hij geen één enkele gedachte over zijn eigen lichaam heeft.

 

# 144 Er is een Bepaald Volk

 

Er is een bepaald volk

Er is een bepaald volk verspreid in het buitenland en verspreid tussen de volkeren." Haman zei dat in zijn optiek, we zullen slagen in het vernietigen van de Joden omdat zij gescheiden zijn van elkaar; vandaar dat onze kracht tegen hem zeker zal slagen, omdat het de scheiding van de mens en God veroorzaakt. En de Schepper zal hen toch niet helpen, aangezien ze van Hem gescheiden zijn. Dat is waarom Morderchai die fout ging corrigeren, zoals het is uitgelegd in het vers, De Joden verzamelden," etc., om hen te verzamelen, en om voor hun leven op te komen." Dit betekent dat ze zich hadden gered door eenheid te scheppen.

 

# 58 Vreugde is een “Weerspiegeling” van Goede Daden

Vreugde is een “reflectie” van goede daden. Als de daden van Kedusha (let. Heiligheid) zijn, dan verschijnt vervolgens vreugde. Maar, we moeten weten dat er ook een onderscheiding van een Klipa (let. Schil) is. Om te weten te komen of het Kedusha is, bestaat er de toets dat er een reden “in de geest” van Kedusha is, en er geen reden is in de Sitra Achra (let. Andere Zijde), dit omdat een andere god steriel is en geen vrucht draagt. Daarom, wanneer iemand door zaligheid komt, zou hij de woorden van de Tora moeten onderzoeken om zo de geest(gedachte) van de Tora te ontdekken.

We moeten ook weten dat vreugde onderscheiden wordt als sublieme lichtendheid wat verschijnt door MAN1, wat goede daden is. De Schepper veroordeelt men waar men is. Met andere woorden, als men zich de last van het Koninkrijk der Hemelen voor de eeuwigheid op zich neemt, dan vindt daar een onmiddellijk sublieme lichtendheid op plaats.

Zelfs als iemand duidelijk ziet dat hij snel van zijn graad zal vallen, veroordeelt De Schepper hem nog steeds waar hij is. Het betekent dat als men nu beslist heeft om zich de last van het Koninkrijk der Hemelen voor de eeuwigheid op zich te nemen, dat het als volkomenheid beschouwd wordt.

Echter, als men de last van het Koninkrijk der Hemelen op zich neemt en niet wil dat die toestand voor altijd in hem blijft, dan wordt deze zaak en deze daad niet als volkomenheid beschouwd, en natuurlijkerwijze, kan het Hoge Licht niet komen en rusten. Dat is omdat het volledig en eeuwig is, en het niet zal veranderen. Bij een persoon echter, zelfs als hij het wil, zal de toestand waarin hij zich bevindt niet eeuwig zijn.

 

[1]  afkorting voor Mayin Nukvin – let. Vrouwelijke Wateren.

 

# 55 Haman van de Thora, van Waar?

 

Haman van de Thora, van waar?

Haman van de Thora, van waar? “Heeft gij gegeten van de boom, waarover Ik je had bevolen dat gij niet van zou eten?” (Genenis 3:11). We moeten begrijpen wat het verschil is tussen Haman en Ets ha Daat (Boom des Kennis). Ets ha Daat wordt gezien als de grote toestand van ontvangst, dat zich niet in Kedoesja bevindt (Heiligheid) en moet worden ondergebracht in Kedoesja door middel van correcties.

De onderscheiding Haman is ook de toestand van grote ontvangst, zoals staat geschreven, dat Haman zei, “Wie zal de koning vergenoegen,” de Koning van de wereld, “om te eren dan ikzelf?” Er wordt mee bedoelt dat het onderscheiden wordt als de grote toestand van ontvangst, en dit wordt onderscheiden als, “En zijn hart werd opgeheven in de wegen van de Heer.”

 

# 213 Het Openbaren van het Verlangen

 

Het Openbaren van het Verlangen

Het fundamentele, primaire principe is om de wil te vergroten, want dat is het fundament waarop het gebouw rust en de kracht van de constructie wordt bepaald door de kracht van zijn fundament.

Vele dingen doet de mens aanzetten tot arbeid, maar ze beogen niet het doel. Derhalve schaadt het fundament het gehele gebouw. Desalniettemin komt men van Lo Lieshma naar Lieshma, het verlengt derhalve alsnog de tijd om terug in de juiste richting te komen. Daarom moet het doel altijd vóór ogen blijven. Er staat geschreven: "Ik zie de Heer altijd vóór mij", en diegene die thuis blijft is niet zoals diegene die voor de koning staat. Hij die gelooft in de realiteit van de Schepper, die gelooft dat het land gevuld is met Zijn glorie, zulks een man is gevuld met liefde en ontzag, en heeft geen voorbereidingen of naleving nodig, alleen om zichzelf weg te cijferen voor de koning, net zoals we zien dat hij die werkelijk van zijn vriend houdt, alleen het beste voor hem denkt en ontwijkt alles dat niet voordelig is voor zijn vriend. Dat alles wordt gedaan zonder enige gedachte, want het is zo vanzelfsprekend als de liefde van een moeder voor haar kind, die alleen haar kind wenst te begunstigen en geen enkele voorbedachte rade er voor nodig heeft, want geen instinct heeft een verstand nodig daar het werkt op de zintuigen zelve. De zintuigen zijn natuurgetrouw toegewijd, als gevolg van de liefde aan een object geven zij er hun hart en ziel voor totdat zij hun doel hebben bereikt, waar anders hun leven geen leven voorsteld.

Aldus wie voelt dat hij in volledigheid is, dan betekend het dat hij geloof heeft. En als men niet voelt dat hij vóór de Koning staat, dan is men tegengesteld aan Hem. Dus, men moet eerst slavernij afwegen, en men moet geen spijt hebben dat hij niet genoeg geloof heeft, daar de wil voor het geloof het fundament er voor is en men zou moeten bidden om arbeid en streven om dat verlangen te voelen, want als men niet dit verlangen heeft, dan heeft men niet het vat om de vulling te ontvangen. Men moet geloven dat de Schepper ons elk gebed hoort en dat men zal worden geborgen door uitvoerig geloof.

 

# 98 Dat Wat Nooit Verloren Zal Gaan Heet Spiritualiteit

 

Dat wat nooit verloren zal gaan heet spiritualiteit 

Spiritualiteit wordt datgene genoemd wat nooit verloren gaat. Daarom wordt de wens om de ontvangen, in haar eigen vorm, omwille van het ontvangen, het materiële genoemd. Het wordt zo genoemd omdat deze vorm verloren gaat en de vorm omwille van het geven het zal overnemen.

Een echte plaats in het geestelijke wordt een plaats van de realiteit genoemd aangezien ieder die daar komt, naar die plek, daar dezelfde vorm ziet als iemand anders. Maar, een verbeelding van een plaats wordt geen echte plaats genoemd omdat het imaginair is, en iedereen zich het vervolgens op een andere manier voorstelt.

Als we refereren aan de zeventig gezichten van de Tora, dan betekent het dat ze zeventig gradaties zijn. In elke gradatie wordt de Tora geïnterpreteerd naar het niveau waar men zich in bevind. Echter, een wereld is een realiteit, dat wil zeggen dat ieder die één van de zeventig gradaties bereikt in die wereld, dezelfde vorm verkrijgt als alle anderen die daar kwamen.

Daaruit volgt wat onze wijzen zeiden, die de verzen van de Tora interpreteerden. Ze zeggen dat Abraham dit tegen Izaäk zei, en andere vergelijkbare gezegdes van onze wijzen, als ze vertellen wat er uitgelegd wordt in de verzen.

“Hoe wisten ze wat ze tegen elkaar zeiden?”, vraagt men dan. Maar omdat zij het niveau bereikt hebben waarop Abraham stond, of maakt niet uit wiens niveau, zien ze en weten ze wat Abraham zag en wist.

Om die reden weten ze wat Abraham zei, en op de zelfde wijze weten ze het in alle gezegdes van onze wijzen toen ze de verzen van de Tora interpreteerden. Dat was allemaal omdat ook zij de graad verkregen hadden, en elke gradatie in geestelijkheid een realiteit is. Iedereen ziet de realiteit, omdat iedereen die naar de stad Londen in Engeland komt, ziet wat in de stad is en hoort wat er gezegd wordt.

 

# 205 Lishma is een Ontwaken vanuit het Hogere

 

Lishma is een ontwaken vanuit het Hogere

Het is voor het menselijk brein niet mogelijk te begrijpen hoe Bchienat Lishma bereikt kan worden. Dat komt doordat het slechts is toegestaan te begrijpen, dat indien men zich verdiept in Thora en Mitzvot, men daardoor iets begint te bevatten.

Lishma is echter een illuminatie vanuit het Hogere, en alleen degene die het proeft kan het weten en begrijpen. Daarover staat geschreven: “Proef, en zie dat de Heer goed is.” (Psalm 34:8)

Daarom moet uiteengezet worden waarom iemand advies en raad zou vragen als het gaat om het bereiken van Lishma. Immers, geen raadgeving zal hem helpen, en als God het hem niet geeft in de vorm van een tweede natuur, de “Wens om te Geven” genaamd, dan zal geen enkel werk hem helpen Lishma te bevatten.

Het antwoord is, zoals gezegd is (Avot hoofdstuk 2): “Het is niet aan jou gegeven het werk te voltooien, en je bent ook niet vrij om het stil te laten liggen.” Dit betekent dat het ontwaken van beneden moet worden opgewekt, omdat dit wordt waargenomen als gebed.

Gebed wordt beschouwd als een teken van gebrek, en zonder dit gebrek kan er geen vervulling bestaan. Vandaar dat wanneer er een behoefte aan Lishma is de vervulling vanuit het Hogere komt, net zoals het antwoord op een gebed vanuit het Hogere komt. Dit houdt in dat men een vervulling voor het gebrek ontvangt. Het blijkt dat er werk nodig is om Lishma van de Schepper te ontvangen, in de vorm van een gebrek en een Klie (vert. Vat). Toch is het onmogelijk om de vervulling op eigen hand te verkrijgen; het is eerder een zegen van God.

Het gebed moet echter volledig en oprecht zijn, vanuit het diepste van het hart. Men moet honderd procent zeker weten dat er niemand is die hem kan helpen behalve de Schepper Zelf.

Maar, hoe kan een mens dan weten dat alleen de Schepper hem kan helpen? Hij kan een bewustzijn ontwikkelen door alle mogelijke inspanningen te leveren, en te merken dat dit in het geheel niet geholpen heeft. Daarom moet hij in deze wereld doen wat hij kan om te bevatten wat “omwille van de Schepper” is. Dan kan hij vanuit het diepste van zijn hart bidden, en dit gebed wordt door de Schepper gehoord.

Tijdens de inspanningen om Lishma te bereiken is het echter belangrijk om te onthouden, dat men het op zich neemt om te geven, wat inhoudt dat men alleen wil geven zonder iets te ontvangen. Want alleen dan wordt het duidelijk dat de organen het niet eens zijn met dit idee.

Van dat punt kan men komen tot het duidelijke besef dat er geen andere optie is dan de klachten voor te leggen bij de Schepper, opdat Hij zal helpen het lichaam ermee te laten instemmen dat het zich onvoorwaardelijk overgeeft, aangezien het lichaam er niet uit zichzelf toe bewogen kan worden om zichzelf volledig weg te cijferen. Het blijkt dat, precies wanneer het gevoel opkomt dat er geen hoop is dat het lichaam overgehaald kan worden om uit zichzelf voor de Schepper te werken, het gebed daadwerkelijk oprecht en daarmee geaccepteerd wordt.

We moeten weten dat door het bereiken van Lishma, de slechte neiging ter dood gebracht wordt. Deze slechte neiging is de wens om te ontvangen, en het bevatten van de wens om te geven annuleert de wens om te ontvangen als voorwaarde om iets te kunnen doen. Dit wordt beschouwd als ter dood brengen. Aangezien de wens om te ontvangen van de troon gestoten wordt, en het nergens meer toe dient aangezien het buiten gebruik gesteld is en uit zijn functie verwijderd, wordt dit beschouwd als ter dood brengen.

Wanneer iemand zich afvraagt “Welk voordeel de mens heeft van al zijn arbeid, die hij verricht onder de zon” ( Prediker 1:3), dan ziet hij in dat het helemaal niet zo moeilijk is om zich aan Zijn Naam te onderwerpen, en wel om twee redenen:

1. Een mens moet zich, of hij het nu wil of niet, in déze wereld inspannen. En wat blijft er uiteindelijk over van alle pogingen die hij gedaan heeft?

2. Aan de andere kant, indien een mens Lishma wil werken ervaart hij ook tijdens het werk vreugde, in overeenstemming met de vers, “Toch hebt gij Mij niet aangeroepen, O Jakob, noch hebt gij u tegen Mij vermoeid, O Israël.” (Jesaja 43:22)

Ter gelijkenis hier het verhaal van een rijke man die uit de trein stapte met een klein tasje. Hij zette het tasje bij de plek waar alle handelaren hun bagage zetten, zodat kruiers ze naar het hotel konden brengen waar de handelaren overnachtten. De kruier was ervan uitgegaan dat de rijke handelaar zo’n klein tasje zelf wel zou meenemen zonder daar de hulp van een kruier bij nodig te hebben, en daarom nam hij een grote tas.

De handelaar wilde hem daar maar een klein bedrag voor betalen, zoals hij dat altijd deed, maar de kruier wilde het niet aannemen. Hij zei: “Ik heb een grote tas gedragen, het was zwaar werk waardoor ik uitgeput raakte, terwijl uw tas nauwelijks getild hoefde te worden. En toch wil je me er zo weinig voor betalen?”

De les die hieruit getrokken kan worden, is dat wanneer iemand zegt dat hij veel inspanning heeft moeten leveren toen hij zich aan Thora en Mitzvot hield, de Schepper hem dan zal antwoorden: “Gij hebt Mij niet aangeroepen, O Jakob.” Hiermee wordt bedoeld: het was niet mijn bagage die je hebt gedragen, de tas is van iemand anders. Aangezien je zoveel moeite had tijdens het uitvoeren van Thora en Mitzvot, moet je voor een andere baas hebben gewerkt; ga daarom maar naar hem toe opdat hij je uitbetaalt.

En dan wat bedoeld wordt met: “Noch hebt gij u tegen Mij vermoeid, O Israël.” Dat betekent dat het werk voor de Schepper niet als arbeid ervaren wordt, integendeel, het wordt gedaan met vreugde en een opgewekte stemming.

Echter, wie voor andere doelen werkt kan niet bij de Schepper klagen dat Hij hem geen vitaliteit geeft tijdens het werk, omdat hij niet voor de Schepper werkt en niet Hem voor het werk laat betalen. In plaats daarvan kan hij gaan klagen bij de mensen waar hij voor gewerkt had, opdat die hem vreugde en vitaliteit verschaffen.

Omdat er in Lo Lishma zoveel verschillende doelen zijn, moet men van het doel waarvoor gewerkt wordt eisen dat er een beloning volgt in de vorm van vreugde en vitaliteit. Daarover is gezegd: “Dat die ze maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.” (Psalm 135:18)

Dit is echter verwarrend. We zien immers dat, zelfs als iemand de zware last van het Koninkrijk der Hemelen op zich neemt zonder andere intenties, en toch nog geen levenskracht voelt zodat hij kan zeggen dat deze volharding hem dwingt om de last van het Koninkrijk der Hemelen op zich te nemen, dan is de enige reden voor het dragen van de last dat hij door geloof boven verstand gaat.

Met andere woorden, het gebeurt door een dwingende manier van overwinnen, tegen de eigen wil in. Dan kunnen we ons afvragen: waarom voelt het aan als zwaar werk en zoekt het lichaam elke minuut naar een ogenblik om van dit werk verlost te zijn, omdat het werk geen gevoel van leven teweegbrengt? Als uit het bovengenoemde volgt, dat wanneer een mens nederig te werk gaat, en als enige doel het werken omwille van het geven heeft, waarom geeft de Schepper hem dan geen smaak van vitaliteit in het werk?

Het antwoord hierop is dat dit ter wille van een grote correctie is. Als het Licht meteen zou schijnen zodra iemand de last van het Koninkrijk der Hemelen op zich neemt, dan zou diegene levenskracht in het werk ervaren. Met andere woorden, de wens om te ontvangen zou dan bereid zijn om met het werk in te stemmen.

In die toestand zou hij absoluut toestemmen omdat hij zijn verlangen wil verzadigen, wat inhoudt dat hij voor eigen gewin zou werken. Als dat het geval was geweest, zou er nooit een echte mogelijkheid zijn geweest om Lishma (vert. in Haar Naam) te bereiken.

Dat komt omdat men in zo’n geval gedwongen wordt om egoïstisch te werken, aangezien er meer plezier ervaren wordt in het werk voor God dan in lichamelijke wensen. Op die manier zal men in Lo Lishma (vert. Niet in Haar Naam) blijven, aangezien het werk een gevoel van voldoening geeft. Waar voldoening is gevonden kan niet langer gewerkt worden, net zo min als er zonder beoogde winst geen werkzaamheden verricht kunnen worden. Hieruit volgt, dat indien men voldoening in het werk Lo Lishma ervaart, men gedwongen wordt in deze toestand te blijven.

Het is zoals gezegd wordt: als mensen achter een dief aan rennen om hem te pakken te krijgen, dan rent de dief zelf ook en roept: ”Houdt de dief!” Het is dan onmogelijk om de echte dief nog aan te houden en het gestolen goed weer terug te krijgen.

Maar als de dief, oftewel de wens om te ontvangen, geen smaak proeft en geen levenskracht voelt, in de taak om de last van het Koninkrijk der Hemelen op zich te nemen, dan kan hij nog altijd met geloof boven verstand te werk gaan. Het lichaam raakt eraan gewend om zonder de wens om te ontvangen te werken, en dan heeft men de middelen om een handeling te verrichten met als enige doel om de Schepper tevreden te stellen.

Dat is noodzakelijk omdat de primaire taak van een mens het bereiken van Dvekut (vert. Adhesie) met de Schepper is. Dit wordt waargenomen als een gelijkenis naar eigenschappen, wat zich manifesteert in het feit dat alle daden alleen omwille van het geven zijn.

In Jesaja 58;14 staat: “Dan zult gij vreugde beleven aan de Heer.” De betekenis van ‘dan’ is dat er eerst, bij de aanvang van het werk, geen vreugde gevoeld werd. Het werk was toen kunstmatig.

Maar dan, wanneer een mens gewend is aan het werk omwille van het geven zonder steeds zijn motieven te moeten onderzoeken, als hij de smaak te pakken heeft en gelooft dat hij met zijn werk zijn Maker tevredenstelt, dan moet die mens geloven dat de Schepper dit werk vanuit het lagere accepteert, onafhankelijk van de mate en de vorm van de verrichte arbeid. De Schepper onderzoekt in elke situatie de intentie; dat stelt Hem tevreden, en dan schenkt Hij “Dan zult gij vreugde beleven aan de Heer.”

Zelfs gedurende het werk voor God ervaart een mens nu vreugde en plezier, aangezien hij nu echt voor de Schepper werkt omdat de pogingen die hij tijdens de kunstmatige handelingen deed hem in staat stelden om serieus voor de Schepper te kunnen werken. Het zal ook op dat moment blijken dat elk genoegen dat men ontvangt betrekking heeft op de Schepper, dat wil zeggen, speciaal voor de Schepper bedoeld is.

 

# 200 De Zuivering van de Masach

 

De zuivering van de Masach

De Hizdakchut (zuivering) van de Masach (scherm), die in de Partzuf plaatsvindt, brengt ook het vertrek van het Licht voort. En de reden is dat na de Tzimtzum (restrictie), het Licht alleen gevangen wordt in de Kli van de Masach, de afwijzende kracht. En dit is de essentie van de Kli.

En als die Kli weggaat, gaat het Licht ook weg. Dit betekent dat een Kli beschouwd wordt als geloof boven rede. En dan verschijnt het Licht. En als het Licht verschijnt, is het zijn natuur om de Kli te zuiveren, om de Kli van geloof op te geven. Omdat dit zo is, dat het in een vorm van kennis in hem komt, verlaat het Licht hem onmiddellijk. Daarom zou hij moeten toezien op het verhogen van de Kli van geloof, de Masach over de kennis, en dan zal de overvloedigheid niet stoppen van hem.

En dit is de betekenis van elke Kli die een gebrek heeft aan Licht, die niet gevuld is door het Licht dat het mist. Hieruit volgt dat elke plek van schaarste een plek van geloof wordt. Als het gevuld zou zijn, zou er geen mogelijkheid zijn voor een Kli, een plek voor geloof.

 

# 28 Ik Zal Niet Sterven, Maar Leven

 

Ik zal niet sterven maar leven

Om in het vers, “Ik zal niet sterven maar leven” de waarheid te kunnen bereiken, moet hij voelen dat als hij niet de waarheid verkrijgt hij zich dood voelt, omdat hij wil leven. Dit betekent dat het vers “Ik zal niet sterven maar leven” over hen gaat die de waarheid willen verkrijgen.

Dit is de betekenis van “Jonah Ben (zoon) van Amithai.” Jonah is afgeleid van het Hebreeuwse woord Honaa (Valsheid), en Ben (zoon) van het Hebreeuwse woord Mevin (Begrijpt). Iemand begrijpt het omdat hij de situatie waarin hij verkeert altijd onderzoekt en ziet dat hij zichzelf in de maling neemt, dat hij niet loopt op het pad van waarheid.

Dit komt omdat waarheid geven betekent, oftewel Lishma. Het tegenovergestelde is valsheid en bedrieglijkheid, oftewel alleen om te ontvangen, wat gelijk staat aan Lo Lishma. Daardoor verkrijgt men later “Amithai”, ook wel Emet (Waarheid).

Dit is de betekenis van “je ogen zijn als duiven.” De Eynaim (Ogen) van Kedusha (Heiligheid), genaamd Eynaim van de Heilige Goddelijkheid, zijn Yonim (Duiven). Zij bedriegen ons en we denken dat ze geen Eynaim heeft, zoals staat geschreven in de Heilige Zohar, “Een eerlijk meisje zonder ogen.”

De waarheid is dat iemand die de waarheid verkregen heeft wel degelijk ziet dat zij ogen heeft. Dit is de betekenis van “Een bruid met mooie ogen, haar hele lichaam vergt geen onderzoek.”

 

# 25 Dingen die uit het Hart Komen

Dingen die uit het hart komen

Dingen die uit het hart komen, komen het hart binnen. Waarom zien we dan dat zelfs als dingen het hart al zijn binnengekomen,dat iemand nog steeds van zijn graad valt?

Het punt is dat als men de woorden van de Tora van zijn leraar hoort, iemand onmiddellijk akkoord gaat met zijn leraar, en probeert om de woorden van zijn leraar waar te maken met zijn hart en ziel. Daarna, als hij in de wereld komt, ziet hij, begeert hij, en wordt geïnfecteerd door de menigte van verlangens die de wereld rondgaan, en hij, zijn gedachten en zijn hart, zal zich tenietdoen voor de meerderheid.

Zolang hij geen kracht heeft om de wereld tot een schaal van verdienste te veroordelen, onderdrukken zij hem. Hij vermengt in hun verlangens en wordt als een schaap geleid voor de slacht bestemd. Hij heeft geen vrije keuze en is gedwongen te denken, willen, verlangen en eisen alles wat de meerderheid eist. Hij kiest dan hun vreemde gedachten en hun walgelijke lusten en verlangens, vreemd voor de geest van de Tora.

In plaats daarvan, is er maar één raad dan, om vast te houden aan zijn leraar en de boeken. Dit wordt "Uit de mond van boeken en uit de mond van auteurs." Alleen door vast te houden aan hen kan iemand zijn gedachten en wil positief veranderen. Echter, gevatte argumenten zullen hem niet helpen zijn gedachten te veranderen, maar alleen de remedie van adhesie, omdat dit het wonderlijkste geneesmiddel is wat hervormd.

Alleen terwijl men in heiligheid is kan men met zichzelf redetwisten, en zich in slimme polemiek storten, bewerend dat zijn geest (gedachten) het voorschrijft dat hij altijd in het pad van God zou moeten lopen. Echter, men zou moeten weten, dat zelfs als hij wijs is en zeker dat hij deze mentaliteit kan gebruiken om de Sitra Achra (inclinatie van het kwaad) te verslaan, men in de gaten moet houden dat dit waardeloos is.

Er is geen bepantsering die de oorlog met het verlangen kan verslaan, omdat al deze principes niks anders zijn dan een gevolg wat iemand verkregen heeft na de net genoemde adhesie. Met andere woorden, alle principes waarop hij zijn gebouw bouwt, die zeggen dat u altijd moet volgen in het pad van God, is gefundeerd op cohesie met zijn leraar. Verliest hij de fundering, dan zijn alle principes daarom zonder kracht; Ze zijn nu ongegrond.

Daarom moet men niet vertrouwen op zijn eigen geest (gedachten), maar nogmaals vasthouden aan boeken en auteurs, omdat alleen zij hem kunnen helpen, en niet mentaliteit en intellect, want zij zijn levenloos.

 

# 36 Wat zijn de Drie Lichamen in een Mens

 

Wat zijn de Drie Lichamen in een Mens

 

De mens bestaat uit drie lichamen:

A) Het innerlijke lichaam, welke de bekleding is voor de ziel van Kedoesja (let. Heiligheid).

B) De Klipa Noga (let. Schil).

C) De huid van de slang.

Om geredt te worden van de twee lichamen, zodat ze niet inmengen met Kedoesja, en dat men alleen zijn innerlijke lichaam kan gebruiken, de raad ervoor is dat er een remedie is, om alleen dingen te beschouwen die met het innerlijke lichaam te maken hebben.

Dat betekend dat de gedachten van de mens altijd moeten verblijven in enkelvoudige authoriteit, waarmee bedoeld wordt, “Er is niemand dan Hij”. Beter gezegd, Hij voert en zal alle handelingen uitvoeren en geen schepping in de wereld die de mens van Kedoesja afsnijdt.

En omdat men niet omwille van die twee lichamen denkt, sterven ze af, want ze hebben geen voeding en niets onderhoudt hen, aangezien de gedachten die we voor ze gebruiken hun voeding is. Dit de betekenis van, “in het zweet des aangezichts zult gij uw brood eten.” Vóór de zonde van de Boom van Kennis, was levendigheid niet afhankelijk van het brood. Er was immers geen noodzaak om licht en voedsel aan te trekken, want het was er al.

Echter, na de zonde, wanneer Adam haRishon vastgemaakt werd aan het lichaam van de slang, toen werd het leven vastgebonden aan het brood, waarmee bedoelt wordt dat er altijd weer nieuw voedsel moet worden aangetrokken. Mochten zij niet worden gevoed, sterven zij, en dit werd een grote correctie, om van die twee lichamen gered te worden.

Men moet dus met man en macht niet aan gedachten die betrekking tot hen hebben te denken, en misschien is dit het wat onze wijzen zeiden, “gedachten van zonde zijn hardnekkiger dan een overtreding,” want gedachten zijn hun voeding. Met andere woorden, zij ontvangen voeding van de gedachten die men over ze heeft.

Met moet alleen omwille van het innerlijk lichaam denken, want het is een kledij voor de ziel van Kedoesja. Dat betekend dat men gedachten moet denken die buiten zijn eigen huid zijn. Waarmee bedoelt wordt dat na de eigen huid buiten de eigen huid genoemd, oftewel buiten het eigen voordeel, maar alleen aan gedachten om andere te bevoordelen, en dit wordt na de eigen huid genoemd

Dit komt omdat na de eigen huid, er geen grip is voor de Klipot (enk. Klipa), want de Klipot hechten alleen aan datgene dat binnen zijn eigen huid is, datgene wat tot het eigen lichaam gerekend wordt, en niet buiten de eigen lichaam, genaamd buiten de eigen huid. Dat betekend dat zij grip hebben op alles dat binnen de kleding komt van het lichaam, en zij kunnen niets vasthouden dat niet binnen het lichaam kleedt.

Wanneer iemand doorzet met gedachten die na de eigen huid komen, wordt men beloond met wat geschreven is, “En wanneer na mijn huid dit is vernietigd, dan zal ik zonder mijn vlees God zien” (Job 19:26). “Dit” is de Heiligheid, en het bevindt zich na de eigen huid. “Vernietigd” betekend dat het gecorrigeerd is om “na mijn eigen huid” te komen. Op dat moment wordt men beloond met “Dan zonder mijn vlees zal ik God zien.”

Het betekend dat Kedoesja komt om het innerlijke van de lichaam te bekleden, juist wanneer men er over eens is om buiten zijn eigen huid te werken, zonder enige bekleding. Onrechtvaardigen willen echter juist werken wanneer er een bekleding aanwezig is in het lichaam, ookwel binnenin de huid genoemd, dan zullen zij zonder wijsheid sterven. Dit komt omdat zij geen kleding hebben en zij niets verdient hebben. Echter, het zijn juist de rechtvaardigen die de bekleding in het lichaam verdienen.

 

# 22 Thora Lishma (voor Haar Naam)

 

Tora Lishma (voor Haar Naam)

Tora wordt Lishma genoemd wanneer men leert om te weten met uiterste zekerheid, binnen de rede, zonder enige twijfel in het onderscheiden van de waarheid, dat er een rechter is, en een oordeel. Er is een oordeel betekent, dat men de werkelijkheid ziet zoals het tot onze ogen komt op het moment dat we werken in geloof en het geven. Op dat moment groeien we en verhogen we van dag tot dag omdat we altijd een goede verandering zien.

Daarentegen, wanneer we werken in een vorm van ontvangst en kennis, zien we dat we elke dag afdalen tot in de ultieme laagheid in de werkelijkheid.

Als we deze twee situaties onderzoeken zien we dat er een oordeel is en een rechter. Dat is omdat terwijl we niet de wetten van de Tora van waarheid volgen, we meteen bestaft worden. In die toestand zien we dat er een rechtvaardig oordeel is. Met andere woorden, we zien dat dit precies de beste en de bekwaamste weg is om de waarheid te bereiken.

Dat noemen we dat het oordeel rechtvaardig is, dat we alleen op die manier bij het uiteindelijke doel aan kunnen komen, wat wil zeggen begrijpen binnen de rede, met een compleet en absoluut begrip waarvan er geen hogere is, dat alleen door de manier van geloof en van het geven we het doel kunnen bereiken.

Daarom, als men om dit doel studeert, om te begrijpen dat er een oordeel is en een rechter, dan wordt het Tora Lishma genoemd. Dit is ook de betekenis van wat onze wijzen zeiden, “Groots is de studie die een handeling teweeg brengt.”

Hij lijkt erop dat er gestaan zou moeten hebben, “wat tot handelingen brengt”, dat we tot meerdere daden in staat zijn, in meervoud, niet één getal. Maar, het geval hier is dat zoals hierboven genoemd, de studie men één enkel geloof zou moeten brengen, en geloof wordt één Mitzva (let. gebod) genoemd, die de hele wereld tot verdienste veroordeelt.

Geloof wordt doen genoemd, omdat het algemeen geaccepteerd is, dat om iemand iets te laten doen, er eerst een reden moet zijn die hem daartoe drijft binnen de rede. Het is als de synergie tussen gedachte en handeling.

Echter, wanneer iets boven de rede is, dat de rede men niet toestaat om datgene te doen, maar integendeel, dan moet met zeggen dat er geen reden is in deze handeling, maar alleen een daad. Dit is de betekenis van “Als iemand één Mitzva verricht, is hij vrolijk, omdat hij zichzelf tot een schaal van verdienste heeft veroordeeld.” Dit is de betekenis van, “Groots is de studie die een handeling teweeg brengt,” een handeling zonder reden, genoemd boven de rede.

 

# 72 Vertrouwen is de Bekleding voor het Licht

 

Vertrouwen is de Bekleding voor het Licht

Vertrouwen is de bekleding voor het Licht, ook wel leven genoemd. Dit komt omdat er een regel is dat er geen Licht is zonder een vat. Vervolgens, dat het Licht, genaamd Licht des Leven niet kan kleden, maar in een vat moet worden bekleedt. Het vat waar het Licht des Leven is bekleedt wordt meestal "vertrouwen" genoemd. Wat betekend dat hij kan zien dat hij elk moeilijk ding aan kan.

Aldus, het Licht wordt gevoeld en herkend in het vat van vertrouwen. Naar de mate van vertrouwen dat er aangetroffen wordt, wordt het leven van de mens gemeten. Men kan de omvang van de vitaliteit in zichzelf vinden volgens het vertrouwen in hemzelf.

Om deze reden kan men in zichzelf zien dat zolang de vitaliteit hoog is het vertrouwen op elke ding schijnt, en hij ziet niets als obstakel in relatie tot wat hij wilt. Dit komt omdat het Licht des Leven, welke een kracht is van boven, op hem schijnt en hij kan werken met buitenmenselijke krachten aangezien het Hoge Licht niet gelimiteerd is zoals materiele krachten.

Hoe dan ook, wanneer het Licht des leven hem verlaat, waarvan wordt gezegd dat hij afgedaald is van zijn vorige niveau van vitaliteit, dan wordt hij een slimmerik en hongerd naar kennis. Hij begint het voordeel ervan te berekenen, is het wel of niet voordelig, en hij wordt temperamentvol en niet levendig, en sissend zoals hij was voordat hij begon te degraderen in zijn niveau van vitaliteit.

Aldus, men heeft niet de wijsheid om te zeggen dat al zijn slimmigheid, waarmee hij nu over alles denkt, komt omdat hij de geest van het leven verloren heeft zoals hij toen had. In plaats daarvan, denkt hij nu dat hij slim geworden is, niet zoals hij was voordat hij het Licht des leven verloren had wanneer hij roekeloos en zorgeloos was.

Maar, hij zou moeten weten dat alle wijsheid dat hij nu verkregen had tot hem kwam omdat hij de geest van het leven verloren had welke hij ervoor had. Voordien, meette hij alle handeling af met het Licht des leven dat de Schepper hem gegeven had, maar nu dat hij degradeerd, heeft het kwade beginsel de kracht om tot hem te komen met al hun "ware argumenten".

De raad hiervoor is dat men moet zeggen dat nu hij niet kan spreken met zijn lichaam en er mee kan discusseren. Hij moet zeggen, "Nu ben ik dood en ik wacht op de opstanding uit de dood." Dan moet hij boven zijn verstand beginnen te werken, waarmee bedoeld wordt, zeg tegen het lichaam, "Alles wat je zegt is waar, en ik heb geen rationeel antwoord voor jou. Hoe dan ook, ik hoop dat ik weer opnieuw kan beginnen. Nu neem ik Thora en Mitzvot op me en wordt een proseliet, onze wijzen zeggen, "een proseliet welke bekeerd is gelijkt aan een pasgeboren kind." Nu wacht ik op de redding van de Schepper. Hij zal me weldegelijk helpen en ik zal wedermaal in het pad komen van de heiligheid."

"Wanneer ik kracht uit heiligheid heb dan heb ik wat ik je wil antwoorden, maar nu tussentijds moet ik boven het verstand gaan want ik ben nog steeds zonder het verstand van heiligheid. Maar zie, je kan wel winnen met je intellect en er is niets dat ik er tegen kan doen dan te geloven in onze wijzen die zeiden dat ik Thora en Mitzvot moet volgen met geloof boven verstand. Ik moet welzeker geloven dat door de kracht van geloof ik van boven wordt geholpen, zoals onze wijzen zeggen, "Hij die komt om gereinigd te worden wordt geholpen."

 

# 6 Volharding in de Thora

 

Volharding in de Thora

Wanneer men de Torah studeert en al zijn handelingen in overeenstemming wil brengen met het geven, is het essentieel om ten alle tijden volharding in de Thora te beleven. Volharding wordt beschouwd als voeding, die zich manifesteert in liefde, angst, verrukking en vernieuwing, en dit alles hoort men uit de Thora te halen. De Thora zou, met andere woorden, deze uitwerking op een mens moeten hebben.

Echter, indien het studeren van de Thora níet dit effect op een mens heeft, wordt dit niet als Thora gedefinieerd. Dit omdat Thora verwijst naar het Licht dat erin bekleed zit, zoals gezegd is, “Ik heb de kwade neiging gecreëerd, en Ik heb de Thora gecreëerd, als een kruid.” (Talmoed: Kiddushin 30a). Dit verwijst naar het Licht dat erin zit, aangezien het Licht in de Thora een mens hervormt.

We moeten ook weten dat de Thora in twee waarnemingen verdeeld is: 1-Thora, 2-Mitzva. Het is zelfs onmogelijk om deze twee waarnemingen te begrijpen vóórdat men waardig geacht wordt Gods pad te bewandelen bij wijze van, “ Het verbond van de Heer is voor degenen, die Hem vrezen” (Thora, psalm 25:11). Dit is zo, omdat het voor iemand die zich in een voorbereidende periode voor het binnengaan van het Koninklijk Paleis bevindt, het niet mogelijk is om het Pad van de Waarheid te begrijpen.

Het is echter wel mogelijk om een voorbeeld te geven dat zelfs voor iemand die in de periode van voorbereiding zit enigszins begrijpelijk is. Het is gezegd ( Sutta 21): “Rabbi Josef zei, “ Een Mitzva verdedigt en behoudt wanneer het uitgevoerd wordt. Thora verdedigt en behoudt ook wanneer het niet uitgevoerd wordt.”

‘Uitvoeren’ verwijst hier naar een toestand waarin iemand enig Licht in zich heeft. Een mens kan het Licht dat hij verworven heeft slechts gebruiken als dit Licht nog in hem aanwezig is, daar hij zich nu in blijdschap bevindt aangezien het Licht voor hem schijnt. Dit heet Mitzva, wat betekent dat hij de Thora nog niet ontvangen heeft, maar slechts uit het Licht een leven van Kedusha (vert. Heiligheid) ontlokt.

Maar toch, met Thora, wanneer men een bepaalde weg in het werk bereikt heeft, kan deze bereikte weg gebruikt worden zelfs wanneer het nog niet uitgevoerd wordt. Dit betekent dat, zelfs wanneer iemand het Licht niet bevat, dit veroorzaakt wordt doordat alleen de lichtuitstraling niet meer in hem aanwezig is, terwijl de weg die tijdens het werk bereikt is gebruikt kan worden zelfs als deze straling hem verlaat.

Het is echter belangrijk om te weten dat een Mitzva tijdens het uitvoeren van groter belang is dan Thora indien deze níet tot uitvoering wordt gebracht. Uitvoeren houdt in dat op dat moment het Licht ontvangen wordt, dit is wat met ‘uitvoeren’ bedoeld wordt, wanneer het Licht dat erin aanwezig is ontvangen wordt.

Vandaar dat, terwijl men het Licht bevat, een Mitzva van groter belang is dan de Thora indien men geen Licht heeft, oftewel wanneer er geen levensonderhoud uit de Thora gehaald kan worden. Aan de ene kant is de Thora belangrijk omdat men de weg die men middels de Thora bereikt kan gebruiken. Aan de andere kant is het zonder levensonderhoud, oftewel zonder Licht, terwijl ten tijde van Mitzva er wel degelijk een levensonderhoud, genaamd Licht, ontvangen wordt. Vanuit dit oogpunt is een Mitzva van groter belang.

Daarom wordt een persoon die zonder voeding is als ‘zondig’ beschouwd. De reden daarvoor is dat hij niet kan zeggen dat de Schepper de wereld regeert op de wijze van “ Gij zijt goed goeddoende” (Psalm 119). Hij wordt gezien als ‘zondig’, omdat hij zijn Maker verwijten maakt dat hij het gevoel heeft dat hij geen leven ontvangt, en hij heeft niets om verheugd over te zijn zodat hij zou kunnen zeggen dat hij de Schepper dankbaar is dat Hij hem genoegen en plezier geschonken heeft.

Hij kan niet zeggen, dat hij gelooft dat de Schepper Zijn Voorzienigheid welwillend bestuurt, aangezien we het pad van de Thora begrijpen als een sensatie van de organen. Als iemand dit behagen en plezier niet ervaart, wat is dan het voordeel voor hem als anderen dit wel ervaren?

Indien men werkelijk geloofde dat het Bestuur zich aan zijn vriend geopenbaard heeft, dat geloof genoegen en plezier had moeten brengen door het vertrouwen dat de Schepper de wereld regeert via een leiding van genoegen en plezier. Als dit geen levensvervulling en vreugde brengt, wat is dan het voordeel van het vertellen aan een vriend dat de Schepper over hem waakt in een bestuur van welwillendheid?

Wat in het lichaam waargenomen wordt is zeer belangrijk; men voelt zich óf goed óf slecht. De genieting van een vriend kan pas gevoeld worden wanneer men er zelf plezier aan beleeft. Met andere woorden, we leren door de sensaties van het lichaam, afgezien van de redenen. Alleen een genieting wordt als goed ervaren.

In deze toestand wordt gezegd dat de Schepper “ Goed is en goeddoende”. Voelt men zich slecht, kan niet beweerd worden dat de Schepper hem op een rechtvaardige manier behandelt. Daarom, precies wanneer iemand plezier beleefd aan het geluk van een vriend en daardoor in een goede stemming raakt, wanneer iemand vrolijk gestemd is door het geluk van zijn vriend, dan kan hij zeggen dat de Schepper een goede leider is.

Ervaart hij geen plezier, dan voelt hij zich ongelukkig. Hoe kan hij dan stellen dat de Schepper rechtvaardig is? Daarom is deze toestand, waarin hij geen leven en blijdschap voelt, een toestand waarin hij geen liefde voor de Schepper heeft, en niet in staat is zijn Maker te rechtvaardigen en gelukkig te zijn als iemand die het voorrecht heeft een grote en belangrijke koning te dienen.

We moeten weten dat het Hogere Licht een toestand van absolute rust is. De gehele uitbreiding van de Heilige Namen geschiedt in het lagere. Met andere woorden, alle namen die het Hogere Licht heeft, zijn afkomstig van de bevatting van het lagere. Dit betekent dat het Hogere Licht benoemd wordt in overeenstemming met de mate waarin het Licht bevat wordt; de benamingen van het Licht komen overeen met de sensatie.

Als iemand het gevoel heeft dat de Schepper hem niets geeft, welke naam kan hij de Schepper dan geven als er niks van Hem ontvangen wordt? Indien iemand in de Schepper gelooft, dan zegt hij dat elke situatie die gevoeld wordt van de Schepper komt. In deze toestand geeft hij de Schepper Zijn Naam in overeenstemming met zijn gevoel.

Als iemand zich tevreden voelt in de toestand waarin hij zich bevindt, kan hij zeggen dat de Schepper Rechtvaardig heet, want dat is wat hij voelt, namelijk dat hij het goede van Hem ontvangt. In deze toestand heet iemand Tzadik (vert. Rechtvaardig), omdat hij de Maker ( die de Schepper is) Matzdik (vert. rechtvaardigt).

Maar als men zich niet goed voelt in zijn situatie, kan hij niet zeggen dat de Schepper hem het goede zendt. Vandaar dat hij in die toestand Rasha (vert. Kwaad) heet, want hij Marshia (vert. Veroordeelt) zijn Maker.

Echter, er bestaat geen middenweg, waarin een mens zich tegelijkertijd goed en slecht voelt. Een mens is óf gelukkig óf ongelukkig.

Het staat geschreven (Berachot 61): “De wereld was slechts geschapen of voor het absolute kwaad of voor de absolute rechtvaardigheid.” Er is namelijk geen realiteit waarin men zich zowel goed als slecht kan voelen.

Wanneer onze wijzen stellen dat er een middenweg is, dan is het dat schepselen een waarneming van tijd hebben. Deze middenweg ligt tussen twee tijdsspannen, de één na de ander, als we leren dat er momenten van stijgingen en dalingen zijn. Dit zijn twee tijdsspannen; in de ene is hij zondig, in de andere rechtvaardig. Echter, een gevoel van goed en slecht tegelijkertijd bestaat niet.

Hieruit volgt dat wanneer gezegd wordt dat Thora belangrijker is dan een Mitzva, dit betrekking heeft op een moment dat het niet uitgevoerd wordt, wat betekent dat men zonder leven is. De Thora is dan een Mitzva die zonder leven is.

Dat komt doordat er niks te halen valt uit een Mitzva die zonder verdiensten is, terwijl men in de Thora nog altijd een weg kan vinden in het werk door middel van wat men ontvangen had toen de Thora werd uitgevoerd. Hoewel de verdiensten hem verlaten hebben, is de weg nog steeds in hem aanwezig en kan daarom gebruikt worden. Er is ook een tijd waarin een Mitzva belangrijker is dan Thora, namelijk wanneer men leven haalt uit een Mitzva maar niet uit de Thora.

Daarom, indien het niet tot uitvoering wordt gebracht, wat inhoudt dat er geen vitaliteit en blijdschap in het werk wordt ervaren, blijft er geen andere optie dan gebed. Echter, gedurende het gebed moet een mens weten dat er niks goeds in hem zit omdat hij geen behagen en plezier in de wereld voelt, hoewel hij voor zichzelf de berekening maakt dat hij in staat is te geloven dat de Schepper niks dan goeds geeft.

Desondanks zijn niet alle gedachten die men tijdens het werk heeft puur. Wanneer een gedachte tijdens het werk aanspoort tot actie, oftewel een sensatie in de organen teweegbrengt die maakt dat ze voelen dat de Schepper rechtvaardig is, zouden de organen daar leven en blijdschap door moeten ontvangen. Want als iemand geen leven ervaart, welk nut hebben alle berekeningen dan als de organen de Schepper toch niet liefhebben omdat Hij hen overvloed schenkt?

Vandaar dat wanneer iemand zich niet in het werk verheugt, dat een teken is dat hij zondig is, want hij is ongelukkig. Alle berekeningen berusten op onwaarheden als ze niet tot actie aansporen, oftewel tot een sensatie in de organen zodat men de Schepper liefheeft omdat Hij vreugde en behagen over de schepselen brengt.

 

# 3 Het Verwerven van de Spiritualiteit

 

Het verkrijgen van het geestelijke

We onderscheiden vele gradaties en onderscheidingen in de werelden. Weet dat alles dat betrekking heeft tot deze onderscheidingen spreekt over datgene dat de zielen bevatten m.b.t. wat zij van de werelden ontvangen. Zoals de regel luidt, “Wat we niet kunnen bevatten kennen we ook niet bij naam.”. Dit komt omdat het woord Naam een bevatting aanduidt, zoals iemand een object benoemt wanneer het er iets over heeft bevat.

De realiteit wordt m.b.t. het geestelijke over het algemeen onderverdeelt in drie delen:

1.      Atsmoeto (Zijn Essentie)

2.      Ejn Sof (Oneindig)

3.      De Zielen

1. Er valt niets over Atsmoeto te zeggen. Dit komt omdat de bron en plaats van de schepselen in de scheppingsgedacht begint, daar waar zij zijn ingesloten zoals er staat  geschreven: “De handeling eindigt in de voorafgaande gedachte.”

2. Ejn Sof duidt naar de scheppingsgedachte dat  “Zijn verlangen om Zijn schepselen goed te doen.” Dit wordt Ejn Sof genoemd, en is de verbinding tussen Atsmoeto en de zielen. We bevatten deze verbinding in de vorm van “het verlangen om de schepselen goed te doen”.

3. De Zielen ontvangen het voordeel van wat Hij wenst te geven.

Hij wordt Ejn Sof genoemd omdat dit de verbinding is tussen Atsmoeto en de zielen en dat wij ervaren als “Zijn verlangen om goed te doen aan zijn schepselen.” We hebben geen manier om het te beschrijven behalve dan die verbinding van het verlangen om goed te doen. Hier begint onze studie.

Het wordt Licht zonder vat genoemd, wat de oorsprong is van de schepselen. Het Licht zonder vat dat de verbinding is tussen de Schepper en de schepselen, genaamd “Zijn verlangen om zijn schepselen goed te doen.” Dit verlangen begint in de wereld Ejn Sof en breidt uit naar de wereld Asieja.

Alle werelden op zichzelf wordt als Licht zonder vat gerekend, waar we niets over kunnen zeggen. Zij worden onderscheiden als Atsmoeto.

Wees niet verbaast dat we veel detail daar onderscheiden. Dit komt omdat deze onderscheidingen zich er in potentie bevinden. Naderhand, wanneer de zielen te voorschijn komen, zullen deze onderscheidingen zich in de zielen openbaren die de Hogere Lichten ontvangen zoals zij hebben gecorrigeerd. De zielen zullen het dus ontvangen, elk volgens zijn mogelijkheiden en zullen deze onderscheidingen als feitelijkheden openbaren. Wanneer de zielen het Hoge Licht niet ontvangen zullen zij worden gerekend als Atsmoeto.

Voor de zielen dat van de werelden ontvangen worden die werelden gerekend als Ejn Sof. Dit komt omdat de verbinding tussen de werelden en de zielen, wat de werelden aan de zielen geven, in oorsprong hebben in de scheppingsgedachte dat een correlatie is tussen de zielen en Atsmoeto.

Deze verbinding wordt Ejn Sof genoemd. Wanneer we tot de Schepper bidden en van Hem vragen om ons te geven wat we nodig hebben dan spreken we tot Ejn Sof. Hier is het waar onze oorsprong is, die ons verlangt goed te doen, genaamd “Zijn verlangen om zijn schepselen goed te doen.”

Het gebed is naar de Schepper die ons schiep en Zijn naam is “Zijn verlangen om Zijn schepselen goed te doen.” Hij wordt Ejn Sof genoemd omdat deze uitspraak vóór de beperking komt en zelfs na de beperking veranderd er niets in Hem daar er geen verandering is in het Licht, Hij zal altijd deze naam hebben.

De voortzetting van de namen heeft alleen betrekking op de ontvangers. De eerste naam die als oorsprong voor de schepselen geopenbaard wordt wordt Ejn Sof genoemd, deze naam is niet onderhevig aan veranderingen. Alle beperkingen en de veranderingen ontstaan alleen m.b.t. de ontvangers.

Dit is waarom we tot de Schepper, genaamd Ejn Sof, bidden die zonder beperking of einde schijnt. Wat er na komt ontwikkeld zich als een einde en zijn de correcties voor de ontvangers opdat zij Zijn Licht mogen ontvangen.

Het Hogere Licht wordt gemaakt uit twee aspecten: bevatten en hetgene dat bevat wordt. Alles wat we zeggen m.b.t. het Hogere Licht heeft alleen te maken hoe het ervaren wordt door diegenen die bevatten. Echter, deze twee aspecten op zichzelf worden niet Ejn Sof  genoemd.

In dat geval wordt hetgene dat bevat wordt Atsmoeto genoemd en diegene die bevat “zielen”, dat als een nieuwe onderscheiding presenteerd als een deel van het geheel. Het is nieuw daar de wens om te ontvangen zich er in bevindt en op die manier wordt het “iets uit niets” genoemd.

Voor hun worden alles werelden gezien als simpele eenheid en er bevindt zich geen veranderingen in de Goddelijkheid. Dit is de betekenis van “Ik de Heer verander niet.” Er zijn geen Sfirot en Bchienot (stadia) in de Goddelijkheid.

Zelfs de meest subtiele verschijnselen refereren niet naar het Licht zelf daar dit een onderscheiding is van Atsmoeto waar niet over te zeggen valt. Het is namelijk zo dat over alle Sfirot en onderscheidingen dat gesproken wordt er gesproken wordt in wat de mens over hen bevat. Dit komt omdat de Schepper wilde dat wij de overvloed zouden bevatten en begrijpen als “Zijn verlangen om Zijn schepselen goed te doen.”

Om het voor ons mogelijk te maken om te bevatten wat Hij ons wilde bevatten en begrijpen als “Zijn verlangen om Zijn schepselen goed te doen,” schiep en gaf Hij ons deze zintuigen die hun indrukken verkrijgen van het Hogere Licht

We hebben daarom vele onderscheiding gekregen aangezien de algemene zintuig de “wens om te ontvangen” is en in vele details valt te onderscheiden, volgens de mate dat de ontvangers kwalificeert om te ontvangen. Er vallen dus vele details te vinden genaamd opstijgingen en afdalingen, uitbereiding en vertrek etc.

Aangezien de wens om te ontvangen “schepsel” wordt genoemd en een “nieuwe onderscheiding”, begint de uitspraak precies vanaf de plaats waar de wens om te ontvangen nieuwe indrukken ontvangt. De spraak is onderdeel van de onderscheidingen en indrukken, aangezien er al een correlatie bestaat tussen het Hogere Licht en de wens om te ontvangen.

Dit wordt “Licht en Vat” genoemd. Er is valt echter niets te zeggen over het Licht zonder vat aangezien het Licht dat niet bevat is door de ontvangers gerekend wordt als Atsmoeto waarover het verboden is te spreken aangezien het onmogelijk is. Hoe kunnen we iets benoemen dat we niet bevatten, zien etc?

We leren dus dat wanneer we tot de Schepper bidden om ons uit de brand te helpen, genezen etc, dat er twee dingen zijn die we moeten onderscheiden: 1 – De Schepper; 2 – Dat wat van hem uitkomt.

In de eerste onderscheiding, genaamd Atzmoeto, is het verboden om er iets over te zeggen, zoals we al eerder gezegd hebben. In de tweede onderscheiding, datgene wat van Hem afkomt en als Licht gerekend wordt dat onze vaten opvult, onze wens om te ontvangen, dat is wat we Ejn Sof noemen. Dit is de verbinding van de Schepper met de schepselen, “Zijn verlangen om aan Zijn schepselen goed te doen”, daar waar de wens om te geven gerekend wordt als het uitbreidende Licht dat uiteindelijk de wens om te ontvangen bereikt.

Wanneer de wens om te ontvangen het uitbreidende Licht ontvangt, dan wordt het Licht Ejn Sof genoemd. Het komt tot de ontvangers via vele verhullingen zodat het mogelijk is voor de lagere om het te ontvangen.

Het blijkt dat alle details en veranderingen in de ontvanger gemaakt worden met de nadruk op wat voor indruk het de ontvanger achterlaat. Wanneer we echter spreken over onderscheidingen in de werelden dan bedoelen we onderscheidingen in potentie; en wanneer de ontvanger deze onderscheidingen verkrijgt, dan worden ze pas reeël genoemt.

Geestelijke bevatting is wanneer de bevattende en hetgene dat bevat wordt samenkomen. Er is zonder een bevatting geen vorm te geven aan datgene dat bevat wordt. Er is immers niemand om bevatting vorm te geven. Dat wat niet te bevatten valt wordt Atzmoeto genoemd, daar waar er geen uitspraak over mogelijk is.

Het is pas mogelijk voor ons om iets te zeggen wanneer onze zintuigen indrukken ontvangen van het uitbreidende Licht, dat “Zijn verlangen om Zijn schepselen goed te doen” is en in de handen van de ontvangers komt.

Op dezelfde manier, wanneer we een tafel met onze zintuigen voelen dan voelen we het als iets hards en onderscheiden we ook de lengte en breedte van de tafel, alles volgens onze zintuigen. Dat betekend echter niet dat de tafel ook zo over zou komen bij diegene die andere zintuigen heeft. Bijvoorbeeld, in de ogen van een engel, wanneer die de tafel bestudeerd zal die het zien volgens zijn zintuigen. We kunnen echter niet letterlijk iets over de ogen van een engel zeggen aangezien we niet zijn zintuigen kennen.

Er valt dus niets over de Schepper Zelf te zeggen, over welke vorm de werelden hebben vanuit Zijn perspectief. We bevatten de werelden alleen volgens onze zintuigen en sensaties daar het Zijn wil was om Hem op die manier te bevatten.

Dit is de betekenis van “Er veranderd niets in het Licht.” De veranderingen zijn namelijk in de vaten, in onze zintuigen; we meten alles volgens onze verbeelding. Van hieruit volgt dat wanneer vele mensen één enkel geestelijk ding bestuderen dat dan ieder zal bevatten volgens zijn verbeelding en zintuigen. Hierdoor ziet iedereen een andere vorm.

Met als toevoeging, de vorm zelf zal in een persoon veranderen volgens zijn ups en downs. Zoals we eerder hebben uitgelegd is het Licht onveranderlijk en de veranderingen worden alleen in de ontvangers gemaakt.

Dat we Zijn Licht mogen ontvangen en de wegen van de Schepper mogen volgen om Hem te dienen, niet voor een beloning, maar om Hem goed te doen en Heiligheid uit het stof doen opkomen. Dat we met Hem mogen samenvloeien en dat we zijn Glorie mogen openbaren tot Zijn schepselen.

 

# 43 De Kwestie Waarheid en Geloof

 

De Kwestie Waarheid en Geloof

Waarheid is wat men voelt en wat men ziet met eigen ogen. Dit onderscheid wordt “beloning en straf” genoemd, waar mee bedoelt wordt dat niets verkregen kan worden zonder arbeid. Het is zoals een mens die in zijn huis zit en niets wilt doen om voor zichzelf te zorgen. Hij zegt dat aangezien de Schepper goed is en goed doet, en voor allen zorgt, maar ach Hij zal hem weldegelijk zijn behoeften sturen, terwijl hijzelf geen actie hoeft te ondernemen.

Uiteraard, als deze mens zich op deze manier gedraagt, dan zal hij van honger omkomen. Ook de Logica doet het vergen, aldus verschijnt het voor zich, en dit is inderdaad de waarheid, dat hij anders zal sterven.

Op hetzelfde moment moet men boven het verstand geloven dat men al zijn behoeften kan verkrijgen zonder enige moeite of inspanning, dankzij zelfbestemming. Met andere woorden, de Schepper doet en zal elke daad doen, en men helpt Hem in geen enkel opzicht, maar de Schepper doet alles, en men kan niets toevoegen of aftrekken.

Desalniettemin, hoe kunnen deze twee dingen hand in hand gaan, aangezien de een de ander tegenspreekt? Het ene onderscheid wordt genoemd “wat het verstand van de mens verkrijgt”, waar mee bedoelt wordt dat niets verkregen zal worden zonder arbeid en inspanning. Dit wordt “waarheid” genoemd, omdat de Schepper diegene dat wilde laten voelen. Dit is waarom dit “het pad der waarheid” genoemd wordt.

Laat het je niet van de wijs brengen dat, als deze wegen in tegenstelling zijn tot elkaar, hoe kan er dan een toestand zijn welke waar is? Het antwoord is dat de waarheid niet naar de weg en de situatie refereert. Echter, waarheid refereert naar de sensatie dat de Schepper de mens wilt laten voelen; dit is “waarheid”. Het volgt dat de kwestie van Waarheid precies gezegd kan worden over de Schepper, bedoelende, over Zijn verlangen, dat Hij wilt dat diegene zo wilt laten voelen en zien.

Desondanks, op hetzelfde moment, moet men geloven dat alhoewel men niet voelt en niet ziet met het oog van het verstand, dat de Schepper hem kan helpen, zonder enige inspanning, aan alle profijt die verkregen kunnen worden, dit is alleen met betrekking tot zelfbestemming.

De reden dat men de kwestie van zelfbestemming niet kan bemachtigen voordat men de kwestie van beloning en straf bemachtigd, komt omdat zelfbestemming een eeuwig iets is, en het verstand van de mens is niet eeuwig. Vandaar, iets eeuwigs kan niet kleden in iets dat niet eeuwig is. Aldus, nadat men de onderscheiding van beloning en straf is gegeven, wordt de beloning en straf een Klie (let. Receptakel) waar zelfbestemming kan kleden

Nu kunnen we de vers begrijpen, “O Heer, red toch, O Heer, doet slagen.” “Red toch” heeft betrekking tot beloning en straf. Men moet bidden dat de Schepper hem arbeid en inspanning levert waarbij men een beloning zal hebben. Op hetzelfde moment moet men bidden om succes, welke uitgedrukt is in zelfbestemming, waarmee bedoelt wordt dat men begunstigd wordt met alle profijt in de wereld zonder enig werk of inspanning.

We zien dit ook in materieel bezit (onderscheiden door hun verschil in plaatsen, bedoelende twee lichamen, waarin met spirituele kwesties alles onderzocht is in een enkel lichaam maar in twee keer). Er zijn mensen die hun bezittingen door middel van grote inspanning, energie, en grote slimheid verkrijgen, op hetzelfde moment zien we het tegenovergestelde, dat mensen die niet zo slim zijn, welke niet zoveel energie hebben, en geen grote inspanningen leveren, succes beleven en de grootste eigenaren van bezittingen worden in de wereld.

Het antwoord is dat deze materiële dingen van hun Hoge Wortels uitgaan, oftewel van beloning en straf, en van zelfbestemming. Het enige verschil is dat in het spirituele, datgene op één plaats verschijnt, oftewel in één onderwerp, maar één per keer, waarmee bedoelt wordt in één persoon maar in twee toestanden. In het materiële is het in één keer, maar in twee objecten, oftewel in één keer en twee verschillende mensen.

 

# 16 De Dag en de Nacht van de Heer

 

De Dag en de Nacht van de Heer

De wijzen gaven uitleg bij de vers: “ Wee degene die uitziet naar de dag van de Heer! Wat zal die dag jullie brengen? Een duistere dag zal het zijn.” (Amos 5:18) “ Hier volgt een parabel over een haan en een vleermuis die de zonsopgang afwachtten. De haan zei tegen de vleermuis: ik wacht op het licht omdat het van mij is, maar jij, waar heb jij het licht voor nodig?” De interpretatie hiervan is dat de vleermuis geen baat bij het licht heeft, omdat hij geen ogen heeft die het kunnen aanschouwen. Sterker nog, voor iemand die het niet kan verdragen, veroorzaakt het zonlicht alleen maar meer duisternis.

We moeten deze parabel begrijpen, oftewel hoe de ogen in verband staan met het aanschouwen van het Licht van God, dat in de vers als “de dag van de Heer” wordt aangeduid.

We moeten ook begrijpen wat de dag respectievelijk de nacht van de Heer is, en wat het verschil tussen deze twee betekent. De dag van de mensen herkennen we aan de zonsopgang, maar hoe kunnen we de dag van de Heer herkennen?

Het antwoord is: gelijk het verschijnen van de zon. Als de zon de aarde verlicht noemen we het dag, en als de zon niet schijnt is het nacht. Zo ook met de Schepper. Een dag is een onthulling en duisternis een verhulling van het gezicht.

Dit houdt in dat als er een onthulling van het gezicht is, als het voor een persoon zo verhelderend is als het daglicht, dan wordt dit “dag” genoemd. Onze wijzen zeiden ( Psachiem1) over de vers: “ De moordenaar staat op met het licht, om de armen en hulpbehoevenden te vermoorden; s’nachts is hij als een dief,” en hieruit blijkt dat het licht de dag is. Hij zegt hier, dat als de kwestie net zo verhelderend is als het licht dat over de zielen komt, hij een moordenaar is, en dat er een mogelijkheid bestaat hem in zijn ziel te redden. Zo zien we dat de Gmara over het licht zegt dat het zo verhelderend is als het daglicht.

Het blijkt, dat de dag van de Heer betekent dat de Goddelijke Voorzienigheid, de wijze waarop de Schepper de wereld regeert, helder te zien zal zijn in de vorm van rechtvaardigheid. Bijvoorbeeld: als iemand bidt, dan zal zijn gebed onmiddellijk verhoord worden en hij zal ontvangen waar hij om gebeden heeft. Hij is succesvol in alles wat hij onderneemt. Dit heet “de dag van de Heer.”

Omgekeerd zal duisternis, oftewel nacht, een verhulling van het gezicht betekenen, en dat zal twijfels over Zijn rechtvaardige leiding en vreemde gedachten met zich meebrengen. Dit heet duisternis en nacht, en heeft betrekking op de toestand waarin men voelt dat de wereld donker en somber is.

Nu kunnen we interpreteren wat geschreven staat: “Wee degene die uitziet naar de dag van de Heer! Wat zal die dag jullie brengen? Een duistere dag wordt het, geen licht zal er zijn.” Degenen die op ”de dag van de Heer” wachten, wachten erop om geloof boven verstand te verkrijgen, dat geloof zo sterk zal zijn alsof ze met hun ogen kunnen zien, en met een bepaalde mate van kennis, dat het waar is dat de Schepper de wereld op een rechtvaardige manier bestuurt. Dit komt doordat ‘zien’ aansluit bij ‘geloof’. Met andere woorden, geloof kan gevonden worden daar waar het tegen het verstand in gaat. Dit houdt in dat ze geloven dat het bestuur van de Schepper over de schepselen rechtvaardig is. Hoewel ze niet met hun verstand ‘zien’, zeggen ze niet tegen de Schepper: “ We willen de welwillendheid binnen het verstand waarnemen.” Liever willen ze in een toestand van geloof boven verstand blijven.

In plaats daarvan vragen ze de Schepper of Hij hen kracht zal geven, opdat het geloof zo sterk zal zijn, dat het zal zijn alsóf het binnen het verstand is. Dat houdt in dat er geen verschil is tussen geloof en kennis.

Dit is wat degenen die de Schepper trouw blijven de dag van de Heer noemen. Als ze het waarnemen als kennis, dan zal het Licht van God, “De Hogere Vervulling”, naar de vaten van ontvangst gaan. Die heten “Afzonderlijke Vaten”. Ze willen niet dat dit in een wens om te ontvangen overgaat, want dat is het tegenovergestelde van Kedoesja ( let. Heiligheid), die op haar beurt het tegenovergestelde is van de wens om te ontvangen voor eigen gewin. In plaats daarvan willen ze een band met de Schepper, en dat kan alleen door gelijkenis qua eigenschappen.

Maar hoe is het mogelijk voor een mens om te bereiken dat hij een vurig verlangen krijgt om aan de Schepper te hangen, als hij van naturen geboren is met de eigenschap om voor zichzelf te willen ontvangen? Hoe kan hij iets bereiken dat zo lijnrecht tegenover zijn eigen natuur staat? Daar moet veel werk voor verricht worden, zodat een tweede natuur bereikt wordt: de wens om te geven.

Als hij dat bereikt, is hij bevoegd om de hogere Vervulling te ontvangen en geen smet, aangezien alle fouten alleen afkomstig zijn van het egoïsme. Met andere woorden, zelfs als hij een altruïstische daad verricht, is er in zijn binnenste de gedachte dat hij iets zal ontvangen voor de onzelfzuchtige handeling die hij nu verricht.

Hij is dus niet in staat om iets te doen zonder er iets voor terug te krijgen. Hij moet genieten, en deze genieting die hij voor zichzelf ontvangt verwijderd hem van het leven der levens. Het verhindert hem om een band met de Schepper te vormen.

Aangezien Dvekoet ( let. Samenvloeiing, Aanhechting) wordt gemeten naar gelijkenis qua eigenschappen, is altruïsme onmogelijk zonder een deel van het ontvangen binnen de eigen krachten. Daarom is het ook een tweede natuur van een mens om de kracht te hebben om te geven. Zo krijgt men de kracht om gelijkenis qua eigenschappen te bereiken.

Met andere woorden, de Schepper is de Gever en ontvangt niks, want Hij heeft geen gebrek. Wat Hij geeft komt niet voort uit een verlangen of gebrek, maar had Hij niemand om aan te geven, zou Hij dat als een gebrek ervaren.

In plaats daarvan moeten we het zien als een spel. Dat betekent dat als Hij iets wil besturen, dit niet komt doordat Hij iets nodig heeft, want het is allemaal een spel. De wijzen zeiden met betrekking tot de maîtresse: ze vroeg, “Wat doet de Schepper nu dat Hij de wereld geschapen heeft?” Het antwoord was: “Hij speelt met een walvis.” Er staat immers geschreven (Psalm 104:26): “Daar varen de schepen, en Leviatan, het zeemonster, dat U gemaakt heeft om mee te spelen.”

Leviatan verwijst naar Dvekoet en verbinding (zoals geschreven staat: “ al naar gelang de ruimte tussen beiden, met het verstrengelen”). Het betekent dat het doel, de verbintenis tussen de Schepper en de schepselen, slechts een spel is, en geen kwestie van verlangen of gebrek.

Het verschil tussen een spel en een verlangen is, dat een verlangen voortkomt uit een noodzakelijkheid. Als de wens niet vervuld wordt, ontstaat een tekort. Maar bij een spel is het zo dat zelfs als er niets verkregen wordt, dit niet als een gebrek gezien wordt, zoals men zegt: “Het is niet erg dat ik het niet verkregen heb, want het is niet belangrijk.” Want het verlangen was slechts bij wijze van spel, niet serieus.

Het blijkt, dat het enige doel is dat het werk volledig omwille van het geven zal zijn, en dat er geen verlangen is om enig voordeel voor zichzelf uit het werk te behalen. Dit is een hoge bevatting, aangezien men de Schepper kan behagen, en dit heet “dag van de Heer”.

De dag van de Heer wordt beschouwd als volmaaktheid, zoals geschreven staat: “ Dat de sterren van zijnen schemertijd verduisterd worden; laat het wachten op het licht, en het worde niet.” (Job 3:9) Het licht is de volmaaktheid.

Het zich eigen maken van de tweede natuur is het altruïsme dat, na de eerste natuur die de wens om egoïstisch te ontvangen is, door de Scheper gegeven wordt. Men verkrijgt dan de wens om te geven. Op dat moment is men bevoegd om de Schepper volledig te dienen, en dit wordt beschouwd als “de dag van de Heer.”

En zo kan iemand die zich en tweede natuur heeft aangewend de Schepper dienen in de vorm van altruïsme, en wacht om met de eigenschap van geven beloond te worden, wat inhoudt dat hij al veel inspanningen geleverd heeft en deed wat hij kon om deze kracht te verkrijgen. Van hem wordt gezegd dat hij in afwachting is van de dag van de Heer, waarop hij in gelijkenis naar eigenschap met de Schepper zal verkeren.

Wanneer de dag van de Heer aanbreekt, zal hij verheven worden en blij zijn dat hij uit de kracht van het egoïsme gekomen is die hem van de Schepper scheidden. Hij hangt nu aan de Schepper, en neemt dit waar alsof hij de hoogste top bereikt heeft.

Voor iemand die werkt omwille van het ontvangen is het precies het tegenovergestelde. Hij is blij zolang hij denkt een beloning voor zijn werk te ontvangen. Wanner hij ziet dat de wens om egoïstisch te ontvangen niets oplevert, wordt hij doelloos en verdrietig. Soms overdenkt hij hoe hij zijn werk begonnen was en zegt, “Hier heb ik niet bij gezworen”.

En daarom is de dag van de Heer het bereiken van de wens om te geven. Als van tevoren bekend zou zijn dat dit het profijt is die een mens uit Thora en Mitzvot kan trekken, zou hij zeggen, “Ik beschouw dit als duisternis, niet licht”, aangezien deze wetenschap hem naar duisternis leidt.

 

# 38 De Vrees voor God is Zijn Schat

 

De Vrees voor God is Zijn Schat

Een schat is een vat waarin een bezit wordt geplaatst. Bijvoorbeeld graan wordt in een schuur geplaatst, en zo worden nog waardevollere dingen in een nog zwaarder bewaakte plaats bewaard. Zo wordt al het ontvangene benoemd naar zijn overeenkomst met het Licht, en het vat moet geschikt zijn om de dingen te ontvangen. Zoals we leren dat er geen Licht is zonder vat, en dit is zelfs van toepassing in de materiële wereld.

Wat is dan het vat in het geestelijke dat overeenkomt met het Licht, waarin we de geestelijke overvloed die de Schepper wil geven kunnen ontvangen, zoals in het aardse, waar het vat in samenhang moet zijn met het object dat er in geplaatst wordt?

We kunnen bijvoorbeeld niet zeggen dat we een schat aan wijn hebben wat we in nieuwe zakken hebben gegoten om de wijn op die manier te behouden dat het niet verspild wordt, of dat we een hoeveelheid bloem in wijnvaten hebben gedaan. Er bestaat dus een regel dat de container van wijn vaten en flessen zijn, en de container voor bloem zijn de zakken en niet de vaten enz.

Wat is het geestelijke vat, de vaten waarmee we de grote schat aan Hogere Overvloed kunnen maken? Er geldt een regel dat de koe meer wil voeden dan dat het kalf wil eten.

Dit komt omdat Zijn wens is om Zijn schepselen te vergenoegen, en de reden van de Tsiemtsoem (let. Beperking), waarvan we moeten geloven dat het voor ons eigen bestwil is, de reden is dat we niet de juiste vaten hebben waar de overvloed kan zijn. Het is zoals aardse vaten die geschikt moeten zijn voor wat er in geplaatst wordt. We moeten dus zeggen dat als we de vaten toevoegen er iets is om de toegevoegde overvloed te behouden.

Het antwoord daarop is dat in Zijn schatkamer, de Schepper alleen de schat “vrees voor de  Schepper” heeft (Brachot 33)

We moeten interpreteren wat de vrees is, dat datgene het vat is, en de schat gemaakt is van dit vat en alle belangrijke dingen worden erin geplaatst. Hij zei dat vrees is wat er geschreven is over Moshe. Onze wijzen zeiden over hem (Brachot p.7), “De beloning voor ‘En Moshe verborg zijn gezicht want hij was bang om te kijken’ was ‘het evenbeeld van de Heer zag hij in’.

De kwestie vrees refereert naar de vrees naar de grote genietingen die daar te vinden zijn, dat men het niet kan ontvangen omwille van het geven. De beloning daarvoor, voor het hebben van vrees, was dat hij een vat voor zichzelf maakte waarin hij de Hoge Overvloed ontving. Dit is het werk van de mens, en behalve dat, rekenen we alles toe aan de Schepper.

Het is echter niet zo met vrees, want de betekenis van vrees is om niet te ontvangen, en wat de Schepper geeft, geeft hij alleen opdat wij het mogen ontvangen, en dit is de betekenis van, “alles is in de handen van God behalve de vrees voor God.”

Dit is het vat dat we nodig hebben. Anders worden we gezien als dwazen, zoals onze wijzen zeiden, “Wie is een dwaas? Hij die verliest wat hem is gegeven.” Het betekent dat de Sietra Achra (let. Andere Zijde) de overvloed van ons zal afnemen als we niet kunnen doelen op de intentie om te geven, want dan gaat het naar de vaten van ontvangst, welke de Sietra Achra en onreinheid is.

Dit is de betekenis van, “En gij zult het feest van het ongedesemde brood houden.” Houden betekent vrees, alhoewel de aard van het Licht is dat het zichzelf in stand houdt. Dit betekent dat het Licht verdwijnt voordat iemand het Licht in de vaten van ontvangst wil ontvangen. Toch moet men het met eigen kracht doen, zoveel als het maar maar kan, zoals onze wijzen zeggen, “Let van beneden af een klein beetje op jezelf, en ik zal van bovenaf heel goed op je letten.”

De reden dat we vrees aan de mens toewijzen is zoals onze wijzen zeggen, “Alles is in de hand van God, behalve de vrees voor God,” dat Hij alles kan geven behalve vrees. Wat de Schepper geeft is meer liefde, niet vrees.

Het verkrijgen van vrees komt door de kracht van Thora en Mitsvot. Het betekent dat wanneer men zich bezighoudt met de Thora en Mitsvot met de intentie om tevredenheid aan de Maker te geven, het doel dat op de handeling van Mitsvot rust en de studie van de Thora brengt diegene tot het verkrijgen ervan. Men kan anders zeggen. Alhoewel men Thora en Mitsvot  in elke item en detail naleeft, verblijft men nog steeds alleen maar in de gradatie van Heilig Levenloze.

Van hieruit moet men altijd de reden onthouden die hem aanzet tot het zich bezighouden met Thora en Mitsvot. Dit is wat onze wijzen bedoelden met, “dat jij jezelf omwille van Mijn Naam zal heiligen.” Het betekent dat Ik je reden zal zijn, waarmee bedoelt wordt dat je gehele werk in het vergenoegen van Mij is, dat alle daden omwille van het geven zijn.

Onze wijzen zeiden (Brachot 20), “Alles dat zich in behouden bevindt, bevindt zich in onthouden,” waarmee bedoelt wordt dat allen die zich bezighouden met Thora en Mitsvot met als doel om “onthouden” te bereiken, door middel van, “Wanneer ik Hem herinner, zal Hij me niet in slaap laten vallen.” Hieruit volgt dat het behouden voornamelijk is om te worden beloond met herinneren.

Het verlangen om aan de Schepper te denken is de reden voor het behouden van Thora en Mitsvot. Dit komt omdat de reden om zich bezig te houden met Thora en Mitsvot de Schepper is, want zonder dat kan men zich niet tot de Schepper vastkleven, aangezien “Hij en Ik kunnen niet in dezelfde woning aanwezig zijn,” door het verschil in eigenschappen.

De reden dat beloning en bestraffing niet onthuld wordt, dat we alleen in beloning en bestraffing moeten geloven, komt omdat de Schepper wil dat iedereen voor Hem werkt, en niet omwille van zichzelf, wat onderscheidt maakt door ongelijkheid aan eigenschappen met de Schepper. Mocht de beloning en bestraffing worden onthuld, dan zou men omwille van zichzelf werken, zodat de Schepper van hem zou houden, of door de haat om zichzelf, waarmee bedoelt wordt dat de Schepper hem zou haten. Van hieruit volgt dat de reden voor het werken alleen de persoon is, en niet de Schepper, en de Schepper wil dat hij de aanzettende reden is.

Het blijkt dat vrees juist aanwezig is wanneer men zijn eigen laagheid beseft, en zegt dat hij De Koning bediend. Het betekent dat men aan Hem wenst te geven, men ziet het als een groot voorrecht, en het is waardevoller dan hij kan zeggen. Het is zoals met de regel dat met een belangrijk persoon, wat aan hem gegeven wordt als ontvangen van hem gezien.

In die mate dat men zijn eigen laagheid beseft, tot die mate kan men beginnen met het waarderen van de grootsheid van de Schepper, en het verlangen om Hem te dienen zal opleven. Echter, als men trots is, zegt de Schepper, “hij en Ik kunnen niet in dezelfde woning aanwezig zijn.”

Dit is de betekenis van, “Een dwaas, een kwade, en een grove gaan hand in hand.” De reden is dat aangezien men geen vrees heeft, waarmee bedoeld wordt dat men zich niet voor de Schepper kan verlagen, men geen wijsheid van de Schepper kan ontvangen, en zo een dwaas blijft. Dan, wie een dwaas is, is slecht, zoals onze wijzen zeggen, “De mens zondigt niet tenzij stommiteiten in hem opkomen.”

 

# 82 Alle Werelden

 

Alle Werelden

Alle werelden met hun talloze niveau's bestaan alleen in relatie tot de zielen die het Licht van hun ontvangen. Er geldt een regel, “Dat wat niet bevat kan worden niet benoemd kan worden”, omdat een naam naar een bevatting wijst. Zie, alle namen, toewijzingen, en nummers worden gedefiniëerd alleen in relatie met zij die hen ontvangen (bevatten).

De Kabbalisten onderscheiden drie hoofdcategoriën.

1. De Essentie van de Schepper (Atzmuto), waar we niet over praten omdat we die onmogelijk kunnen bevatten. Het punt waar we ons onderzoek beginnen wordt de “Scheppingsgedachte” genoemd. Op dit punt bestaan wij in potentie, in de gedachten van de Schepper, voor de aanvang van zijn handelen. “Het uiteindelijke resultaat is besloten in de initiele gedachten”, want het verlangen om het resultaat te behalen vraagt om handelen.

2. De scheppingsgedachte genaamd “Eindeloze Wereld” (Ein Sof) is een verbinding tussen Atzmuto en de zielen in de vorm van Zijn “wens om vergenoegen aan de schepselen (zielen) te geven”. We zullen niets bevatten dan deze verbinding; maar zie, we kunnen niet eens over iets anders praten.

3. De werelden Adam Kadmon en Atsieloet, Brieja, Jetsiera, en Assieja.

Aangezien alles wat we onderscheiden en van de werelden bevatten alleen bestaat in relatie tot de zielen, we kunnen niets zeggen over de wereld an sich. Derhalve zijn zij op zichzelf staand volledig onbegrijpbaar en refereren aan Atzmuto. De zielen worden onderhouden door de werelden. De werelden worden gedefiniëerd door de zielen alleen in die vorm waarin zij hen waarnemen.

Wanneer we spreken over het HogereLicht, impliceren we tegelijkertijd twee categoriën, de ontvanger en het ontvangde als één, oftewel op de manier hoe de ontvanger hetgene wat ontvangen wordt voelt. Maar op zichzelf staand wordt  elk van deze niet besloten in de definitie van Oneindigheid: dat wat verkregen is wordt Atzmuto genoemd, terwijl diegene die bevat de ziel genoemd wordt, ofwel het verlangen om gevuld te worden met vergenoegen dat “ex nihilo” geschapen was.

Alle werelden an sich worden gedefiniëerd als een eenvoudige ondeelbare eenheid. Er wordt gezegd, “Ik de Schepper, verander niet”, ofwel dat er geen veranderingen zijn, delen of Sfirot in de Schepper Zelf. Alles waar we een naam aan toewijzen behoort niet tot Atzmuto, maar tot de zielen die het Hogere Licht waarnemen.

Schepper wenst ons dat we de verukking wat van Hem uitkomt als “Zijn verlangen om de geschapen wezens te vergenoegen” bemachtigen en begrijpen. Daarom gaf hij ons dergelijke zintuigen die verscheidene sensaties kan onderscheiden in het waargenomen Hogere Licht. Onze algemeen gemeenschappelijk zintuigelijk orgaan wordt het “verlangen om genot te ontvangen” genoemd. We onderscheiden vele verschillende delen en nuances, opstijgingen en afdalingen in het ontvangen licht.

Vanaf het punt dat het verlangen bewust wordt, verkrijgt de mens de mogelijkheid om te beschrijven wat hij waarneemt. Dit houdt al de relatie tussen het Hogere Licht en het verlangen in, Ohr en Klie. Er kan geen waarnemen van het licht buiten de Kli zijn want zonder het ontvangende vat refereerd het licht nog steeds aan de essentie van de Schepper, Atzmuto, waarover het verboden is om te praten. Dus hoe kunnen we praten over iets wat we niet kunnen bevatten?

Bijgevolg, wanneer het spirituele Licht en de Kli vooralsnog in de gedachten zijn, wordt deze toestand de Wereld van Oneindigheid genoemd. Voor de Tsiemtsoem Alef (Eerste Beperking) wordt deze toestand gerefereerd aan de wortel, de potentiele gedachte welke op het punt staat om te slaan tot handelen.

Tussen de Tsiemtsoem Alef (TA) en de Wereld Asieja bestaan er vele werelden en delen die in de gedachte was van voor de TA. En verder, de mens bevat ze en voelt werkelijk al deze verscheidenheid van delen en handelingen.

Wanneer we zeggen dat de Schepper helpt, geneest, ons van kwaad verlost, of ons giften stuurt, impliceren we twee categoriën:

1. De Schepper, gedefiniëerd als Atzmuto waarover het verboden is om te spreken daar het onmogelijk is Hem te bevatten; en

2. Het licht komt van Hem uit en spreidt naar de schepselen en vult onze Kli, ons verlangen om genot te ontvangen. Die wordt Oneindigheid genoemd, het verlangen van de Schepper om vernoegen aan de mens geven, het contact tussen hen. Het verlangen om te geven is gedefiniëerd als het licht dat vanuit de Schepper uitkomt welke het verlangen om te ontvangen bereikt, oftewel, de receptakel van het gespreide licht.

Die licht genaamd Oneindigheid vindt zijn weg tot de ontvangende Kli door vele verhullende filters die de kracht van het licht verkleinen en het voor de Kli mogelijk maakt om te ontvangen. Derhalve, alle bevattingen en veranderingen vinden alleen plaats in de ontvanger van het licht, oftewel, naar zijn vermogen het ontvangende te voelen (verlossing).

Alle verscheidene namen en definities die tot de werelden behoren zijn slechts gegeven in overeenstemming met de waarneming van de person in kwestie. Op zichzelf staand, zijn zij gedefiniëerd als “bestaande in potentie”, en slechts in de sensaties van de ontvangers van het licht worden zij als waar aangevoeld.

Zij die bevatten en hetgene wat bevat wordt verschijnen tegelijkertijd. Inderdaad, het bevatte kan alleen zijn vorm aannemen in relatie tot diegene die bevat. Het is onmogelijk om te vertellen welke vorm het bevatte heeft voor zijn manifestatie in de sensaties van diegene die bevat. Dus, als men Atzmuto niet kan waarnemen noch kan voelen, hoe kunnen we dan uberhaupt iets zeggen over het fenomeen an sich en over de vormen dat het aanneemt buiten onze waarneming?

Daarom, we kunnen dat wel over onze sensaties en hoe veel we beïnvloed worden door het licht dat in hen spreidt. Op deze manier, wordt een tafel waargenomen zo solide als onze tastbare waarnemingen, ofwel zoals het hebben van bepaalde dimenties in onze visuele waarnemingen. Dit betekend in zijn geheel niet dat dezelfde tafel op dezelfde manier waargenomen wordt door enig ander schepsel met andere zintuigen, bijvoorbeeld, door een engel. Zijn waarneming van een tafel is weldegelijk anders dan die van ons. We kunnen onmogelijk weten hoe een tafel er uit ziet vanuit de zintuigen van een engel want we hebben geen idee over hoe de zintuigen van een engel zijn.

Maar zie, evenals dat we niet de essentie van de Schepper kunnen bevatten, zo kunnen we ook onmogelijk spreken over de vorm van de werelden met betrekking tot de Schepper. We zijn de enigen, dankzij Zijn voornemen, die de Hogere Werelden in onze sensaties bevatten. Er is gezegd dat het verkrijgen van licht alleen mogelijk is door de veranderingen die het maakt in de Kli, oftewel, in onze zintuigen. We meten en bepalen alles alleen met betrekking tot onze Keliem.

Dus als veel mens naar hetzelfde spirituele object kijken , neemt elk van hen het op zijn eigen manier waar. Als dit spiritueel object met betrekking tot iemand veranderd, vindt dit alleen plaats door de verandering van de toestand van de mens. Met als gevolg, elke keer neemt hij een verschillende vorm van hetzelfde object waar. Dit komt omdat het licht eenvoudig en vormloos is, terwijl alle vormen bepaald worden door het waarnemen van de mens.

 

# 15 Wat Wordt Bedoeld met "Andere Goden" in het Werk

 

Wat wordt bedoeld met ‘andere goden’ in het werk?

Er staat geschreven: “Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.” De Heilige Zohar interpreteert dat er stenen zouden moeten zijn om mee te wegen. Het stelt daarover de vraag: hoe wordt het werk met stenen gewogen, zodat een mens zijn toestand met betrekking tot Gods wegen kan bepalen? Het antwoord daarop is, dat het lichaam uit alle macht begint te protesteren zodra het meer werk moet verrichten dan het gewend is.

Dat komt omdat het op zich nemen van het altruïsme een zwaar gewicht en een last voor het lichaam is. Het kan dit soort werk niet tolereren, en werpt tegenstand op in de vorm van vreemde gedachten. Er komen bij die mens vragen op aangaande het “wie” en “wat”, en deze vragen zullen hem zeker bij de Sitra Achra brengen als obstakel in het werk.

Het is gezegd dat op het moment dat iemand zegt dat hij van de Sitra Achra komt, hij het gebod “Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben” overtreedt. De reden daarvoor is dat diegene moet geloven dat ook dit van de Heilige Goddelijkheid afkomstig is, aangezien “Er niemand bestaat buiten Hem”. Hij moet geloven dat de Schepper hem deze vragen en vreemde gedachten stuurt, om hem te tonen wat zijn ware toestand is en op welke wijze hij Gods wegen bewandelt.

(Door middel van deze vreemde gedachten wordt hem de mogelijkheid aangeboden te zien hoe hij op deze vragen (vreemde gedachten) antwoord geeft. Hierdoor wordt zijn ware toestand getoond alsmede wat ermee te doen. Het is als een parabel: een man wilde weten hoeveel zijn vriend om hem gaf. Maar hij wist dat die vriend zich uit schaamte nooit zou uitlaten onder vier ogen. Daarom stuurde hij een ander persoon om bij die vriend kwaad over hem te spreken. Door er zelf niet bij te zijn zou hij de echte reactie van zijn vriend weten, en de waarheid over de mate waarin die vriend om hem geeft.

De les die hieruit volgt is dat wanneer de Heilige Goddelijkheid haar gezicht toont, dus wanneer de Schepper vreugde en leven schenkt, in die toestand schaamte gevoeld wordt ten opzichte van het werk omwille van het geven zonder iets te ontvangen voor zichzelf. Echter, wanneer de Heilige Goddelijkheid haar gezicht niet meer toont en het gevoel van vreugde bekoeld raakt, kan men zijn werkelijke toestand met betrekking tot het altruïsme zien.

Als iemand gelooft dat er niemand anders is buiten Hem, en dat de Schepper alle vreemde gedachten toezendt, dat Hij het bewerkstelligt, dan zal hij zeker weten wat te doen en hoe de vragen te beantwoorden. Het lijkt erop dat ze hem boodschappers stuurt om te zien hoe hij kwaadspreekt over haar, over het Koninkrijk der Hemelen, en dat is hoe we kunnen interpreteren wat hierboven geschreven staat.

Het is niet moeilijk te begrijpen dat alles van de Schepper komt. Dat omdat men weet dat de klappen die een persoon door de vreemde gedachten te verduren krijgt, niet aan een mens toekomen die zich niet met het werk bezighoudt, maar deze klappen komen tot een persoon die in een complete sensatie verkeert, tot het punt waarop de gedachten zijn verstand verpletteren. Dit is vooral zo na het verder gaan in Thora en in het werk in sterkere mate dan daarvoor. Dit heet stenen om mee te wegen.

Het betekent dat deze stenen iemands gedachten binnenvallen als hij de vragen probeert te begrijpen. Daarna, wanneer hij het doel van zijn werk gaat wegen, om te bepalen of het de moeite waard is om met al zijn kracht en heel zijn ziel te werken omwille van het geven, en dat al zijn wensen alleen gebaseerd zullen zijn op de hoop dat hij het zal kunnen bereiken om enkel en alleen te werken om zijn Schepper tevreden te stellen, en niet om lichamelijke aardse zaken.

Op dat moment komt er een bitter argument naar voren, en hij ziet dat er aan beide kanten argumenten bestaan. De geschriften waarschuwen ons dat “Je geen andere goden voor Mijn aangezicht zult hebben.” Zeg nooit dat er een andere god dan “voor Mijn aangezicht” stenen gegeven heeft om mee te wegen. In plaats daarvan moet hij weten dat dit beschouwd wordt als “ervoor”, dat hij de ware vorm van de basis zal zien en het fundament waarop de structuur van het werk gebouwd is.

De reden dat het werk zo zwaar is, is vooral dat er twee teksten zijn die elkaar tegenspreken. Aan de ene kant moet men proberen om tijdens het werk Dvekut met de Schepper te bereiken, dat zijn enige wens zal zijn om de Schepper tevreden te stellen en in het geheel niet zichzelf.

Aan de andere kant zien we dat dit niet het voornaamste doel is, aangezien het doel van de schepping niet was dat de schepselen aan de Schepper zouden geven, omdat Hij natuurlijk geen enkele tekortkomingen heeft zodat de schepselen Hem in feite niets kunnen geven. Integendeel, het doel van de schepping was Zijn wens om Zijn schepselen te behagen, wat inhoudt dat ze genot en plezier van Hem zouden ontvangen.

Deze twee gegevens staan lijnrecht tegenover elkaar. Aan de ene kant behoort men te geven, aan de andere kant behoort men te ontvangen. Met andere woorden, er is de waarneming van de correctie van de schepping: het bereiken van Dvekut. Dit is een waarneming van gelijkenis naar eigenschappen, waarin alle handelingen alleen omwille van het geven zijn. Daarna is het mogelijk om het doel van de schepping te bereiken, en dat is het ontvangen van behagen en plezier van de Schepper.

Wanneer iemand gewend is geraakt aan het bewandelen van de paden van het altruïsme, heeft hij geen vaten voor het ontvangen. Wanneer iemand over de paden van het ontvangen gaat, heeft hij geen vaten voor het altruïsme.

Op deze manier, door de “stenen om mee te wegen”, verkrijgt hij beide. Na de onderhandelingen tijdens het werk, als hij overwint en de last van het Koninkrijk der Hemelen via het geven in zijn hart en ziel op zich neemt, als hij de verheven overvloed gaat vermeerderen, ontstaat bij hem de behoefte aan het altruïsme, omdat hij daar al een geschikt fundament voor heeft.

Vandaar dat, indien hij wat licht ontvangt, hij dat al ontvangt alleen omwille van het geven, want het hele fundament van het werk is gebouwd louter op het altruïsme. Dat is wat bedoeld wordt met het ontvangen omwille van het geven.

 

# 29 Wanneer Gedachten tot de Mens Komen

 

Wanneer gedachten tot de mens komen

“De Heer is je schaduw.” Wanneer men denkt, dan denkt de Schepper ook aan hem; en wanneer de Schepper denkt, wordt het “de berg van de Heer” genoemd. Dat is de betekenis van, “Wie zal opstijgen in de berg van de Heer, en wie zal in Zijn heilige plaats staan? Hij die schone handen heeft.” Dit is de betekenis van, “Maar de handen van Moshe waren zwaar, “en een puur hart,” en dit is de betekenis van “hart”.

 

#3 Het Verkrijgen van het Spirituele

Het spirituele – dat is het Ontwaken van Bovenaf, waarom is dan het Ontwaken van Onderaf nodig?

Datgene wat gedaan moet worden om het spirituele te bemachtigen, is buiten het bevattingsvermogen van de mens, want het is buiten het vermogen van het menselijk beredeneren om te kunnen begrijpen (om iets te doen omwille voor iets, oftewel zonder zelf-belang) dat zoiets in de wereld kan bestaan; en dit komt omdat wanneer een mens zich bezighoudt met spirituele handelingen dit in een bepaalde vorm van bevatting resulteerd, (en) als gevolg daarvan zou hij een vorm van voordeel ontvangen voor zichzelf. Maar het spirituele is het licht dat van boven komt, en alleen bij hem wie dit proeft, is het mogelijk om het te begrijpen en te bevatten, en over dit is er gezegd “Proef en zie hoe geweldig de Schepper is”.

Als dat zo is, dan zou men moeten begrijpen wat de reden is dat de mens aanzet om strategien en raad te zoeken om hem te helpen het spirituele te verkrijgen, is het niet duidelijk dat raad tot niets leidt, want als de Schepper hem niet een tweede natuur geeft, genoemd het verlangen om te geven, is het werk van de mens dan nutteloos als het aankomt op het bemachtigen van het spirituele?

Het antwoord luidt, zoals onze rabbi's plachten te zeggen (Avot, hfst 2. vers. 21) “Het is niet aan jou om het werk te voltooien, noch om jezelf er totaal van los van te maken” - wat betekend dat het aan de mens is om te contributeren aan het Ontwaken van Onderaf, wat een gebed inhoudt, want een gebed wordt chisaron genoemd (een mankement, een behoefte aan iets wat men gebrekkig is), en zonder gebrek is er geen opvulling, daarom, als iemand zichzelf gebrekkig voelt in het bemachtigen van het spirituele, dan is zijn gebrek beantwoord van boven (als antwoord tot zijn ontwaken van benedenaf, gebed), en dan komt het antwoord op het gebed van boven, oftewel, hij ontvangt een vulling voor zijn gebrek; oftewel de bijdrage van de mens is nodig om van de Schepper het (manifestatie van, aspect van) spirituele te bemachtigen, alhoewel het alleen een manifestatie van een gebrek is en van een vat, en de vulling, hoewel het bemachtigd is door de mens zelf, is het een geschenk van de Schepper.

Uiteraard moet het gebed een volhartig gebed zijn, oftewel, vanuit het diepste van het hart, wat betekend dat de persoon voor honderd procent weet dat er absoluut niemand in de wereld is die hem kan helpen, behalve de Schepper, Hijzelf, en hoe kan de mens dit weten – dat er niemand is die hem kan helpen, behalve de Schepper, in Zijn Glorie and door Hemzelf? - deze kennis is specifiek door de mens verkregen wanneer hij al het mogelijke tot zijn beschikking heeft gebruikt en dat allemaal zonder resultaat; daarom, is het aan de mens om al het mogelijke te doen, omwille van het bereiken van een manifestatie van het spirituele. Dan is het hem mogelijk gemaakt om vanuit de diepten van zijn hart te bidden, en dan hoort de Schepper zijn gebed.

Hoe dan ook men moet weten dat op het moment men een inspanning maakt om de manifestatie van het spirituele te bemachtigen, dat hij het op zich moet nemen om te dienen omwille van het geven, voor het enige doel, oftewel, alles is omwille van het geven en niet voor zichzelf wat dan ook, en alleen dan begint hij te zien, dat zijn ledematen niet met het doel van zijn gedachten meewerken, en vanuit dit is het hem gegeven om tot een duidelijk begrijpen te komen dat hij geen alternatief heeft dan zijn hart uit te gieten tot de Schepper opdat Hij hem mocht helpen zodat het lichaam zal meewerken en zichzelf zonder enige voorwaarden zal onderwerpen aan de Schepper. Wanneer hij realiseerd dat het buiten zijn macht valt om zijn lichaam aan te sporen zich volledig over te geven, dan, precies op dat moment realiseerd hij zich dat er geen hoop is – dan is het lichaam er zelf mee eens om omwille voor de Schepper te werken; op deze manier kan zijn gebed de diepten vormen van zijn hart en dan is zijn gebed verhoord.

En weet dat door het verkrijgen van een manifestatie van het spirituele, hij zijn slechte beginsel doodt, want het slechte beginsel is het verlangen om te ontvangen, en door dit, dat hij het verlangen om te geven verkrijgt, lost hij (tegelijkertijd) het verlangen om te ontvangen op en ontneemt het van enig herstel, en dit is alsof hij het gedood heeft, want door dat presenteerd de mogelijkheid om te zondigen zichzelf, en hij heeft geen herstel (om vanuit zijn wil om te ontvangen te handelen, oftewel, het slechte beginsel) want hij heeft verdere samenwerking uitgesloten en als onbruikbaar bestempeld; het is alsof hij het gedood heeft.

En wanneer de ziel van de mens zich afvraagt - “Wat heeft hij verkregen van het harde werken dat hij zo hard onder de zon werkte”; dan kunnen we zien dat het niet zo moeilijk is om zichzelf tot de Schepper te onderwerpen, (en dit is) om twee redenen: 1) of hij het nou wilt of niet, het is een vanzelfsprekende conclusie dat hij moet werken in deze wereld (om zoiezo iets te bereiken), en wat houdt hij er aan over aan al dat harde werken? 2) als de mens de Schepper dient, ontvangt hij ook vergenoegen op het moment van zijn werk, volgens de parabel van de Magid van Dubnov, (een legendarische rondtrekkende prediker die zijn luisteraars op de manieren van goed gedrag begeleidde), welke les gaf over de volgende vers “Het was niet ik die vroeg Jakov, wanneer jij hard voor Me werkte, Jisrael” daar mee zeggende dat het vergelijkbaar is met het verhaal van de koopman welke van de trein afstapte met een klein pakketje en het neerzette bij de plaats waar alle koopmannen hun pakketjes lieten; de portiers kwamen om de pakketen over te brengen en bij het hotel waar de koopmannen verbleven te brengen, en de portier dacht dat zulks een klein pakketje wel zou worden gedragen worden door de koopman zelf, en dat er geen portier voor nodig is. Daarom, nam hij zich een groot pakketje en de koopman wilde hem een kleine som geld geven zoals hij gewoonlijk altijd gaf (voor zijn kleine pakketje), en de portier wilde het niet accepteren, en hij zei: “Ik bracht een groot pakket in de opslagplaats wat me zo erg vermoeide, en met moeite droeg ik dit pakket, en jij wilt me een kleine beloning voor dit alles geven?”

En dit is overeenkomstig wanneer iemand komt en zegt dat hij grote inspanningen heeft gedaan in het vervullen van de wil van God, De Gezegende beantwoord hem: "Ik was het niet die naar Jakob vroeg", oftewel, je nam niet mijn pakket – dit moet het pakket zijn van iemand anders, waarmee je zegt dat je veel in de Thora en de mitswot hebt gezwoegd (wijsheid en goede daden) er moet wel een andere werkgever zijn waar je voor zwoegde, ga daarom naar hem zodat hij je kan betalen, en zo eindigd de vers "wanneer je voor Mij zwoeg, Israel" wat ons verteld, wie in nabijheid van de Schepper dient, heeft geen zwaar werk (om over te klagen), eerder, integendeel, vergenoegen en de verheven geest zijn de zijne, wat niet het geval is voor wie voor andere doeleinden dient – hij mag niet met klachten tot de Schepper komen (daar mee bedoelende) waarom de Schepper niet zijn dienst begunstigde – dat hij niet omwille van de Schepper diende waardoor hij niet voor die service wordt begunstigd – maar hij kan met zijn klacht naar diegene gaan waarvoor hij werkte, zodat ze hem vergenoegen en leven mogen geven; en zeggende dat het niet L'Shma is, zijn er vele taken (werken), daarom moet een mens vanuit die taak beweren omwille voor wie hij diende, zodat die taak waarmee hij omwille van hem diende zijn beloning kan geven, oftewel, vergenoeging en leven, over hen (dienaars) zegt de vers "Wie hen maken zullen zoals hen (idolen, afgodsbeelden) zijn, allen die in hen vertrouwen" (zij die lege dingen dienen zullen leeg achterblijven).

Maar volgens dit komt er een probleem te boven – hebben we niet gezien, zelfs in die periode wanneer de mens het op zich neemt om het juk van het Koninkrijk der Hemelen op zich te nemen, zonder een andere intentie, en niettemin voelt hij geen leven (enthousiasme ten tijde van zijn dienst), waar we zeiden dat dit (ontvangen van vergenoegen en) leven van de mens eist om het juk van het Koninkrijk der Hemelen op zich te nemen, en in dit geval accepteerd hij weldegelijk het juk (alhoewel) alleen door het geloof boven verstand, oftewel, hij deed dit door wilskracht en niet uit zijn goede gezindheid (het verlangen om te geven, daarom voelt hij geen enthousiasme of inspiratie in zijn werk en integendeel) blijft er de vraag over waarom hij zoveel moeite vind in het zwoegen, zoveel dat het lichaam onophoudend een moment zoekt om zichzelf van dit werk te bevrijden, daar waar de mens geen leven voelt in dit werk en volgens hetgene wat we hierboven hebben besproken, wanneer de mens oprecht dient (zonder een beloning te verwachten), heeft hij geen ander doel dan te dienen omwille van het geven, mocht dat zo zijn, waarom geeft de Schepper hem dan geen smaak en enthousiasme voor dit werk?

En het antwoord eist diegene te laten weten dat deze kwestie een grote tikoen (correctie) is want zo niet, oftewel, als het zo was dat het licht en het leven gelijk zou schijnen op het moment de mens het juk van het Koninkrijk der Hemelen zou accepteren, dan zou het leven (automatisch) in zijn eigen belang zijn, en dan zou de wens om te ontvangen ook overeenstemmen met deze dienst, het zou dan overduidelijk zijn waarom hij overeenstemt, want is het weldegelijk zo omdat hij wilt plezieren, hij zou bijvoorbeeld graag willen dienen om zichzelf te bevoordelen, mocht het zo zijn, dan zou er geen mogelijkheid bestaan om L'shma te bemachtigen. Want elke mens zou dan uit eigenbelang dienen, omdat hij in het werk omwille voor de Schepper meer vergenoegen vind dan van materieele genietingen, mocht het zo zijn dan zou de mens verblijven in eigenliefde, zo is het omdat hij content zou zijn in dergelijke werk, en daar waar er tevredenheid is wilt een mens niets doen waar er geen belofte is voor voordeel, een mens wilt niet werken, oftewel, als een persoon tevredenheid zou ontvangen voor deze dienst dan zou hij in eigenbelang verblijven (want er zou niets zijn om in het spirituele te bemachtigen)

Dit zou vergelijkbaar zijn met mensen die een dief achterna zitten om te vangen, waar zij schreeuwen "dief, dief"; dan rent de dief ook rond en roept "dief, dief", daarmede het onmogelijk te maken wie de ware dief is en hem te stoppen om het gestolen object van zijn hand te bemachtigen. Maar wanneer de dief, oftewel, de wens om te ontvangen geen smaak of leven vind in het werk van het juk van de Koninkrijk der Hemelen – daar waar de persoon dient vanuit geloof boven verstand – door zichzelf te dwingen (zonder enthousiasme), en het lichaam gewend aan dit werk (tegen zijn wil), tegen de wens om te ontvangen, dan heeft men de mogelijkheid om te kunnen dienen omwille van het geven van spiritueel vergenoegen aan zijn schepper; daar wat het essentiele is wat van de mens wordt gevraagd is dat door zijn dienst hij tot d'vekut komt (hechten aan God, eenheid met de Schepper) welke een manifestatie is van hish'taavot ha'tsura ( de kwaliteit van zijn daden komt overeen met of gelijk aan de kwaliteit van de daden van de Schepper), al zijn daden zijn omwille van het geven.

En dit is wat de vers bedoelde wanneer het zei "dan zult u zich op de Schepper verrukken", welke interpretatie luidt dat "dan" naar het begin van de dienst wijst wanneer hij geen vergenoegen heeft, integendeel, zijn dienst is een gedwongen dienst, wat niet het geval is nadien, wanneer hij zich al heeft aangepast aan het werken omwille van het geven, maar integendeel hij gelooft dat hij dient om spirituele genietingen te geven aan zijn Schepper, en men moet geloven dat de Schepper het werk van de mens accepteerd en hij moet niet denken aan de kwantiteit of kwaliteit van het werk, in alles kijkt de Schepper naar de intentie van het hart en hiervan ondervindt de schepper spirituele genieting, dan lukt het de mens om de Schepper te vergenoegen, want ook tijdens het dienen van de Schepper voelt hij al smaak en vergenoegen, daar de mens nu de Schepper dient, door het zwoegen dat hij gedaan heeft tijdens het gedwongen werk maakt een persoon rijp om werkelijk omwille voor de Schepper te doen, oftewel, het vergenoegen dat hij ontvangt is dan specifiek van de Schepper.

 

#42 Wat is het Acroniem ELUL in het Werk?

Om het te kunnen begrijpen moeten we eerst verscheidene andere dingen begrijpen.

1.      De kwestie "Koningschap", de herinneringen, de horens van de ram en wat de betekenis is van wat onze wijzen van gezegende nagedachtenis hebben gezegd, “hef jouw wil op tegenover die van Hem zodat Hij Zijn wil opheft tegenover die van jou.”

2.      De woorden van onze wijzen, “Kwaad, onmiddelijk tot dood, en rechtvaardig, onmiddelijk tot leven.”

3.      De vers, “De zonen van Gerson: Libnie en Sjimej.”

4.      De woorden van de Heilige Zohar: Joed is een zwart puntje dat geen wit in zich heeft.”

5.      Malchoet van de Hogere wordt de Kether van de lagere.

6.      Wat is dat vreugde getuigd dat het werk in volledigheid is.

Al deze dingen vinden plaats tijdens de voorbereidingen van de maand Elul.

TOm alles wat hierboven is geschreven te kunnen begrijpen moeten we begrijpen wat het doel van de schepping is, waarover gezegd is dat het bestaat omdat Hij Zijn schepselen goed wenst te doen, en vanwege de Tiekoen (let. Correctie), zodat er geen kwestie zal bestaan als in het “brood van schaamte”. Er vond een Tsiemtsoem (let. Beperking) plaats en als gevolg daarvan ontstond er een Masach (let. Scherm).

ThAldus veranderen de vaten van ontvangst in de vaten van het geven; en wanneer de vaten voorbereid zijn om te gaan geven, wordt het verborgen en waardevolle Licht voor de schepselen onmiddelijk ontvangen. Dit betekend dat men het genoegen en genot dat in de scheppingsgedachte bevindt ontvangt.

Hiermee kunnen we dus begrijpen wat er bedoelt wordt met, “hef jouw wil op voor die van Hem.” Het betekend dat men de wens on te ontvangen in zichzelf opheft voor de wens om te geven, dat de wil van de Schepper is.

TDit betekend dat men de liefde voor zichzelf opheft voor de liefde voor G’d. Dit wordt het opheffen van zichzelf voor de Schepper genoemd en wordt ookwel Dvekoet (let. Aanhechting) genoemd. Hierna kan de Schepper in de wens om te ontvangen schijnen daar het nu gecorrigeerd is in de vorm van het ontvangen omwille van het geven.

ThDit is de betekenis van, “zodat Hij Zijn wil opheft voor die van jou.” Dit betekend dat de Schepper Zijn wil opheft, waarmee de Tsiemtsoem (let. Beperking) wordt bedoelt die ontstond door het verschil in eigenschappen. Nu is er echter een gelijkenis naar eigenschappen en is er ook een uitstorting van Licht in het verlangen van de lagere die gecorrigeerd is om te geven. Dit is immers ook het doel van de schepping, om goed te doen aan Zijn schepselen. Nu kan dit ook worden uitgevoerd.

Nu kunnen we de vers, “Ik ben van mijn geliefde”, begrijpen. Het betekend dat door het opheffen van de wens om te ontvangen vóór de Schepper, in de vorm van alleen om te geven, verkrijgt het “en mijn geliefde is van mij.” Het betekend dat Mijn geliefde, dat de Schepper is, mij het genoegen en het genot geeft dat ingesloten is in de scheppingsgedachte. Wat dus eerder was verborgen is nu het onthullen van het Gezicht, waarmee bedoelt wordt dat de scheppingsgedachte onthult is (“Zijn wens om goed te doen aan Zijn schepselen”).

We moeten weten dat de vaten van het geven, de pure vaten, JH (Joed, Hej), van de naam HaVaJaH (Joed, Hej, Vav, Hej), genoemd worden. Dit is de betekenis van, “Allen die ontvangen, ontvangen het in de pure vaten.” In die toestand wordt men, “en mijn geliefde is van mij,” gegeven en geeft Hij overvloed aan genot aan hen, waarmee de onthulling van het Gezicht wordt bedoelt.

Er is echter nog een voorwaarde: het is onmogelijk een onthulling te verkrijgen voor dat men Achoraïm (let. Achterkant) verkrijgt, dat wordt onderscheiden als de verhulling van het Gezicht en waarbij men zegt dat het voor hem even belangerijk is als de toestand van de onthulling van het Gezicht. Het betekend dus dat men in vreugde moet verblijven alsof hij al het onthullen van het Gezicht heeft verkregen.

Het is echter zo dat men het niet lang uit kan houden in de toestand van verhulling en het niet kan waarderen als de toestand van het onthullen, behalve wanneer men werkt omwille van het geven. Dan kan men immers zeggen, “Het kan mijn niet schelen wat ik tijdens het werk voel omdat het voor me belangerijk is dat ik de Schepper voldoening breng. Als de Schepper begrijpt dat Hij meer voldoening zal hebben wanneer ik voor hem in een vorm van Achoraïm werk, dan ben ik het er mee eens.”

Wanneer men echter nog momenten van ontvangst heeft, dan ontstaan er gedachten die het hem moeilijk maken voor hem te geloven dat de Schepper de wereld regeert op een manier van “goed dat goed doet.” Dit is de betekenis van de letter Joed in de naam HaVaJaH, dat de eerste letter is, genaamd “zwart puntje dat geen wit in zich heeft,” waarmee bedoelt wordt dat het geheel duisternis is en verhulling van het Gezicht.

Het betekend dat men in een toestand komt waar men geen ondersteuning heeft, de toestand wordt zwart, dat overigens als laagste onderscheiding in de Hogere Wereld te onderscheiden valt, en dit wordt de Kether tot de lagere, daar het vat Kether een vat van ontvangst is.

De laagste onderscheiding in het Hogere, Malchoet dat niets van zichzelf heeft, waarmee bedoelt wordt dat het niets bezit, wordt alleen op die manier Malchoet genoemd. Het betekend dat men het Koninkrijk van de Hemelen op zich neemt met vreugd, dat een toestand is van niets van zichzelf hebben, naderhand, wordt datgene het vat Kether, dat het vat van geven is.

Het is zoals in de vers, “Want de wegen van de Heer zijn juist, en de rechtvaardigen belopen ze; maar de overtreders struikelen erover.” Het betekend dat de overtreders diegene zijn die onder de macht vallen van de vaten van ontvangst. Zij moeten vallen en onder de last kruipen wanneer zij tot die toestand komen.

De rechtvaardigen echter, waarmee diegenen bedoelt worden die in de toestand van het  geven verkeren, worden hierdoor verheven en krijgen daarmee de vaten van ontvangst. (Slechterikken zouden moeten worden geïnterpreteerd als diegenen wiens hart niet gericht zijn op het verkrijgen van de vaten van het geven, en de rechtvaardigen als diegenen die al gericht zijn op het verkrijgen van de vaten van het geven, maar het nog niet kunnen).

Het is zoals het in de Heilige Zohar staat geschreven dat de Sjchiena tot Rashbi (Rabbi Sjimon bar Jochai) zei, “Er is geen plaats voor jou te verbergen,” en dit is waarom zij tot hem verschijnt. Dit is de betekenis van wat Rashbi zei, “daarom, en Zijn verlangen is tot mij gericht,” en dit is, “ik ben van mijn geliefde en mijn geliefde is van mij,” en dan verkrijgt hij de VH (Vav, Hej).

Dit is wat er bedoelt wordt met de Naam die onvolledig is, en de troon die niet volledig is zonder dat de Hej  aan de Vav aanhecht. De Hej  wordt de wens om te ontvangen genoemd, dat uiteindelijk de laatste vat is waar de Vav aan zal geven, en dan zal het einde van de correctie zijn.

Dit is de betekenis van “rechtvaardigen, gelijk tot leven.” Dat betekend dat de persoon zelf zou moeten zeggen in welk boek hij zijn naam wilt laten opschrijven. Is het het boek van de rechtvaardigen, waarmee bedoelt wordt dat hij de wens om te geven wilt verkrijgen, of niet, aangezien er vele onderscheidingen te vinden zijn m.b.t. de wens om te geven? Met andere woorden, soms zegt men, “Ja, ik wil de wens om te geven, maar ik wil de wens om te ontvangen in zijn geheel niet opheffen. Die persoon wilt twee werelden voor zichzelf, hij wilt ook nog eens de wens om te geven om zelfzuchtig genot.

Alleen zij die hun wens om te ontvangen willen omzetten in geven en niets voor zichzelf wensen te ontvangen worden in het boek van de rechtvaardigen geschreven. Het is als dat er geen ruimte bestaat voor iemand om te zeggen, “Als ik wist dat de wens om te ontvangen zou moeten worden opgeheven, dan zou ik hier niet voor hebben gevraagd,” (zodat hij niet naderhand zegt, “Dit is niet wat ik wilde”).

Men moet duidelijk zeggen wat men bedoelt met het worden opgeschreven in het boek van de rechtvaardigen, zodat hij naderhand niet zal klagen.

We moeten weten dat in het werk, het boek van de rechtvaardigen en het boek van de kwaden in dezelfde persoon te vinden zijn. Het betekend dat men een keuze moet maken en duidelijk moet weten wat hij wilt, aangezien de kwade en rechtvaardige zich in dezelfde persoon bevinden.

Men moet zeggen of hij in het boek van de rechtvaardige geschreven wilt worden, om onmiddelijk voor het leven te zijn, waarmij het aanhechten aan het Leven der Levens bedoelt wordt, dat hij alles omwille voor de Schepper wilt doen. Met als toevoeging, dat wanneer men opgeschreven wordt in het boek van de kwaden, waar allen die voor zichzelf wensen te ontvangen worden geregistreerd, dan zegt men dat zij daar onmiddelijk als dood worden opgeschreven, waarmee de wens om voor zichzelf te ontvangen zal worden opgeheven, alsof het afstierf.

Men is soms echter in twijfels. Met andere woorden, men wilt niet dat zijn wens om te ontvangen onmiddelijk wordt opgeheven. Het is moeilijk voor hem om te beslissen dat zelfs maar één enkele fractie van de wens om te ontvangen onmiddelijk wordt opgeheven, waarmee bedoelt wordt dat al zijn verlangens om te ontvangen onmiddelijk worden opgeheven.

In plaats daarvan wilt men dat zijn momenten van ontvangen geleidelijk in hem worden opgeheven, langzaam, niet in eens, waarmee eigenlijk bedoelt wordt dat de vaten van ontvangst soms wel in gebruik zijn en soms de vaten van het geven. Het moge duidelijk zijn dat deze persoon geen sterk en duidelijke visie heeft.

Een sterke visie is dat aan de ene kant hij claimt, het is allemaal van mij, waarmee bedoelt wordt voor het doel van de wens om te ontvangen. Aan de andere kant claimt hij dat het geheel voor de Schepper is, en dit wordt een sterke visie genoemd. Wat kan men echter doen wanneer het lichaam er niet mee eens is om geheel voor de Schepper te zijn?

Over die toestand kun je zeggen dat deze persoon alles voor de Schepper doet wat hij kan, waarmee bedoelt wordt dat hij tot de Schepper bidt om hem te helpen al zijn verlangens te gebruiken omwille van de Schepper. Hiervoor bidden wij als in, “Herinner ons voor het leven en schrijf ons in het boek van het leven.”

Dit is waarom er staat geschreven, “Malchoet”, waarmee bedoelt wordt dat men de onderscheiding van het zwarte punt, leeg van enig wit, op zich neemt. Dit is de betekenis van ”Hef jouw wil op” zodat Mijn herinnering voor Mij zal opstijgen en dan zal Zijn wil voor jouw wil opgeheven worden. Met wat? Met een hoorn, de hoorn van de Moeder, waarmee bedoelt wordt dat de gehele kwestie van berouw (Tesjoeva) afhangt.

Met andere woorden, als men het zwarte accepteert, moet men proberen dat het op een eervolle manier gaat, en niet op een beschamende manier. Dit wordt “de hoorn van de Moeder” genoemd, dat men het zal beoordelen als een waardige manier.

Vervolgens moeten we interpreteren wat er geschreven staat, “De zonen van Gershon: Libnie en Sjiemej.” Wanneer men ziet dat hij is ontslagen is van het werk, dan moet men weten dat dit door Libnie[2] komt, omdat hij juist het witte wilt. Met andere woorden, wanneer men het witte is gegeven, waarmee bedoelt wordt dat alles wat men doet voor hem doet schijnen, oftewel dat men een goede smaak in Thora en gebed voelt, dan is men pas bereidt om te luisteren en zich toe te wijden tot Thora en Mitsvot.

Dit is de betekenis van Sjiemej[3]. Het betekend dat juist door een vorm van “wit” men kan horen. Tijdens het werk ziet men echter een zwarte vorm en kan men niet overeenkomen om het werk op zich te nemen. Men moet dan worden ontslagen uit de Hal van de Koning, want het ontvangen van de Koninkrijk der Hemelen moet met onvoorwaardelijke overgave zijn.

Wanneer men echter zegt dat hij bereid is om het werk op zich te nemen met de voorwaarde dat het in een vorm van wit is, waarmee bedoelt wordt dat het voor hem schijnt als de dag, en hij het er niet mee eens is wanneer het werk in een zwarte vorm tot hem verschijnt, voor een dergelijk iemand is er geen plaats in de Hal van de Koning. Dit komt omdat zij die wensen te werken om te geven toegelaten worden in de Hal van de Koning, en wanneer men werkt omwille van het geven dan geeft het hem niet wat hij tijdens het werk voelt.

Zelfs in een toestand wanneer men een vorm van zwart zit, dan wordt hij er niet door beïnvloed, maar hij wilt alleen dat de Schepper hem de kracht geeft om de obstakels te overwinnen. Het betekend dat men niet van de Schepper vraagt om hem een vorm van wit te geven, maar de kracht om de verhullingen te overwinnen.

Daarom, die mensen die wensen te werken om te geven, wanneer er altijd een witte toestand is, dan laat het witte toe om verder te gaan in het werk. Dit is omdat wanneer het schijnt, het mogelijk wordt gemaakt om te werken, zelfs in het ontvangen voor zichzelf.

Men zou nooit weten of het werk om het geven is om niet, en dit zorgt er voor dat men nooit Dvekoet (let. Aanhechting) met de Schepper verkrijgt. Om deze reden wordt men een zwarte vorm van boven gegeven, en dan ziet men of zijn werk in puurheid bevindt.

Met andere woorden, wanneer men in vreugde kan verblijven tijdens een zwarte toestand, dan is het een teken dat het werk in puurheid verblijft, aangezien men in vreugde dient te zijn en dient te geloven dat het van boven aan hem de mogelijk gegeven wordt om te werken omwille van het geven.

Dit is zoals onze wijzen hebben gezegd, “Allen die hebzuchtig zijn worden doorgekruist.” Het betekend dat wanneer men verzonken is in het ontvangen voor zichzelf dat men dan doorgekruist wordt, aangezien hij altijd in gebreke verblijft. Hij moet voor altijd zijn vaten van ontvangst opvullen.

Zij die echter op het pad van het geven bevinden zouden altijd in vreugde moeten verblijven, waarmee bedoelt wordt dat wat er ook met hem gebeurt, dat hij in vreugde dient te zijn aangezien zijn intentie is om voor zichzelf te ontvangen. Dit is waarom hij zegt dat hoe dan ook, wanneer men werkelijk werkt om te geven, dan zou men zeker in vreugde zijn dat het hem gegeven is dat hij voldoening geeft aan zijn Schepper.

Wanneer men voelt dat zijn werk niet omwille van het geven is, dan zou men eveneens in vreugde moeten verkeren aangezien hij niets voor zichzelf wilt. Hij is in vreugde dat de wil om te ontvangen geen plezier in dit werk beleeft, en dat zou hem vreugde moeten geven. Wanneer men echter denkt dat hij ook voordeel voor zichzelf in dit werk zal ontvangen dan laat men de Sitra Achra

[1] ELUL is een acroniem van de vers “Ik ben van mijn geliefde en mijn geliefde is van mij.”

[2] Een woord dat klinkt als het Hebreeuwse woord Lavan (let. Wit)..

[3] Een woord dat klinkt als het Hebreeuwse woord Sjiemieja (let. Horen).

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
JPAGE_CURRENT_OF_TOTAL

Library

Delen